WEKELIJKS COMMENTAAR
HOME OMARKHAYYAMINTRO ENGLISHRUBAIYAT DUTCHRUBAIYAT
ASTROLOGY ARTICLES GEBOORTETEKST LESSONS PRICES
SAYINGS MIRIAM gedichtenRUTH BOOKS LINKS




Herinneringen, 19 Februari 1928 - ?.

Klik hier voor inhoud

Herinneringen.: Het is vreemd met herinneringen; de een weet niet meer veel over gisteren, de ander komt steeds met verhalen over wat er 60 jaar geleden is gebeurt. Zo vroeg ik vanochtend een kleindochter wat ze gisteren gedaan had en ze zei: dat weet ik niet meer. Als je doorvraagt weet ze natuurlijk wel iets, maar voor haar is vandaag belangrijker dan gisteren. En zo moet het ook, zo is het natuurlijk; de herinnering aan een ijsje van gisteren of de hoop op een ijsje wat je morgen krijgt smaakt heel veel minder dan het ijsje wat ze nu eet of straks krijgt. Maar als je ouder wordt en dan over het algemeen toch wat minder energie hebt om nieuwe dingen te gaan doen, komt er meer tijd voor dingen die je al gedaan hebt. Maar doen is altijd belangrijker dan herinneren. Schrijven over herinneringen, dat is dus een mooie paradox; je doet wat, je probeert dingen op papier te zetten, voor jezelf of misschien ook om anderen wat plezier te geven als ze lezen hoe het vroeger was, maar je zit in het verleden. Dubbelzinnig: vandaag wat doen met gisteren! Een ander merkwaardige eigenschap van herinneren is, dat als je er mee begint, de stroom in beweging zet, dat er dan uit het herinneren van een klein iets weer een andere kleine herinnering te voorschijn komt, tot je op een bepaald moment zelf gewoon verbaasd bent hoeveel je je nog herinnert, hoeveel je nog uit het verleden terug haalt. Mijn kleindochter is vanmiddag aan het zwemmen en hollen en scheppen op het strand, terwijl ik zit te tikken over het herinneren, het verleden.
Ieder z'n meug, zei de boer, en hij liep te zingen in de regen want zijn land had water nodig.

Herinneringen 1 : Soms zijn herinneringen aan een plek, aan een straat scherper dan aan een mens. Een straat verandert minder, is meer zichzelf, onverschillig wie er naar kijkt. Zo'n belangrijke straat is voor mij de Koninginneweg in Amsterdam. Ik woonde daar van mijn geboorte tot mijn 4e en daarna weer, in hetzelfde huis, nr. 227, van mijn 9e tot mijn 17e, toen ik in de Handboogstraat een kamer huurde voor fl 50 (vijftig gulden, ongeveer 25 euro) in een pand gebouwd in 1630. In de 2e periode op de Koninginneweg kreeg ik de zolderkamer op de 5e verdieping, aan de voorkant. Het was mijn zwart/wit periode en de meeste meubels waren dus gelijdelijk aan of zwart of wit. Mijn kamer had een heerlijk brede vensterbank, waar je op kon zitten en al dan niet lezend of luisterend naar muziek, het karakter en leven van de straat op je kon laten inwerken. Door de Koninginneweg reed lijn 2, met een halte een 100 meter voorbij ons huis; aan het geluid ervan wende je gauw. Wij hadden een puntdak over het hele huis en de lange zolder daaronder had aan de twee zijkanten in het midden 2 kleine uitbouwtjes boven een opengaand raam. Op 1 van die "dak erkertjes" had ik een matras gelegd, waarop ik 's zomers bij zonnig weer vaak in de zon lag te lezen. Een paar straten verder woonde mijn beste vriend, Wim C. en vlak naast ons een andere vriend, Harrie vdH, met wie ik vaak schaakte of bridgete. En tegenover ons woonde Rina, een meisje een jaar ouder dan ik, waar ik smoor verliefd op was. Goede vrienden waren we wel, maar verder had ik geen kans; zij was ook verliefd, maar op een paar jaar oudere jongen, die later medicijnen zou studeren en chirurg worden. Zo rond je 13e-15e is een jaar ouder meisje best wel meer volwassen denk ik. Zeker in mijn geval.

Herinneringen 2 - eerste jaren:: Zo heb ik een beeld van het huis in Amsterdam, waarin we woonden, toen ik geboren werd, 19 februari 1928: een hoekpand in de Valeriusstraat met donkere gevel van gladde stenen. Was dat echt zo, of zag ik die gevel pas wat later, toen we in de Koninginneweg woonden? Er woonde later in dat zwarte pand een groenteboer; bij mijn geboorte was het misschien wel de boekhandel van mijn vader met daarboven ons woonhuis. Pas veel later hoorde ik, dat ik geboren was in de Spinozastraat. Dat doet je wel wat, als je als 17 jarige filosofisch probeert te zijn en Spinoza leest. En weer jaren later hoorde ik van mijn oudere zus, dat ook zij in de Spinozastraat geboren was; daar stond namelijk het buurt ziekenhuis. En met haar vermoedelijk nog vele anderen; mijn Spinoza-aureool kreeg wat minder glans! Flarden van herinneringen slechts tot mijn 4e of 5e jaar. Zoals een dikkig vriendje, een buurjongetje, dat af en toe kwam spelen, Wim Budding of Pudding zoals hij toen door mij genoemd werd, dik en wat sloom. Later zou ik deze jongen weer ontmoeten, in de 4e klas lagere school, lang en stevig, de beste van de klas in sport, en de onbetwiste leider. Hij had trouwens ook goede cijfers. Echt een krachtige zelfverzekerde jongen; geen van m'n vrienden heeft later ooit nog iets van hem gehoord; mogelijk is hij accountant, financieel manager of iets tamelijk hoogs in het leger geworden.

Herinneringen 3 - eerste jaren 2.. Ik was die eerste jaren een wat kwakkelend jongetje, vaak ziek. Mijn oudere zus, Nel, ging natuurlijk al 3 jaar eerder naar de kleuterschool en bracht alle kinderziekten mee, waar ze dan vaak zelf weinig last van had, maar die ze wel aan mij doorgaf. Ik werd dan kennelijk wat verwend, hoewel ik me dat niet echt herinner, en Nel was daar nogal jaloers op. Zo vertelde ze nog steeds, op haar 83e, dat ik van de dokter een stuk of 10 sinaasappels per dag moest eten voor het begin van x-benen, en dat zij (wellicht wat overdreven) nooit sinaasappels heeft mogen eten. Als ze dat vertelde was zij nog steeds verontwaardigd
in ons tuintje lag wat oud hout, een oude ladder en andere rommel waar je eindeloos mee kon spelen. We hadden toen een fox-terriŽr met stamboom, John Hallifax Chatcleff, die ik kunstjes leerde in ons stads tuintje achter de boekhandel, zoals tegen een ladder oplopen. Mijn vader had die foxterriŽr een heel ander kunstje geleerd: als hij "katjes" riep werd de foxterriŽr helemaal wild en geen kat was dan ook veilig in zijn buurt. Gek eigenlijk, hoe zo'n aristocratische naam van een hond in m'n vaak slechte geheugen gegrift staat, hoewel de spelling misschien heel anders was. Echt een kat gevangen heeft hij geloof ik nooit. Mijn vader heeft altijd iets gehad met dieren; in die tuin stond ook een konijnenhok met 2 konijnen er in, Flip en Flop, waar hij hele gesprekken mee had; ze kwamen voor in het hok staan als hij ze eten bracht. Later, toen hij naar Blaricum verhuisd was hield hij daar ook 2 schapen die elk hun eigen naam hadden en natuurlijk weer konijnen, die daar vrij mochten rondlopen in de grote tuin.
Een bakfiets zie ik ook voor me, waarin de loopjongen (want zo heette dat, ook al deed hij alles fietsend en ook al was het een oudere man, die we daarom de bijnaam loopgrijsaard gaven) van de boekhandel boeken aan de klanten bezorgde. Het was een zware fiets, een doortrapper, met voor het stuur een bagagedrager waarop een heel grote mand om de weg te brengen boeken in te stoppen. toen ik de leeftijd had om naar de kleuterschool te gaan werd ik 's ochtends vaak in die bak gezet en zo naar de montessori kleuterschool gereden, ook omdat ik een hekel aan die school had en als ze me alleen lieten gaan onderweg toch bleef steken; er was zoveel te zien op straat, er werd overal wel wat verbouwd of gebouwd, straten werden vernieuwd, putjes geschept met zuig machines met lange brede slangen, en er stonden altijd wel ergens ook andere mensen naar iets te kijken; het mooiste voor mij waren de hijmachines met hun zware blok dat omhoog gedreven werd door stoom en dan met een zware klap naar benemen viel. ik vond wat op straat gebeurde veel fascinerender dan de school en de naar mijn gevoel kinderachtige dingen die we daar moesten doen. ook als de bakfiets me afgeleverd had zag ik vaak kans wat later op de ochtend stilletjes uit de school te verdwijnen. Dat was nog in de tijd, dat kinderen al heel jong zelf naar school mochten en konden gaan; er waren geen ouders in het bezit van een auto en de kinderen werden zelfs niet met de fiets gebracht; haal- en wegbreng ouders bestonden niet. Het was een kleuterschool verbonden aan een Montessori school, dus vast wel een goede, en mijn zus ging er in tegenstelling tot mij altijd met groot plezier naar toe - 1 van de vele verschilpunten tussen ons. In die tijd waren kleuterscholen (gelukkig) nog niet verplicht; kinderen mochten ook nog thuis blijven van de ouders en - nog belangrijker - van de regering.
Wat meer weet ik nog van mijn eerste jaren in Amsterdam? Niet veel; mijn geheugen begint pas echt te werken, nadat mijn vader, moeder, zus en ik naar Blaricum verhuisden tussen mijn 4e en 5e jaar.

Herinneringen 4 - Blaricum. (20 Juli 2008): toen ik bijna 5 was verhuisden we naar het Gooi, Blaricum. Ons huis was net gebouwd, een groot huis met rondom het dak koepels. het heette het Uilennest, naar een boekenreeks, de uilenreeks, die mijn vader, naast boekhandelaar inmiddels ook uitgever, uitgaf. mijn vader had in die tijd iets met uilen; ook het vignet van de boekwinkel was een grote lezende uil. het kostte enkele vechtpartijen met buurjongens om van de bijnaam "uil" of "uiltje" af te komen. Voor mijn vader en moeder was het uilennest vermoedelijk geen erg gelukkig nest; we woonden er niet veel langer dan 1 jaar toen mijn ouders gingen scheiden. al gauw verhuisden mijn moeder, zusje en ik toen naar een kleiner 2 onder een kap huis.
naast ons Uilennest woonde het hoofd van de school met vrouw en 2 dochters, de een wat ouder, de ander wat jonger dan ik. met die dochters speelde ik veel zolang we nog niet naar school moesten, want een kleuterschool was er gelukkig niet in dat dorp. beide dochters waren verliefd op mij, als je op die leeftijd over verliefd zijn kan spreken, ik vooral op de jongste, Miriam. we waren hele dagen samen en hadden veel open terrein en hei vlak om ons heen, er was veel te doen. ook bedachten we en speelden we hele verhalen; we nodigden dan ouders en buren uit in onze garage; een grote garage met vliering die zich daar goed voor leende. voor zover ik me herinner hadden de toneelstukken een avontuurlijk begin maar meestal een zeer rommelig einde. van de buurmeisjes leerde ik ook de verschillen tussen jongens en meisjes; we lieten die elkaar stiekem zien een eindje de hei op, want we namen wel aan dat hun moeder dat niet goed zou vinden. En als we tijdens het spelen moesten plassen deden we dat gewoon buiten in de tuin of langs de weg in de berm; het "verbod"op wildplassen bestond nog niet, zelfs het woord wildplassen was nog niet uitgevonden, plassen in de natuur was volkomen normaal. het hoofd en zijn vrouw werden mijn moeders beste vrienden nadat zij en mijn vader gescheiden waren en we gingen ook een paar maal gezamenlijk met vakantie naar Duitsland. op 1 van die vakanties had mijn moeder voor mij een Tiroolse broek gekocht, een voorwerp van bittere strijd, want die wou ik beslist niet aan, ik wilde niet voor gek lopen op school. In mijn herinnering duurde het weken, voordat ze de strijd opgaf.
De lagere school was een echte dorpsschool, niet al te groot, met een aantal dubbele klassen (klas 2 en 3, klas 5 en 6), met onderwijzeressen (of juffrouw zoals ze genoemd werden) voor klas 1 tot 3 en onderwijzers, die meester genoemd werden, voor klassen 4 tot 7. Want ja, er was ook een 7e klas voor kinderen, die niet door wilden leren en toch nog leerplichtig waren. De school had een flink schoolplein afgesloten met een hek, en er pal tegenover zat de dorpsslager. als het slachtdag was, in mijn herinnering meerdere dagen per week, maar het kan evengoed alleen woensdag ochtends geweest zijn, dan werden de lessen opgeluisterd met de angstkreten van de varkens die tegen hun zin naar binnen geduwd werden; ze werden dan tegelijk geduwd en aan de staart getrokken; dat gebeurde ook vaak net in het speelkwartier en wij stonden daar dan naar te kijken. Dat was ook nog een school waar je alleen maar rechts mocht schrijven en je mocht zelfs niet links tekenen, voor mij een probleem omdat ik linkshandig was (en tegelijk rechtsbenig). met tekenen haalde ik alleen maar een goed cijfer als ik links tekende maar als de juffrouw het zag verscheurde ze de tekening. de eerste keer dat ze dat deed was met een ooievaar die ik getekend had en waar ik erg trots op was, en misschien verscheurde ze daarmee wel een latent teken talent, een carriŤre als schilder. toen we eenmaal naar school gingen verslapte de vriendschap met de buurmeisjes wat; op die leeftijd speelde je op school niet met meiden; bovendien hadden we overdag geen vrij meer. en toen we verhuisden werd het contact ook minder. Ik had toen een klasgenoot, waar ik veel mee speelde en bij het huis, waar hij woonde, was een enorme tuin, vol met vruchtbomen en bramen-, frambozen- en bessenstruiken, waarvan wij zoveel mochten plukken als we wilden. Vlak tegenover ons tweede huis stond ook een huis met schutting er om heen, waarachter je een paar tamme kastanjebomen zag staan en als die rijp waren klommen we er regelmatig over heen om de tamme kastanjes te pakken die op de grond lagen en die we dan later rauw op aten.

Herinneringen 5 - Blaricum. (20 Juli 2008): Naast ons volgende huis woonde een uit duitsland gevluchte Half-Joodse (zoals de Duitsers dat classificeerden), waarvan de vader al dood was. Ze waren in 1933 uit Duitsland gevlucht en naar Nederland gekomen! Familie van moeder met 2 dochters en 1 zoon. die zoon, Lutz, was weliswaar 2 jaar ouder dan ik maar bleef jarenlang mijn beste vriend, de oudste dochter, Miriam, was de beste vriendin van mijn zus Nel. Mirjam werd jaren later overreden door de tram tussen Amsterdam en het Gooi, de Gooise Moordenaar. Met Lutz herinner ik mij o.a. een vakantie op een woonboot in Gorkum, waar we kennelijk een bezienswaardigheid waren voor de omwonende boeren; die kwamen 's avonds graag op bezoek en waren dan niet meer weg te slaan. Gapen hielp niet; je moest gewoon heel duidelijk zeggen: we willen slapen, hoepel nu maar op, en na een paar keer hielp dat. Toen ik naar school ging - kwam 't door de school, door de scheiding van mijn ouders, door iets anders - kreeg ik een tijdje last met m'n ontlasting; als ik van huis weg ging was er nog niets aan de hand, maar op weg naar school moest ik dan soms ineens poepen en als ik dan niet gauw een wc vond deed ik het soms in mijn broek; een onbeheersbare actie (of reactie) die ik nog een tijdje zou houden. Mijn blaas was ook klein; ik moet mijn hele leven al vaker plassen dan de meeste mensen; mijn dochters zeiden later zelfs een tijdje als we met vakantie langs een parkeerplaats langs de snelweg reden: P papa plas. ik had in mijn eerste klas tijd behalve een paar buurjongens nog een oudere vriend, Bruno, een stoere blonde sportieve jongen, 2 jaar ouder dan ik, 2 klassen hoger, die een jaar (ik zat in de eerste klas) zwarte piet speelde, zonder dat ik daar enig idee van had en ik herkende hem dan ook absoluut niet. ik schijn in die tijd aardig wat gevochten te hebben, want ik werd tijdens het bezoek van sinterklaas aan de school door hem voor de klas geroepen; hij zei me dat hij gehoord had dat ik zo vaak vocht en vroeg me of ik nu misschien eens met zwarte piet wilde vechten. ik herinner me niet dat ik veel terug zei; misschien een bedeesd ja op de vraag of ik in de toekomst wat minder wilde vechten. toen vriendjes me daarna vertelden dat Bruno in het zwarte piet pak zat wilde ik ze eerst niet geloven; ik kon me niet voorstellen dat m'n vriend dat zou doen zonder het me te vertellen. op de een of andere manier verwaterde daarna die vriendschap met Bruno; misschien zocht ik m'n vrienden meer in m'n eigen klas, het leeftijdsverschil werd zwaarder, of ik voelde toen al dat er iets niet klopte met Bruno; een paar jaar later bleek misschien waarom: hij werd lid van de NSB jeugd, een pro-Duitse, fascistische politieke Nederlandse organisatie. dat was ook de tijd, een jaar of vier voor de oorlog van 1940-1945, dat er steeds meer verhalen uit Duitsland kwamen over fascisme en over een groep die er op uit was anderen kapot te slaan, ogen uit te steken of nog erger. ik denk, dat we die verhalen uit Duitsland ook hoorden omdat er Duitse vluchtelingen in ons dorp woonden, zoals de vrienden waar ik het al even over had, en omdat er toen al een begin was van NSB propaganda en de meerderheid van onze kennissen zich daar fel tegen afzette. Bovendien waren we geabonneerd op de Groene Amsterdammer, het meest linkse, anti-Hitler weekblad van Nederland. ik vond het gezin zonder vader niet echt leuk, de huishouding met m'n moeder en zus vond ik teveel een vrouwenhuishouding waar ik als jongen niet echt bij hoorde; bovendien was mijn moeder vaak veel te bezorgd als ik normale wilde jongensspelen deed en probeerde ze me daarin af te remmen; dat lukte niet maar ik moet wel toegeven dat mijn knieŽn doorlopend kapot waren met vaak zweren van het vele vallen. soms (als we logees hadden of zoiets; eigenlijk herinner ik me niet dat we ooit logees hadden, daar was nauwelijks ruimte voor) moest ik in 1 bed slapen met mijn moeder en zus; dat vond ik zeer onprettig.

