home

nogzowiets

dup

tragius

freekie

meer verhalen

links

Koning Tragius en het woud der duizenden gevaren

1 Prinsjesplezier

 Een raar ventje, dat was hij. Prins Tragius. Maar ja, als je nooit eens met iemand spelen kunt, word je vanzelf wel eigen­aardig. Een broertje of zusje had de prins niet. En in de wijde omge­ving was er geen huis, geen boerderij of zelfs geen ander kasteel te vinden. Hij was altijd maar alleen, want de koning en de koningin hadden geen tijd om zich met hem te bemoeien. En spelletjes waren er ook al niet. ‘Allemaal rommel,’ zei zijn moeder, koningin Edelfrida.
Hij zette zijn scheefgezakte kartonnen kroon maar weer eens recht. Voorzichtig met het elastiekje, want dat kon le­lijk pijn doen. Een echte kroon zou hij pas krijgen als hij later koning werd.
Urenlang kon kleine Tragius in zijn torenkamertje, hoog in het kas­teel zitten niksen. Vaak zat hij daar… zomaar. Van verveling zat hij dan dagenlang als een dood vogeltje op zijn speciale prin­sentroon. Als zijn vader – de oude koning Tragius I – hem weer eens zag, terwijl hij op zijn troontje zat te nietsnutten, riep hij altijd tegen hem: ‘Ga toch eens wat doen, joh!’
‘Ik weet niks,’ zei de prins dan beteuterd. ‘Ik heb niks te doen.’
Dan ga je maar met je grote teen spelen!’ bul­derde de koning dan. Want koningen mogen heel hard schreeuwen als ze kwaad zijn – of als ze níet kwaad zijn. En dan stampvoette hij weg, want dát mogen koningen name­lijk ook!

 TEENSPELLETJES

~    Je kunt je tenen zo lang mogelijk wijd uitwaaieren. Ze mogen elkaar niet raken. Prins Tragius had het eens een hele ochtend volgehouden, maar toen kreeg hij een vreselijke kramp en kon hij vanwege de pijn een hele week geen stap meer verzetten.

 

~    Proberen zoveel mogelijk tenen over hun buurtenen te leggen, is een stuk moeilijker. Je mag namelijk niet met je handen helpen. Je grote teen gaat gemakkelijk. Dat kan iedereen. Maar om je ‘wijsteen’ over je ‘middelteen’, en die weer over je ‘ringteen’ te kunnen leggen, daar moet je jaren op oefenen. Ook kun je het andersom doen. Je begint dan met je ‘pinkteen’ en stopt met de ‘duim­teen’. Erg moeilijk. Probeer zelf maar.

 

~    Tenen in je oren stoppen of in je neus (als ze niet zo stinken natuurlijk) is een héél lastig tenenspel. Dat is voor gewone kinderen zoals jij haast onmogelijk. Voor mij in ieder geval wel.

Maar daar had prins Tragius meestal geen zin meer in; met zijn eigen tenen zitten spelen. Dat had hij al zo vaak ge­daan. En altijd in zijn eentje.
‘In zijn een­tje met zijn teentje,’ hoofdschudde koningin Edelfrida als ze langs kwam lopen om te zien wat hij aan het doen was.
Toen prins Tragius nog een kleuter was, had hij vaak gevraagd of de koning en de koningin een broertje of zusje voor hem wilden kopen. Of een vriendje of vriendinnetje. Maar dát wilden ze niet. ‘Geen denken aan,’ zei de koningin dan. ‘Het is hier al druk genoeg met jou om ons heen.’
En koning Tragius I schreeuwde er dan altijd achteraan: ‘Zeur nou toch eens niet zo aan mijn kop, joh!
Dus zeurde de prins voortaan niet meer aan de kop van de koning.
Nee, prins Tragius bofte niet. Als er een prijs zou bestaan voor het kind dat de onaardigste, saaiste en meest egoïstische ouders ter wereld had, dan zou hij die vast en zeker krijgen. Maar ja, zo’n prijs was er natuurlijk niet.
Eigenlijk was er maar één ding waar de prins wel wat aan had. Het begon op zijn allereerste verjaardag: hij kreeg van zijn ouders een schatkist. Het was dan wel een lege, maar die was zó vol. Elke week kreeg hij namelijk een handvol goud, zilver en de meest glitterachtige glimmertjes. Allemaal gekocht van het opgehaalde belastinggeld van de onderdanen in het land van de koning.
Op zijn tweede verjaardag kreeg prins Tragius maar liefst twee schatkisten. En allebei die kisten waren helemaal vol voordat de prins drie werd. Zo ging dat elk jaar maar door. En daarom bezat de kleine kleuterprins Tragius op zijn vierde verjaardag al tien schatkisten. Tot de rand toe vol met blinkend spul voordat hij zijn vijfde vierde.
En dát vond de prins wél prachtig. Want al dat goud, dat zilver, die ringen, kettingen en dat glimmerig prachtigs kon hij spáren; in zijn kisten stoppen en bewaren. En elke avond voor het slapengaan, keek hij in zomaar een kist, rook en voelde even aan een handjevol en liet het tussen zijn vingers door glijden tot alles weer rinkelend in de schatkist klingelde. En dan kon de kist weer snel op slot!
Sparen, sparen, sparen. Ja, de prins spaarde zich een bult. Steeds meer en meer. Dat was natuurlijk ook wel logisch. Want met al dat geld en goud en die ontelbare edelstenen kon hij niets kopen. Hij mócht niets kopen. Niet in een dorpje of in een stad. Prins Tragius mocht nergens naartoe. En al helemaal niet met zijn schatkisten.
Dus… dat ene pleziertje was – als je er goed over nadenkt – eigenlijk maar een half pleziertje.

©Henk Joosen