Free counter and web stats
HOME OMAR KHAYYAM INTRO ENGLISH RUBAIYAT DUTCH RUBAIYAT
ASTROLOGY ARTICLES GEBOORTETEKST LESSONS PRICES
WEBLOG SAYINGS MIRIAM BOOKSLINKS


Herinneringen 1928 - 2008.

Herinneringen.: Het is vreemd met herinneringen; de een weet niet meer veel over gisteren, de ander komt steeds met verhalen over wat er 60 jaar geleden is gebeurt. Zo vroeg ik vanochtend een kleindochter wat ze gisteren gedaan had en ze zei: dat weet ik niet. Als je doorvraagt weet ze natuurlijk wel wat, maar voor haar is vandaag belangrijker dan gisteren. En zo moet het ook, is het natuurlijk; de herinnering aan een ijsje van gisteren smaakt heel veel minder dan het ijsje wat ze nu heeft of straks krijgt. Maar als je ouder wordt en dan ook nog minder energie hebt om dingen te gaan doen, blijft er meer tijd voor dingen, die je al gedaan hebt. Doen is belangrijker dan herinneren. Maar schrijven over herinneringen, dat is dus een mooie paradox; je doet wat, je probeert dingen op papier te zetten, voor jezelf of misschien ook om anderen wat plezier te geven als ze lezen hoe het vroeger was, maar je zit in het verleden. Dubbelzinnig: vandaag wat doen met gisteren! Een ander merkwaardige eigenschap van herinneren is, dat als je er mee begint, de stroom in beweging zet, dat er dan uit het herinneren van een klein iets weer een ander klein iets te voorschijn komt, tot je op een bepaald moment zelf gewoon verbaasd bent hoeveel je je nog herinnert, hoeveel je nog uit het verleden terug haalt. Mijn kleindochter is vanmiddag aan het zwemmen en hollen en scheppen op het strand, terwijl ik zit te tikken over het herinneren, het verleden. Ieder z'n meug, zei de boer, en hij liep te zingen in de regen.

Herinneringen 2 - eerste jaren:: Zo heb ik een beeld van het huis in Amsterdam, waarin we woonden, toen ik geboren werd, 80 jaar geleden: een hoekpand in de Valeriusstraat met donkere gevel van gladde stenen. Was dat echt zo, of zag ik die gevel pas wat later, toen we in de Koninginneweg woonden? Er woonde later een groenteboer in; bij mijn geboorte was het misschien wel de boekhandel van mijn vader met daarboven ons woonhuis. Pas veel later hoorde ik, dat ik daar niet geboren was, maar in de Spinozastraat. Dat doet je wel wat, als je als 17 jarige filosofisch probeert te zijn en Spinoza leest. En weer jaren later hoorde ik van mijn oudere zus, dat ook zij in de Spinozastraat geboren was; daar stond namelijk het buurt ziekenhuis. En met haar vermoedelijk nog vele anderen; mijn Spinoza-aureool kreeg wat minder glans! Flarden van herinneringen slechts tot mijn 4e jaar. Zoals een dikkig vriendje, een buurjongetje, dat af en toe spelen, Wim Budding of Pudding zoals hij toen door mij genoemd werd, dik en wat sloom. later zou ik deze jongen weer ontmoeten, in de 4e klas lagere school, lang en stevig, de beste van de klas in sport, en de onbetwiste leider. hij had trouwens ook goede cijfers. echt een krachtige zelfverzekerde jongen; geen van m'n vrienden heeft later ooit nog iets van hem gehoord; mogelijk is hij accountant, financieel manager of iets tamelijk hoogs in het leger geworden.

Herinneringen 3 - eerste jaren 2. Ik was die eerste jaren een wat kwakkelend jongetje, vaak ziek. Mijn oudere zus, Nel, ging natuurlijk al 3 jaar eerder naar de kleuterschool en bracht alle kinderziekten mee, waar ze dan vaak zelf weinig last van had, maar die ze wel aan mij doorgaf. Ik werd dan kennelijk wat verwend, hoewel ik me dat niet echt herinner, en Nel was daar nogal jaloers op. Zo vertelt ze nog steeds, op haar 83e, dat ik van de dokter het recept kreeg 10 sinaasappels per dag te eten voor het begin van x-benen, en dat zij nooit zoveel sinaasappels heeft mogen eten.
in ons tuintje lag wat oud hout, een oude ladder en andere rommel waar je eindeloos mee kon spelen. we hadden ook een foxterriër, die ik daar allerlei kunstjes leerde, zoals het op en aflopen van die ladder, die ik daarvoor schuin tegen de waranda tussen winkel en tuin plaatste. We hadden een fox-terriër met stamboom, John Hallifax Chatcleff, die ik kunstjes leerde in ons stads tuintje achter de boekhandel, zoals tegen een ladder oplopen. mijn vader had die foxterriër een heel ander kunstje geleerd: als hij "katjes" riep werd de foxterriër helemaal wild en geen kat was dan ook veilig in zijn buurt. - gek hoe zo'n naam in m'n vaak slechte geheugen gegrift staat, hoewel de spelling misschien heel anders was. Echt een kat gevangen heeft hij geloof ik nooit. Mijn vader heeft altijd iets gehad met dieren; in die tuin stond ook een konijnenhok met 2 konijnen er in, Flip en Flop, waar hij hele gesprekken mee had; ze kwamen voor in het hok staan als hij ze eten bracht.
een bakfiets zie ik voor me, waarin de loopjongen (want zo heette dat, ook al deed hij alles fietsend en ook al was het een wat oude man, die we daarom de bijnaam loopgrijsaard gaven) van de boekhandel boeken aan de klanten bezorgde. het was een zware fiets, een doortrapper, met voor het stuur een bagagedrager waarop een heel grote mand. toen ik de leeftijd had om naar de kleuterschool te gaan werd ik 's ochtends vaak in die bak gezet en zo naar de montessori kleuterschool gereden, omdat ik een hekel aan die school had en als ik alleen ging bleef ik onderweg steken; er was zoveel te zien op straat, er werd overal wel wat verbouwd of gebouwd, straten werden vernieuwd, putjes geschept met zuig machines met lange brede slangen, en er stonden altijd wel ergens ook andere mensen naar iets te kijken; ik vond wat op straat gebeurde veel fascinerender dan de school en de naar mijn gevoel kinderachtige dingen die we daar moesten doen. ook als de bakfiets me afgeleverd had zag ik vaak kans wat later op de ochtend stilletjes uit de school te verdwijnen. Dat was nog in de tijd, dat kinderen al heel jong zelf naar school mochten en konden gaan; er waren geen ouders in bezit van een auto en de kinderen werden zelfs niet met de fiets gebracht; wat dat betreft was ik een uitzondering. Het was een kleuterschool verbonden aan een Montessori school, dus vast wel een goede, en mijn zus ging er in tegenstelling met mij altijd met groot plezier naar toe - 1 van de vele verschilpunten tussen ons. In die tijd waren kleuterscholen (gelukkig) nog niet verplicht; kinderen mochten ook nog thuis blijven van de ouders.
Wat meer weet ik nog van mijn eerste jaren in Amsterdam? Niet veel; mijn geheugen begint pas echt te werken, nadat vader, moeder, zus en ik naar Blaricum verhuisden rond mijn 4e jaar.

Herinneringen 4 - Blaricum. (20 Juli 2008): toen ik bijna 5 was verhuisden we naar het Gooi, Blaricum. Ons huis was net gebouwd, een groot huis met rondom het dak koepels. het heette het Uilennest, naar een boekenreeks, de uilenreeks, die mijn vader, naast boekhandelaar inmiddels ook uitgever, uitgaf. mijn vader had in die tijd iets met uilen; ook het vignet van de boekwinkel was een grote lezende uil. het kostte enkele vechtpartijen met buurjongens om van de bijnaam "uil" of "uiltje" af te komen. Voor mijn vader en moeder was het uilennest vermoedelijk geen erg gelukkig nest; we woonden er niet veel langer dan 1 jaar toen mijn ouders gingen scheiden. al gauw verhuisden mijn moeder, zusje en ik toen naar een kleiner 2 onder een kap huis.
naast ons woonde het hoofd van de school met vrouw en 2 dochters, de een wat ouder, de ander wat jonger dan ik. met de dochters speelde ik veel zolang we nog niet naar school moesten, want een kleuterschool was er gelukkig niet in dat dorp. beide dochters waren verliefd op mij, als je op die leeftijd over verliefd kan spreken, ik vooral op de jongste. we waren hele dagen samen en hadden veel open terrein en hei vlak om ons heen, er was veel te doen. ook bedachten we en speelden we hele verhalen; we nodigden dan ouders en buren uit in de garage; een grote garage met vliering die zich daar goed voor leende. voor zover ik me herinner hadden de toneelstukken een avontuurlijk begin maar meestal een zeer rommelig einde. van de buurmeisjes leerde ik ook de verschillen tussen jongens en meisjes; we lieten die elkaar stiekem zien, want van de moeders mocht dat niet. als we bijvoorbeeld tijdens het spelen moesten plassen deden we dat gewoon buiten in de tuin of langs de weg in de berm, maar als de meisjes dat deden en hun moeder zag dat dan moesten ze meteen binnenkomen en kregen op hun kop. het hoofd en zijn vrouw werden mijn moeders beste vrienden nadat zij en mijn vader gescheiden waren en we gingen ook een paar maal gezamenlijk met vakantie naar Duitsland. op 1 van die vakanties had mijn moeder voor mij een Tiroolse broek gekocht, een voorwerp van bittere strijd, want die wou ik beslist niet aan, ik wilde niet voor gek lopen op school. In mijn herinnering duurde het weken, voordat ze de strijd opgaf.
De lagere school was een echte dorpsschool, niet al te groot, met een aantal dubbele klassen (klas 2 en 3, klas 5 en 6), met onderwijzeressen (of juffrouw zoals ze genoemd werden)voor klas 1 tot 3 en onderwijzers, die meester genoemd werden, voor klassen 4 tot 7. Want ja, er was ook een 7e klas voor kinderen, die niet door wilden leren en toch nog leerplichtig waren. De school had een flink schoolplein afgesloten met een hek, en er pal tegenover zat de dorpsslager. als het slachtdag was, in mijn herinnering meerdere dagen per week, maar het kan evengoed alleen woensdag ochtends geweest zijn, dan werden de lessen opgeluisterd met de angstkreten van de varkens die tegen hun zin naar binnen geduwd werden; ze werden dan tegelijk geduwd en aan de staart getrokken; dat gebeurde vaak net in het speelkwartier en wij stonden daar dan naar te kijken. dat was ook nog een school waar je alleen maar rechts mocht schrijven en je mocht zelfs niet links tekenen, voor mij een probleem omdat ik linkshandig was (en tegelijk rechtsbenig). met tekenen haalde ik alleen maar een goed cijfer als ik links tekende maar als de juffrouw het zag verscheurde ze de tekening. de eerste keer dat ze dat deed was met een ooievaar die ik getekend had en waar ik erg trots op was, en misschien verscheurde ze daarmee wel een latent tekentalent, een carrière als schilder. toen we eenmaal naar school gingen verslapte de vriendschap met de buurmeisjes wat; op die leeftijd speelde je niet met meiden; bovendien hadden we overdag geen vrij meer. en toen we verhuisden werd het contact ook minder. Ik had toen een klasgenoot, waar ik veel mee speelde. Bij het huis, waar hij woonde, was een enorme tuin, vol met vruchtbomen en bramen-, frambozen- en bessenstruiken, waarvan wij zoveel mochten plukken als we wilden. Vlak tegenover dat tweede huis stond ook een huis met schutting er om heen, waarachter je een paar tamme kastanjebomen zag staan en daar klommen we regelmatig over heen om de tamme kastanjes te halen, die we dan later rauw op aten.