Herinneringen 6 - Blaricum. (20 Juli 2008): Het leven van kinderen nu is wel heel anders dan in mijn tijd. We hadden ruimte, terwijl nu een hoop van die speelruimte ingenomen wordt door rijdende of stilstaande auto's, vaak bereden of neergezet door hun eigen ouders. De kinderen van nu mogen trakteren op school, krijgen verjaardag feestjes in een pretpark of thuis en heel veel cadeautjes. En ook bij een scheiding van de ouders gaat het tegenwoordig heel anders: in mijn jeugd bleven de kinderen in feite automatisch bij de moeder en konden de ouders dus ook ver van elkaar wonen; vaak zag je dan ook je vader een lange tijd niet meer. Tegenwoordig wonen de gescheiden ouders meestal vlak bij elkaar en gaan de kinderen vaak 3 of 4 dagen naar de een, dan 3 of 4 dagen naar de ander en hebben dan in feite dus 2 huizen, 2 kamers en - als de ouders weer opnieuw trouwen - 2 vaders en 2 moeders. Bovendien zijn ze niet de enigen, die het overkomt; misschien heeft de halve schoolklas wel gescheiden ouders.
Een huwelijk is vaak niet meer voor eeuwig. En de luxe waar kinderen in baden is voor mij bijna onvoorstelbaar; iphones, ipads, fietsen, noem het maar op en ze hebben het. Maar fat is ook wel nodig: ruimte buiten zoals wij hebben ze niet.
Er zijn maar een paar verjaardags cadeaus, die ik me nog goed herinner, want cadeaus kregen we zelden; op mijn 6e verjaardag kreeg ik van mijn moeder een loep (een vergrootglas). Misschien had het niets gekost, maar ik was er wel heel blij mee. Behalve dingen er groter mee zien,. zoals bijvoorbeeld de lijnen van je handen of boom bladeren, kon je er, als de zon scheen, bijvoorbeeld schoenveters mee in brand steken; die gingen dan niet echt vlammen, maar produceerden wel een boel rook. En op mijn 7e kreeg ik een fiets van mijn afwezige vader, wel een enorm cadeau in die tijd; vermoedelijk had ik dat te danken aan het feit, dat mijn vertrokken vader opeens wat aan mijn verjaardag wilde doen, nadat hij een paar jaar daarvoor ons gezin geruild had voor een nieuwe vrouw en niets meer had laten horen, althans zo herinner ik het mij. Het is ook heel goed mogelijk, dat mijn moeder hem alle contact had verboden. Omdat die fiets lang mee moest gaan was hij wat te groot gekocht en zaten er blokken om de trappers, die er later weer af zouden kunnen en was het zadel zo laag mogelijk (dus op de stang) gezet. Doordat mijn moeder overdag werkte bij een uitgeverij in Bussum werden wij al vroeg zelfstandig en zorgden meestal zelf voor onze lunch. Van mijn moeder herinner ik me weinig tederheden, zij kon kennelijk haar emoties niet zo goed tonen. Ook met haar volledige baan kwam ze vaak moe thuis. En financieel had ze het niet breed; zij weigerde uit trots elke bijdrage van mijn vader.
Ja, hoe heeft mijn moeder die scheiding ervaren; in die tijd was een scheiding nog niet iets gewoons; het moet haar hevig geraakt hebben. Zij was daardoor verbitterd tegenover mannen, dat kon je wel voelen, en wilde dus ook niets meer te maken hebben met mijn vader. Geen gezamenlijk overleg of bezoeken van of aan de afwezige "boef", ook niet tijdens vakanties.
Vaak fietsten we met een paar vrienden naar het IJsselmeer, bij Huizen, waar we gingen zwemmen. Dat IJsselmeer was heel ondiep; je kon honderden meters lopen en dan kwam het water toch nog pas tot je middel.

Herinneringen 7 - Bussum. een paar jaar later verhuisden we naar Bussum, en naar een nieuwe school met nieuwe gewoonten, een nieuw dialect en nieuwe uitdrukkingen, waar in het begin wat vechtpartijen nodig waren om er als nieuweling in te komen. Ik denk dat dat vechten, die agressiviteit altijd in mijn karakter gezeten heeft, maar wel zeer versterkt werd door de ervaring van verhuizen en naar nieuwe scholen gaan, waar je elke keer weer een plaats moest krijgen of beter gezegd moest veroveren. het contact met onze oude Duitse buren bleef bestaan; vaak gingen we naar ze toe, vaak zagen we elkaar in het zwembad van Crailo, wat zo'n beetje tussen Blaricum en Bussum in lag. Jaren later zou mijn vrouw joke zeggen, dat ze me daar al gezien had en toen al verliefd op me geworden was. Ook in laren was een zwembad, waar we voor de verhuizing vanuit Blaricum al vaak naar toe gingen en waar ook school zwemlessen werden gegeven. Ik kon goed zwemmen, maar haalde nooit een diploma; het afzwemmen gebeurde vroeg of laat in het jaar en dan was het onverwarmde water (zwembaden verwarmden toen hun water nog niet, zoals nu in dit luxe landje. Er was een niet zwem gedeelte bij, bijna even groot als het zwembad, waar de kikkers in het rond sprongen en waar vissen zwommen. Vermoedelijk hield die extensie het zwembad schoon of dacht men dat althans. Dus ook geen chemische toestanden zoals chloor in het water. ik was in die tijd een zeer preuts jongetje; ik moest altijd een hokje alleen hebben om me te verkleden. Dat hoorde denk ik ook bij mijn leeftijd. Vlak bij dat zwembad in Laren lag een piepklein meertje: de hut van Mie. We zwommen er niet in omdat men zei, dat je daar de ziekte van feit of lijm kon oplopen.
mijn moeder werkte dus al enige jaren in Bussum bij een uitgeverij, van Dishoek; voor haar was de verhuizing daarom een verbetering wat betreft afstand tot haar werk en ze was daardoor ook vaker thuis. Maar verder waren mijn zus en ik niet erg enthousiast over Bussum, omdat we onze vrienden kwijt raakten en veel minder vrije speelbare natuur om ons heen hadden. eigenlijk herinner ik me vrijwel niets van die verhuizing. kort geleden hoorde ik van mijn zus, dat het hoofd van de school uit Blaricum verliefd op mijn moeder was geworden en dat ze daar niets van wilde weten en mede daarom verhuisd was; ik heb daar nooit iets van gemerkt, was ook nog te jong, maar het lijkt me eigenlijk ook niet zo'n plausibele reden. Het is wel merkwaardig, hoe mijn zus en ik ons de dingen uit die tijd heel verschillend herinneren. Een leeftijds verschil van 2 1/2 jaar is op die leeftijd heel wat. Zo herinnert zij zich duidelijk vele ruzies voor de scheiding tussen onze ouders, terwijl ik daarvan blijkbaar niets gemerkt heb en de scheiding als totaal onverwacht kwam. Ik herinner me ook niet, dat 1 van mijn ouders daar ooit met mij over gepraat heeft; zelfs geen simpele mededeling. Verdrongen?. Later merkte ik dat mijn tante Bep mijn vader haatte om het verlaten van mijn moeder.
Er staat ook in m'n geheugen gegrift, dat in die lagere schooltijd al gesproken werd over Duitsland en over de veranderingen die daar plaats vonden. Wat kan, kon je hiervan als kind begrijpen? Blijkbaar toch wel tamelijk veel. De beelden waren zo duidelijk, dat ze tot op de dag van vandaag zijn blijven hangen. Wij, dat wil zeggen mijn ouders, lazen de Groene Amsterdammer, het eerste weekblad, dat voor de Hitler groepering waarschuwde.
Wat herinner ik me van m'n moeder? Het was een zorgzame, warme vrouw, maar ze liep niet te koop met haar gevoel; ik denk, ook al sprak ze er nooit over en liet het niet zien, hoe ze behoorlijk geraakt, mogelijk verbitterd was door de scheiding. Jammer, dat ik te jong was om echt met haar te praten over dat soort dingen. Hoewel ik me niet herinner, dat ik ooit bij haar op schoot zat, las ik in een schriftje dat zij vol geschreven had met wat vakantie ervaringen, dat ze zeer veel van mijn zus en mij hield, ook al was ze daar niet demonstratief in. En mijn tante Bep, haar jongere zuster, vertelde mij later, dat mijn moeder uren aan mijn bed zat te waken, als ik weer eens 1 van de vele kinderziekten had.
Nog een herinnering, weer heel anders, aan mijn moeder: in Bussum kreeg ik een herdershond (ook hier weer: hoe betrouwbaar zijn herinneringen; volgens zus Nel was het haar hond, zoals ze onlangs zei, terwijl ik zeker weet, dat het de mijne was) en op een keer toen ik thuis kwam stond mijn moeder die hond met een stok te slaan; hij had vlees van de aanrecht gepakt en opgegeten en ze was zo kwaad, dat ze niet meer kon ophouden; ik was toen al heel driftig en schelden kon ik goed; met schelden, schreeuwen en vechten kreeg ik de stok uit haar handen. Achteraf was het natuurlijk logisch, dat zij zo kwaad was op die hond; het was een duur stuk vlees en zij had er hard voor moeten werken.

Herinneringen 8 - Grootouders. Prettige herinneringen waren de bezoeken aan de ouders van mijn moeder; mijn moeder had 2 zussen, 1 oudere met 2 kinderen, Brammie en Beppie, en een jongere zus die op dat moment nog ongetrouwd was en waar we later met de hele familie op haar huwelijks dag naar toe gingen om haar uit te zwaaien voor haar huwelijksreis op de Marnix van St. Aldegonde, een prachtig cruise schip. Op deze zeer moderne en markante tante kom ik nog wel terug.
Mijn moeders ouders waren beiden onderwijzer geweest (hij ook schoolhoofd, en zoals hij later vaak vol trots vertelde, hij had Jan den Hartog nog in de klas gehad en dat was nog eens een lastige leerling) en toen woonden in een modern wijkje in Driehuis-Westerveld, in een 2 onder 1 kap huis zonder auto maar met garage; een garage vol met spullen voor de kleinkinderen, zoals stelten, ballen enzovoorts en met een schommel en ringen op het oprij pad. deze grootouders hadden de gewoonte de drie dochters met kinderen een aantal jaren voor een gezamenlijke vakantie uit te nodigen; ik herinner mij Domburg, waar ik uit m'n bed gehaald werd om voor het eerst de zee te zien lichten, Vlieland, waar ik bij een hard loop wedstrijd een geldprijs won (een kwartje), waar Opa en Oma trotser op waren dan ik, en Beekbergen, vol bosbessen, en Limburg in een hotel vlak bij de Geul. ook na mijn moeders dood gingen we regelmatig naar deze grootouders toe. Opa had een prachtige zwarte wandelstok met witte ivoren handgreep. Hij wandelde graag en nam mij dan mee, bijvoorbeeld naar de Velser sluizen, of naar het landgoed Duin en Kruidberg. En met die wandelstok wees hij dan als een echte onderwijzer alle planten en bomen, waarvan hij alle namen wist, aan. Helaas heb ik er maar weinige van onthouden. Ik heb dat Duin en Kruidberg al zeker 70 jaar niet meer terug gezien, tot ik het vanmiddag op zocht op een internet zoek machine en jawel, het is nog steeds een geliefd wandelgebied. Wij scheelden precies 60 jaar; ik herinner me hem als een waardige, rustige man; niet als een zeer fanatiek SDAP'er (voorloper van de PVDA), wat hij op jongere leeftijd was volgens de verhalen van mijn tante Bep. Op een keer liet zij me ook een portefeuille met tekeningen zien, die hij gemaakt had; een werkstuk voor de kweekschool. En zij vertelde ook, dat hij nog reisjes in Nederland gemaakt had met de trekschuit.
Jaren later verhuisden zij naar een verzorgingshuis in Aardenhout. De moeder van mijn moeder raakte naarmate ze ouder werd de kluts kwijt en beschuldigde onze zo serieuze grootvader ervan overal vriendinnen te hebben; uiteindelijk moest ze opgenomen worden en verhuisde mijn Opa van het verzorgingshuis naar een kamer in het huis van zijn oudste dochter, tante Annie. De laatste keer dat ik hem zag was toen ik met verlof uit Japan in Nederland was; ik 35, hij 95. Hij zat nog steeds veel te lezen, ondanks zijn staar, met een grote sterke loep. En hij vertelde vol trots, dat hij 's ochtends op weg naar de sigaren winkel een man van een jaar of 70 had helpen oversteken. Over Japan wilde hij, enigszins tot mijn verbazing, niets horen. Ik heb geen behoefte aan het aanhoren van nieuwe dingen zei hij. Achteraf bedenk ik mij, dat dat misschien ook kwam omdat Japan in de oorlog de vijand was. Herinneringen 9 - Moeder. Het schokkendste gebeurde toen ik 9 jaar was; op een dag kwam ik om een uur of 4 thuis van het zwemmen en kon het huis niet in; op mijn bellen werd niet opengedaan. Dat gebeurde wel vaker en ik klom door het wc raampje - een normale routine - en ging naar boven. Toen ik de badkamer in ging zag ik mijn moeder in het bad liggen, bloot en met een grote drol in het water drijvend, hoofd half boven water. ik raakte haar aan en moet instinctief beseft hebben, dat ze al dood was en dat er niets meer aan te doen was, want ik herinner me niet of ik de stop uit het bad getrokken heb. wel dat ik meteen naar de buren rende, maar over de begrafenis, over de verhuizing van mijn zus en mij vlak daarna naar Amsterdam herinner ik me niets. Een zwart geheugen gat. Het merkwaardige is, dat ook Nel vertelde dat zij onze moeder in het bad gevonden had; misschien zagen we haar wel vlak na elkaar.
Wat ik mij van mijn moeder herinner, was dat ze altijd bezig was, zowel thuis als met haar "baan". Vermoedelijk hielp ze eerst in Amsterdam in de boekhandel en in Blaricum en Bussum had ze dus die baan bij een uitgeverij na haar scheiding. Van mijn tante Bep hoorde ik later, dat ze tijdens mijn vele kinderziektes heel vaak naast mijn bed zat. Later, veel later, liet mijn zus mij een schriftje zien, waarin mijn moeder een vakantie naar Duitsland beschreef, samen met onze Blaricomse buren, en waar haar liefde voor ons ook duidelijk in naar voren kwam. Dat waren ook wel heel leuke vakanties; een mooie natuur, veel wandelen op steile wegen of paden en je had het gevoel dat je echte bergen beklom. Van die vakantie herinner ik me ook nog de hazelnoot-met-melkchocolade taart, de eerste en lange tijd enige taart, die ik lekker vond en die je alleen maar in Duitsland kon krijgen. Maar ik denk, dat ze haar liefde niet goed kon tonen; ik herinner me niet, dat we bij haar op schoot zaten of dat ze ons ooit omhelsde. Ook omdat ze overdag werkte gaf ze ons veel vrijheid; dat vond ik heel prettig. In wezen was het een heel lieve, hartelijke vrouw, maar ik denk dat ze na de scheiding en de ongetwijfeld daaraan voorafgaande "ontrouw" van mijn vader ook aardig verbitterd was. Geen wonder, zeker in die tijd, toen scheidingen heel wat minder voorkwamen dan nu. En ik denk ook, dat ik een vader wel miste en daarom voor mijn moeder niet altijd makkelijk te hanteren was. Zeg maar gerust: enorm driftig kon zijn.

