
|
|
|
|
|
|
|
Voorouders in Zwitserland |
|
|
|
1e generatie: |
|
(Con)rector van de Latijnse school in Zutphen en Kampen |
|
|
|
2e generatie: |
|
Een predikant in Goor, |
|
drie VOC-soldaten , |
|
de vrouw van de rector in Culemborg en een winkelierster in Amsterdam |
|
|
|
3e generatie: |
|
Een predikant en een koopman in Goor, |
|
een advocaat in Ootmarssum en de vrouw van een lakenkoopman in Amsterdam |
|
|
|
4e generatie: |
|
Een ambtenaar in Den Haag, de vrouw van de belastingontvanger in Delden en een jeneverstoker / commies in Goor |
|
|
|
5e generatie: |
|
Tak 1: |
|
Een rentenier in Brummen, |
|
de weduwe van een koetsier in Amsterdam en |
|
een plantagedirecteur in Suriname |
|
|
|
Tak 2: |
|
De vrouw van een kastenmaker in Amsterdam, |
|
een suikerballenmaker, een koopman, de vrouw van een weerglazenmaker en een timmerman in Leeuwarden |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|

|
|
|
God de Eere. MDCXCIV |
|
Den 12: Februari nieuwen stijls begaf ik mij |
|
Rijk van oom Capitein Schlatters beloften, |
|
op de reis naar Holland. |
|
|
|
Zo schrijft Hans Jacob Schlatter het zelf in zijn nagelaten levens-beschrijving. Hans Jacob was geboren in Zürich op 6 juni 1671. Op 12-jarige leeftijd verloor hij zijn vader en een jaar later zijn moeder. Zijn vader Rudolf Schlatter was een koopman die op markten zelf-gemaakte tafels verkocht. Hij stamde uit een familie van leerlooiers, die sinds 1556 het burgerrecht van de stad Zürich bezaten en die sindsdien onafgebroken zitting hadden in het stadsparlement (“große Rath”) namens het leerlooiersgilde “zur Gerwi”. Als burgerzoon nam de stad de opleidingskosten van de weesjongen op zich en liet hem na de Duitse en de Latijnse school het Collegium Carolinum bezoeken. |
|
|
|
Na het eindexamen aan deze middelbare school vertrok Hans Jacob op uitnodiging van zijn achterneef Franz Schlatter naar Nederland om daar theologie te studeren aan de Academie van Franeker. Franz Schlatter was een van de vier compagnie-commandant-en van het “Regiment van Zürich ” dat in Staatse dienst vocht tegen de Spanjaarden. |
|
|
|
Door geldgebrek moest Johannes Jacobus zijn studie theologie voortijdig afbreken en nam hij in 1698 een baan aan als conrector (leraar van de op één na hoogste klas) van de Latijnse school van Zutphen. Hier trouwde hij en kreeg zijn eerste kinderen. Ambitieus als hij was solliciteerde hij in 1707, naast zijn conrector-schap, naar de ere-baan van Lector Publicus. In 1709 tot slot werd hij beroepen als rector van de Latijnse school in Kampen. |
|
Hier stierf hij “na een siekte van 4 weeken” op 17 december 1718. |