Herinneringen 5 - Blaricum. (20 Juli 2008): Naast dat volgende huis woonde een uit duitsland gevluchte familie (ze waren al in 1933 naar Nederland gekomen!) van moeder met 2 dochters en 1 zoon. die zoon, Lutz, was weliswaar 2 jaar ouder dan ik maar was jarenlang mijn beste vriend, de oudste dochter, Miriam, was de beste vriendin van mijn zus. toen ik naar school ging - kwam 't door de school, door de scheiding van mijn ouders, door iets anders - kreeg ik last met m'n ontlasting; als ik van huis weg ging was er nog niets aan de hand, maar op weg naar school moest ik dan soms ineens poepen en als ik dan niet gauw een wc vond deed ik het soms in mijn broek; een onbeheersbare actie (of reactie) die ik nog een tijdje zou houden. ik had in de eerste klas behalve een paar buurjongens (de tuin van een van hen stond vol met aalbessen, bramen en frambozen struiken, waar we altijd zoveel van mochten eten als we wilden) nog een oudere vriend, Bruno, een stoere blonde sportieve jongen, 2 jaar ouder dan ik, 2 klassen hoger, die een jaar (zat ik in de eerste klas?) zwarte piet speelde, zonder dat ik daar enig idee van had en ik herkende hem dan ook absoluut niet. ik schijn in die tijd aardig wat gevochten te hebben, want ik werd tijdens het bezoek van sinterklaas aan de school door hem voor de klas geroepen; hij zei me dat hij gehoord had dat ik zo vaak vocht en vroeg me of ik nu misschien eens met zwarte piet wilde vechten. ik herinner me niet dat ik veel terug zei; misschien een bedeesd ja op de vraag of ik in de toekomst wat minder wilde vechten. toen vriendjes me daarna vertelden dat Bruno in het zwarte piet pak zat wilde ik ze eerst niet geloven; ik kon me niet voorstellen dat m'n vriend dat zou doen zonder het me te vertellen. op de een of andere manier verwaterde daarna die vriendschap met Bruno; ik zocht m'n vrienden meer in m'n eigen klas, het leeftijdsverschil werd zwaarder, of ik voelde toen dat er iets niet klopte met Bruno; een paar jaar later bleek wat: hij werd lid van de NSB (of NSB jeugd), een pro-Duitse, fascistische politieke organisatie. dat was ook de tijd, een jaar of vier voor de oorlog van 1940-1945, dat er steeds meer verhalen uit Duitsland kwamen over fascisme en over een groep die er op uit was anderen kapot te slaan, ogen uit te steken of nog erger. ik denk, dat we die verhalen uit Duitsland ook hoorden omdat er Duitse vluchtelingen in ons dorp woonden, zoals de vrienden waar ik het al even over had, en omdat er toen al een begin was van NSB propaganda en de meerderheid van onze kennissen zich daar fel tegen afzette. ik vond het niet echt leuk, de huishouding met m'n moeder en zus vond ik teveel een vrouwenhuishouding waar ik als jongen niet echt bij hoorde; bovendien was mijn moeder vaak veel te bezorgd als ik normale wilde jongensspellen deed en probeerde ze me daarin af te remmen; dat lukte niet maar ik moet wel toegeven dat mijn knieën doorlopend kapot waren met vaak zweren van het vele vallen. soms (als we logees hadden of zoiets; eigenlijk herinner ik me niet dat we ooit logees hadden, daar was nauwelijks ruimte voor) moest ik in 1 bed slapen met mijn moeder en zus; dat vond ik zeer onprettig.

Herinneringen 6 - Blaricum. (20 Juli 2008): Het leven van kinderen nu is wel heel anders dan in mijn tijd. We hadden ruimte, terwijl nu een hoop van die speelruimte ingenomen wordt door rijdende of stilstaande auto's, vaak bereden of neergezet door hun eigen ouders. De kinderen van nu mogen trakteren op school, krijgen verjaardag feestjes in een pretpark of thuis en heel veel cadeautjes.
Er is 1 cadeau, dat ik me nog goed herinner; op mijn 6e verjaardag kreeg ik van mijn moeder een loep (een vergrootglas). Misschien had het niets gekost, maar ik was er wel heel blij mee. Behalve dingen er groter mee zien,. zoals bijvoorbeeld de lijnen van je handen, kon je er, als de zon scheen, schoenveters mee in brand steken; die gingen dan niet echt vlammen, maar produceerden wel een boel rook. En op mijn 7e kreeg ik een fiets, wel een enorm cadeau in die tijd; vermoedelijk had ik dat te danken aan het feit, dat mijn vertrokken vader opeens wat aan mijn verjaardag wilde doen, nadat hij een jaar daarvoor ons gezin geruild had voor een nieuwe vrouw. Omdat die fiets lang mee moest gaan was hij wat te groot gekocht en zaten er blokken om de trappers, die er later weer af zouden kunnen en was het zadel zo laag mogelijk (dus op de stang) gezet. doordat mijn moeder werkte werden wij al vroeg zelfstandig en zorgden meestal zelf voor onze lunch. Een paar jaar geleden gaf mijn zus mij een schriftje met wat verhalen, die mijn moeder had geschreven over een vakantie in Duitsland; wie weet of zij niet veel meer geschreven zou hebben zonder de scheiding! Ja, hoe heeft mijn moeder die scheiding ervaren; in die tijd was een scheiding nog niet iets gewoons; het moet haar hevig geraakt hebben.
Vaak fietsten we met een paar vrienden naar het IJsselmeer, bij Huizen, waar we gingen zwemmen. Dat IJsselmeer was eigenlijk deel van de Zuiderzee, maar het was heel ondiep; je kon honderde meters lopen en dan kwam het water toch nog pas tot je middel.

Herinneringen 7 - Bussum. een paar jaar later verhuisden we naar Bussum, en naar een nieuwe school met nieuwe gewoonten, een nieuw dialect en nieuwe uitdrukkingen, waar in het begin wat vechtpartijen nodig waren om er als nieuweling in te komen. Ik denk dat dat vechten, die agressiviteit altijd in mijn karakter gezeten heeft, maar wel zeer versterkt werd door de ervaring van verhuizen en naar nieuwe scholen gaan, waar je elke keer weer een plaats moest krijgen. het contact met onze oude Duitse buren bleef bestaan; vaak gingen we naar ze toe, vaak zagen we elkaar in het zwembad van Crailo, wat zo'n beetje tussen Blaricum en Bussum in lag. Jaren later zou mijn vrouw joke zeggen, dat ze me daar al gezien had en verliefd op me geworden was. ook in laren was een zwembad, waar we voor de verhuizing vanuit Blaricum al vaak naar toe gingen en waar we bleven komen, ook al was het veel kleiner dan Crailo. ik was in die tijd een zeer preuts jongetje; ik moest altijd een hokje alleen hebben om me te verkleden. Vlak bij dat zwembad lag een piepklein meertje: de hut van Mie. We zwommen er wel een enkele keer, ondanks men zei, dat je daar de ziekte van "feit" kon oplopen.
mijn moeder werkte al enige jaren in Bussum bij een uitgeverij, van Dishoek; voor haar was de verhuizing daarom een verbetering wat betreft afstand tot haar werk en ze was daardoor ook vaker thuis. Maar verder waren mijn zus en ik niet erg enthousiast over Bussum, omdat we onze vrienden kwijt raakten en veel minder vrije speelbare natuur om ons heen hadden. eigenlijk herinner ik me vrijwel niets van die verhuizing. kort geleden hoorde ik van mijn zus, dat het hoofd van de school uit Blaricum verliefd op mijn moeder was geworden en dat ze daar niets van wilde weten en daarom verhuisd was; ik heb daar nooit iets van gemerkt, was ook nog te jong, maar het lijkt me eigenlijk ook niet zo'n plausibele reden. Het is wel merkwaardig, hoe mijn zus en ik ons de dingen uit die tijd heel verschillend herinneren. Een leeftijds verschil van 2 1/2 jaar is op die leeftijd heel wat. Zo herinnert zij zich duidelijk vele ruzies voor de scheiding tussen onze ouders, terwijl ik daarvan blijkbaar niets gemerkt heb en de scheiding als totaal onverwacht kwam. Ik herinner me ook niet, dat 1 van mijn ouders daar ooit met mij over gepraat heeft; zelfs geen simpele mededeling. Verdrongen?.
Er staat ook in m'n geheugen gegrift, dat in die lagere schooltijd al gesproken werd over Duitsland en over de veranderingen die daar plaats vonden. Er werd verteld, dat er een groepering was, die met geweld iedereen aanviel, die het niet met ze eens was; ze sleurden die mensen de straat op en staken ze de ogen uit, sloegen ze tot bloedens toe. Wat kan, kon je hiervan als kind begrijpen? De beelden waren zo duidelijk, dat ze tot op de dag van vandaag zijn blijven hangen. En er moet toen toch ook al een begin van de NSB (de Nederlandse duits-fasistische partij) geweest zijn, waarover gesproken werd. Wij, dat wil zeggen mijn ouders, lazen de Groene Amsterdammer, het eerste weekblad, dat voor de Hitler groepering waarschuwde.
Wat herinner ik me van m'n moeder? Het was een zorgzame, warme vrouw, maar ze liep niet te koop met haar gevoel; ik denk, ook al sprak ze er nooit over en liet het niet zien, dat ze behoorlijk geraakt, mogelijk verbitterd was door de scheiding. Jammer, dat ik te jong was om echt met haar te praten over dat soort dingen. Hoewel ik me niet herinner, dat ik ooit bij haar op schoot zat, las ik in een schriftje dat zij vol geschreven had met wat vakantie ervaringen, dat ze zeer veel van mijn zus en mij hield, ook al was ze daar niet demonstratief in. En mijn tante Bep, haar jongere zuster, vertelde mij later, dat mijn moeder uren aan mijn bed zat te waken, als ik weer eens 1 van de vele kinderziekten had.
nog een herinnering, weer heel anders, aan mijn moeder: in Bussum kreeg ik een herdershond (ook hier weer: hoe betrouwbaar zijn herinneringen; volgens zus Nel was het haar hond, zoals ze onlangs zei, terwijl ik zeker weet, dat het de mijne was) en op een keer toen ik thuis kwam stond mijn moeder die hond met een stok te slaan; hij had vlees van de aanrecht gepakt en opgegeten en ze was zo kwaad, dat ze niet meer kon ophouden; ik was toen al heel driftig en schelden kon ik goed; met schelden, schreeuwen en vechten kreeg ik de stok uit haar handen. achteraf was het natuurlijk logisch, dat zij zo kwaad was op die hond; het was een duur stuk vlees.

