terug naar menu
Mijn bekeringsverhaal

Heb je er ooit wel eens één gehoord dat niet bijzonder was?

De sfeer en omstandigheden waarin ik opgroeide was die van de flink
behoudende reformatorische gezindte. Er zat voor mij geen enkele
stimulans in om geloven ook maar iets voor mezelf te vinden. Angst voor de
hel was altijd drukkend op de achtergrond aanwezig, maar was ook heel erg
fatalistisch en relatief. In onze reformatorische beleving was het leven een
wekker die bleef tikken, totdat het tijd was dat men de bel zou laten rinkelen
en dan...
Misschien dat er van tevoren iets in je geloofsbeleving door een
bovennatuurlijk ingrijpen van Hogerhand zou gebeuren en dan had je
mazzel. Misschien gebeurde het niet en dat betekende dan echt grote dikke
pech. Dan zou na dit aardse leven een eeuwig leven overblijven in de
duisternis die volgens onze geloofsbeleving zou bestaan uit nooit
ophoudende marteling die voornamelijk bestond uit hitte en brandend vuur.
In mijn beleving van 15-19-jarige stond het vast dat ik me als volwassene zou
ontworstelen aan het strakke keurslijf en in ieder geval de leuke dingen van
het leven zou proberen mee te maken.

Het liep eerst anders. Mijn broer Simon was de eerste van ons gezin die op
een andere manier met het geloof om ging. Hij is tot geloof gekomen en
heeft zich al in de 70 er jaren bij een evangelische kerkelijke gemeente
aangesloten. Dat had op de rest van ons gezin invloed, zij het dat het niet
altijd even prettig was. De enorme, dramatische, geladen avonden vol
discussie over volwassendoop of kinderdoop zijn nog steeds een onprettige
jeugdherinneringen.

Ik zakte voor mijn gevoel steeds verder weg in een sombere gedachten over
de zin van het bestaan. Ik twijfelde erg aan het bestaan van God. Ik kon me
niets voorstellen bij een persoonlijke God die zich ook nog iets van zijn
schepselen aantrok. Voor mij hoefde het allemaal niet en ik snakte naar het
moment dat ik bevrijd van ouderlijk gezag, me in het volle leven kon storten.
Op de achtergrond bleef er wel enige diepgang knagen en was de grote
vraag van de zin van het bestaan er wel een voor mij. Ik kwam er zelf niet uit.
Van mijn broer Simon kreeg ik toen een boekje: A. E. Wilder Smith, 'Wie
denkt, móet geloven'. Een boekje geschreven door een professor. Het vertelt
het verhaal van Neanderthalers die nog nooit met beschaving in aanraking
zijn gekomen en die dan door een gecrasht vliegtuig en een
reddingsoperatie wel met beschaving in aanraking kwamen.

De gesprekken tussen de inboorlingen die met een zo zuiver besef van het
bestaan van een Hogere macht te maken kregen met het ongeloof van de
zogenaamd beschaafde reddingswerkers, maakten mij duidelijk: God
bestaat! En hij wil door mensen gediend worden.
Toen ik tot die conclusie kwam, ben ik de hond uitgaan laten en in het park
heb ik toen een onbeholpen gebed van overgave gebeden. Er gebeurde geen
zichtbaar wonder, maar ik ervoer wel een bepaalde rust die me het
verlangen gaf te zingen. De trage psalmen die ik kon waren niet de juiste
liederen. De 'bundel opwekking', een liedbundel met evangelische
lofliederen bestond toen nog niet volgens mij. Binnen in me zong een
Paaslied: daar juicht een toon, daar klinkt een stem, die galmt door gans in
Jeruzalem, enzovoort.

Ik probeerde aan mijn vader uit te leggen dat er iets was veranderd. Ik
begon met te vertellen dat ik op het punt was gekomen dat ik eigenlijk niet
meer in het bestaan van God geloofde. Daar werd hij erg boos om. Toen ik
vervolgde dat ik gelukkig tot een ander inzicht was gekomen, daarop liet hij
me weten dat het maar een 'onbetekenend rimpeltje aan de oppervlakte was
van mijn zielenroerselen'. Ik moest vooral niet denken dat het iets te
betekenen had gehad en maar blijven hopen en bidden dat het misschien in
de toekomst ooit nog eens "echt mocht komen staan te gebeuren"...