Herinneringen 10 - Bussum en Amsterdam. (26 Juli 2008): Gisteren ontmoette ik een heel oude vriend uit Japan, die in Nederland op bezoek was. Wij vroegen elkaar hoe het met ons ging, maar meer dan de helft van de tijd haalden wij herinneringen op, op zich al wat saai voor de andere aanwezigen. Maar bovendien zit ik nu vandaag met een heleboel vragen over waar die vriend nu mee bezig is, hoe hij zich nu voelt. Het was beter geweest wat minder te praten over het verleden en wat meer over het heden! Zoals je in feite altijd beter in het heden kunt leven, dan in verleden of toekomst; in het nu kan je het meest effectief dingen doen. En leer ik wat van het verleden? Dat is zeer de vraag. Ik was een bijzonder agressief jongetje en ben nu heel wat rustiger geworden, maar dat komt meer door de leeftijd dan door de wijze lessen van het leven. Jezelf aanpassen: ja, maar jezelf veranderen, op essentiŽle punten veranderen, daar geloof ik niet zo in.
Toen ik in de tweede klas zat verhuisden we dus naar Bussum; ongeveer een jaar later zoals ik al schreef, na de dood van mijn moeder, naar Amsterdam en daar gingen wij wonen bij mijn vader en zijn tweede vrouw Annette op de Koninginneweg in Zuid, tegenwoordig Oud-Zuid. het huis bestond uit 5 verdiepingen, 6 eigenlijk, als je de kelder meetelde, die bij flinke regen vaak gedeeltelijk onder water liep; gelijkvloers de boekhandel met een stads tuintje, daarboven de boeken uitgeverij inmiddels door mijn vader begonnen; dan de woon verdieping; daarboven de slaap verdieping en tenslotte de zolder. dat was ook de tijd, dat ik mijn kamer op de zolder kreeg; een mooie kamer met brede vensterbank, 5 hoog dus, waar je heerlijk op kon zitten en de straat inkijken, vooral mooi 's zomers tegen schemering. een zolder ook, die behoorlijk griezelig was 's nachts; er stonden veel stapels boeken en het licht was er slecht zodat het niet moeilijk was je te verbeelden dat achter die stapels boeken gevaarlijke mannen of dingen verborgen zaten; als ik naar de wc moest 's nachts liep ik er dan ook zo snel mogelijk langs. dat was ook de tijd van nachtmerries; val dromen - en als ik dan wakker werd en naar de wc wilde gaan was ik nog zo onwakker, dat ik de deur van m'n kamer en het licht knopje niet altijd snel kon vinden; ik herinner me dat ik dan wel 5 tot 6 keer de kamer rondliep, tastend langs de wanden, tot ik dan eindelijk een herkenningspunt vond en daarmee ook de deur en het licht. Alweer later, toen ik 12 was begon de oorlog, het afweergeschut van de Duitsers knalde er elke avond op los, stukken granaat kletterden op het dak, Engelse vliegtuigen vlogen over. Die granaat stukken spaarden we een tijdje, zoals we eerder al sigarenbandjes verzameld hadden en zoals mijn vader en ook ik een tijdje postzegels verzamelden. Dat granaten gekletter maakte de zolder zo mogelijk nog griezeliger. ik weet het niet meer precies, maar mogelijk was de zolder ook extra donker omdat die niet goed verduisterd kon worden en er geen licht aan mocht, zoals in de kamers beneden, waar in opdracht van de Duitsers zwart papier voor de ramen hing. Licht mocht in de oorlog buiten niet te zien zijn, om de Engelse vliegers geen informatie te geven.

Herinneringen 11 - Amsterdam. Amsterdam, die mooie stad, die is gebouwd op palen, zo gaat het lied. Ik voelde me er nu ik terug kwam meteen thuis, misschien omdat ik er geboren was. Thuis kon ik goed opschieten met Annette, onze nieuwe stiefmoeder, waar ik van mijn vader moeder tegen moest zeggen, wat ik absoluut weigerde. En zij vond het prima als ik Annette zei. Annette was een heel mooie, fascinerende vrouw, dat hielp natuurlijk, Ze was ook fascinerend, omdat ze anders was dan de meeste mensen; ze had in Frankrijk op kostschool gezeten en kookte heerlijk Frans eten. Zij dronk haar koffie zwart en zonder suiker, wat ik toen ook onmiddellijk ben gaan doen; in die tijd iets bijzonders, want in vrijwel alle Hollandse gezinnen en dus ook bij mijn tantes kreeg je koffie uit een pannetje met melk en suiker er al in, dat vaak al een tijdje op de kachel stond te pruttelen. En waar dan door het koken wat melk vellen bijkwamen. De tijd van voor de centrale verwarming, met in 1 of meer kamers een kachel die op hout en kolen brandde. En dus met onverwarmde bad-, slaap- en andere kamers en gangen. Ik zie haar nog voor me, als ze voor de kachel zat, de pook in het vuur stopte en, als die dan roodgeel gloeiend was haar sigaretten er mee aanstak. Sigaretten, die ze rookte uit een pijpje. Ze was bij de dichters die door mijn vader werden uitgegeven bijzonder populair; er werden vele gedichten op haar gemaakt.
Tot m'n vierde speelde het leven zich voornamelijk thuis af, maar nu vanaf m'n negende zag ik geleidelijk aan steeds meer van de stad, proefde de stad. Ik kwam hier in Amsterdam dus weer op een andere school, in de 4e klas, bij een juffrouw, die hier weer mevrouw genoemd werd, en die er om bekend stond, dat ze haar leerlingen bij het minste of geringste vergrijp een keiharde klap om hun oren gaf. Dat deed ze dan als volg: ze pakte je bij 1 oor vast en terwijl je dan de klap van de andere hand verwachtte, liet ze je oor plotseling los en sloeg dan vanaf die onverwachte kant. De meesters waren nu ook meneren; die kreeg je vanaf de 5e klas.
De school lag in Amsterdam zuid aan de Cornelis Krusemanstraat aan een rustig pleintje, waar we na schooltijd altijd voetbalden, meestal met een tennisbal; je leerde er wel goed pingelen van. Als de politie langs kwam, niet vaak, moesten we oppassen, dat de bal niet werd afgepakt. Hoe was die school? Gewoon, zou ik nu denken. Net zoals de meeste scholen in Amsterdam, maar toch ook weer met het cachet van Amsterdam Zuid; van de meeste leerlingen werd wel verwacht, sprak het eigenlijk vanzelf, dat ze naar gymnasium of HBS gingen. Dat was dus ook voor mij de toekomst: eind 6e klas toelatingsexamen voor de HBS, een HBS b, wat wil zeggen met nadruk op de wiskundige of exacte vakken, op het Roelofhartsplein, waar mijn zus al op zat. De Wim Budding, die ik vroeger ontmoet had was leider van een groot deel van de leerlingen van de 4e en daarna ook 5e en 6e klas en dan waren er wat onafhankelijke zielen zoals ikzelf, die als kleinere groep zonder te gehoorzamen aan de leider meer hun eigen gang gingen. In de 6e kwam ik in aanraking met de wreedheid van kinderen en groepsgedrag waar ik me nog steeds voor schaam. We waren weer aan het voetballen en 1 van ons, geen idee wie, schoot de bal door een voordeur ruitje, waarop de bewoner, een forse man, naar buiten stormde, waarop wij ons naar alle kanten uit de voeten maakten. Maar hij kreeg 1 van ons te pakken, Tijn, een rustig, erg teruggetrokken jongen, die toen uit angst al onze namen doorgaf. Wij hadden helaas weinig begrip voor Tijn's angst en noemden hem een verrader en voor de rest van het schooljaar - nog 3 maanden - werd onder leiding van Wim besloten, dat we hem "dood zouden zwijgen|", niet meer met hem zouden praten. Wat moet die jongen een vreselijke tijd gehad hebben. Dat bleek, toen hij een paar weken ziek was en zijn kastje (lessenaar) opgeruimd werd: we vonden daarin een grote bal van brood, wat hij van overgebleven boterhammen gedraaid had. Toen we dat zagen knapte er iets en namen we hem maar weer op.
In de 6e klas deed onze school mee aan het jaarlijkse Amsterdamse voetbal toernooi voor lagere scholen. Ik was linksbinnen. Mijn vader, die een aantal jaren voetbal scheidsrechter was geweest - niet in de hoogste afdelingen maar wat lager, waar de gemoederen vaak nog veel feller waren en hij soms bijna aangevallen werd - wierp zich op als trainer/begeleider. Zijn enthousiasme was aanstekelijk (hij was een enorm overtuigend prater) en we brachten het dan ook tot de kwart finale, waar we verloren van de latere kampioen.
En terwijl ik me dit Amsterdam, die school van 1937 tot 1940 herinner, zit ik in een kamer met uitzicht op een plantsoentje, een plantsoentje 2 uur 's middags in december, waar het heel rustig is met veel vogels, maar waar 's zomers door de scholen in de buurt sportles wordt gegeven zodat er dan altijd leven is, en waar straks, na 3 uur, als de scholen uitgaan, groepjes jongens of meisjes komen voetballen of zich op een ander manier bezig houden. Dit plantsoentje ligt 5 minuten lopen buiten het centrum van Alkmaar, maar is toch een kleine oase van groen, rust en spel. En niet te vergelijken met Amsterdam.

Herinneringen 12 - Zussen. Mijn oudste zus Nel, van 25 Juli 1922 noemde ik al. Over het algemeen konden we niet al te best met elkaar opschieten, gingen elk onze eigen weg. Soms volgde ik de hare; zo werd ik na haar ook korte tijd lid van de N.J.N. (Nederlandse Jeugd bond voor Natuurstudie), omdat zij daar wat vrienden had, die erg goed gitaar speelden. Die gitaar avonden bij een kampvuur leken me wel wat. Maar in de praktijk was het iets anders: eerst fietsen in een striemende regen met tegenwind van Amsterdam naar bijvoorbeeld Zandvoort en dan 's avonds een kampvuur, waarbij je door de rook van het te natte hout elkaar nauwelijks kon zien. Maar gelukkig wel de kon horen. Van 1 van de liedjes herinner ik me nog de eerste regel van het refrein: ja ze had een been van hout, als je 't zag dan werd je koud, en onderaan zat heel komiek een heel klein stukje elastiek. Als we in dezelfde kamer ons huiswerk maakten ergerden we ons enorm aan elkaar; de een wilde stilte, de ander zette de radio keihard aan; de een probeerde iets in z'n geheugen te stampen door het hardop te lezen; de ander raakte daardoor uit z'n concentratie. Dat mondde meestal uit in slaande ruzie.
Na Nel kwam Annemarie in leeftijd, geboren 1 mei 1937, oudste dochter van mijn vader en Annette, een halfzusje dus zoals dat heet, maar dat half hebben we nooit zo gevoeld. En 2 jaar later kwam Olge, 9 oktober 1939; er was dus wel een flink leeftijdsverschil tussen mij en mijn jongste zussen. Nel dus bijna 3 jaar ouder, Annemarie 9 en Olge 11 jaar jonger. Het had wel enige voordelen de enige zoon te zijn; bovendien was mijn verhouding met mijn vader goed, evenals met Annette. Nel had het moeilijker, zij had altijd al partij getrokken voor mijn moeder en nam mijn vader dan ook veel kwalijk over de scheiding met onze moeder.

Herinneringen 13 - Amsterdam. Vlak bij die lagere school lag het bekende van Heutz monument; een soort fontein waar kleine kinderen bootjes konden laten varen, en nog wat verder lagen een aantal braakliggende terreinen klaar om bebouwd te worden, waar wij konden voetballen en fikkies stoken van alle rommel, die je daar vond. Wat verder lag het Olympisch stadion waar toen de voetbalclub Blauw Wit speelde en wat ook het mecca was van de Nederlandse wielersport op de baan. Daar vierden eerst van der Vijver en daarna van Vliet en Derksen als wereld kampioen sprint hun triomfen en kon men ook regelmatig het fenomeen van de achtervolging, Schulte, zien winnen. Wij gingen daar, al wat ouder, regelmatig donderdags naar de trainings avond van de club Olympia. Je zat dan tussen een aantal oude "experts", die alles beter wisten dan de wielrenners zelf en die de kleurrijkste commentaren gaven. Daar keken we ook naar het fenomeen Homma, die aan alle club wedstrijden mee deed en steevast helemaal voorin begon en steevast helemaal achteraan eindigde, soms tot op een ronde achterstand. Hij was bijzonder populair en werd steeds aangemoedigd, en als alle renners al binnen waren en hij nog alleen de wedstrijd moest afmaken riep het voltallige, selecte publiek Hup Hom Ma Hup Hom Ma, tot ook hij eindelijk binnen was.
nog verder langs de Zuidelijke Wandelweg lagen verschillende sportvelden, onder andere van de toen zo bekende amateur voetbalclub AFC. In feite waren in die tijd alle voetbalclubs amateur verenigingen; profvoetbal bestond nog niet. Het was wel zo, dat AFC toen een heel goede midvoor had, die in Londen woonde; de club betaalde voor belangrijke wedstrijden zijn vlieg tickets, zodat hij kon meedoen. Tot dat ik de junioren leeftijd voetbalde ik daar ook, maar zonder echt uit te blinken. AFC had ook nog een honkbal en cricket afdeling (ACC); daar deden mijn vrienden en ik 's zomers aan mee. Ook hier was ik slechts een middelmatige slag man, maar werd af en toe in benarde situaties ingezet als bowler, omdat ik vrij slappe boog ballen (olifantjes) gooide en daarmee nog aardig wat slag mannen werden uitgevangen.
We voetbalden ook vaak met wat jongens uit de buurt in een straat achter ons; we deden dat met een tennisbal en de goals waren een putje links en een putje rechts van de weg, waar de bal dan tegenaan moest komen. Als er een auto aankwam - en dat waren er niet veel toen - dan stopten we even met putten.

Herinneringen 14 - De boekhandel. De boekhandel van mijn vader, zijn 2e, was een bron van genot voor mij. Misschien kwam het wel doordat ik in een boekhandel opgegroeid ben, maar mijn hele leven was en ben ik een fervent lezer. Zelfs als ik eigenlijk moest slapen, met een zaklantaren onder de dekens, later op school met boeken in mijn lessenaar, die ik dan onder de les las, boek op m'n knieŽn, zodat het niet gezien werd. De boekhandel had toen ook nog een bibliotheekje, waar klanten boeken konden lenen en ik herinner me bijvoorbeeld heel goed de Graaf van Monte Christo van Alexander Dumas, een uitgave die bestond uit 11 tamelijk dunne deeltjes, die ik allemaal op school uitgelezen heb. En ook de nieuwe boeken mocht ik altijd lezen, als ik er maar voorzichtig mee was. En naast de Boekhandel op de begane grond was er een kelder met een flinke voorraad boeken van de uitgeverij, waarvan het kantoor op de 1e verdieping zat. Mijn vader bemoeide zich meer met die uitgeverij; meestal had hij wel een goede bedrijfsleider in dienst als hoofd van de boekhandel. Een ervan was Toon Knikman, die verhalen kon vertellen over de crisis van 1930, toen hij net van de HBS kwam en onmogelijk een baan kon vinden. Van Toon kocht ik ooit nog eens een paar Noren, die niet zoals nu aan de meest fantastische schoenen vast zaten, maar die nog met riemen aan je gewone, hoge schoenen gebonden moesten worden. Daarvoor had ik, zoals bijna iedereen, houten doorlopers gehad. Schaatsen leerden we op een vijver van het Vondelpark vlak bij huis. En toen we het eenmaal goed genoeg konden reden we elke winter vanaf de Pieter Lastmankade vlak achter ons naar Volendam en de Gouwzee, of de andere kant op, langs Boerenwetering of Schinkel en Nieuwe Meer. Op een keer stond ik op het ijs op die Pieter Lastmankade toen het ijs nog niet zo hard was. Een tamelijk dik meisje sprong naast me op het ijs, dat prompt brak en beiden zakten we erdoor. Meteen op weg huis om droge kleren aan te trekken, gevolgd door wat joelende straatjongens.
Die boekhandel had af en toe wel rare medewerkers; een verkoper, die opeens met me wilde "stoeien" en met stijve pik bovenop me ging liggen; hij sprong ook onmiddellijk weer weg toen ik zei te gaan schreeuwen; een verkoopster, die erg mooi maar voor mij helaas ook lesbisch was. Op een gegeven moment werden we allemaal, en mijn vader in het bijzonder, enthousiast voor tafeltennis (of pingpong) en werd er 's avonds eerst in de winkel en later permanent op zolder een pingpong wedstrijd tafel neergezet en gingen we ook competitie spelen. Mijn vriend Wim en ik waren de cracks en al gauw speelden we in de 1e klasse - daarboven was nog een hoofd klasse en overgangs klasse. Al snel kreeg mijn vader de functie commissaris buitenland in het bestuur van de Nederlandse tafeltennis bond en het gevolg was, dat er regelmatig buitenlandse top spelers bij ons logeerden, waartegen we konden oefenen. En ging ik ook met hem mee naar een wereld kampioenschap in Parijs; ik zal toen een jaar of 17 zijn geweest. Voor mijn vader waren Wim en ik inmiddels veel te stek geworden. Omdat hij toch graag tegen ons speelde gaven wee hem dan wat punten voorsprong en hij van zijn kant loofde sigaretten uit, als we ondanks die voorsprong van hem wonnen.