Herinneringen 8 - Grootouders. Prettige herinneringen waren de bezoeken aan de ouders van mijn moeder; mijn moeder had 2 zussen, 1 oudere met 2 kinderen, Brammie en Beppie, en een jongere zus die op dat moment nog ongetrouwd was en waar we later met de hele familie op haar huwelijks dag naar toe gingen om haar uit te zwaaien voor haar huwelijksreis op de Marnix van St. Aldegonde, een prachtig cruise schip. Op deze zeer moderne en markante tante kom ik nog wel terug.
Mijn moeders ouders waren beiden onderwijzer geweest (hij schoolhoofd, en zoals hij later vaak vol trots vertelde, hij had Jan den Hartog nog in de klas gehad en dat was nog eens een lastige leerling) en woonden in Driehuis-Westerveld, in een 2 onder 1 kap huis zonder auto maar met garage; een garage vol met spullen voor de kleinkinderen, zoals stelten, ballen enzovoorts en met een schommel en ringen op het oprijpad. deze grootouders hadden de gewoonte de drie dochters met kinderen jarenlang voor een gezamenlijke vakantie uit te nodigen; ik herinner mij Domburg, waar ik uit m'n bed gehaald werd om voor het eerst de zee te zien lichten, Vlieland, waar ik bij een hardloop wedstrijd een geldprijs won (een kwartje), waar Opa en Oma trotser op waren dan ik, en Beekbergen, vol bosbessen. ook na mijn moeders dood gingen we regelmatig naar deze grootouders toe. Opa had een prachtige zwarte wandelstok met witte ivoren handgreep. Hij wandelde graag en nam mij dan mee, bijvoorbeeld naar de Velser sluizen, of naar het landgoed Duin en Kruidberg. En met die wandelstok wees hij dan als een echte onderwijzer alle planten en bomen, waarvan hij alle namen wist, aan. Helaas heb ik er maar weinige van onthouden. Ik heb dat Duin en Kruidberg al zeker 70 jaar niet meer terug gezien, tot ik het vanmiddag op zocht op een internet zoek machine en jawel, het is nog steeds een geliefd wandelgebied. Wij scheelden precies 60 jaar; ik herinner me hem als een waardige, rustige man; niet als een zeer fanatiek SDAP'er (voorloper van de PVDA), wat hij op jongere leeftijd was volgens de verhalen van mijn tante Bep. Op een keer liet zij me ook een portefeuille met tekeningen zien, die hij gemaakt had; een werkstuk voor de kweekschool.
Mijn andere grootouders, de ouders van mijn vader, die in Amsterdam Oost woonden en ook onderwijzers waren geweest, zagen we pas regelmatig na mijn moeders dood, toen ook wij in Amsterdam woonden en er op de fiets heen gingen. Deze Opa leerde me schaken; hij speelde sterk en had enorm veel succes met zijn favoriet met zwart, de Hollandse verdediging. Als je bij ze kwam zat Opa vaak te patiencen en reageerde dan steeds wat lichtelijk geërgerd, als Oma hem steeds weer vertelde, welke kaart hij op welke kon leggen. Als we hen als kleinkinderen op hun verjaardag kwamen feliciteren kregen we van Oma altijd geld; eerst een gulden en later zelfs een rijksdaalder. Deze Opa ging op zijn 84e nog Italiaans leren. Het was het in die tijd zo, dat wij naar Opa en Oma toegingen; ze kwamen niet bij ons thuis; de jongeren moesten naar de ouderen toe, heel anders dan tegenwoordig, wanneer van Opa's en Oma's wordt verwacht dat ze bij hun kinderen komen oppassen.

Herinneringen 9 - Moeder. Het schokkendste gebeurde toen ik 9 jaar was; op een dag kwam ik thuis van het zwemmen en kon het huis niet in; op mijn bellen werd niet opengedaan. Dat gebeurde wel vaker en ik klom door het wc raampje - een normale routine - en ging naar boven. Toen ik de badkamer in ging zag ik mijn moeder in het bad liggen, bloot en met een grote drol in het water drijvend, hoofd onder water. ik raakte haar aan en moet instinctief beseft hebben, dat ze al dood was en dat er niets meer aan te doen was, want ik herinner me niet of ik de stop uit het bad getrokken heb. wel dat ik meteen naar de buren rende, maar over de begrafenis, over de verhuizing van mijn zus en mij vlak daarna naar Amsterdam herinner ik me niets. Een zwart geheugengat.
Wat ik mij van mijn moeder herinner, was toch wel voornamelijk, dat ze altijd bezig was met een "baan". Vermoedelijk hielp ze eerst in Amsterdam in de boekhandel en in Blaricum en Bussum had ze dus een baan bij een uitgeverij na haar scheiding. Van mijn tante Bep hoorde ik later, dat ze tijdens mijn vele kinderziektes heel vaak naast mijn bed zat. Later, veel later, liet mijn zus mij een schriftje zien, waarin mijn moeder een vakantie naar Duitsland beschreef, samen met onze Blaricunse buren, en waar haar liefde voor ons ook duidelijk in naar voren kwam. Dat waren ook wel heel leuke vacanties; een mooie natuur, veel wandelen op steile wegen of paden en je had het gevoel dat je echte bergen beklom. Van die vakantie herinner ik me ook nog de hazelnoot-met-melkchocolade taart, de eerste en lange tijd enige taart, die ik lekker vond en die je alleen mar in Duitsland kon krijgen. Maar ik denk, dat ze haar liefde niet goed kon tonen; ik herinner me niet, dat we bij haar op schoot zaten of dat ze ons ooit omhelsde. Ook omdat ze overdag werkte gaf ze ons veel vrijheid; dat vond ik heel prettig. In wezen was het een heel lieve, hartelijke vrouw, maar ik denk dat ze na de scheiding en de ongetwijfeld daaraan voorafgaande "ontrouw" van mijn vader ook aardig verbitterd was. Geen wonder, zeker in die tijd, toen scheidingen heel wat minder voorkwamen dan nu. En ik denk ook, dat ik mijn vader wel miste en daarom voor mijn moeder niet makkelijk te hanteren was.

Herinneringen 10 - Bussum en Amsterdam. (26 Juli 2008): Gisteren ontmoette ik een heel oude vriend uit Japan, die in Nederland op bezoek was. Wij vroegen elkaar hoe het met ons ging, maar meer dan de helft van de tijd haalden wij herinneringen op, op zich al wat saai voor de andere aanwezigen. Maar bovendien zit ik nu vandaag met een heleboel vragen over waar die vriend nu mee bezig is, hoe hij zich nu voelt. Het was beter geweest wat minder te praten over het verleden en wat meer over het heden! Zoals je in feite altijd beter in het heden kunt leven, dan in verleden of toekomst; in het nu kan je het meest effectief dingen doen. En leer ik wat van het verleden? Dat is zeer de vraag. Ik was een bijzonder agressief jongetje en ben nu heel wat rustiger geworden, maar dat komt meer door de leeftijd dan door de wijze lessen van het leven. Jezelf aanpassen: ja, maar jezelf veranderen, op essentiële punten veranderen, daar geloof ik niet zo in.
Toen ik in de tweede klas zat verhuisden we dus naar Bussum; een jaar later zoals ik al schreef, na de dood van mijn moeder, naar Amsterdam en daar gingen wij wonen bij mijn vader en zijn tweede vrouw Annette op de Koninginneweg in Zuid, tegenwoordig Oud-Zuid. het huis bestond uit 5 verdiepingen, 6 eigenlijk, als je de kelder meetelde, die bij flinke regen vaak gedeeltelijk onder water liep; dan de boekhandel , daarboven de boeken uitgeverij inmiddels door mijn vader begonnen; dan de woon verdieping; daarboven de slaap verdieping en tenslotte de zolder. dat was ook de tijd, dat ik mijn kamer op de zolder kreeg; een mooie kamer met brede vensterbank, 5 hoog dus, waar je heerlijk op kon zitten en de straat inkijken, vooral mooi 's zomers tegen schemering. een zolder ook, die behoorlijk griezelig was 's nachts; er stonden veel stapels boeken en het licht was er slecht zodat het niet moeilijk was je te verbeelden dat achter die stapels boeken gevaarlijke mannen of dingen verborgen zaten; als ik naar de wc moest 's nachts liep ik er dan ook zo snel mogelijk langs. dat was ook de tijd van nachtmerries; val dromen - en als ik dan wakker werd en naar de wc wilde gaan was ik nog zo onwakker, dat ik de deur van m'n kamer en het licht knopje niet kon vinden; ik herinner me dat ik dan wel 5 tot 6 keer de kamer rondliep, tastend langs de wanden, tot ik dan eindelijk een herkenningspunt vond en daarmee ook de deur en het licht. Alweer later, toen ik 12 was begon de oorlog, het afweergeschut van de Duitsers knalde er elke avond op los, stukken granaat kletterden op het dak, Engelse vliegtuigen vlogen over. Die granaat stukken spaarden we n tijdje, zoals we eerder al sigarenbandjes verzameld hadden en zoals mijn vader en ook ik een tijdje postzegel;s verzamelden. Dat granaten gekletter maakte de zolder zo mogelijk nog griezeliger. ik weet het niet meer precies, maar mogelijk was de zolder ook extra donker omdat die niet goed verduisterd kon worden en er geen licht aan mocht, zoals in de kamers beneden, waar in opdracht van de Duitsers zwart papier voor de ramen hing. Licht mocht in de oorlog buiten niet te zien zijn, om de Engelse vliegers geen informatie te geven.

