HOLLANDSE GEDICHTEN


DE MOEDER DE VROUW

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd-
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer kwam 
langzaamaan stroom af door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o dat daar mijn moeder voer.

Prijs God zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

Martinus Nijhoff


WAS HET BOMMEL
Over literatuur en werkelijkheid

Ik zie een fietser in het hoge middaglicht
een vlek in de uiterwaarden, vanuit de trein.
het is een groen en glanzend vergezicht
en maakt de mens onmetelijk klein.

De fietser heeft misschien zijn oog gericht
op de trein, vanuit zijn verte een dunne gele lijn;
hij twijfelt en overweegt, is dit nu een gedicht?
Kan het meer dan zo maar een zomermiddag zijn?

De trein raast voort en voort en jakkert
over een oude spoorbrug met luid gerucht
terwijl het poëtisch visioen verdwijnt.

De brug die licht en donker flakkert
staat tegen de verre blauwe lucht,
terwijl staccato het vers ondermijnt

M.J.M. de Haan


 

ZOMER IN DE POLDER

Een vlindertje fladderde vrolijk voorbij,
het land lag zo stralend, het land lag zo blij
beneden den glanzenden dijk,
met koren zo blond en met blommen zo blauw,
daarover de lichte hemellandouw,
o Holland, wat voel ik me rijk !

Een zonnige hoeve, omlijst door het loof,
daarachter het goud in de glanzende schoof,
gereed voor de wachtende schuur,
een weide met jolig en helder vee,
en wonderlijk doet er een korenzee
aan somberen boom en muur.

Daar duikelt een molen uit zilveren plas,
een visschertje staat er te dromen in 't gras,
een man met een koe op den dijk,
daar rukt er een blatende geit aan een touw
bezijden de beek met de spoelende vrouw,-
o Holland, wat maak je me rijk !-

Agatha Seger

Ik sta voor 't huis waar ik geboren ben.
Een stille straat, trillend in zomerzon.
Terug na vele jaren, zoek de bron.
Maar vind slechts kilte, niets dat ik herken.

Die vreemde deur, dat hekje, die gordijnen,
Een nietszeggende naam, een elektrische bel.
De hemel die ik dacht wordt langzaam hel.
Hoe kan in zestig jaar een jongensdroom verdwijnen?

Maar achter in de tuin, de oude boom,
en vlak ernaast bloeien nog de seringen.
Mijn hand beroert de stam als in een droom.

Heel langzaam keert het beeld van vroeger weer.
Ik sluit mijn ogen en hoor als weleer,
mijn moeder zachtjes kinderversjes zingen

(Joop Komen 2 oktber 1999)


HOLLAND

De hemel grootsch en grauw.
daaronder het geweldig laagland met de plassen;
boomen en molens, kerktorens en kassen,
verkaveld door de slooten, zilvergrauw.

dit is mijn land, mijn volk;
dit is de ruimte waarin ik wil klinken.
laat mij één avond in de plassen blinken,
daarna mag ik verdampen als een wolk.

-H.Marsman -

LANDSCHAP

Grijze wilgen over 't water;
'n Visser die daar rustig tuurt;
Enkele eenden met gesnater
Om dat wonder in hun buurt...

Zonlicht door het lage lover;
Middag die in rust vergaat;
En de hoge hemel over
't Weiland dat in trilling staat

In mij rijst het stil ontroeren
Van dit over-schone land,
Waar van ver de blauwe boeren
Langzaam maaien, zwaar van hand ...

- J. Zeldenthuis -
 

 


HOLLANDIA

Hier wordt de neus nooit langer dan 'ie was,
geen uitzicht voor wie net iets verder kijkt,
dit is het landje van het korte gras,
en wee... de spriet die net iets hoger reikt.

Toon Hermans

 

                   


"En het Brabant dat men gedroomd heeft, 
daar komt de werkelijk soms heel dichtbij"

Vincent van Gogh
Brief 386, 15 mei 1884

 

 


VERSJE

Dat Nederland zo klein is,
Daar kan het niets aan doen.
De zee is nat, het strand is zand,
het land is netjes groen.
Maar 't klein gekibbel onderling
is van een droefenis.
Dat maakt het kleine Nederland
nog kleiner dan het al is.

Toon Hermans

 


AMSTERDAMSE GRACHTEN

een stad in november
bij het vallen van de nacht,
niets dan de Amsterdamse grachten
plotseling
gaan de sinaasappelen aan de boom bij mij thuis
in de herfstwind heen en weer

ik sluit het raam, maar dat helpt niet
de grachten stromen terug, maar dat helpt niet
de zon is ingelegd met parels opgegaan
maar dat helpt niet

vluchten duiven dwarrelen als ijzervijlsel neer
straten zonder jongetjes lijken plotseling leeg

na de regen in de herfst
het plafond waar overal slakken op rondkruipen
- mijn vaderland -

over de Amsterdamse grachten vaart het traag voorbij.

Vervolg Hollandse gedichten


Zie je geen frames, klik dan hier!