Herinneringen 15 - HBS en oorlog. Twee geheel verschillende onderwerpen, die voor mij en mijn vrienden wel samen vielen. De oorlog (bezetting van Nederland door de Duitsers was daar een deel van; het heette niet voor niets de 2e wereldoorlog) was van 1940 tot 1945; onze HBS tijd was van 1940 tot 1945 - voor mij tot 1946, omdat ik in de 3e klas was blijven zitten door m'n slechte cijfers voor de vreemde talen. M'n vrienden kregen het eindexamen papier voor niets, omdat de oorlog net afgelopen was en we net de honger winter achter de rug hadden; iedereen, en dus ook ik, moest een jaar later weer gewoon echt examen doen. M'n zus Nel was me op dezelfde HBS 3 jaar voorgegaan en had een reputatie gevestigd van tienen en negens voor talen en slechte cijfers voor de exacte vakken. En nu kwam ik het beeld bij de leraren verstoren met omgekeerde talenten: negens en tienen voor de exacte vakken en slechte tot zeer slechte cijfers voor de talen, vooral tot en met de 3e klas, waarin je voornamelijk van het Nederlands naar de andere taal moest werken. Vanaf de 4e klas ging het beter; het vertalen uit een andere taal naar het |Nederlands lukte me wel. Ik ging in die tijd wat meer schaken Op mijn 9e geleerd van mijn vader, die mij eerst nog een voorgift van toren of loper gaf, maar al snel door mij verslagen werd) en bracht het tot Amsterdams "voortgezet onderwijs" kampioen. De opening boekjes van Max Euwe, onze Nationale schaak-trots, had ik jaren geleden al verslonden. Maar uiteindelijk had ik meer plezier in het spelen van "vluggertjes" dan van normale partijen; die duurden mij veel te lang en dat is ook wel een reden geweest het schaken weer te laten vallen. Die vluggertjes speelde ik vaak in het Amsterdamse schrijvers cafť Reinders; de inzet was meestal een kop koffie. Maar m'n reputatie bleef tot op de dag van vandaag hangen in de familie: neefjes deden en doen hun uiterste best mij te verslaan; hetzelfde met de echtgenoot van een zus. Die dwingen me dan bijna tot het spelen van een paar partijtjes, terwijl ik liever wat zit te praten.

Herinneringen 16 - HBS en oorlog en vrienden. De oorlog was in feite voor Nederland snel afgelopen; de Duitsers bombardeerden Rotterdam, misschien wel het eerste lucht bombardement op een burger bevolking, en dreigden de hele stad plat te gooien met burgers en al, als Nederland zich niet overgaf. Omdat de strijd toch al kansloos was, gaf Nederland zich toen ook over. Regering en Koninklijk huis vertrokken nog snel naar Engeland. Maar na die korte oorlog begon voor ons een lange bezetting van 5 jaar. Al gauw zag je regelmatig Duitse soldaten in colonne door de stad en dus ook door onze straat marcheren, luidkeels de Duitse soldaten liederen zingend, stampend met hun laarzen. In het begin van die bezetting hadden we nog enkele onderduikers, Joden, die kans hadden opgepakt te worden;later vertrokken die naar veiliger plekken buiten de stad. Onder hen de zo bekende Victor van Vriesland, een schrijver en redacteur, waar mijn vader als uitgever veel mee t maken had. Een schilderachtige figuur; hij wist (of deed alsof) alles van wijn en kon fascinerende tafel speeches houden als hij bij ons at. Later las ik een boek van een aangetrouwde dochter, waarin je wel een heel ander beeld kreeg van deze man, die zich kennelijk buitens huis meer inspande tot beminnelijkheid dan daarbinnen. Het grootste deel van de dag zat Victor in de kelder; hij was doodsbang voor afweergeschut dat op overvliegende vliegtuigen schoot.
Mijn vrienden en ik waren tot het einde van de oorlog te jong om opgepakt te worden of zelfs om in het verzet te gaan, afgezien dan van het rondbrengen van illegale anti-Duitse krantjes. De scholen gingen gewoon door, zeker de eerste 4 jaren; pas het laatste jaar, toen er ook vrijwel niets te eten was en ook geen kolen meer voor verwarming, werd het aan ons zelf overgelaten of we al dan niet op school kwamen. Op die HBS leerde ik al meteen mijn boezem vriend Wim C. kennen; een pikzwart harige lange jongen, die enorm goed piano speelde; zijn succes nummer was de Honkie tonkie train blues en hij kon ook enorm improviseren. We trokken eigenlijk de hele HBS tijd enorm met elkaar op; of ik zat bij hem thuis, of hij bij mij; dat laatste weliswaar veel meer, omdat ik met mijn zolderkamer veel meer privacy had. Met Wim en een andere vriend, Piet speelden 21íen, een gokspel, waarbij we enorme papieren schulden konden hebben tegenover elkaar, maar die gelukkig nooit hoefden te betalen. En met een andere vriend, Harrie, die een paar huizen verder woonde, bridge-te of schaakte ik. Na zijn eind examen ging Wim studeren, stopte na zín kandidaats en speelde toen een tijd piano in allerlei kroegen. En opeens kreeg hij het op zín heupen en monsterde aan als matroos op een vrachtschip en voer de halve wereld af. Hij vertelde na zijn eerste reis, dat hij daar tegen de kok had verteld over zijn tafeltennis spel. De kok had toen meteen gezegd: Goh, dat is leuk, ik heb het ook jaren gespeeld; ga straks de sleutel van de tafeltennis kamer halen bij de machinist, dan spelen we een potje. En Wim was daar argeloos ingevlogen en van de een naar de ander gestuurd om die sleutel op te halen. Van het matroos spelen had hij ook al weer gauw genoeg en toen speelde hij weer piano, in bars, waar hij redelijk mee verdiende. Ondertussen ging ik eerst in militaire dienst naar IndonesiŽ en zag hem weer een tijd na mijn terugkomst na 1 Ĺ jaar, maar daarna ging hij dus naar Zuid Afrika en ik naar Japan. Toen ik uit Japan weer in Nederland terugkwam bezocht ik zijn moeder een paar keer en hoorde van haar hoe het met Wim ging. Hij werkte voor Philips in Zuid Afrika, was inmiddels getrouwd en had een paar kinderen. En ook, dat hij een auto ongeluk had gehad, waarbij hijzelf en een van de kinderen gestorven waren. Toen ze 80 was had ze veel pijn in haar benen en was ze jaloers, als er weer iemand die ze kende dood ging. Waarom ik niet, zei ze dan. En uiteindelijk werd haar wens vervuld. Op de begrafenis bleek, dat ze zelf al een afscheids speech had voorbereid, die door haar dochter, overgekomen uit Amerika, werd voorgelezen.
Het leven is verrassend en ook weer juist niet. Zoals Omar Khayyam het zo mooi uitdrukte:

Lampen die uitgaan, verwachtingen. De dageraad.
Lampen die aangestoken worden,
verwachtingen die doven.
Nacht.

Herinneringen 17 - HBS en oorlog 3. Maar terug weer naar de HBS tijd en de oorlog. Mijn vader ging regelmatig op bezoek bij wat boeren in Noord Holland, die hij al dan niet kende, en ruilde dan boeken tegen eten; naarmate de oorlog vorderde werd ruilhandel steeds gewoner.En op een van zijn tochten had hij geregeld, dat ik in de zogenaamde honger winter, want eten werd steeds schaarser, een paar maanden bij een boer kon werken om weer wat aan te sterken. Het was in het begin geen onverdeeld succes; als Amsterdamse stadsjongen was ik het boerenleven niet gewend en had nog nooit met planten of dieren gewerkt en ik was vrij onhandig. Al 1 van de eerste dagen, toen ik met de boer naar het land fietste om een paard op te halen uit de wei viel 1 van m'n (nieuwe) klompen uit en zoals je dan pech kan hebben: het achterwiel van de fiets ging er overheen en de klomp was kapot. Voor en boer moet dat wel het toppunt van stommiteit zijn. je eigen klomp al na een dag kapot rijden. Ik denk, dat als je het 100 keer probeert, het niet zal lukken, maar mij lukte het dus meteen. Mijn werk bestond o.a. uit hout hakken, uit opgeslagen kool omleggen en er de slechte bladen afhalen, uit het oogsten van witlof. Het was winter en al te veel werk was er niet, daarom moest ik maar wat langzamer werken. Snel werken en daarna wat tijd hebben om te lezen werd niet gewaardeerd. Deze boer was katholiek in een wat protestantse omgeving; met zijn protestantse collega's ging hij nauwelijks om. Zijn vader en oom, beiden al flink oud, woonden in een bijgebouw. Als ze 's nacht moesten plassen (en dat moesten die oude mannen nogal eens), dan trokken ze aan een bel die aan hun gebouwtje hing, om dieven af te schrikken. Mogelijk werd er in die honger winter meer gestolen dan normaal, want voor de oorlog kon je in feite overal deuren open laten staan en hoefde je zelfs fietsen die buiten stonden niet op slot te doen. Enfin, ik heb nooit meegemaakt dat er bij die boer echt gestolen werd; misschien was het wel een bedenksel van 1 van de oudjes zelf of van de boer om de oudjes een taak te geven.
Naarmate de bezetting langer duurde werd het leven onder de Duitsers steeds grimmiger. Mijn vrienden en ik waren nog lang geen 18 en liepen dus geen risico opgepakt ter worden. En het is ook merkwaardig, hoe wij toch in een soort sleur leefden, alsof de oorlog ons niet helemaal, niet helemaal persoonlijk raakte. Of anders gezegd: op de een of andere manier ging het "gewone leven ook door. Natuurlijk was er in die tijd nog geen televisie; die kwam pas aan het eind van de zestiger jaren, dus we werden althans niet doodgegooid zoals nu met televisie beelden uit de hele wereld. Je moet er ook niet aan denken, dat je het neerkomen van de atoombommen op Japan op de TV had kunnen zien; zou de mensheid zich het dan meer aangetrokken hebben? Er was al gauw een avondklok in Amsterdam en andere steden en dorpen; na een bepaalde tijd mocht je niet meer op straat. Alle ramen moesten verduisterd zijn. Mensen sloopten de hout blokjes van de tramrails om de kachels te laten branden. Meestal waren dat, net zoals bij ons thuis potkachels waarop je meteen kon koken. Van suikerbieten maakten we een soort stroop als vervanger voor suiker. Wim bleef af en toe blij mij slapen en dan staken 2 overbuur meisjes, Rina en Ada, snel de straat over als er geen Duitsers te zien waren en gaven we elkaar onze eerste dansles met behulp van een oude grammofoon met slinger en wat oude 78 toeren grammofoon platen. Verder dan de foxtrot ben ik niet gekomen. Een keer klommen wij met behulp van een pingpong tafel, die bij Rina in de schuur stond, naar haar kamer op de 1e verdieping. Alles heel spannend en ook heel onschuldig; verder dan wat zoenen ging dat niet; het ging meer om het avontuur. We vergaten toen de pingpong tafel terug te zetten en de volgende dag was Rina's vader er van overtuigd, dat dieven hadden geprobeerd in te breken. Er werden elk jaar steeds meer mensen opgepakt en naar Duitsland getransporteerd, voor gedwongen tewerkstelling of voor transport naar de vernietigings kampen. Er was elk jaar minder te eten en het laatste jaar van de bezetting heette niet voor niets de Hongerwinter. We luisterden allemaal "clandestien" naar de Engelse radio en er kwamen ook steeds meer "" verzetskrantjes, die ook geleidelijk met optimistischer berichten over de oorlog kwamen; de Duitsers verloren steeds vaker en moesten zich steeds meer terugtrekken, vooral toen ook de Amerikanen zich meert met het Europese strijdtoneel gingen bemoeien. Wat zijn mensen toch vreemde wezens en gezien het karakter van mensen: hoe vreemd dat zo veel mensen in een God geloven en, als ze daar dan al in geloven, die God niet vervloeken om wat hij aangericht heeft. De bombardementen op Duitse steden werden steeds heviger; de Duitsers waren begonnen met het bombarderen van burgers in Rotterdam, en later in Engeland, maar die verfoeilijke politiek werd daarna dubbel en dwars overgenomen door de geallieerden, zoals de tegenstanders van Duitsland en zijn bondgenoten Italie en Japan genoemd weden. Oorlogsmisdaden werden gedaan door beide partijen, om uiteindelijk uit te monden in 2 door de Amerikanen uitgeworpen atoombommen, waarmee niet op militaire doelen maar op de burgerbevolking in Japanse steden gericht werd. Het is met oorlogsmisdaden vreemd: alleen de overwonnenen worden berecht; de overwinnaars gaan vrij uit. De historicus Toinby zei het ooit al: in een oorlog nemen de overwinnaars alle slechte eigenschappen van de andere partij over - en raken die dan niet meer kwijt, zoals we later, veel later Amerikanen napalm zagen gebruiken op burgers in bijvoorbeeld Vietnam en zoals we nu Israel Duitse methodes zien gebruiken tegen de Palestijnen.