Herinneringen 11 - Amsterdam. Amsterdam, die mooie stad, die is gebouwd op palen, zo gaat het lied. Ik voelde me er nu ik terug kwam meteen thuis, misschien omdat ik er geboren was. Thuis kon ik goed opschieten met Annette, onze nieuwe stiefmoeder, waar ik van mijn vader moeder tegen moest zeggen, wat ik absoluut weigerde. En zij vond het prima als ik Annette zei. Annette was een heel mooie, fascinerende vrouw, dat hielp natuurlijk, Ze was ook fascinerend, omdat ze anders was dan de meeste mensen; ze had in Frankrijk op kostschool gezeten en kookte heerlijk Frans eten. Zij dronk haar koffie zwart en zonder suiker, wat ik toen ook onmiddellijk ben gaan doen; in die tijd iets bijzonders, want in vrijwel alle Hollandse gezinnen en dus ook bij mijn tantes kreeg je koffie uit een pannetje met melk en suiker er al in. En waar dan door het koken wat melk vellen bijkwamen. Ik zie haar nog voor me, als ze voor de kachel zat, de pook in het vuur stopte en, als die dan roodgeel gloeiend was haar sigaretten er mee aanstak. Sigaretten, die ze rookte uit een pijpje. Ze was bij de dichters, die door mijn vader werden uitgegeven bijzonder populair; er werden vele gedichten op haar gemaakt.
Tot m'n vierde speelde het leven zich voornamelijk thuis af, maar nu vanaf m'n negende zag ik geleidelijk aan steeds meer van de stad, proefde de stad. Ik kwam weer op een andere school, in de 4e klas, bij een juffrouw, die hier weer mevrouw genoemd werd, en die er om bekend stond, dat ze haar leerlingen bij het minste of geringste vergrijp een keiharde klap om hun oren gaf. Dat deed ze dan als volg: ze pakte je bij 1 oor vast en terwijl je dan de klap van de andere hand verwachtte, liet ze je oor plotseling los en sloeg. De meesters waren nu ook meneren; die kreeg je vanaf de 5e klas.
De school lag in Amsterdam zuid aan de Cornelis Krusemanstraat aan een rustig pleintje, waar we na schooltijd altijd voetbalden, meestal met een tennisbal; je leerde er wel goed pingelen van. Als de politie langs kwam, niet vaak, moesten we oppassen, dat de bal niet werd afgepakt. Hoe was die school? Gewoon, zou ik nu denken. Net zoals de meeste scholen in Amsterdam, maar toch ook weer Amsterdam Zuid; van de meeste leerlingen werd wel verwacht, sprak het eigenlijk vanzelf, dat ze naar gymnasium of HBS gingen. Dat was dus ook voor mij de toekomst: eind 6e klas toelatingsexamen voor de HBS, een HBS b, wat wil zeggen met nadruk op de wiskundige of exacte vakken, op de Roelofhartstraat, waar mijn zus al op zat. De Wim Budding, die ik vroeger ontmoet had was leider van een groot deel van de leerlingen van de 4e en daarna ook 5e en 6e klas en dan waren er wat onafhankelijke zielen zoals ikzelf, die als kleinere groep zonder leider wat meer hun eigen gang gingen. In de 6e kwam ik in aanraking met de wreedheid van kinderen en groepsgedrag waar ik me nog steeds voor schaam. We waren weer aan het voetballen en 1 van ons, geen idee wie, schoot de bal door een voordeur ruitje, waarop de bewoner, een forse man, naar buiten stormde, waarop wij ons naar alle kanten uit de voeten maakten. Maar hij kreeg 1 van ons te pakken, Tijn, een rustig, wat teruggetrokken jongen, die toen uit angst al onze namen doorgaf. Wij hadden helaas weinig begrip voor Tijn's angst en noemden hem een verrader en voor de rest van het schooljaar - nog 3 maanden - werd onder leiding van Wim besloten, dat we hem "dood zouden zwijgen|", niet meer met hem zouden praten. Wat moet die jongen een vreselijke tijd gehad hebben. Dat bleek, toen hij een week ziek was en zijn kastje (lessenaar) opgeruimd werd: we vonden daarin een grote bal van brood, wat hij van overgebleven boterhammen gedraaid had. Toen we dat zagen knapte er iets en namen we hem maar weer op.
In de 6e klas deed onze school mee aan het jaarlijkse Amsterdamse voetbal toernooi voor lagere scholen. Ik was linksbinnen. Mijn vader, die een aantal jaren voetbal scheidsrechter was geweest - niet in de hoogste afdelingen maar wat lager, waar de gemoederen vaak nog veel feller waren en hij soms bijna aangevallen werd - wierp zich op als trainer/begeleider. Zijn enthousiasme was aanstekelijk (hij was een enorm overtuigend prater) en we brachten het dan ook tot de kwart finale, waar we verloren van de latere kampioen.
En terwijl ik me dit Amsterdam, die school van 1937 tot 1940 herinner, zit ik in een kamer met uitzicht op een plantsoentje, een plantsoentje 2 uur 's middags in december, waar het heel rustig is met veel vogels, maar waar 's zomers door de scholen in de buurt sportles wordt gegeven zodat er altijd leven is, en waar straks, na 3 uur, als de scholen uitgaan, groepjes jongens of meisjes komen voetballen of zich op een ander manier bezig houden. Dit plantsoentje ligt 5 minuten lopen buiten het centrum van Alkmaar, maar is toch een kleine oase van groen, rust en spel. En niet te vergelijken met Amsterdam.

Herinneringen 12 - Zussen. Mijn oudste zus, Nel, noemde ik al. Over het algemeen konden we niet al te best met elkaar opschieten,gingen elk onze eigen weg. Soms volgde ik de hare; zo werd ik na haar ook korte tijd lid van de N.J.N. (Nederlandse Jeugd bond voor Natuurstudie), omdat zij daar wat vrienden had, die erg goed gitaar speelden. Die gitaar avonden bij een kampvuur leken me wel wat. Maar in de praktijk was het iets anders: fietsen in een striemende regen met tegenwind van Amsterdam naar bijvoorbeeld Zandvoort en dan 's avonds een kampvuur, waarbij je door de rook van het te natte hout elkaar nauwelijks kon zien. Als we in dezelfde kamer ons huiswerk maakten ergerden we ons enorm aan elkaar; de een wilde stilte, de ander zette de radio keihard aan; de een probeerde iets in z'n geheugen te stampen door het hardop te lezen; de ander raakte daardoor uit z'n concentratie. Dat mondde meestal uit in slaande ruzie.
Na Nel kwam Annemarie, net een paar maanden, oudste dochter van mijn vader en Annette, een halfzusje dus zoals dat heet, maar dat half hebben we nooit zo gevoeld. En 2 jaar later kwam Olge, waarmee we ook een normale broer/zus verhouding hadden, zei het, dat er wel een flink leeftijdsverschil was. Nel dus bijna 3 jaar ouder, Annemarie 9 en Olge 11 jaar jonger. Het had wel enige voordelen de enige zoon te zijn; bovendien was mijn verhouding met mijn vader goed, evenals met Annette. Nel had het moeilijker, zij had altijd al partij getrokken voor mijn moeder en nam mijn vader dan ook veel kwalijk.

Herinneringen 13 - Amsterdam. Vlak bij die lagere school lag het bekende van Heutz monument; een soort fontein waar kleine kinderen bootjes konden laten varen, en nog wat verder lagen een aantal braakliggende terreinen klaar om bebouwd te worden, waar wij konden voetballen en fikkies stoken van alle rommel, die je daar vond. Wat verder lag het Olympisch stadion waar toen de voetbalclub Blauw Wit speelde en wat ook het mecca was van de Nederlandse wielersport op de baan. Daar vierden eerst van der Vijver en daarna van Vliet en Derksen als wereld kampioen sprint hun triomfen en kon men ook regelmatig het fenomeen van de achtervolging, Schulte, zien winnen. Wij gingen daar, al wat ouder, regelmatig donderdags naar de trainings avond van de club Olympia. Je zat dan tussen een aantal oude "experts", die alles beter wisten dan de wielrenners zelf en die de kleurrijkste commentaren gaven. Daar keken we ook naar het fenomeen Homma, die aan alle clubwedstrijden mee deed en steevast helemaal voorin begon en steevast helemaal achteraan eindigde, soms tot op een ronde achterstand. Hij was bijzonder populair en werd steeds aangemoedigd, en als alle renners al binnen waren en hij nog alleen de wedstrijd moest afmaken riep het voltallige, selecte publiek Hup Hom Ma Hup Hom Ma, tot ook hij eindelijk binnen was.
nog verder langs de Zuidelijke Wandelweg lagen verschillende sportvelden, onder andere van de toen zo bekende amateur voetbalclub AFC. In feite waren in die tijd alle voetbalclubs amateur verenigingen; profvoetbal bestond nog niet. Het was wel zo, dat AFC toen een heel goede midvoor had, die in Londen woonde; de club betaalde voor belangrijke wedstrijden zijn vlieg tickets, zodat hij kon meedoen. Tot dat ik de junioren leeftijd voetbalde ik daar ook, maar zonder echt uit te blinken. AFC had ook nog een honkbal en cricket afdeling (ACC); daar deden mijn vrienden en ik 's zomers aan mee. Ook hier was ik slechts een middelmatige slagman, maar werd af en toe in benarde situaties ingezet als bowler, omdat ik vrij slappe boogballen (olifantjes) gooide en daarmee nog aardig wat slagmannen werden uitgevangen.
We voetbalden ook vaak met wat jongens uit de buurt in een straat achter ons; we deden dat met een tennisbal en de goals waren een putje links en een putje rechts van de weg, waar de bal dan tegenaan moest komen. Als er een auto aankwam - en dat waren er niet veel toen - dan stopten we even met putten.