Daar zat ik dan. Voor mezelf toch wel echt overtuigd dat ik tot geloof was
gekomen, maar door mijn directe omgeving daar niet in geaccepteerd (door
mijn broer Simon natuurlijk wel). Ik ben een paar dagen bij mijn broer gaan
logeren (hij woonde toen in Aalsmeer), heerlijk opgebouwd met
cassettebandjes met muziek van Don Francisco (gospelzanger) en The
Young Messiah teruggekeerd.

Het viel niet mee om mijn weg te vinden als gelovige in de gereformeerde
gemeente. Nu was ik ook toen niet zo'n prater, dus ik zocht veel alleen uit.
Ik was blij met mijn nieuwe leven, maar het viel niet mee om er richting aan
te geven en ik weet er ook niet in gestimuleerd. Naast de bandjes met
muziek die ik van Simon had gekregen, had ik ook veel troost aan de muziek
van Bob Dylan. Daar was ik op de MAVO al groot fan van en ik had een paar
LP's van hem. Toen ik op de HAVO zat, kwam hij plotseling en erg radicaal
tot geloof. Een anderhalf jaar voordat ikzelf daartoe kwam. Ik verloor hem
toen even uit het oog. Nu ikzelf ook gelovig was geworden heb ik in één keer
in zijn eerste twee gospel elpees gekocht. Ik krijg nu soms nog dezelfde
rillingen als toen, als ik het nummer "SAVED"van de gelijknamige lp nog
wel eens draai.

I was blinded by the devil,
Born already ruined,
Stone-cold dead
As I stepped out of the womb.
By His grace I have been touched,
By His word I have been healed,
By His hand I've been delivered,
By His spirit I've been sealed.

I've been saved
By the blood of the lamb,
Saved
By the blood of the lamb,
Saved,
Saved,
And I'm so glad.
Yes, I'm so glad,
I'm so glad,
So glad,
I want to thank You, Lord,
I just want to thank You, Lord,
Thank You, Lord.


Magistraal en magnifiek! Dat verwoordde precies wat ik voelde. De
bijbehorende muziek was volledig in overeenstemming. Zo iets moois had ik
nog nooit gehoord.

Het bleef niet zo...

Ik straalde voor de opleiding aan de pedagogische academie. Nu kan ik toen
de eerste verschijnselen van MS duiden, op dat moment was het me
volstrekt niet duidelijk en voelde ik me slechts mislukt.

Ik ging het huis uit en werken in de gezondheidszorg (zwakzinnigenzorg op
de dr. mr. Willem van de Berghstichting in Noordwijk). Lekker ver van huis.
En ik zou wel eens aan de hele wereld en aan mijn geboortedorpje
Hendrik-Ido-Ambacht en aan mijn familie laten zien hoe je als gelovige
jongen een succesvol leven kon leiden...

Je voelt de bui waarschijnlijk al hangen. Ik ben in mijn vrijheid zegge en
schrijven één keer naar de kerk geweest. Niet gewend om over mijn geloof
te praten en vanuit mijn achtergrond nooit geweten wat het is en hoe het zou
moeten om aan anderen er van te getuigen, heb ik dat een van de eerste en
beste gelegenheden al achterwege gelaten. Daarna werd het steeds
makkelijker om mijn ongeveer een jaar geleden verworven geloof te
verloochenen. Diep in mijn hart geloofde ik nog wel vaag, maar het had geen
enkele waarde meer voor me. Mijn bekering werd een polisje van de
verzekering dat misschien ooit nog wel eens waarde zou krijgen. Mijn geloof
vervaagde zo ver weg, dat de twijfel weer op kwam zetten.