Herinneringen 18 - Vader. Mijn moeder kende ik van mijn geboorte tot haar dood, toen ik 9 was, maar mijn vader kende ik veel langer: van mijn geboorte tot mijn 6e, toen mijn ouders gingen scheiden, en daarna van mijn 9e tot mijn 32e, toen hij stierf. Maar van je ouders weet je natuurlijk nooit alles en vroeger nog veel minder dan tegenwoordig. Ouders lieten in die tijd veel minder zien van zichzelf en hun problemen aan hun kinderen. Nadat de oorlog afgelopen was bleek, dat ook mijn vader in het "verzet" gezeten had, als commandant van een knokploeg. Die dingen hield iedereen zo veel mogelijk geheim; als kinderen en familieleden niets wisten konden ze zich ook nooit verspreken Nu herinner ik me mijn vader niet bepaald als een vechtersbaas, een geweld-pleger; ik denk dat hij die functie eerder te danken had aan zijn overtuigende manier van praten en behoefte dingen te organiseren. Over mijn vader's praten gingen verschillende verhalen in de familie rond. Bijvoorbeeld van een boer, waar hij in de oorlog boeken mee ruilde tegen eten en die gezegd had: "ik versta je vader niet goed, maar wat kan die man mooi praten." Een andere anekdote: Hij stapte een keer uit het trein station in Middelburg, waar een jongen vergeefs probeerde een aantal bossen bloemen te verkopen. Mijn vader zag dat en zei: dat doe je helemaal verkeerd, waarop de jongen zei: kan U het beter? En in 5 minuten had mijn vader alle bloemen verkocht. Hij kon zelfs over een volkomen verregende vakantie in een tent op een kampeerterrein zo enthousiast vertellen, dat je meteen een tent wilde gaan kopen om ook te gaan kamperen of eventueel die tent van hem kocht, terwijl aan de andere kant zijn toenmalige vrouw en mede-kampeerder Marieke vol afschuw over het leven in een tent en over alle regen sprak. Een geboren verteller en verkoper, dat was ie. Hij leerde zich altijd snel uitdrukken in vreemde talen, had daar een goed gevoel voor en wist zich altijd snel verstaanbaar te maken zonder zich al te veel te storen aan een correcte grammatica of uitspraak. Zo was hij ook, door zijn contacten met Finse schrijvers, voorzitter geworden van de Nederlands-Finse vereniging tijdens de Fins-Russische oorlog, waarbij het hele "Westen" achter het kleine Finland stond en de Finse ski brigade algemeen bewonderd werd om hun standhouden tegenover de Russische overmacht. Daarvoor ging hij vaak naar Finland als gast van de Finse regering. Men voeg hem daar dan vaak om gezelschappen toe te spreken en daar was hij eigenlijk best trots op. Pas later hoorde hij, dat men hem ook (of misschien wel juist) zo graag wilde horen praten omdat hij zulk grappig Fins sprak met zo'n grappig accent!
Een ander verhaal, wat ik van mijn grootvader hoorde: Op school was het toen heel gewoon leerlingen te straffen met strafregels en mijn vader heeft toen op de HBS een handeltje opgezet om tegen betaling de strafregels voor anderen te maken. Op de HBS kwam hij niet verder dan de 3e klas; hij zou wegens te grote eigenwijsheid (wel een beetje een familie eigenschap) daarna van school gestuurd zijn, alweer volgens mijn grootvader. Hij kwam uit een gezin van onderwijzers, net zoals mijn moeder. Mijn beide grootvaders waren eerst onderwijzer, daarna schoolhoofd, mijn beide grootmoeders onderwijzeres. Mijn vader had 2 broers: oom Ko, een oudere halfbroer uit mijn opa's eerste huwelijk; zijn moeder was al vroeg gestorven. Oom Ko kende ik als doordringend starende, zwijgzame psychiater. Het was een gewoonte van mijn vader om op zijn verjaardag voor de gasten schalen kersen neer te zetten, waar we allemaal flink van aten. Oom Ko introduceerde daarmee een merkwaardig spel. Op 1 van die verjaardagen viel het op een gegeven moment op, dat Oom Ko geen pitten uitspuugde; hij hield ze allemaal in zijn mond. En telde daarna hoeveel hij er in z'n mond gehouden had door ze 1 voor 1 uit te spugen op een bord; het waren er heel veel! En op de volgende verjaardag deden we dat allemaal als en soort van wedstrijd. Oom Ko was ook uitermate zuinig. Toen hij ooit verhuisde vroeg hij of ik wat van zijn schaakboekjes wilde hebben en nadat ik er wat uitgezocht had zei hij: "Dat is dan 15 gulden" Terwijl ik gedacht had, dat hij ze me wilde geven. De andere broer was oom Wim, die ook boekhandelaar werd, maar volgens mijn vader iemand, die weinig fantasie had, een saaie broer. Het was in ieder geval wel zo, dat oom Wim misschien de durf van mijn vader miste en het kalmer aan deed, waardoor hij zowel de grote successen als de grote mislukkingen misliep, maar een leuk gezin had met een leuke vrouw, tante Hannie, en leuke kinderen, Onno en Erica, en een goed lopende kantoor boekhandel. Erica sprak ik na jaren weer; ze af mij voor mijn astrologie bestand wat geboorte en sterf gegevens van onze grootouders. Ze was inmiddels boeddhist, getrouwd geweest met een naamgenoot van mij, Hans van Rossum, reisde veel naar India en Tibet, had 2 volwassen zoons en stierf vlak daarna aan kanker, voordat we elkaar weer hadden kunnen ontmoeten. Die begrafenis was wel apart; ze had het allemaal van te voren geregeld: een Boeddhistische monnik met Boeddhistische muziek in de kerk en wat later op het graf moesten of mochten we allemaal en ballonnetje voor haar oplaten. Tante Hannie, al volkomen dement, zat er in een rolstoel volkomen verbaasd nar te kijken. Toen ik haar goeiendag zei reageerde ze eerst niet, maar toen ik nadrukkelijk zei: ik ben Uw neef Hans, begon ze opeens hevig te huilen; op de een of andere manier drong iets van het verleden to haar door.

Zijn huwelijk met mijn moeder liep af rond mijn 5e jaar; hij liet ons achter in Blaricum en verdween naar Amsterdam met zijn secretaresse van de uitgeverij, Annette Bigot. Toen Annette hem tegen het eind van de oorlog (1943/1944?) verliet begon een periode van betaalde huishoudsters tot hij na een paar jaar naar Blaricum verhuisde en voor de derde keer trouwde met Noor, die twee eigen kinderen mee bracht, Marijke en Max. Ook dat huwelijk duurde maar een paar jaar en toen kwam Marieke, de vierde en laatste, die hem zijn 6 laatste jaren dus meemaakte. Marieke, een wat oudere vrijster type, gereformeerd, niet erg bereid een huishouden te runnen, maar wel een cursus volgend voor haar uitgevers diploma en die na zijn dood de uitgeverij ook voortzettend, want zij bleek opeens alle aandelen daarvan te bezitten. Met als gevolg, dat wij als zijn 4 kinderen wel officiŽle erfgenaam waren, maar al het bezit al aan Marieke overgemaakt was, terwijl ook het huis in Blaricum op haar naam stond. Een warrige geschiedenis, die bij zijn dood in 1960 aan het licht kwam, maar waarvan ik de details toen niet hoorde omdat ik in Japan woonde. Marieke bleek dus achteraf heel wat zakelijker dan mijn vader, die overigens onder haar invloed zijn laatste jaren nog tamelijk fanatiek religieus werd. In middels waren ook mijn 2 halfzussen al uit huis; Annemarie gerouwd in Amsterdam en Olge getrouwd in Parijs.

Afgezien van zijn laatste jaren vol gelovigheid (de bekeerde levensgenieter) was mijn vader een sympathieke schilderachtige man, vol levendigheid, vol verhalen, waar ik bes goed mee kon opschieten. Herinneringen 18b - Vader 2. Mijn vader was dus een begenadigd prater; iedereen luisterde naar hem; pas tegen zijn 60e werd het verwarrender, vooral toen hij zich tot onze grote verbazing tot een nogal strikte protestante sekte bekeerde en onmiddellijk ook zijn hele omgeving, heel Blaricum (waar hij toen woonde) wilde bekeren. 's Zondags zat hij dan in het tamelijk drukke bushokje en liet zijn "preken" los op de aanwezige wachters, die vermoedelijk extra opgelucht adem haalden, als hun bus er aan kwam. Maar daarvoor: een flamboyante man. 1 van de eerste Nederlanders die in een vliegtuig zat, als passagier weliswaar, mar toch. We hebben nog een foto van hem in het vliegers pak, wat hij aan moest, want het was nog een "open" vliegtuig. En 1 van de weinigen, die in zijn vroege jaren een tijdje een auto had. Een bourgondier ook. We aten vaak met gasten - schrijver of dichter allemaal - met veel wijn en speeches. Voor mij bijzonder interessant als ik erbij mocht zijn. Buiten de speeches van mijn vader, zowel als gastheer als als de uitgever van de meeste aanwezigen, genoot ik van de speeches van Victor van Vriesland, bijna altijd aanwezig, mede door zijn liefde voor ons eten en onze wijn. Een ijdeltuit tot en met, met zeer aristocratische allure, maar het was wel een genot naar hem te luisteren. Andere schrijvers, die veel bij ons thuis kwamen waren onder andere Han Hoekstra, Jan Spierdijk, Herman Fortuin (van de Kleine Krant in de Groene), Apie Prins, professor Asselberg, Hoornik, Fedde Schurer en nog heel wat anderen. Buiten het uitgeven van boeken had hij ook nog tijd voor een ski-vakantie elk jaar, mede misschien door z'n banden met Finland en met schrijvers uit de verschillende Scandinavische landen, zoals Buchholz.
In de herfst ging ons hele gezin altijd een keer bramen zoeken; hij wist altijd de beste zoek plekken en leidde ons er als een geen tegenspraak duldende sergeant (een pratende sergeant mag ik wel zeggen) naar toe. Hij las veel; als hij een boek grappig vond begon hij steeds harder en vaker te lachen, zodat we dan vroegen ons dat gedeelte voor te lezen. En gedichten, die hij las en mooi vond las hij ons ongevraagd voor. En hij was gek op spelletjes en toneelspel. Al toen ik 9 was had hij mij schaken geleerd (hij deed dat zelf 1x per week met een collega boekhandelaar) en schaakten we regelmatig, ik eerst met dame voor, daarna toren en loper tot ik ook zonder voorgift te sterk voor hem begon te worden. Hetzelfde was het geval met tafeltennis; wij hadden op zolder een tafeltennis tafel staan en als ik uit school kwam moesten ik en mijn vriend Wim, als die bij mij was, om de beurt met hem spelen. Na een paar jaar waren we te sterk en gaven hem 5 of 6 punten voor. Toen ik al weer een paar jaar later een vriendin mee naar huis nam speelde hij net een rol in de amateur toneelvereniging als boer en zei mij: zeg maar dat je vader wat vreemd is en van boeren afkomst en thuis altijd in z'n boeren kleren loopt. En zo liep hij dan ook rond toen ze kwam: in het wat overdreven toneel pak, wat bij zijn rol hoorde. Een kettingroker ook, die altijd vergat de as van zijn sigaretten af te tippen, zodat zijn broeken vaak vol as zaten.

Herinneringen 18a - paaszondag 2011. Ik schreef net wat over mijn vader, terwijl we vermoedelijk de warmste Pasen meemaken uit de geschiedenis; het is al een paar weken prachtig weer, zoals je het in nederland nooit meemaakt; eerst 2 weken mooi zonnig weer en nu ook nog bijna tropisch warm. Aan 1 kant genieten en aan de andere kant verontrustend;de arde warmt toch echt wel op en sneller dan we dachten. Pasen, mensen slapen uit of zoeken eieren met hun kinderen; ons plantsoentje, waar door de week de schoolkinderen bij droog weer vol geluid hun gymnastiek lessen hebben en na schooltijd de buurt kinderen er bezit van nemen is nu, 11 uur 's ochtends, nog stil; het leven buiten komt langzaam op gang. Wat fietsers, een enkele jogger, een paar mensen in hun tuin,dat is het. Buiten op het balkon met de computer op schoot hoor je alles. Ik bedacht me dat ik nu al weer een jaar ingeschreven ben als Nederlands ingezetene na de verkoop van ons Franse huis en dat ik van mijn 83 jarige leven 26 jaar in het buitenland gewoond heb. Geen wonder, dat ik weer aan Nederland moet wennen. Dat Franse huis, zelf de grond gekocht en het huis ontworpen en laten bouwen; is een heel stuk herinnering. Maar gelukkig leef ik nu, ik leef niet in het verleden maar gebruik het wel voor zover het past bij het heden, er mijn behoefte aan schrijven mee kan vullen. Op een heel andere manier dan bijvoorbeeld mijn kolom met commentaar op de veranderingen in de maatschappij, de luxe, de andere scholen - hoewel die scholen door de kinderen van nu waarschijnlijk tamelijk hetzelfde ervaren zullen worden als door ons vroeger, de buitenschoolse opvang, die ik gelukkig niet heb hoeven te ervaren, de gescheiden en/of werkende ouders, die er vroeger ook waren, maar dan meer als uitzondering. Een dochter, die belt vanuit de auto op weg naar een vakantie weekje in Normandie, een andere dochter, die belt vanaf haar balkon. De wereld lijkt zo rustig en vredig, bijna saai, terwijl er zoveel gebeurt buiten Nederland, in het Midden Oosten, Japan, Afrika, noem maar op, bijna overal buiten Nederland is het onrustig.

Herinneringen 19 - meisjes. Op de lagere school gingen jongens in die tijd (en misschien tegenwoordig nog wel) alleen met jongens om, maar op de HBS veranderde dat. Er kwamen af en toe vriendinnen, meestal tijdelijk, die soms ook van de een naar de ander overgingen. Mijn klasgenoot Lidio was een uitzondering; hij werd al snel verliefd op het jongere zusje van mijn buur- schaak- en bridge vriend Harrie en die relatie bleef en ging uiteindelijk zelfs over in een huwelijk, dat pas eindigde bij haar dood heel veel later. Mijn vriend Wim was op het gebied van meisjes meer geÔnteresseerd en ervarener dan ik; bij mij kwam het toen nog niet tot de daad, ik had ook geen condooms zoals Wim, liep ten opzichte van hem een paar jaar achter, had een andere instelling. Zijn meest serieuze vriendin raakte op een gegeven moment toch zwanger en onderging een abortus, in die tijd nog illegaal. Ik denk ook dat ik meer in boeken geÔnteresseerd was. En misschien kwam het door mijn overbuurmeisje Rina. Zij woonde pal tegenover ons samen met vader, oom en een jonger broertje; vader en oom vielen op straat op, doordat ze allebei een bolhoed droegen, al zeer ongewoon in die tijd, en ik kon zo haar kamer inkijken; we konden zelfs over de straat heen met elkaar praten als er niet net een tram, lijn 2, langs kwam. Wij gingen in die tijd vaak kaarten (klaverjassen) bij Rina thuis. Zij was bijna 2 jaar ouder dan ik en ik was hevig verliefd op haar, kansloos, want ze had al een vaste vriend weer ouder dan zijzelf, waar ze later ook mee getrouwd is. Een merkwaardige figuur, die er niet vaak was, al in het verzet zat, medicijnen studeerde en later chirurg werd. Hij had meestal een korte broek aan en als hij met ons mee kaartte zat hij onderhand balletjes vuil te draaien van z'n been. Een voorloper van de latere provos leek het wel, maar hij wist precies wat hij wilde. En Rina dus ook. Maar ondanks de kansloosheid van mijn verliefdheid maakte haar aanwezigheid aan de overkant van de straat andere meisjes minder aantrekkelijk voor mij. Ze beschouwde mij wel als zeer goede vriend en we zagen elkaar veel, gingen ook vaak zwemmen in het Bosplan, nu uitgegroeid tot het Amsterdamse Bos. Ik keek dan wel vol fascinatie naar haar zoals zij er dan bij lag met korte broek met wijde pijpen waarin ik haar kut prachtig kon bekijken. Maar ik was te verlegen om die ook aan te raken. Zoals meen ik de dichter Heine schreef: hoe mooi is onvervulde verliefdheid. Er waren in die jaren natuurlijk wel meer meisjes in ons leven. Zo woonde er een tweeling (twee meisjes) naast de vriendin van Wim in Bussum, allebei bijzonder leuk en vlot en gelukkig voor ons best geÔnteresseerd in jongens. Het werden goede vriendinnen, niet al te eenkennig, net zoals wij ook niet eenkennig waren met wie van de tweeling we nu zaten te vrijen. Ik weet uiteraard niet zo veel van de huidige jeugd, maar krijg wel de indruk, dat die, mede onder invloed van de tv, heel wat eerder begint met vrijen en veel verder gaat. Want tv bestond toen uiteraard niet. Net zoals er geen mobiele telefoons bestonden en elk huis hoogstens 1 radio en 1 vaste telefoon had. En zo was er ook Greetje, uit de Amsterdamse Overtoom buurt, die van hand tot hand ging en wel heel graag wilde vrijen. Zo zat ze een keer op mijn kamer tegenover mij tamelijk wijdbeens en zei: kan je m'n kruis goed zien? Nu had ik daar nog niet op gelet, bovendien zat zij met haar rug naar het raam en lag dat kruis dus volkomen in de schaduw, maar ze ging verder en zei: als iemand daar aankomt begin ik helemaal te trillen. Op die uitnodiging ging ik toen niet in.
En zo maakte Greetje weer plaats voor andere tijdelijke vriendinnen.

Herinneringen 20 - HBS leraren. Ik weet niet, of het aan mij lag, maar had toch niet de indruk dat veel van onze leraren ons liefde voor hun vak bij konden of wilden brengen; we hadden toch ook merendeels oudere leraren op onze HBS. Een uitzondering was de lerares Duits, die jong en mooi was, net afgestudeerd, en die door haar uiterlijk mijn aandacht wat bij de les hield. Niet dat ik er veel aan had, want met talen was ik uitzonderlijk slecht; het was voor mij bijvoorbeeld vrijwel onmogelijk de rijtjes "schwere woerter" uit m'n hoofd te leren. We waren allemaal wel een beetje "verliefd" op haar, noemden haar ook bij haar voornaam, Anneke, wat in die tijd wel speciaal was. Hoewel Duits dus niet m'n beste vak was, stopte dat haar niet om haar best te doen mij die taal te leren; ik mocht zelfs een paar keer bij haar thuis komen om wat taal-lacunes op te vullen en voelde mij daarmee wel een beetje uitverkoren. Anneke trouwde na een paar jaar les geven met een leraar Stereometrie, waarvan we de voornaam absoluut niet wisten, Van der Zee. Een man, die zonder enige moeite dank zij een ijzig sarcasme orde kon houden. Een van zijn standaard uitdrukkingen was: Wil dat jongetje (of meisje) eens voor de klas komen. Daar zal een leraar nu niet meer mee aan kunnen komen, denk ik. Het is merkwaardig hoe ons geheugen werkt; al tikkend herinner ik me nog bijna alle namen uit die tijd. Van der Zee gaf boeiend les, maar voor mij was het dan ook een zeer makkelijk vak. Een geschiedenis leraar begon elke les, of het nu in de eerste of vijfde klas was, met "drie korte vraagjes", waarop je de antwoorden moest inleveren en die de basis vormden voor je rapport cijfers. Deze man was nogal gestoord en kon nauwelijks les geven; hij had ooit in de Balkan tijdens een vakantie iemand doodgereden en had daar de nodige tics van over gehouden. Hij had ook allerlei mappen met geschiedkundige of culturele krantenknipsels, en zijn lesmethode bestond er uit, dat hij die door de klas liet circuleren. Hij zat dan rustig wat te denken. We hadden in de eerste klassen ook een wiskunde leraar, die er volgens ons zelf weinig van begreep; hij had een onbegrijpelijk leerboek geschreven, dat alleen maar door hem en op onze school gebruikt werd. En er was een schilderachtige leraar Frans met verwarde haren. 's Winters brandden er in alle lokalen potkacheltjes en hij was vaak verkouden en had de gewoonte zijn zakdoeken aan het kachelscherm te drogen te hangen. Hij had hele stencils vol Franse spreekwoorden gemaakt, die hij dan uitdeelde en die op de een of andere manier in je geheugen bleven hangen. Zo herinner ik me nog: qui se sent moucheux se mouche, wie zich snotterig voelt snuit z'n neus of in goed Nederlands: wie de schoen past trekke hem aan. Helaas heb ik die stencils niet bewaard. Spreekwoorden kunnen zo interessant zijn en geven vaak een apart beeld van de maatschappij en hoe die vroeger was. Zo herinner ik me bijvoorbeeld ook het Nederlandse spreekwoord: Ieder voor zich en God voor ons allen zei de boer toen hij zijn vrouw door het ijs zag zakken. Zegt dat misschien iets over de boerenstand of over de positie vroeger van de vrouw? Tijdens de laatste jaren van de 2e wereldoorlog (1940-1945) werden de lessen wat vaker onderbroken en aan het eind van de oorlog kregen alle 5e klassers hun diploma min of meer gratis. Ik moest het jaar daarna weer echt eind examen doen, wat ik haalde met tienen voor alle wiskunde vakken en vijfjes voor enkele talen.