Herinneringen 14 - De boekhandel. De boekhandel van mijn vader, zijn 2e, was een bron van genot voor mij. Misschien kwam het wel doordat ik in een boekhandel opgegroeid ben, maar mijn hele leven was ik een fervent lezer. Eerst, als ik eigenlijk moest slapen, met een zaklantaren onder de dekens, later op school boeken in mijn lessenaar, die ik dan onder de les las, boek op m'n knieën, zodat het niet gezien werd. De boekhandel had toen ook nog een bibliotheekje, waar klanten boeken konden lenen en ik herinner me bijvoorbeeld heel goed de Graaf van Monte Christo van Alexander Dumas, wat bestond uit 11 tamelijk dunne deeltjes, die ik allemaal op school uitgelezen heb. En ook de nieuwe boeken mocht ik altijd lezen, als ik er maar voorzichtig mee was., wat bestond uit 11 tamelijk dunne deeltjes, die ik allemaal op school uitgelezen heb. En naast de Boekhandel op de begane grond was er een kelder met een flinke voorraad boeken van de uitgeverij, waarvan het kantoor op de 1e verdieping zat. Mijn vader bemoeide zich meer met die uitgeverij; meestal had hij wel een goede bedrijfsleider als hoofd van de boekhandel. Een ervan was Toon Knikman, die verhalen kon vertellen over de crisis van 1930, toen hij net van de HBS kwam en onmogelijk een baan kon vinden. Van Toon kocht ik ooit nog eens een paar Noren, die niet zoals nu aan de meest fantastische schoenen vast zaten, maar die nog met riemen aan je gewone, hoge schoenen gebonden moesten worden. Daarvoor had ik, zoals bijna iedereen, houten doorlopers gehad. Schaatsen leerden we op een vijver van het Vondelpark vlak bij huis. En toen we het eenmaal goed genoeg konden reden we elke winter vanaf de Pieter Lastmankade vlak achter ons naar Volendam en de Gouwzee, of de andere kant op, langs Boerenwetering of Schinkel en Nieuwe Meer. Op een keer stond ik op het ijs op die Pieter Lastmankade toen het ijs nog niet zo hard was. Een tamelijk dik meisje sprong naast me op het ijs, dat prompt brak en beiden zakten we erdoor. Meteen op weg huis om droge kleren aan te trekken, gevolgd door wat joelende straatjongens.
D\ie boekhandel had af en toe wel rare medewerkers; een verkoper, die opeens met me wilde "stoeien" en met stijve pik bovenop me ging liggen; hij sprong ook onmiddellijk weer weg toen ik zei te gaan schreeuwen; een verkoopster, die erg mooi en lesbisch was. Op een gegeven moment werden we allemaal, en mijn vader in het bijzonder, enthousiast voor tafeltennis of pingpong en werd er 's avonds eerst in de winkel en later permanent op zolder een pingpong wedstrijd tafel neergezet en gingen we ook competitie spelen. Mijn vriend Wim en ik waren de cracks en al gauw speelden we in de 1e klasse - daarboven was nog een hoofd klasse en overgangs klasse; al snel had mijn vader de functie commissaris buitenland in de Nederlandse tafeltennis bond en het gevolg was, dat er regelmatig buitenlandse top spelers bij ons logeerden, waartegen we konden oefenen. En ging ik ook met hem mee naar een wereld kampioenschap in Parijs; ik zal toen een jaar of 14 zijn geweest. Voor mijn vader waren Wim en ik inmiddels veel te stek geworden. Omdat hij toch graag tegen ons speelde gaven wee hem dan wat punten voorsprong en hij van zijn kant loofde sigaretten uit, als we ondanks die voorsprong van hem wonnen.

Herinneringen 15 - HBS en oorlog. Twee geheel verschillende onderwerpen, die voor mij en mijn vrienden wel samen vielen. De oorlog (bezetting van Nederland door de Duitsers was daar een deel van; het heette niet voor niets de 2e wereldoorlog) was van 1940 tot 1945; onze HBS tijd was van 1940 tot 1945 - voor mij tot 1946, omdat ik in de 3e klas was blijven zitten door m'n slechte cijfers voor de vreemde talen. M'n vrienden kregen het eindexamen papier voor niets, omdat de oorlog net afgelopen was en we net de honger winter achter de rug hadden; iedereen, en dus ook ik, moest een jaar later weer gewoon echt examen doen. M'n zus Nel was me op dezelfde HBS 3 jaar voorgegaan en had een reputatie gevestigd van tienen en negens voor talen en slechte cijfers voor de exacte vakken. En nu kwam ik het beeld bij de leraren verstoren met omgekeerde talenten: negens en tienen voor de exacte vakken en slechte tot zeer slechte cijfers voor de talen, vooral tot en met de 3e klas, waarin je voornamelijk van het Nederlands naar de andere taal moest werken. Vanaf de 4e klas ging het beter; het vertalen uit een andere taal naar het |Nederlands lukte me wel. Ik ging in die tijd meer schaken en bracht het tot Amsterdams "voortgezet onderwijs" kampioen. De opening boekjes van Max Euwe, onze Nationale schaak-trots, verslond ik. Maar uiteindelijk had ik meer plezier in het spelen van "vluggertjes" dan van normale partijen; die duurden mij veel te lang en dat is ook wel een reden geweest het schaken weer te laten vallen. Die vluggertjes spelde ik vaak in het Amsterdamse schrijvers café Reinders; de inzet was meestal een kop koffie. Maar m'n reputatie bleef tot op de dag van vandaag hangen in de familie: neefjes deden en doen hun uiterste best mij te verslaan; hetzelfde met de echtgenoot van een zus. Die dwingen me dan bijna tot het spelen van een paar partijtjes, terwijl ik liever wat zit te praten. De laatste keer dat dat gebeurde was in Augustus 2007 bij het 45-jarige verjaardagsfeest van mijn jongste dochter.

Herinneringen 16 - HBS en oorlog 2. De oorlog was in feite voor Nederland snel afgelopen; de Duitsers bombardeerden Rotterdam, misschien wel het eerste lucht bombardement op een burger bevolking, en dreigden de hele stad plat te gooien met burgers en al, als Nederland zich niet overgaf. Omdat de strijd toch al kansloos was, gaf Nederland zich toen ook over. Regering en Koninklijk huis vertrokken nog snel naar Engeland. Maar na die korte oorlog begon voor ons een lange bezetting van 5 jaar. Al gauw zag je regelmatig Duitse soldaten in colonne door de stad en dus ook door onze straat marcheren, luidkeels de Duitse soldaten liederen zingend, stampend met hun laarzen. In het begin van die bezetting hadden we nog enkele onderduikers, Joden, die kans hadden opgepakt te worden;later vertrokken die naar veiliger plekken buiten de stad. Onder hen de zo bekende Victor van Vriesland, een schrijver en redacteur, waar mijn vader als uitgever veel mee t maken had. Een schilderachtige figuur; hij wist (of deed alsof) alles van wijn en kon fascinerende tafel speeches houden als hij bij ons at. Later las ik een boek van een aangetrouwde dochter, waarin je wel een heel ander beeld kreeg van deze man, die zich kennelijk buitens huis meer inspande tot beminnelijkheid dan daarbinnen. Het grootste deel van de dag zat Victor in de kelder; hij was doodsbang voor afweergeschut dat op overvliegende vliegtuigen schoot.
Mijn vrienden en ik waren tot het einde van de oorlog te jong om opgepakt te worden of zelfs om in het verzet te gaan, afgezien dan van het rondbrengen van illegale anti-Duitse krantjes. De scholen gingen gewoon door, zeker de eerste 4 jaren; pas het laatste jaar, toen er ook vrijwel niets te eten was en ook geen kolen meer voor verwarming, werd het aan ons zelf overgelaten of we al dan niet op school kwamen. Op die HBS leerde ik al meteen mijn boezem vriend Wim C. kennen; een pikzwart harige lange jongen, die enorm goed piano speelde; zijn succes nummer was de Honkie tonkie train blues en hij kon ook enorm improviseren. We trokken eigenlijk de hele HBS tijd enorm met elkaar op; of ik zat bij hem thuis, of hij bij mij; dat laatste weliswaar veel meer, omdat ik met mijn zolderkamer veel meer privacy had. Met Wim en een andere vriend, Piet speelden 21’en, een gokspel, waarbij we enorme papieren schulden konden hebben tegenover elkaar, maar die gelukkig nooit hoefden te betalen. En met een andere vriend, Harrie, die een paar huizen verder woonde, bridge-te of schaakte ik. Na zijn eind examen ging Wim studeren, stopte na z’n kandidaats en speelde toen een tijd piano in allerlei kroegen. En opeens kreeg hij het op z’n heupen en monsterde aan als matroos op een vrachtschip en voer de halve wereld af. Hij vertelde na zijn eerste reis, dat hij daar tegen de kok had verteld over zijn tafeltennis spel. De kok had toen meteen gezegd: Go, dat is leuk, ik heb het ook jaren gespeeld; ga straks de sleutel van de tafeltennis kamer halen bij de machinist, dan spelen we een potje. En Wim was daar argeloos ingevlogen en van de een naar de ander gestuurd om die sleutel op te halen. Van het matroos spelen had hij ook al weer gauw genoeg en toen speelde hij weer piano, in bars, waar hij redelijk mee verdiende. Ondertussen ging ik eerst in militaire dienst naar Indonesië en zag hem weer een tijd na mijn terugkomst na 1 ½ jaar, maar daarna ging hij dus naar Zuid Afrika en ik naar Japan. Toen ik uit Japan weer in Nederland terugkwam werkte hij voor Philips in Zuid Afrika, was inmiddels getrouwd en had een paar kinderen . Dit hoorde ik vele jaren later van zijn moeder, die ik verschillende malen in een bejaarden tehuis op zocht. En ook, dat hij een auto ongeluk had gehad, waarbij hijzelf en een van de kinderen gestorven waren. Toen ze 80 was had ze veel pijn in haar benen en was ze jaloers, als er weer iemand die ze kende dood ging. Waarom ik niet, zei ze dan. En uiteindelijk werd haar wens vervuld. Op de begrafenis bleek, dat ze zelf al een afscheids speech had voorbereid, die door haar dochter, overgekomen uit Amerika, werd voorgelezen.
Het leven is verrassend en ook weer juist niet. Zoals Omar Khayyam het zo mooi uitdrukte:

Lampen die uitgaan, verwachtingen. De dageraad.
Lampen die aangestoken worden,
verwachtingen die doven.
Nacht.