Omdat het verder ook wel een heel gezellige tijd was, knaagde het niet zo
erg. Ik dacht er gewoon niet meer over na. En als ik er wel eens aan dacht,
was het weer met de fatalistische refogedachte dat als God echt wat met mij
wou en het goede met me voorhad, hij al eens met me was begonnen en dat
hij het ook wel zou afmaken...

Dat deed hij ook, maar op een manier die ik me toen nog niet voor kon
stellen.

Van iets te dikke jongen met bril en een slecht ontwikkelde persoonlijkheid
was ik veranderd. De bril sloopte een gedragsgestoorde bewoner op de
stichting. Ik viel een paar kilootjes af en MS gaat met vlagen. Ik had in 1983
een goed jaar! Ik haalde in anderhalf jaar tijd de schade van een bekrompen
jeugd in. De leuke dingen van het leven zocht ik in een leven met een
heleboel leuke mensen, kroegen, biertjes, vrienden, vriendinnen...

Ik kwam Petra tegen en we vielen op mekaar en we hadden een heel erg
leuke tijd, dachten we. Ze kwam uit Brabant en haar ouders waren
rooms-katholiek en van zelf zij ook. O, dacht ik in mijn onnadenkende
fatalistische achteloosheid. Dat is natuurlijk een plannetje van God. Hij laat
dat arme verloren zondaresje een uitverkoren kind van hem tegenkomen en
later redt hij haar door mij heen. Dan had hij eerst aan mij nog wel wat
herstelwerk te verrichten, maar dat was van absoluut latere zorg. Eerst
lachen, en uitgaan en een heleboel drank wat nog achterover moest worden
geslagen.

We gingen met elkaar om sinds de zomer van 1983 en 1 januari 1984 te
huurden we samen een vakantiewoning om permanent te bewonen. Ik
vertelde niks aan mijn ouders en we rolden zo het nieuwe jaar in met de ene
leugen naar de andere. Halverwege dat jaar kondigde zich langzamerhand
weer een slechtere periode aan voor wat betreft mijn gezondheid. Ik was
moe. Ik zag heel slecht (dubbelzien is vaak één van de eerste klachten bij
MS). Mijn sociale vaardigheden verslechteren. Er knaagde van alles. Ik werd
steeds somberder en probeerde toch luchtig te blijven. Geloof zwoor ik af. Ik
deed er niks meer aan en praktiseerde eigenlijk het tegendeel. Ik was
vreselijk grof in de bek. Ik denk dat mensen uit die tijd mij nog slechts
herinneren als een vloekende tierende, vreselijk veel drinkende, alleen voor
het 'voetbalsupporter zijn' levende niksnut herinneren. Omdat mijn ouders
hevig schrokken van ons 'hokken', gaven we toe en besloten we halsoverkop
te trouwen. Bepaald niet romantisch, maar om ieder gesprek en iedere
noodzaak tot verdediging te vermijden kozen we in alles de makkelijkste
weg en trouwen was dat op dat moment.

Ons leven als pas getrouwd stel kende weinig leuke momenten. Ik straalde
weer voor de opleiding waar ik mee bezig was (de eerste twee semesters was
ik de beste van de klas geweest, toen werd het minder en zakte ik twee keer
en moest ik weg). Ik mocht nog wel als ongediplomeerde blijven werken tot
ik wat anders had gevonden. Het was een dieptepunt in mijn leven waarin ik
God alleen nog maar zag als zwijgende nkszegger die ik van alles kwalijk
nam, zonder te weten wat nou eigenlijk. Hij had me toch moeten gebruiken
om Petra te bekeren en die ellende die me overkwam had hij toch simpel
kunnen voorkomen?

Zoals ik al eerder zei, gingen dingen vaak zo anders als dat ik kon
bedenken.

We werden uitgenodigd door mijn broer Simon om een kerkdienst bij te
wonen in hun kerkelijke gemeente waar Simon zelf zou 'voorgaan' of
spreken, of preken, hoe je het ook noemen wil. Ze zouden in deze dienst ook
hun dochtertje 'opdragen'. Voor mij hoefde het niet zo. Ik geloofde echt
helemaal niks meer. Bovendien speelde Feyenoord tegen Ajax of zo en dat
vond ik veel belangrijker. Petra ging wel, uit beleefdheid.
We kwamen samen thuis, ik van het voetballen en Petra van de
samenkomst. "Ger, wat ik daar gehoord heb, was mooi. Dat wil ik ook
hebben".