Herinneringen 21 - zeilen in de oorlog. Achteraf is het verwonderlijk, hoeveel je, ondanks de bezetting, de eerste jaren nog kon doen en hoe weinig besef je als kind had van de ernst van de situatie. Natuurlijk wist je dat de bezetters slechte mensen waren, dat Duitsland onder Hitler slecht was, maar ook, je ging naar school, naar de voetbal club AFC, op de een of andere manier leefde je toch je eigen leven. Toen ik 12 was kocht ik voor f.15 (vijftien gulden, echt waar) m'n eerste zeilboot:een twee mast zeilkano, misschien wel de enige 2 mast zeilkano in Nederland. Het begin van een lange liefde voor het zeilen. De kano was tamelijk breed en behalve met 2 grootzeilen ook nog uitgerust met een fok, zodat je het wel haast een echte zeilboot kon noemen. In ieder geval een boot, waar je wel mee kon leren zeilen. Het bedienen van de 3 zeilen was niet zo makkelijk en bovendien moest je met een redelijke wind ook nog flink buitenboord hangen. De boot lag aan de Nieuwe Meer, een redelijk goot zeil meer, vanaf ons huis gemakkelijk te bereiken per fiets. Ik zeilde veel, de vrije weekends, als het tenminste geschikt weer was, dat wil zeggen geen regen. Na een paar jaar wilde ik toch wel iets groters en kon ik voor f.100 een kleine BM kopen, gedeeltelijk van de opbrengst van de zeilkano, gedeeltelijk van wat spaargeld. En vermoedelijk droeg mijn vader ook nog wat bij. Met die kleine BM ging ik ook met Wim op vakantie; je kon er net met z'n tweeŽn in slapen onder een nog gaaf dekzeil. Ik was al eens in Friesland geweest met vakantie op een botter; je kon voor weinig geld met nog een stuk of 5 andere betalende gasten daarmee een paar weken over de Friese meren zeilen. De boot lag in Grouw en als je tochten wilde maken moest je eerst een sluis door. Die meren waren toen nog niet zo toeristisch als nu; er was nog volop ruimte. We aten wat zelf gevangen vis en af en toe een eend, die de eigenaar van de boot in een of andere sloot ving en de nek omdraaide. Zo'n eend ruilden we ook af en toe met een boer tegen boter, want geleidelijk kwam er minder eten en alles was toen al op de bon; bonnen, die je moest inleveren bij het kopen van een aantal levensmiddelen. De mooiste plekjes waren misschien wel Grouw, Eernewoude en het Sneekermeer met zijn jaarlijkse wedstrijden. Na die 2 weken kende ik m'n weg aardig in Friesland. Met mijn kleine BM ging ik daar met Wim een jaar later dus ook naar toe met de Lemmer boot, die een veerdienst verzorgde tussen Amsterdam en Lemmer, en waar mijn kleine BM ook op kon. Ik had de boot ingeruimd; met allerlei listige ezelsbruggetjes alles op logische plaatsen in vooronder en zijkanten opgeborgen: eetgerei, spiritusbrander, borden, kleren (dat waren er niet veel) eten en drinken, slaapzakken enz, maar na een paar dagen zeilen bleek dat niet te werken; we konden niets vinden; ik was mijn ezelsbruggetjes vergeten en Wim nam het opruimen van me over; daarna ging het veel beter. Je gaat van Lemmer via een kanaal over het Tjeuker meer; een vrij klein meer, maar het bleek daar harder te waaien met hogere golven dan in de meeste andere, grotere Friese meren. Maar zeilen in storm is juist spannend, zelfs in die kleine BM, een veel lastiger te zeilen boot dan z'n broer de Grote BM. De Friese meren zijn prachtig en ze zijn goed verbonden door goed bevaarbare kanalen; van Lemmer zeil je zonder moeite naar Sneek of Grouw; op die meren moet je opletten voor ondiepe plekken, maar met een optrekbaar midzwaard is dat geen probleem. In een kleine BM slapen is wat krap, maar met 2 personen lukt het wel. En een zeil is dan ideaal, vooral, als je er voor zorgt het dekzeil 's avonds tijdig over de mast te leggen en goed gesloten te houden voor de muggen, die zich 's zomers in Friesland wel laten zien of beter gezegd laten horen. We hadden op het Sneekermeer op een verbinding strook tussen 2 meren een keer aangelegd om wat te eten, oen we opeens de boot zagen weg zeilen; niet goed vastgemaakt dus. Wim zag het als eerste en rende langs de landtong tot voor de boot, sprong in het water en kon nog net op tijd naar de boot zwemen en die vastpakken en zich half aan bord hijsen; een vreemd en grappig gezicht, want zijn zwembroek was inmiddels afgezakt en zo voer de boot nog een tijdje door voordat Wim weer wat krachten verzameld had om aan boord te krabbelen. Een dag later ontmoetten we een Haags groepje in een grote BM,waar we een weekje mee optrokken; Wim ruilde zijn plaats die week met 1 van hen, een heel mooi meisje, Roefje, met mooie dubbele adellijke naam, een half jaar ouder dan ik. Na en bezoek aan de stad Sneek sliepen we een nacht in een hooiberg; van slapen kwam weinig omdat de hooiberg vol bleek te zitten met hooimijt. Bovendien lag ik naast Roefje en meer met onze armen om elkaar dan apart. Vrijen was in die tijd voor de meesten van mijn leeftijd vrijen, niet neuken; daar dacht ik zelfs nog niet aan. Misschien ook, omdat Roefje net wat ouder was dan ik; veel van mijn vriendinnen waren 1 of 2 jaar ouder en ook mijn 1e vrouw, jaren later, was 1 1/2 jaar ouder dan ik. Zeilen is eigenlijk altijd een hobby gebleven; daardoor had ik voor andere zomer sporten weinig tijd. Veel later, toen ik in Westmaas woonde, aan de Binnenmaas, een mooie zeil plas, zeilde ik eerst een Schakel en daarna een Laser. De Laser was toen een nieuw concept een-mans zeilboot uit Canada, die al snel de wereld veroverde. Tot de surfplank uitgevonden werd in de jaren 70; ik was 1 van de eerste op onze plas, die er mee experimenteerde en raakte er volledig aan verknocht. Je beweegt op de wind, de wind waait door je heen, je met je krachten met de wind; tijd voor iets ander heb je niet; je moet je er volkomen aan over geven.

Herinneringen 21a - oorlog. De oorlog was een wat merkwaardige tijd; mijn vader in het verzet en mijn vrienden en ik in feite te jong om in het verzet te gaan of om opgepakt en naar Duitsland gezonden te worden voor de arbeids inzet. Wij bridgden veel, leefden natuurlijk met weinig te eten en te doen, hoewel bioscopen open bleven in Amsterdam, met marcherende luid zingende duitse soldaten door de straten, met familie vrienden die onder doken of opgepakt werden, maar waarvan je toen in feite niet wist wat er met ze zou gaan gebeuren; het uitmoorden van de Joden hielden de Duitsers lange tijd geheim. In zekere zin had de oorlog voor mijn leeftijds groep een afstand van de werkelijkheid. Honger, weinig te eten, suikerbieten stoven op de kachel, die werd gestookt met hier en daar gevonden hout, dat ook wel van tussen de tramrails gejat werd. En mijn vader, die af en toe naar het NoordHollandse boeren land fietste en boeken ruilde voor eten. En er voor zorgde dat ik 2 maal een paar weken bij een boer ging werken om aan te sterken. Als boer was ik overigens geen succes; een van de eerste dagen van mijn boerenleven reed ik op de fiets over een van mijn klompen heen, die uitviel. Ik herinner me nog dat ik opgeslagen witte kolen moest omdraaien en dat ik witlof moest steken. De boer was katholiek in een voornamelijk protestant dorp en daardoor wat geÔsoleerd; katholieken en protestanten in Noord Holland gingen niet echt met elkaar om. Hij had een prachtig bewakings systeem tegen inbrekers: zijn vader en oom hadden hun slaapkamer in een van de stallen en elke keer als ze 's nachts moesten plassen moesten ze van hem aan een daar hangende grote bel trekken.
Oorlog - wat mooi denk ik dan, dat we dank zij de EEG al zo lang geen Europese oorlogen meer hebben gehad. Wat dat betreft houd ik mijn hart vast als meer landen de EEG zouden verlaten en meer nationalistisch worden.

Herinneringen 22 - Einde oorlog. In mei 1945, een paar maanden later, ik was al weer terug in Amsterdam, kwam de bevrijding door Canadezen, Engelsen en Amerikanen. Langs alle wegen stonden we allemaal langs de kant van de weg, toen ze met tanks en jeeps Amsterdam binnen trokken. Wim's zus Ank kwam met een paar sloffen sigaretten en repen chocola thuis, die de soldaten vanaf hun tanks naar haar toegegooid hadden. Je had meer het idee, dat die soldaten uit luilekkerland kwamen, dan dat ze net een oorlog hadden gevoerd met verlies van kameraden. Het was een wilde tijd; overal straatfeesten met muziek en bier; je vraagt je af, waar dat bier opeens vandaan kwam. Elke nacht laat naar bed. Het was 1 grote roes. De hele stad, ja het hele land vierde feest. Maar het was niet voor iedereen leuk; in Wim z'n straat woonde een jonge vrouw, die met de Duitsers bevriend was geweest; ze werd uit huis gehaald en op straat kaal geschoren. Geen leuk gezicht. Wraak die nergens voor diende. Alleen wie zelf niets fout gedaan heeft zou mogen knippen, maar juist die zou dat nooit doen.
En een paar maanden later deed ik eind examen en zat de normale schooltijd er op.
Het leek me altijd al leuk, om net zoals mijn vader boeken uitgever te worden en zo ging ik vervolgens naar de Grafische School waar ik een uitgevers opleiding volgde. De meeste leerlingen waren zoons van vaders met een drukkerij bedrijf. De opleiding ging dus niet om het juiste manuscript te kiezen wat als boek goed verkocht zou worden, aan te voelen wat het publiek zou willen lezen, een uitgevers eigenschap, die niet zomaar te leren is en net als mode meer op intuÔtie en aanvoelen ven trends berust, maar deze opleiding was gericht op de technische kant; de kosten van het drukken, de lay-out van een boek, welk papier te gebruiken. En daarna werkte ik een tijdje bij een antiquarische boekhandel waar ik onder andere de net ingekochte boeken moest controleren en catalogiseren. Dat controleren hield o.a. in, dat bij oude uitgaven gekeken werd welke bladzijden en illustraties ontbraken, om vervolgens naar de Universiteits Bibliotheek te gaan, daar van die missende bladen foto kopieŽn te maken en die dan in de ingekochte boeken te plaatsen. Ik kocht daar zelf ook wel tegen inkoopsprijs boeken, die ik leuk vond, o.a. een oude spreekwoorden verzameling, een prachtige geÔllustreerde uitgave van Dante's Hel en een mooie uitgave van de Rubaiyat van Omar Khayyam, mijn eerste Khayyam. Ik had in die tijd een vriendin, Pieps (dat was haar roepnaam, haar echter voornaam weet ik niet meer), een paar jaar ouder dan ik. En op die leeftijd is een paar jaar vertaald naar emotionele- en ervarings-leeftijd best wel veel, vooral als het meisje ouder is. Zij woonde in het Gooi, maar werkte vlak bij mijn antiquariaat, zodat wij elkaar tussen de middag vrijwel dagelijks zagen en daarnaast veel in het weekend. Vergeleken met haar was ik nog zeer maagdelijk en ik denk achteraf, dat ze wat meer leiding, wat meer volwassenheid van mij had verwacht. Intellectueel waren we tegen elkaar opgewassen, maar lichamelijk zat er een leeftijds, een ervarings gat zou je misschien beter kunnen zeggen. Ik had nog nooit een "echte" relatie vol "echte" seks gehad en zij wel, al een paar jaar met een wat oudere vriend. Na een jaar van veel samenzijn ontmoette ze een oudere Zwitserse man waar ze mee trouwde om in Zwitserland te gaan wonen; ik was er maanden kapot van en heb verder nooit meer wat van haar gehoord of van mij laten horen. Ja, hoe vaak komt dat niet voor; je ontmoet iemand, voelt je zeer nabij en gaat allebei weer verder, ieder je eigen kant op. Maar dat loslaten hoort ook wel bij mij natuurlijk. En dan na jaren kan ik me van wat oppervlakkiger vrienden of vriendinnen of buren afvragen: hoe zou het met hem of haar gaan.

Herinneringen 23 - Dienstplicht (medio 1948-1 oktober 1950). Ik werd opgeroepen voor de militaire keuring en hoopte, dat mijn te hoge bloeddruk (de dagen voor de keuring dronk ik een grote hoeveelheid alcoholische dranken) tot afkeuring zou leiden, maar dat was helaas niet het geval. Ook het duidelijk uiting geven aan mijn afschuw van alles wat militair was hielp niet en zo werd ik na enge tijd opgeroepen voor een officiers opleiding. Wat ik daar vooral leerde was, hoe verschillend mensen konden zijn uit verschillende milieus en verschillende provincies of godsdienstige achtergronden. Mijn wereld was met mijn groep vrienden in Amsterdam Zuid toch wel tamelijk klein geweest. Wat me vooral opviel, was hoeveel dienstplichtigen een vast vertrouwen hadden in wat er in hun plaatselijke krant beweerd werd; die krant had altijd gelijk en debatteren was daardoor moeilijk. En de meesten hadden ook meer ontzag voor het "gezag", al dan niet militair. Een hoop van de militaire regels waren idioot, maar het bleven de regels waar je je aan te houden had. Eerst Weert, daarna Amersfoort waren de opleidingsplaatsen en als vaandrigs werden we uiteindelijk uitgezonden naar Nederlands IndiŽ, om patrouille te lopen en voor rust te zorgen.