Herinneringen 17 - HBS en oorlog 3. Maar terug weer naar de HBS tijd en de oorlog. Mijn vader ging regelmatig op bezoek bij wat boeren in Noord Holland, die hij al dan niet kende, en ruilde dan boeken tegen eten; naarmate de oorlog vorderde werd ruilhandel steeds gewoner.En op een van zijn tochten had hij geregeld, dat ik in de zogenaamde honger winter, want eten werd steeds schaarser, een paar maanden bij een boer kon werken om weer wat aan te sterken. Het was in het begin geen onverdeeld succes; als Amsterdamse stadsjongen was ik het boerenleven niet gewend en had nog nooit met planten of dieren gewerkt en ik was vrij onhandig. Al 1 van de eerste dagen, toen ik met de boer naar het land fietste om een paard op te halen uit de wei viel 1 van m'n (nieuwe) klompen uit en zoals je dan pech kan hebben: het achterwiel van de fiets ging er overheen en de klomp was kapot. Voor en boer moet dat wel het toppunt van stommiteit zijn. je eigen klomp al na een dag kapot rijden. Ik denk, dat als je het 100 keer probeert, het niet zal lukken, maar mij lukte het dus meteen. Mijn werk bestond o.a. uit hout hakken, uit opgeslagen kool omleggen en er de slechte bladen afhalen, uit het oogsten van witlof. Het was winter en al te veel werk was er niet, daarom moest ik maar wat langzamer werken. Snel werken en daarna wat tijd hebben om te lezen werd niet gewaardeerd. Deze boer was katholiek in een wat protestantse omgeving; met zijn protestantse collega's ging hij nauwelijks om. Zijn vader en oom, beiden al flink oud, woonden in een bijgebouw. Als ze 's nacht moesten plassen (en dat moesten die oude mannen nogal eens), dan trokken ze aan een bel die aan hun gebouwtje hing, om dieven af te schrikken. Mogelijk werd er in die honger winter meer gestolen dan normaal, want voor de oorlog kon je in feite overal deuren open laten staan en hoefde je zelfs fietsen die buiten stonden niet op slot te doen. Enfin, ik heb nooit meegemaakt dat er bij die boer echt gestolen werd; misschien was het wel een bedenksel van 1 van de oudjes zelf of van de boer om de oudjes een taak te geven.
Naarmate de bezetting langer duurde werd het leven onder de Duitsers steeds grimmiger. Mijn vrienden en ik waren nog lang geen 18 en liepen dus geen risico opgepakt ter worden. En het is ook merkwaardig, hoe wij toch in een soort sleur leefden, alsof de oorlog ons niet helemaal, niet helemaal persoonlijk raakte. Of anders gezegd: op de een of andere manier ging het "gewone leven ook door. Natuurlijk was er in die tijd nog geen televisie; die kwam pas aan het eind van de zestiger jaren, dus we werden althans niet doodgegooid zoals nu met televisie beelden uit de hele wereld. Je moet er ook niet aan denken, dat je het neerkomen van de atoombommen op Japan op de TV had kunnen zien; zou de mensheid zich het dan meer aangetrokken hebben? Er was al gauw een avondklok in Amsterdam en andere steden en dorpen; na een bepaalde tijd mocht je niet meer op straat. Alle ramen moesten verduisterd zijn. Mensen sloopten de hout blokjes van de tramrails om de kachels te laten branden. Meestal waren dat, net zoals bij ons thuis potkachels waarop je meteen kon koken. Van suikerbieten maakten we een soort stroop als vervanger voor suiker. Wim bleef af en toe blij mij slapen en dan staken 2 overbuur meisjes, Rina en Ada, snel de straat over als er geen Duitsers te zien waren en gaven we elkaar onze eerste dansles met behulp van een oude grammofoon met slinger en wat oude 78 toeren grammofoon platen. Verder dan de foxtrot ben ik niet gekomen. Een keer klommen wij met behulp van een pingpong tafel, die bij Rina in de schuur stond, naar haar kamer op de 1e verdieping. Alles heel spannend en ook heel onschuldig; verder dan wat zoenen ging dat niet; het ging meer om het avontuur. We vergaten toen de pingpong tafel terug te zetten en de volgende dag was Rina's vader er van overtuigd, dat dieven hadden geprobeerd in te breken. Er werden elk jaar steeds meer mensen opgepakt en naar Duitsland getransporteerd, voor gedwongen tewerkstelling of voor transport naar de vernietigings kampen. Er was elk jaar minder te eten en het laatste jaar van de bezetting heette niet voor niets de Hongerwinter. We luisterden allemaal "clandestien" naar de Engelse radio en er kwamen ook steeds meer "" verzetskrantjes, die ook geleidelijk met optimistischer berichten over de oorlog kwamen; de Duitsers verloren steeds vaker en moesten zich steeds meer terugtrekken, vooral toen ook de Amerikanen zich meert met het Europese strijdtoneel gingen bemoeien. Wat zijn mensen toch vreemde wezens en gezien het karakter van mensen: hoe vreemd dat zo veel mensen in een God geloven en, als ze daar dan al in geloven, die God niet vervloeken om wat hij aangericht heeft. De bombardementen op Duitse steden werden steeds heviger; de Duitsers waren begonnen met het bombarderen van burgers in Rotterdam, en later in Engeland, maar die verfoeilijke politiek werd daarna dubbel en dwars overgenomen door de geallieerden, zoals de tegenstanders van Duitsland en zijn bondgenoten Italie en Japan genoemd weden. Oorlogsmisdaden werden gedaan door beide partijen, om uiteindelijk uit te monden in 2 door de Amerikanen uitgeworpen atoombommen, waarmee niet op militaire doelen maar op de burgerbevolking in Japanse steden gericht werd. Het is met oorlogsmisdaden vreemd: alleen de overwonnenen worden berecht; de overwinnaars gaan vrij uit. De historicus Toynby zei het ooit al: in een oorlog nemen de overwinnaars alle slechte eigenschappen van de andere partij over - en raken die dan niet meer kwijt, zoals we later, veel later Amerikanen napalm zagen gebruiken op burgers in bijvoorbeeld Vietnam en zoals we nu Israel Duitse methodes zien gebruiken tegen de Palestijnen.

Herinneringen 18 - Vader. Mijn moeder kende ik van mijn geboorte tot haar dood, toen ik 9 was, maar mijn vader kende ik veel langer: van mijn geboorte tot mijn 6e, toen mijn ouders gingen scheiden, en daarna van mijn 9e tot mijn 32e, toen hij stierf. Maar van je ouders weet je natuurlijk nooit alles en vroeger nog veel minder dan tegenwoordig. Nadat de oorlog afgelopen was bleek, dat ook mijn vader in het "verzet" gezeten had, als commandant van een knokploeg. Die dingen hield iedereen zo veel mogelijk geheim; als kinderen en familieleden niets wisten konden ze zich ook nooit verspreken Nu herinner ik me mijn vader niet bepaald als een vechtersbaas, een geweld-pleger; ik denk dat hij die functie eerder te danken had aan zijn overtuigende manier van praten. Over mijn vader's praten gingen verschillende verhalen in de familie rond. Bijvoorbeeld een boer, waar hij in de oorlog boeken mee ruilde tegen eten zei eens tegen mij: "ik versta je vader niet, maar wat kan die man mooi praten." Een andere anekdote: Hij stapte een keer uit het trein station in Middelburg, waar een jongen vergeefs probeerde een aantal bossen bloemen te verkopen. Mijn vader zag dat en zei: dat doe je helemaal verkeerd, waarop de jongen zei: kan U het beter? En in 5 minuten had mijn vader alle bloemen verkocht. Hij kon zelfs over een volkomen verregende vakantie in een tent op een kampeerterrein zo enthousiast vertellen, dat je meteen een tent wilde gaan kopen om ook te gaan kamperen of eventueel die tent van hem kocht. Een geboren verteller en verkoper, dat was ie. Hij leerde zich altijd snel uitdrukken in vreemde talen, had daar een goed gevoel voor en wist zich altijd snel verstaanbaar te maken zonder zich al te veel te storen aan een correcte grammatica of uitspraak. Hij was voorzitter van de Nederlands-Finse vereniging tijdens de Fins-Russische oorlog, waarbij het hele "Westen" achter het kleine Finland stond en de Finse ski brigade algemeen bewonderd werd. Daar voor ging hij vaak naar Finland als gast van de Finse regering. Men voeg hem daar dan vaak om gezelschappen toe te spreken als voorzitter van de Nederlands-Finse vereniging en daar was hij eigenlijk best trots op. Pas later hoorde hij, dat men hem ook (of misschien wel juist) zo graag wilde horen praten omdat hij zulk grappig Fins sprak met zo'n grappig accent!
Een ander verhaal, wat ik van mijn grootvader hoorde: Op school was het toen heel gewoon leerlingen te straffen met strafregels en mijn vader heeft toen een handeltje opgezet om tegen betaling (snoep of speelgoed of geld?)de strafregels voor anderen te maken. Op de HBS kwam hij niet verder dan de 3e klas; hij zou wegens te grote eigenwijsheid (wel een beetje een familie eigenschap)daarna van school gestuurd zijn, alweer volgens mijn grootvader. Hij kwam uit een gezin van onderwijzers, net zoals mijn moeder. Mijn beide grootvaders waren eerst onderwijzer, daarna schoolhoofd, mijn beide grootmoeders onderwijzeres. Mijn vader had 1 broers: oom Ko, een oudere halfbroer uit mijn opa's eerste huwelijk; zijn moeder was al vroeg gestorven. Die kende ik als doordringend starende, zwijgzame psychiater, uitermate zuinig. Toen hij ooit verhuisde vroeg hij of ik wat van zijn schaakboekjes wilde hebben en nadat ik er wat uitgezocht had zei hij: "Dat is dan 15 gulden. De andere broer was oom Wim, die ook boekhandelaar werd, maar volgens mijn vader iemand, die weinig fantasie had, een saaie broer. Het was in ieder geval wel zo, dat oom Wim de durf van mijn vader miste en het kalmer aan deed, waardoor hij zowel de grote successen als de grote mislukkingen misliep.
Mijn vader was een begenadigd prater; iedereen luisterde naar hem; pas tegen zijn 60e werd het verwarrender, vooral toen hij zich tot onze grote verbazing tot het protestantisme bekeerde en onmiddellijk ook zijn hele omgeving, heel Blaricum (waar hij toen woonde) wilde bekeren. 's Zondags zat hij dan in het tamelijk drukke bushokje en liet zijn "preken" los op de aanwezige wachters, die vermoedelijk extra opgelucht adem haalden, als hun bus er aan kwam. Maar daarvoor: een flamboyante man. 1 van de eerste Nederlanders die in een vliegtuig zat, als passagier weliswaar, mar toch. We hebben nog een foto van hem in het vliegers pak, wat hij aan moest, want het was nog een "open" vliegtuig. En 1 van de weinigen, die in zijn vroege jaren een tijdje een auto had. Een bourgondier ook. We aten vaak met gasten - schrijvers of dichter allemaal - met veel wijn en speeches. Voor mij bijzonder interessant als ik erbij mocht zijn. Buiten de speeches van mijn vader, zowel als gastheer als als de uitgever van de meeste aanwezigen, genoot ik van de speeches van Victor van Vriesland, bijna altijd aanwezig mede door zijn liefde voor onze wijn. Een ijdeltuit tot en met, maar het was een genot naar hem te luisteren. Andere schrijvers, die veel bij ons thuis kwamen waren onder andere Han Hoekstra, Jan Spierdijk, Fortuin (van de Kleine Krant in de Groene), Apie Prins, prof.Asselberg, Hoornik, Fedde Schurer en nog heel wat anderen. Buiten het uitgeven van boeken had hij ook nog tijd voor een ski-vakantie elk jaar, mede misschien door z'n banden met Finland en met schrijvers uit de verschillende Scandinavische landen, zoals Buchholz. In de herfst ging ons hele gezin altijd een keer bramen zoeken; hij wist altijd de beste zoekplekken en leidde ons er als een geen tegenspraak duldende sergeant (een pratende sergeant mag ik wel zeggen) naar toe. Hij las veel; als hij een boek grappig vond begon hij steeds harder en vaker te lachen, zodat we dan vroegen ons dat gedeelte voor te lezen. En gedichten, die hij las en mooi vond las hij ons ongevraagd voor. En hij was gek op spelletjes en toneelspel. Al toen ik 9 was had hij mij schaken geleerd (hij deed dat zelf 1x per week met een collega boekhandelaar) en schaakten we regelmatig, ik eerst met dame voor, daarna toren en loper tot ik te sterk voor hem begon te worden. Hetzelfde was het geval met tafeltennis; wij hadden op zolder een tafeltennis tafel staan en als ik uit school kwam moesten ik en mijn vriend Wim, als die bij mij was, om de beurt met hem spelen. Na een paar jaar waren we te sterk en gaven hem 5 of 6 punten voor. Toen ik al weer een paar jaar later een vriendin mee naar huis nam speelde hij net een rol in de amateur toneelvereniging als boer en zei mij: zeg maar dat je vader wat vreemd is en van boeren afkomst en thuis altijd in z'n boeren kleren loopt. En zo liep hij dan ook rond toen ze kwam: in het wat overdreven toneel pak, wat bij zijn rol hoorde. Een kettingroker ook, die altijd vergat de as van zijn sigaretten af te tippen, zodat zijn broeken vaak vol as zaten.