Toen ik dat hoorde uit haar mond sprongen de tranen in mijn ogen en
welden grote vloeken in me op. Hoe was het mogelijk? Het scenario waar ik
nog altijd een klein beetje rekening mee hield, voorzag erin dat ik Petra zou
binnenleiden in het geloof. Het voorzag er absoluut niet in dat Petra en eigen
eerste stap daarin zou nemen, terwijl het voor mij zo definitief van de baan
leek te zijn. Ik heb me ervan afgekeerd en wilde er niet over praten. Ik
verdrong het en Petra drong ook niet echt aan. We rommelden nog een
poosje door en ons, in ieder geval mijn leven verdronk steeds meer in diepe
duisternis.

Ik hoopte dat ik dood zou gaan, voor mij hoefde echt helemaal niks meer. Ik
stak regelmatig een erg drukke weg over, zonder te kijken. Ik verzoop wat
er nog overbleef van mijn leven in liters bier en jenever. 20 november 1986
ging ik met vrienden naar de interland Nederland - Polen in Amsterdam.
Een druilerig natte avond zonder een spoortje vreugde (uitslag 0-0). Na
afloop wij de binnenstad in en van de ene kroeg naar de andere. De rosse
buurt in en met mijn vermoeide en dronken, driedubbelziende ogen,
vergaapte ik me aan de schijnbare warmte van het bloot achter glas. De
laatste kroeg die we ingingen bleek volgens een omschrijving die ik
tegenkwam toen ik naar het toilet ging, "a place, dedicated to satan" te zijn.
Toen ik terug liep naar mijn vrienden overkwam me iets bizars. De barman,
die me ook de eigenaar leek te zijn, kwam voor me staan en siste me toe:
"weg jij hier, jij hoort hier niet en jouw soort wil ik hier niet hebben". Mijn
vrienden en ik vluchtten min of meer de zaak uit in opperste verwarring. Ik
viel en schaafde gemeen mijn pols op een plaats waar het nu nog wel eens
pijn voel...

Niet begrepen wat me was overkomen kwam ik doodmoe en leeg en vol
verwarring thuis. Ik wist echt helemaal niks meer. Ik werkte in die tijd als
beveiligingsbeambte en bewaakte 's nachts de tunnel die ze aan het bouwen
waren in plaats van de Alblasserdamse brug. Nachten vol eenzaamheid en
mezelf verschrikkelijk ellendig voelen. Alle stof tot nadenken kon drie keer
per nacht de revue passeren. Ik kwam er niet uit…

29 november 1986 vierde ik mijn verjaardag. Mijn broer Simon kwam langs
(we woonden inmiddels in Zwijndrecht) en bleef als laatste. We woonden
toen op een flat. Aan het einde van de avond kwam het naar aanleiding van
de lichtjes van de flat een eind verder op tussen Simon en mij tot een
cynische vraag van mij of hij nou werkelijk geloofde dat God ieder leven
achter die deuren daar zou kennen en er iets van zou willen. Toen Simon
bemerkte dat ik vol wrok en ongeloof en in ieder geval onwelbevinden zat,
sprak hij de juiste woorden. Heel mijn verloochende geloof wist hij te
herleiden naar Petrus die Jezus tegen kwam na de opstanding van Jezus.
Toen hij de beelden schilderde hoe de Heer daar stond met wijdopen armen
om de zondaar weer in genade aan te nemen, brak ik.

Voorzichtig zijn Petra en ik daarna op weggegaan en een zoektocht die ons
bracht waar we nu zijn. O, nog een paar omwegen. Nog heel wat zwakke
momenten. Nog een paar heel stomme dingen gedaan. Maar uiteindelijk
zijn we wat we nu zijn. Gods genade is voor ons genoeg.