Herinneringen 23a - Dienstplicht IndonesiŽ. Vechten hoefden we niet meer, onze macht in het toekomstige IndonesiŽ was al aan het aflopen. Onze eerste bestemming was Soekaboemi, maar omdat mijn opleidings onderdeel, pantser afweergeschut er niet bestond "omdat de vijand" geen tanks had, was ik organiek "over", een geluk bij een ongeluk, want al gauw werd ik overgeplaatst naar het onderdeel welzijnsverzorging in Bandoeng. Van welzijnsverzorging had ik nog nooit gehoor, maar in het militaire leven is dat geen enkel bezwaar. De luitenant, die die dienst op dat moment leidde wilde me zo snel mogelijk inwerken om het van hem over te nemen, want hij wilde zo snel mogelijk met verlof. Al de eerste dag zei hij: als de MP morgen hun rantsoenen komen halen moeten ze een rijbewijs voor je meenemen, want bij jouw baan hoort een station wagon.En ik leer je dan wel hoe je er mee moet rijden. En zo gebeurde het We reden 3 dagen een halfuurtje per dag om een driehoekig pleintje, waar je net van 1 naar 2 maar 3 en terug naar 2 kon schakelen en dat was het, schakelen plus wat aanwijzingen waar alle knopjes voor dienden. Ik was een vlotte leerling - wie niet als je zomaar een auto tot je beschikking krijgt - en had het rijden snel door en leerde de rest in de praktijk. Een klein probleem trad op, toen het een week later een keer regende: hij had vergeten me uit te leggen hoe ruitenwissers werkten. En het wisselen van een lekke band, daar kwam ik later achter, tijdens een rit in de bergen aan de voet n een vulkaan, ver van de bewoonde wereld en kans op hulp, vereist ook heel wat kennis, de eerste keer dat je het doet. Zo leerde ik uit ervaring en onder het vriendelijk toeziend maar even onervaren oog van mijn bijrijdster, een mooie en inspirerende vriendin, dat de stilstaande auto eerst op de rem en in de versnelling gezet moet worden om niet tijdens losmaken van het wiel van de krik te glijden, wat mij dan ook prompt gebeurde. Die wiel schroeven kunnen namelijk behoorlijk vastgeroest zitten en dat deden ze dan ook; ze moesten met geweld losgedraaid worden. Bovendien leerde ik ook, dat de draairichting links en rechts verschilde.
Mijn werk in de welzijns sector bestond uit het toezien op het beheren van de voorraad van zeer gewenste artikelen, het uitdelen aan de vertegenwoordigers van de verschillende legeronderdelen van de rantsoenen, zoals tandpasta, zeep, bier en andere nuttige zaken, die allemaal veel op konden brengen op de zwarte markt, en het organiseren en begeleiden van ontspanning. M'n voorganger vertelde me, dat zijn voorganger, een majoor, nog steeds betrokken was bij een onderzoek naar "onnauwkeurigheden" en eventuele door hem gedane verkopen op de zwarte markt. Een van de Chinese leveranciers van het Nederlandse leger had zijn eigen theorie over de eerlijkheid in de handel met overheidsinstanties, en zeker niet beperkt tot de overheid overigens: "iedereen is omkoopbaar: de 1 met vrouwen, een ander met geld, een ander met vleierij ("jij bent niet omkoopbaar") en weer een ander met "vriendschap". Dit was overigens de eerste Chinees, die ik beter leerde kennen. Een harde werker, altijd vriendelijk, begonnen met 1 oude gammele vrachtauto en nu eigenaar van een paar fabrieken in koeken, brood en frisdrank.
Het organiseren van de ontspanning was een bijzonder leuke taak, want dat betekende voornamelijk het opvangen en begeleiden van kleine cabaret groepjes, die voor "Onze overzeese militairen" mochten optreden. Zo herinner ik me de toen zeer bekende "Wama's", waarvan 1 van de twee meestal vrij dronken op het toneel stond. Elke paar maanden kwam er wel weer een nieuw gezelschap langs, dat door de hogere legermachten gestuurd werd om de verveling te doden. Maar eerlijk gezeg: verveeld heb ik me in IndonesiŽ nooit. Ik tenniste regelmatig met een Nederlandse vriendin, speelde bridge met haar moeder en een paar vrienden en 's zondags, na het uitslapen van onze "roes" van het zaterdag avonds drinken, gingen we onze rust halen bij een zwembad hoger in de bergen boven Bandoeng. Daar was het heerlijk koel en rustig met een prachtige natuur en dito uitzicht. Ik zag daar ook mijn eerste vulkaan, de Tankoeban Prahoe, met een krater waar je in rond kon lopen op de kokende waterkolkjes en om de stoomstoten heen. Waterpoeltjes waar je inderdaad een ei in kon koken.
Na enige tijd in een militair gevorderde woning te hebben gezeten met een paar andere militairen werd ik door een kennis, een oudere dame, gevaagd of ik in haar huis wilde komen wonen. Een wederzijdse goede deal: zij voelde zich veel veiliger met een gewapende militair in huis en ik had een prachtig en luxueus onderkomen. Mijn gastvrouw was ooit concert pianiste geweest en wekte mij elke ochtend met een sonate van Beethoven of Mozart.
Toen het eind van ons verblijf in zicht kwam had een van mijn vrienden het plan om gezamenlijk met nog 2 anderen bij ons afzwaaien een oude jeep te kopen en zo gedeeltelijk met boten mee over water, maar toch merendeels over land weer naar Nederland terug te keren in plaats van per Militair troepen schip. Ik heb het een hele tijd jammer gevonden dat dat avontuurlijke plan niet door ging. Het werd dus toch een schip vol militairen en met een detachement verpleegsters waar we vanuit Djakarta via Soerabaja mee naar Nederland terugkeerden. Met 1 van die verpleegsters had ik een gezellige tijd, aan boord, waar niet veel anders te beleven was dan af en toe een film - o.a. van Stan Laury en Oliver Hardy.
Inmiddels had ik al een jaar daarvoor mijn afkeer van het leger en van oorlog voeren omgezet in een verzoek om ontslag wegens gewetensbezwaren. Antwoord daarom kreeg ik pas toen ik net in Nederland aankwam; geen antwoord, maar ik mocht afzwaaien zonder verdere dienstplicht.

Herinneringen 24 - En toen kwam Joke in mijn leven: Na mijn terugkeer zocht en vond ik een baan voor werken in het buitenland bij een handelsmaatschappij en kwam ik haar voor het eerst tegen op de verjaardag van mijn vriend Lutz Spier. Ik zat in de enige luie stoel toen zij binnenkwam en zij was geÔmponeerd, vertelde ze later, doordat ik niet meteen op stond, zoals de meeste mannen voor haar deden. Een tweede keer zag ik haar tijdens een gezamenlijk zeil uitje in Loosdrecht met een paar vrienden en ik probeerde haar te imponeren met een verzonnen lang en tragisch verhaal over een paar mannen, die een oneindige kuil groeven bij een spoorweg overgang. Wij maakten meteen een afspraak voor de week daarna in Amsterdam op mijn huur kamertje in de Handboogstraat in Amsterdam en toen vroeg ik haar met mij mee te gaan naar Singapore en spraken we af om te trouwen - liefde op het eerste gezicht kan je wel zeggen. Overigens werd dat Singapore uiteindelijk Japan en kon zij niet meteen mee, maar moest een jaar wachten tot mijn firma de reis betaalde, want dat was toen de gewoonte: de vrouw pas na laten komen nadat men wist dat de werknemer een blijvertje was. Wij belden elkaar elke paar weken, een tegenwoordig met alle mobieltjes moeilijk voor te stellen opgave. Want telefoon verbindingen waren toen - rond 1951 - heel anders dan nu, zeg maar heel primitief. Ik moest een gesprek dan een dag van te voren aanvragen en dan kon je op de aangegeven (geschatte) tijd bij de telefoon gaan zitten wachten tot de verbinding tot stand kwam. En de verbindingen waren vaak zo slecht, dat Joke naar het postkantoor ging om te hebben dat we elkaar konden verstaan.

Herinneringen 24a - Japan: Van 1952 tot 1963 woonde ik in Japan; eerst een jaar alleen, dus, daarna met mijn vrouw Joke, die mij na een jaar wachten per boot nakwam, na ons huwelijk 10 oktober 1963 met de handschoen , zoals dat toen heette. Dat huwelijk moest op die manier, want de maatschappij waar ik voor werkte betaalde de reis alleen voor echtgenotes. Mijn vader was daarbij de stand-in. Van die bootreis genoot zij overigen enorm; het was op een vrachtschip met een stuk of 8 passagiers en zij had leuke mede passagiers, o.a. wat jonge zendelingen die in de Philippijnen gingen werken en een Zwitserse leeftijdsgenote, die naar een baan ging in Tokyo. Joke had een autootje meegenomen aan boord, dat ik met bridgen had verdient dat jaar en zij trok bij mij in in Ashiya tot wij verhuisden naar Nigawa want ik werkte in het Osaka kantoor (de Kansai provincie) en daarna vertrokken wij naar Tokyo waar ik een jaar werkte en daarna woonden wij in Sakasegawa, toen ik weer terug ging naar het Osaka kantoor. Ons verblijf van 12 jaar werd onderbroken met een combinatie van een half jaar verlof in 1958 gecombineerd met een zakenreis van een maand in Amerika. Dat werd een reis per boot van Kobe naar San Francisco via Hawai, kriskras door Amerika en Canada per trein en vliegtuig en vliegend naar Nederland en vandaar tenslotte weer terug naar Japan en de Kansai provincie (Kobe en Osaka) per boot. En in 1960 en 1962 werden, wonend in Sakasegawa (de eigenlijke geboortes vonden plaats in het Zeemans ziekenhuis in Rokko) onze twee dochters, Ruth en Miriam, geboren. Het huis in Sakasegawa was een groot huis, oorspronkelijk het buitenhuis van een rijke Japanse familie. In de winter kon het wel behoorlijk koud zijn; in Japan vriest het op het grote eiland Honshu weliswaar nauwelijks, maar door de vochtige lucht dringt ook een temperatuur van 5 graden al je botten in. De oorspronkelijke "centrale verwarming" deed het niet meer, maar tot onze verwondering liep er nog wel een oude verwarmings buit onder de wc bril.
Japan is zo'n belevenis geweest, het was zo'n totaal nieuwe wereld waar we ons volledig thuis voelden, dat mijn herinneringen daaraan niet allemaal tegelijk aan bod kunnen komen.

Herinneringen 24b - Japan: Wij leefden dus eerst samen zonder kinderen en hadden daardoor flink wat tijd om Wat tochtjes te maken en Japan goed op ons in te laten werken, ondanks het feit dat in die tijd ook zaterdag ochtends gewerkt moest worden en vakanties in feite moesten wachten op het 5 of 4 jarige verlof van een klein halfjaar. Met de Japanners konden we goed opschieten; een volk opgegroeid met (zen)boeddhisme en shinto, en, nu er geen oorlog meer gevoerd hoefde te worden, met prettige gewoonten, uitermate beleefd en vriendelijk. Onze kennis van de Japanse taal, die gelijdelijk, dank zij wekelijkse lessen en dank zij meer contacten met Japanners dan met Nederlanders, met Japanners tijdens het werk of thuis met buren, die toen nog betrekkelijk weinig vreemde talen spraken. Ze probeerden het wel; het kwam vaak voor, dat in een van de overvolle treinen een Japanner zich vlak voor je opstelde en een gesprek begon om zijn tamelijk beperkte Engels op een kennelijke buitenlander te oefenen. Op kantoor en met klanten was Engels weliswaar de hoofdtaal, maar zodra je met die klanten 's avonds uit moest (en entertainment was in Japan een bijna dagelijkse bezigheid) leken de Japanners na een paar drankjes hun Engels totaal vergeten te zijn en werd Japans dus de voertaal. Entertainment, meestal in dure restaurants, waar je het lekkerste eten kreeg, met geisha als bediensters en Japanse muziek spelend op hun samisen. En na nog wat glaasjes sake en bier (en Japanners konden slecht tegen alcohol, werden steeds luidruchtiger) soms eindigend met wat karaoka en dan met de laatste trein naar huis. Dat gold overigens niet voor mij, want ik beschikte over een auto. Als vreemdeling wonend in Japan mocht je namelijk een auto belastingvrij importeren en dat was lucratief genoeg voor ons om een Morris Minor met linnen kap te importeren. Die Morris gebruikte mijn vrouw meestal; ik had de beschikking over een kantoor auto met chauffeur, een heel rustige man. Die auto had ik Niet in het begin overigens, maar wel wat later na een promotie. Een chauffeur met huwelijksproblemen zoals bleek, toen hij een paar dagen niet kwam opdraven. Toen hij zich weer meldde en ik ietwat geŽrgerd vroeg, waarom hij zonder bericht was weggebleven antwoordde hij: ""Ik had ruzie met mijn vrouw en haar familie over mijn vriendin en ik was het zo zat, dat ik geprobeerd heb zelfmoord te plegen, maar het is niet gelukt." Ik vroeg me toen wel even af, of hij het niet nog een keer zou willen proberen en of het dus wel veilig was in de auto met hem achter het stuur.
Voor onze uitstapjes hadden we niet te veel tijd, want in die tijd werd er'"s zaterdags ochtends nog gewerkt en duurde het vrije weekend 1 1/2 dag. Daarom gingen wij vaak naar de zo fascinerende stad Kyoto. Terwijl ik dit tik kijk ik naar 1 van de antieke scrolls, die we daar kochten en die hier nu in Alkmaar aan de muur hangt.

Op een 20 minuten lopen vanaf ons huis was een prachtig bergmeertje, waar het 's zomers heerlijk zwemmen en zonnen was, vaak samen met wat bevriende echtparen, en als het daar te koud voor werd maakten we 's zondags vaak tripjes naar Kyoto of naar andere plekjes in het zo mooie Japan.

Elk begin van het jaar had Japan een aantal feestdagen, een mooie gelegenheid om er een aantal dagen op uit te trekken en zo waren wij ook een week in Unzen op het eiland Kyoto. Unzen, een gebied vol hete bronnen en hotels die daar omheen lagen, met prachtige natuur en waar we ook een tocht maakten Mount Unzen op; Joke langzaam startend met haar wat minder krachtige longen, maar toch de top halend en mij op de terugweg naar beneden voorbij lopend. Andere uitjes Lake Biwa, waar we een chaletje huurden, de Japanse Noordkust, waar we een groep volksdansende dorpelingen Europese volksdansen zagen oefenen en Mount Fuji, waar we in de ex-hotelkamer van de kroonprins logeerden en samen deze mythische berg bestegen. Je begon dan tegen de avond zodat je net met zonsopgang boven aankwam. Een onvergetelijke tocht! Een smal bergpad, flink stijgend, vol mede klimmers (zelfs een man die zijn oude vader op zijn rug naar boven droeg) en met flink wat afval naast het pad. En terug met speciale slippers over je schoenen, waarmee je als het ware op het vulkaan gruis glijdend met een soort van schaats beweging afdaalde. Overigens hadden we een kamer in een hotel waar de kroonprins ook geslapen had. Toen we een paar dagen langer wilden blijven en naar een goedkoper hotel moesten verhuizen viel dat niet mee.

Herinneringen 24c - Japan - katten: Toen wij van 1954 tot 1963 in Nigawa en daarna in Sakasegawa in Japan woonden hadden we vele katten. Niet met opzet; we werden er mee opgezadeld. Als vrijwel de enige buitenlanders in een klein dorpje vielen we op en de Japanners in onze omgeving dachten, misschien terecht, dat we geen boeddhisten waren en dus niet zoals zij problemen zouden hebben jonge katjes af te maken, of dat we meer ruimte zouden hebben en ze dus mogelijk zouden houden. Dus in plaats van een nest net geboren katjes langs de rivier te zetten waar ze dan mooi in konden lopen en wegspoelen, werd een jong nest vaak in een kartonnen doosje voor de deur of over het hek in onze tuin gezet. En in eerste instantie werkte dat, tot het er wat te veel werden en ik zoín nest dan maar in een emmer verdronk. Dat lijkt wat wreed, maar was zeker niet erger dan de methode van mijn vrouw Ė het nest naar de veearts brengen voor een spuitje.
Overigens, onze eerste kat (een gecastreerde kater), Nekko-chan, namen we na aandringen over van kennissen, die Japan verlieten. Het was een aristocraat, verwend en gewend aan goed, zo niet duur eten, die zijn neus optrok, letterlijk, voor gewoon kattenvoer. Een luie kat ook, al wat ouder en gewend aan rust en aan tijdige goede verzorging. Als wij muizen zouden hebben gehad, dan hadden ze naast hem op zín kussen mogen liggen. Ook de volgende 2 kregen we in Nigawa, in een keurig doosje voor de deur van de garage gezet. We woonden daar op de eerste etage en de katten konden via onze prachtige Wisteria boom en een open raam zelf naar binnen en naar buiten. Pippa was een kat, die net deed of ze je niet zag, maar wel altijd met haar rug naar je toe ging liggen op zoín plek, dat je haar wel moest zien. Als je met de auto thuiskwam lag ze ook altijd toevallig voor de garagedeur. De ander, Pinokkio, ontpopte zich als een enorme zwerver, die dagen wegbleef en dan volkomen verfomfaaid en verlopen weer even terugkwam om uit te rusten. en zich vol te eten.
De katten die in ons volgend huis met grote tuin gedropt werden kregen geen naam meer. We hadden een extra kamer waar we een stukje ruit uitgehaald hadden en daar langs de muur een stuk boomstam tegenaan gezet, zodat de katten dus ongestoord in en uit konden. Ons dienstmeisje zette daar af en toe wat eten neer. En wat betekent dit verhaal? Dat we in Japan in feite genoeg kat gezien hebben voor de rest van ons leven en na ons vertrek uit Japan geen kat meer in huis genomen hebben. En zelfs geen hond, wat de verschillen tussen een kat en een hond in huis zijn niet zo groot als honden- of katten liefhebbers denken.