Herinneringen 19 - meisjes. Op de lagere school gingen jongens in die tijd (en misschien tegenwoordig nog wel) alleen met jongens om, maar op de HBS veranderde dat. Er kwamen af en toe vriendinnen, meestal tijdelijk, die soms ook van de een naar de ander overgingen. Mijn klasgenoot L. was en uitzondering; hij werd al snel verliefd op het jongere zusje van mijn buurvriend H. en die relatie ging over in een huwelijk, dat eindigde bij haar dood heel veel later. Wim was op het gebied van meisjes meer geinteresseerd en ervarener dan ik; bij mij kwam het niet tot "de daad", ik had ook geen condooms zoals Wim, liep een paar jaar achter, had een andere instelling. Zijn meest serieuze vriendin raakte op een gegeven moment toch zwanger en onderging een abortus, in die tijd nog illegaal. Ik denk ook dat ik meer in boeken geinteresseerd was. En misschien kwam het door mijn overbuurmeisje Rina. Zij woonde pal tegenover ons samen met vader, oom en een jonger broertje; vader en oom vielen op straat op, doordat ze allebei een bolhoed droegen, al zeer ongewoon in die tijd, en ik kon zo haar kamer inkijken; we konden zelfs over de straat heen met elkaar praten als er niet net een tram, lijn 2, langs kwam. Wij gingen in die tijd vaak kaarten (klaverjassen) bij Rina thuis. Zij was bijna 2 jaar ouder dan ik en ik was hevig verliefd op haar, kansloos, want ze had al een vaste vriend weer ouder dan zijzelf, waar ze later ook mee getrouwd is. Een merkwaardige figuur, die er niet vaak was, al in het verzet zat, medicijnen studeerde en later chirurg werd. Hij had meestal een korte broek aan en als hij met ons mee kaartte zat hij onderhand balletjes vuil te draaien van z'n been. Een voorloper van de latere provos leek het wel, maar hij wist precies wat hij wilde. En Rina dus ook. Maar ondanks de kansloosheid van mijn verliefdheid maakte haar aanwezigheid aan de overkant van de straat andere meisjes minder aantrekkelijk voor mij. Ze beschouwde mij wel als zeer goede vriend en we zagen elkaar veel, gingen ook vaak zwemmen in het Bosplan, nu uitgegroeid tot het Amsterdamse Bos. Ik keek dan wel vol fascinatie naar haar zoals zij er dan bij lag met korte broek met wijde pijpen waarin ik haar kut prachtig kon bekijken. Maar ik was te verlegen om die ook aan te raken. Zoals meen ik de dichter Heine schreef: hoe mooi is onvervulde verliefdheid. Er waren in die jaren natuurlijk wel meer meisjes in ons leven. Zo woonde er een tweeling (twee meisjes) naast de vriendin van Wim, allebei bijzonder leuk en vlot en gelukkig voor ons best geinteresseerd in jongens. Het werden goede vriendinnen, niet al te eenkennig, net zoals wij ook niet zo eenkennig waren met wie van de tweeling we nu zaten te vrijen. Ik weet uiteraard niet zo veel van de huidige jeugd, maar krijg wel de indruk, dat die, mede onder invloed van de tv, heel wat verder gaat. Want tv bestond niet; die kwam pas vele jaren later. Net zoals er geen mobiele telefoons bestonden en elk huis hoogstens 1 radio en 1 vaste telefoon had.

Herinneringen 20 - HBS leraren. Ik weet niet, of het aan mij lag, maar had toch niet de indruk dat veel van onze leraren ons liefde voor hun vak bij brachten; we hadden toch ook merendeels oudere leraren op onze HBS. Een uitzondering was de lerares Duits, die jong en mooi was, net afgestudeerd, en die door haar uiterlijk mijn aandacht wat bij de les hield. Niet dat ik er veel aan had, want met talen was ik uitzonderlijk slecht; het was voor mij bijvoorbeeld vrijwel onmogelijk de rijtjes "schwere woerter" uit m'n hoofd te leren.We waren allemaal wel een beetje "verliefd" op haar, noemden haar ook bij haar voornaam, Anneke, wat in die tijd wel speciaal was. Hoewel Duits dus niet m'n beste vak was, stopte dat haar niet om haar best te doen mij die taal te leren; ik mocht zelfs een paar keer bij haar thuis komen om wat taal-lacunes op te vullen. Anneke trouwde na een paar jaar les geven met een leraar Stereometrie, waarvan we de voornaam absoluut niet wisten, Van der Zee. Een man, die zonder enige moeite dank zij een ijzig sarcasme orde kon houden. Een van zijn standaard uitdrukkingen was: Wil dat jongetje (of meisje) eens voor de klas komen. Daar zal een leraar nu niet meer mee aan kunnen komen, denk ik. Het is merkwaardig hoe ons geheugen werkt; al tikkend herinner ik me nog bijna alle namen uit die tijd. Van der Zee gaf boeiend les, maar voor mij was het dan ook een zeer makkelijk vak. Een geschiedenis leraar begon elke les, of het nu in de eerste of vijfde klas was, met "drie korte vraagjes", waarop je de antwoorden moest inleveren en die de basis vormden voor je rapport cijfers. Deze man was nogal gestoord en kon nauwelijks les geven; hij had ooit in de Balkan tijdens een vakantie iemand doodgereden en had daar de nodige tics van over gehouden. Hij had ook allerlei mappen met geschiedkundige of culturele krantenknipsels, en zijn lesmethode bestond er uit, dat hij die door de klas liet circuleren. Hij zat dan rustig wat te denken. We hadden in de eerste klassen ook een wiskunde leraar, die er volgens ons zelf weinig van begreep; hij had een onbegrijpelijk leerboek geschreven, dat alleen maar door hem en op onze school gebruikt werd. En er was een schilderachtige leraar Frans met verwarde haren. 's Winters brandden er in alle lokalen potkacheltjes en hij was vaak verkouden en had de gewoonte zijn zakdoeken aan het kachelscherm te drogen te hangen. Hij had hele stencils vol Franse spreekwoorden gemaakt, die hij dan uitdeelde en die op de een of andere manier in je geheugen bleven hangen. Zo herinner ik me nog: qui se sent moucheux se mouche, wie zich snotterig voelt snuit z'n neus of in goed Nederlands: wie de schoen past trekke hem aan. Helaas heb ik die stencils niet bewaard. Spreekwoorden kunnen zo interessant zijn en geven vaak een apart beeld van de maatschappij en hoe die vroeger was. Zo herinner ik me bijvoorbeeld ook het Nederlandse spreekwoord: Ieder voor zich en God voor ons allen zei de boer toen hij zijn vrouw door het ijs zag zakken.

Herinneringen 21 - zeilen in de oorlog. Achteraf is het verwonderlijk, hoeveel je, ondanks de bezetting, de eerste jaren nog kon doen en hoe weinig besef je als kind had van de ernst van de situatie. Natuurlijk wist je dat de bezetters slechte mensen waren, dat Duitsland onder Hitler slecht was, maar ook, je ging naar school, naar de voetbal club AFC, op de een of andere manier leefde je toch je eigen leven. Toen ik 12 was kocht ik voor f.15 (vijftien gulden, echt waar) m'n eerste zeilboot:een twee mast zeilkano, misschien wel de enige 2 mast zeilkano in Nederland. Het begin van een lange liefde voor het zeilen. De kano was tamelijk breed en behalve met 2 grootzeilen ook nog uitgerust met een fok, zodat je het wel haast een echte zeilboot kon noemen. In ieder geval een boot, waar je wel mee kon leren zeilen. Het bedienen van de 3 zeilen was niet zo makkelijk en bovendien moest je met een redelijke wind ook nog flink buitenboord hangen. De boot lag aan de Nieuwe Meer, een redelijk goot zeil meer, vanaf ons huis gemakkelijk te bereiken per fiets. Ik zeilde veel, de vrije weekends, als het tenminste geschikt weer was, dat wil zeggen geen regen. Na een paar jaar wilde ik toch wel iets groters en kon ik voor f.100 een kleine BM kopen, gedeeltelijk van de opbrengst van de zeilkano, gedeeltelijk van wat spaargeld. En vermoedelijk droeg mijn vader ook nog wat bij. Met die kleine BM ging ik ook met Wim op vakantie; je kon er net met z'n tweeën in slapen onder een nog gaaf dekzeil. Ik was al eens in Friesland geweest met vakantie op een botter; je kon voor weinig geld met nog een stuk of 5 andere betalende gasten daarmee een paar weken over de Friese meren zeilen. De boot lag in Grouw en als je tochten wilde maken moest je eerst een sluis door. Die meren waren toen nog niet zo toeristisch als nu; er was nog volop ruimte. We aten wat zelf gevangen vis en af en toe een eend, die de eigenaar van de boot in een of andere sloot ving en de nek omdraaide. Zo'n eend ruilden we ook af en toe met een boer tegen boter, want geleidelijk kwam er minder eten en alles was toen al op de bon; bonnen, die je moest inleveren bij het kopen van een aantal levensmiddelen. De mooiste plekjes waren misschien wel Grouw, Eernewoude en het Sneekermeer met zijn jaarlijkse wedstrijden. Na die 2 weken kende ik m'n weg aardig in Friesland. Met mijn kleine BM ging ik daar met Wim een jaar later dus ook naar toe met de Lemmerboot, die een veerdienst verzorgde tussen Amsterdam en Lemmer, en waar mijn kleine BM ook op kon. Ik had de boot ingeruimd; met allerlei listige ezelsbruggetjes alles op logische plaatsen in vooronder en zijkanten opgeborgen: eetgerei, spiritusbrander, borden, kleren (dat waren er niet veel) eten en drinken, slaapzakken enz, maar na een paar dagen zeilen bleek dat niet te werken; we konden niets vinden; ik was mijn ezelsbruggetjes vergeten en Wim nam het opruimen van me over; daarna ging het veel beter. Je gaat van Lemmer via een kanaal over het Tjeuker meer; een vrij klein meer, maar het bleek daar harder te waaien met hogere golven dan in de meeste andere, grotere Friese meren. Maar zeilen in storm is juist spannend, zelfs in die kleine BM, een veel lastiger te zeilen boot dan z'n broer de Grote BM. De Friese meren zijn prachtig en ze zijn goed verbonden door goed bevaarbare kanalen; van Lemmer zeil je zonder moeite naar Sneek of Grouw; op die meren moet je opletten voor ondiepe plekken, maar met een optrekbaar midzwaard is dat geen probleem. In een kleine BM slapen is wat krap, maar met 2 personen lukt het wel. En een zeil is dan ideaal, vooral, als je er voor zorgt het dekzeil 's avonds tijdig over de mast te leggen en goed gesloten te houden voor de muggen, die zich 's zomers in Friesland wel laten zien of beter gezegd laten horen. We hadden op het Sneekermeer op een verbinding strook tussen 2 meren een keer aangelegd om wat te eten, oen we opeens de boot zagen weg zeilen; niet goed vastgemaakt dus. Wim zag het als eerste en rende langs de landtong tot voor de boot, sprong in het water en kon nog net op tijd naar de boot zwemen en die vastpakken en zich half aan bord hijsen; een vreemd en grappig gezicht, want zijn zwembroek was inmiddels afgezakt en zo voer de boot nog een tijdje door voordat Wim weer wat krachten verzameld had om aan boord te krabbelen. Een dag later ontmoetten we een Haags groepje in een grote BM,waar we een weekje mee optrokken; Wim ruilde zijn plaats die week met 1 van hen, een heel mooi meisje, Roefje, met mooie dubbele adellijke naam, een half jaar ouder dan ik. Na en bezoek aan de stad Sneek sliepen we een nacht in een hooiberg; van slapen kwam weinig omdat de hooiberg vol bleek te zitten met hooimijt. Bovendien lag ik naast Roefje en meer met onze armen om elkaar dan apart. Vrijen was in die tijd voor de meesten van mijn leeftijd vrijen, niet neuken; daar dacht ik zelfs nog niet aan. Misschien ook, omdat Roefje net wat ouder was dan ik; veel van mijn vriendinnen waren 1 of 2 jaar ouder en ook mijn 1e vrouw was 1 1/2 jaar ouder dan ik. Zeilen is eigenlijk altijd een hobby gebleven; daardoor had ik voor andere zomer sporten weinig tijd. Later, toen ik in Westmaas woonde, aan de Binnenmaas, een mooie zeilplas, zeilde ik eerst een Schakel en daarna een Laser. De Laser was toen een nieuw concept een-mans zeilboot uit Canada, die al snel de wereld veroverde. Tot de surfplank uitgevonden werd in de jaren 70; ik was 1 van de eerste op onze plas, die er mee experimenteerde en raakte er volledig aan verknocht. Je beweegt op de wind, de wind waait door je heen, je met je krachten met de wind; tijd voor iets ander heb je niet; je moet je er volkomen aan over geven.

Herinneringen 22 - Einde oorlog. In mei 1945, een paar maanden later, ik was al weer terug in Amsterdam, kwam de bevrijding door Canadezen, Engelsen en Amerikanen. Langs alle wegen stonden we allemaal langs de kant van de weg, toen ze met tanks en jeeps Amsterdam binnen trokken. Wim's zus Ank kwam met een paar sloffen sigaretten en repen chocola thuis, die de soldaten vanaf hun tanks naar haar toegegooid hadden. Je had meer het idee, dat die soldaten uit luilekkerland kwamen, dan dat ze net een oorlog hadden gevoerd met verlies van kameraden. Het was een wilde tijd; overal straatfeesten met muziek en bier; je vraagt je af, waar dat bier opeens vandaan kwam. Elke nacht laat naar bed. Het was 1 grote roes. De hele stad, ja het hele land vierde feest. Maar het was niet voor iedereen leuk; in Wim z'n straat woonde een jonge vrouw, die met de Duitsers bevriend was geweest; ze werd uit huis gehaald en op straat kaal geschoren. Geen leuk gezicht.
En een paar maanden later deed ik eind examen en zat de normale schooltijd er op.
Het leek me altijd al leuk, om net zoals mijn vader boeken uitgever te worden en zo ging ik vervolgens naar de Grafische School waar ik een uitgevers opleiding volgde. De meeste leerlingen waren zoons van vaders met een drukkerij bedrijf. De opleiding ging dus niet om het juiste manuscript te kiezen wat als boek goed verkocht zou worden, aan te voelen wat het publiek zou willen lezen, een uitgevers eigenschap, die niet zomaar te leren is en net als mode meer op intuïtie en aanvoelen ven trends berust, maar deze opleiding was gericht op de technische kant; de kosten van het drukken, de lay-out van een boek, welk papier te gebruiken. En daarna werkte ik een tijdje bij een antiquarische boekhandel waar ik onder andere de net ingekochte boeken moest controleren en catalogiseren. Dat controleren hield o.a. in, dat bij oude uitgaven gekeken werd welke bladzijden en illustraties ontbraken, om vervolgens naar de Universiteits Bibliotheek te gaan, daar van die missende bladen foto kopieën te maken en die dan in de ingekochte boeken te plaatsen. Ik kocht daar zelf ook wel tegen inkoopsprijs boeken, die ik leuk vond, o.a. een oude spreekwoorden verzameling, een prachtige geïllustreerde uitgave van Dante's Hel en een mooie uitgave van de Rubaiyat van Omar Khayyam, mijn eerste Khayyam. Ik had in die tijd een vriendin, Pieps (dat was haar roepnaam, haar echter voornaam weet ik niet meer), een paar jaar ouder dan ik. En op die leeftijd is een paar jaar vertaald naar emotionele- en ervarings-leeftijd best wel veel, vooral als het meisje ouder is. Zij woonde in het Gooi, maar werkte vlak bij mijn antiquariaat, zodat wij elkaar tussen de middag vrijwel dagelijks zagen en daarnaast veel in het weekend. Vergeleken met haar was ik nog zeer maagdelijk en ik denk achteraf, dat ze wat meer leiding, wat meer volwassenheid van mij had verwacht. Intellectueel waren we tegen elkaar opgewassen, maar lichamelijk zat er een leeftijds, een ervarings gat zou je misschien beter kunnen zeggen. Ik had nog nooit een "echte" relatie vol "echte" seks gehad en zij wel, al een paar jaar met een wat oudere vriend. Na een jaar van veel samenzijn ontmoette ze een oudere Zwitserse man waar ze mee trouwde om in Zwitserland te gaan wonen; ik was er maanden kapot van en heb verder nooit meer wat van haar gehoord of van mij laten horen. Ja, hoe vaak komt dat niet voor; je ontmoet iemand, voelt je zeer nabij en gaat allebei weer verder, ieder je eigen kant. Maar dat loslaten hoort ook wel bij mij natuurlijk. En dan na jaren kan ik me van vrienden of vriendinnen of buren afvragen: hoe zou het met hem of haar gaan.

Herinneringen 23 - Dienstplicht. Ik werd opgeroepen voor de militaire keuring en hoopte, dat mijn te hoge bloeddruk (de dagen voor de keuring dronk ik een grote hoeveelheid alcoholische dranken)tot afkeuring zou leiden, maar dat was helaas niet het geval. Ook het duidelijk uiting geven aan mijn afschuw van alles wat militair was hielp niet en zo werd ik na enge tijd opgeroepen voor een officiers opleiding. Wat ik aar leerde was, hoe verschillend mensen konden zijn uit verschillende milieus en verschillende provincies of godsdienstige achtergronden. Mijn wereld was met mijn groep vrienden in Amsterdam Zuid toch wel tamelijk klein geweest. Wat me vooral opviel, was hoeveel dienstplichtigen een vast vertrouwen hadden in wat er in hun plaatselijke krant beweerd werd; debatteren was daardoor moeilijk. En de meesten hadden ook meer ontzag voor het "gezag", al dan niet militair. Een hoop van de militaire regels waren idioot, maar het bleven de regels waar je je aan te houden had. Eerst Weert, daarna Amersfoort waren de opleidingsplaatsen en als vaandrigs werden we uiteindelijk uitgezonden naar Indonesië, om patrouille te lopen en voor rust te zorgen. Vechten hoefden we niet meer. Mijn opleidingsonderdeel: pantser afweergeschut bestond niet in Indonesië en zo was ik organiek "over", een geluk bij en ongeluk, want al gauw werd ik overgeplaatst naar het onderdeel welzijnsverzorging in Bangkok. Van welzijnsverzorging had ik nog nooit gehoor, maar in het militaire leven is dat een enkel bezwaar. De luitenant, die die dienst leidde wilde me zo snel mogelijk inwerken om het van hem over te nemen, want hij wilde zo snel mogelijk met verlof. Al de eerste dag zei hij: als de MP morgen hun rantsoenen komen halen moeten ze een rijbewijs voor je meenemen, want bij jouw baan hoort een station wagon.En ik leer je dan wel hoe je er mee moet rijden. En zo gebeurde het We reden 3 dagen een halfuurtje om een driehoekig pleintje, waar je net van 1 naar 2 maar 3 en terug naar 2 kon schakelen en dat was het plus wat aanwijzingen war alle knopjes voor dienden. Ik was een vlotte leerling - wie niet als je je eerste auto krijgt - en had het rijden snel door en leerde de rest in de praktijk. Een klein probleem trad op, toen het later een keer regende: hij had vergeten me uit te leggen hoe de ruitenwissers werkten. En het wisselen van en lekke band, kwam ik later achter, vereist ook hel wat werk, de eerste keer dat je het doet. De stilstaande auto moet dan ook op de rem en in de versnelling gezet om niet van de krik te glijden. Mijn werk bestond uit het beheren van de voorraad, het uitdelen van de rantsoenen, zoals tandpasta, zeep, bier en andere nuttige en zeer gewenste zaken, die allemaal veel op konden brengen op de zwarte markt. M'n voorganger vertelde me, dat zijn voorganger, een majoor, nog steeds betrokken was bij een onderzoek naar "onnauwkeurigheden" en eventuele verkeerde verkopen op de zwarte markt. Een van de Chinese leveranciers van het Nederlandse leger had zijn eigen theorie over de eerlijkheid in de handel aan overheid instanties, niet beperkt tot de overheid overigens: "iedereen is omkoopbaar: de 1 met vrouwen, een ander met geld, een ander met vleierij (jij bent tenminste niet omkoopbaar) en weer een ander met "vriendschap".

Click hier voor: VERVOLG

En click hier voor:
TOP | HOME | ASTROLOGY | ARTICLES | GEBOORTETEKST | TRANSITTEXT | COURSFR | CURSUSNL | PRICES | OMAR KHAYYAM's RUBAIYAT INTRO | ENGLISH RUBAIYAT | DUTCH RUBAIYAT | MIRIAM | SAYINGS | COLUMN | BOOKS |