Herinneringen 24d - Japan en werk: Als je voor een handels firma naar een land wordt uitgezonden is het geen toeristisch bezoek - hoewel, in het geval va n een land zo sterk verschillend van Nederland kan je wel spreken van een combinatie. Want werken moest ik uiteraard, in die tijd ook nog elke zaterdag ochtend, maar daarnaast was het zo'n ander land, zo'n andere bevolking met zulke andere gewoonten en godsdienst, dat vrijwel elke werkdag weer nieuwe ervaringen bracht. Ons kantoor in Osaka had een export afdeling voor export van Japanse goederen zoals naaimachines, textiel, aardewerk etc. en een import afdeling, waar ik werkte en granen en andere grondstoffen verkocht aan Japanse firma's. Dat waren voornamelijk de 10 grote multi-firma's, die vlak na de oorlog door de Amerikanen ontmanteld waren, maar inmiddels via fusies weer terug groeiden naar hun oude status. oorspronkelijk waren dat voornamelijk grondstoffen uit Indonesie, maar het accent kwam steeds meer te liggen op granen en oliezaden uit Canada en de V.S. en ook uit Afrika en Zuid Amerika. En natuurlijk, naast de zakelijke onderwerpen spraken mijn klanten en ik over Nederland, waar zij meer van wilden weten, en Japan, waar ik nieuwsgierig naar was. Ik was toen een verwoed tafeltennisser en had ook enkele klanten waarmee ik partijen speelde. De Japanners waren toen de besten in die sport en leverden regelmatig de wereld kampioen; dat was nog voor de opkomst van de Chinezen.
Zo herinner ik mij ook een bezoek aan de haven met een van mijn klanten; hij had aanmerkingen op de kwaliteit van een partij ebony hout uit Oost Afrika. Onderweg in de auto hadden wij een uitvoerig en zeer interessant over Zen en over zijn retraites in een Boeddhistisch klooster, in de have bekeken we de partij hout en onderhandelden over de kwaliteit - wel of niet zoals moest - en op de terugweg ging het weer over zen. Japanners hadden overigens wel een aparte tactiek als er problemen waren: als je met de manager sprak kon die moeilijk beslissen, omdat de man in charge er niet bij was en als je met de man in charge sprak kon die ook geen beslissing nemen zonder zijn baas. Het was dus zaak die twee tegelijkertijd te spreken, wat ze je bij serieuze problemen overigens niet gemakkelijk maakten. Of de een of de ander was er dan niet. En tegelijkertijd moet ik zeggen: mijn ervaring was dat mijn klanten bijzonder betrouwbaar waren. Of je nu een getekend contract had of niet: ze hielden zich altijd voorbeeldig aan de afspraken en hun verplichtingen. En niet alleen de klanten, ook mijn Japanse staf op kantoor bleef van begin tot eind boeiend, met hun andere levens instelling. Zo had ik een oudere medewerker waarvoor een aantal bureaus verzet moesten worden na een verbouwing omdat hij niet met zijn rug naar het oosten mocht zitten. En een chauffeur, die mij elke weekdag kwam halen (die auto hoorde bij mijn functie, in het weekend gebruikte ik hem zelf) en die opeens een week wegbleef en toen even plotseling weer terug kwam. En toen ik hem vroeg, enigszins geÔrriteerd, waar hij was gebleven zei hij: Ik had een vriendin waar mijn vrouw achter kwam en de hele familie ging zo te keer, dat ik zelfmoord wilde plegen.

Herinneringen 25 - V.S. en Canada 1958: Eerste bezoek aan de Verenigde Staten van Amerika en Canada. Mijn eerste bezoek aan Amerika, samen met Joke, was in 1958. Wij woonden toen al 5 jaar in Japan en ik werkte daar als verkoop agent voor veel graan- en grondstof bedrijven in de hele wereld, waarbij natuurlijk ook Amerika en Canada. We hadden het geluk vakantie en zaken te kunnen combineren. Zo hadden we voldoende tijd voor besprekingen met zakelijke contacten die we al hadden, nieuwe relaties aan te knopen en ook privť kennissen te bezoeken en voor ons zelf rond te kijken in dit fascinerende werelddeel.
We begonnen de reis op een groot passagiers schip van de President Lines, dat ons van Osaka via Honolulu naar San Francisco bracht. In Honolulu hadden wij een kleine 2 dagen, genoeg om rond te rijden, rond te lopen en wat mumu's (een lokaal kledingstuk) te kopen op de locale mark. En te kijken naar de surfers en te genieten van de natuur. De President Wilson was in feite een cruise schip met voornamelijk Amerikanen uit alle staten van de V.S.. Een goede gelegenheid onze kennis van de vele "dialecten" op te halen, want hoewel we vloeiend Engels spraken viel het niet altijd mee het accent van een boer uit Kansas of een houthakker uit Oregon of iemand uit het diepe zuiden meteen te verstaan. Een cruise schip met voornamelijk rijke Amerikanen, met veel smokings bij het avond eten, met een Captain's diner. Als passagiers, die niet in Amerika maar in Japan woonden waren wij interessante gesprekspartners voor onze mede passagiers, voor wie over het algemeen de wereld ophield buiten hun eigen woongebied of staat in Amerika. Ook wel logisch, want Amerika is voor een Nederlander onmetelijk groot en heet niet voor niets de Verenigde Staten van Amerika. In San Francisco gingen wij aan land en bleven een week in het kleine plaatsje Sausalito bij een oude Nederlandse vriendin uit het Gooi en haar Amerikaanse man en hun 3 kleine kinderen. Lieve, hartelijke mensen. Een huis van Jan Steen, maar heel gezellig. Zij lieten ons een goed deel van de omgeving zien en tussendoor bezocht ik wat zakenrelaties en verkenden we de omgeving per auto. En daarnaast ging ik naar een paar bijeenkomsten van de plaatselijke Subud vereniging waar op dat moment net de oprichter, Pak Subud, op bezoek was. We maakten verschillende tochten, maar gingen niet ver genoeg zuidelijk van Los Angelos voor de "Big Sur", waar o.a. Henry Miller het laatste deel van zijn leven leefde en over schreef; toen was dat nog niet zo'n bekend gebied. Het voordeel van het ergens hebben van vrienden of goede zaken relaties was, dat je vaak thuis uitgenodigd werd en zo gemakkelijker in contact kwam met het "gewone" leven, ook al behoorden die zakelijke contacten wel tot de wat rijkere zo niet hele rijke klasse. Want ook die zakenrelaties lieten ons vaak de omgeving zien, namen ons mee naar huis en uit eten. Als Nederlanders wonend in Japan waren we ook nu weer interessant. San Francisco was fascinerend, mede omdat het onze eerste Amerikaanse stad was, bovendien met een "hippy" wijk, met z'n zon, z'n stranden en zee. Enfin, echt "Amerika" dachten we! Na San Francisco ging de reis per trein naar Vancouver in Canada voor een bezoek aan onze leverancier van lijnzaad, koolzaad en andere producten. We hadden de reis zo gepland, dat we zo min mogelijk zouden vliegen, tegenwoordig met alle pressie op tijd bijna niet meer mogelijk, en namen dus na die boot steeds de trein. En die lange afstand treinen waren de moeite waard, met slaap coupťs, observatie wagens, dining cars. Allemaal wel nodig, want de trajecten, die we aflegden logen er niet om. Tijdens de 2 dagen in Vancouver viel ons vooral op de gemoedelijke, gastvrije stemming en de wat rustiger, ongehaaste manier van leven vergeleken met Amerika. De Canadezen waren (en zijn) duidelijk een ander volk. Terwijl het in de stad in het voorjaar al lekker warm was kon je in een uurtje naar boven in de bergen om te gaan skiŽn. We liepen die weg een eindje en het was onvoorstelbaar, hoeveel automobilisten stopten om ons een lift te willen geven. Ze konden zich niet voorstellen, dat we graag liepen om zo de omgeving beter te zien. Van Vancouver werd de treinreis voortgezet naar Winnipeg, met prachtige uitzichten op de Rocky Mountains. We bleven er maar een aantal uren voor zakelijke besprekingen tijdens een lunch, maar onze gastheren hadden toch een hotelkamer voor ons geboekt om ons na de treinreis even op te kunnen frissen. Het was er nog behoorlijk koud, dit zelfde voorjaar van Vancouver; een land klimaat in plaats van een zee klimaat. Na Winnipeg ging de reis, alweer per trein, door naar Minneapolis, een vriendelijke, mooie, ruimgebouwde stad met de nodige wolkenkrabbers,waar we een paar dagen bleven. Het was indrukwekkend om daar het begin van de Mississippi te zien, die daar door de stad stroomt. Deze zo bekende rivier uit de boeken van Mark Twain geeft je een soort van magisch gevoel; we zijn echt in de nieuwe wereld!

En dan kom je van het toen toch wel tamelijk provinciaalse Minneapolis in het hectische Chicago, niet alleen de eerste echt heel grote stad met hoge gebouwen, maar ook de stad met de grootste goederen beurs in de wereld, waar handelaren en verbouwers van soyabonen, mais, tarwe en vlees uit de hele wereld kijken naar de prijzen, die daar gemaakt worden, zowel voor spoedige als latere levering. De Commodity Exchange, die nog steeds overal in de wereld gevolgd word en waarvan de prijzen tegenwoordig op het computer scherm van elke graanhandelaar voorbij vliegen vanaf het moment dat daar de handel begint.

Herinneringen 26 - New York voorjaar 1958: Ik zou er nog vaak komen, deze eerste keer in het Taft Hotel, later in mijn favoriet de Park Plaza, waar je de lekkerste Oisters Rockefeller van de wereld kon eten, maar niets is te vergelijken met een eerste bezoek aan New York. Aan het einde van ons laatste trein traject zagen we de stad al in de verte opdoemen, de beroemde skyline, die niets voor niets uniek is en je vooral de eerste keer overmeestert, je imponeert, je als het ware boordevol energie pompt. We kwamen aan, namen een taxi naar ons Taft hotel vlakbij Times Square op Manhattan en liepen nog even rond en een pijpenla cafeetje in vlak bij het hotel. En daar zat de trompettist Henry Red Allen en speelde de stukken uit de hemel. Een kleine band om hem heen, een paar man maar, die stonden te spelen en Henry Red Allen, die lui in een stoel half zat, half lag, maar in die houding de beste klanken uit z'n trompet wist te persen. Dat was wel de echte jazz, die we toen alleen nog maar op grammofoon platen gehoord hadden en ook wel eens op het waterloo plein in Amsterdam van bekende jazz artiesten, die Amsterdam bezochten. New York, je kan er een boek over schrijven - en die boeken zijn er ook al over geschreven, natuurlijk. Central Park met aan de rand het Rark Hotel waar ik bij latere bezoeken altijd logeerde, met in de oister bar de lekkerste Oister Rockefeller die ik ooit gegeten heb. Kleine kamers, tenminste voor de "gewone"man, maar wel met uitzicht op het park. De volgende ochtend tijdens het ontbijt in het Taft hotel kwam een man van het tafeltje naast ons, die ons een vreemde taal (Nederlands) hoorde spreken, naar ons toe en vroeg waar we vandaan kwamen. Japan dus. En prompt vroeg hij of we bij hem en zijn vrouw kwamen zitten en of ze ons met hun auto de stad mochten laten zien. Wat we wel goed vonden. Zijn vrouw vertelde ons, dat zij in haar dorp de eerste vrouw was met een Minx bontjas; dat was in Amerika blijkbaar heel belangrijk.

Herinneringen 27 - Het is met herinneringen vaak vreemd; ze komen en gaan soms gecontroleerd maar ook vaak ongecontroleerd en tegelijkertijd kijk je ernaar zoals je nu bent, geeft commentaar. Zo las ik net "Een zomer met Proust en bedacht me opeens dat het geheugen ook zijn zwarte gaten kent, momenten in je leven waarvan je vrijwel niets meet weet, ze verdrongen hebt. Twee van die momenten die ik weet: het vertrek, van mijn vader toen ik 5 was en samen met mijn zus bij mijn moeder achterbleef. Ik herinner me niets over ruzies tussen mij n vader en moeder, niets over het vertrek van mijn vader en of hij wel of niet afscheid van ons had genomen. Er was een leven daarvoor en daarna, maar het moment (of beter gezegd de periode zelf) is blank. Hetzelfde met de dood van mijn moeder toen ik 9 wad. Ik vond haar in bad, dood, zie het bad met haar erin als het ware nog scherp voor ogen als ik dat wil, en daarna is er een periode blank, een periode, die er niet is. Tussen de dood van mijn moeder in Bussum en mijn leven daarna bij mijn vader in Amsterdam zit een gat, een blanke periode waarvan ik niets lijk te weten. Was er een begrafenis, waren Nel en ik daarbij, hoe kwamen wij daarna in Amsterdam, wie regelde alles, hoe werden we daar door mijn vader en zijn 2e vrouw Annette ontvangen, mochten we wel of niet onze slaapkamer zelf kiezen, etc, etc, die hele tussenliggende periode dood moeder tot verder leven in Amsterdam bestaat gewoon niet voor me.

Herinneringen 28 - En een ander fascinerende truc van het geheugen is de manier waarop je naar personen kijkt. Je hebt iemand jaren niet gezien, hij of zij is vele jaren ouder geworden, je herkent hem of haar bijna of helemaal niet zolang die persoon stil staat of zit en dan opeens gaat hij bewegen of praten en oude eigenschappen komen tevoorschijn; zoveel jaar ouder nu en toch met een aantal oude kenmerkende herkenbare eigenschappen. Datzelfde is trouwens het geval bij iemand, die je regelmatig ziet, een partner, kinderen. Een partner, als je er tenminste nog steeds van houdt, als er nog steeds een magische aantrekkingskracht aanwezig is, heeft nog steeds dezelfde aantrekkelijke gebaren, dezelfde manier van praten, van reageren op jouw geklets. En met kinderen is het wellicht nog frappanter: je ziet als het ware, als je naar je eigen kind kijkt, lagen. Lagen van baby, 5, 6, 7 jarige, opgroeiende puber, beginnende volwassene en nog meer stadia naar het kind van nu, al lang geen kind meer, maar oudere volwassene van 55 jaar. Maar in dat kind van 55 jaar zie je terug alles wat je met dat kind beleefd hebt, het kruipen, leren lopen, het jeugdige vuur, het ontdekken van de wereld. Je ziet alle stadia als het ware tegelijk, van de baby die nog niets kan tot de volwassene, die meer van de wereld van nu weet, vitaler en actiever is dan ik zelf ben met mijn 88 jaar.

Herinneringen 29 - Ruth, mijn oudste dochter en kameraad Na 5 jaar Japan, een half jaar verlof en weer in ons huis in Sakasegawa vond Joke (en ik trouwens ook) het wel tijd voor kinderen en begon Joke zich ook zorgen te maken of het ons wel zou lukken kinderen te krijgen, of zij zelf wel vruchtbaar genoeg was. Zij sprak zelfs over de mogelijkheden van adoptie en hoewel dat mij wel heel extreem leek liet ik dat niet merken en hadden we er discussies over. Je weet natuurlijk nooit hoe zoiets werkt, maar de gesprekken over adoptie mogelijkheden namen kennelijk de druk bij haar weg, want prompt werd Joke zwanger en 9 maanden later werd tot onze grote vreugde Ruth geboren, 31 oktober 1960 in het Rokko zeemans ziekenhuisje, waar je als vader het hele gebeuren mocht bijwonen. Een prachtige, gezonde baby, die we na een paar dagen samen met Joke meteen naar huis konden nemen. Ja, wat kan je niet allemaal over Ruth, over een dochter met een eigen leven en inmiddels (begin 2017) al 56, schrijven. Fantastische dochter, kameraad waar we veel samen mee deden, beschermster van haar jongere zus. Maar nu eerst haar eerste jaren in Japan tot begin 1963. Ze was een gezond kind, boordevol energie, liep na 11 maanden en begon ook al vroeg te praten. Ze had onze hele tuin om te spelen, verdronk zelfs een keer bijna in een waterreservoirtje voor de planten, waar ze voorover in viel en door haar dikke windjack wat belemmerd werd om overeind te komen. Ik was vlakbij in de tuin aan het werk en kon haar toen ik het zag gebeuren meteen weer rechtop trekken. Zou zij zich hier nog iets van herinneren? Bewust zeker niet, maar onbewust misschien, hoewel, het duurde maar heel kort en ze kon haar hoofd boven het kleine laagje water houden.
Een 10 minuten lopen langs de rivier omhoog stond een Boeddhist tempeltje en vanaf haar eerste looppogingen liepen we elke zaterdag en zondag daar samen naar toe om aan het dikke touw van de grote tempelbel te trekken. Dat samen lopen in de natuur heeft zich voortgezet in Zuid Frankrijk, Bretagne, Madera, Nederland en dat doen we trouwens nog steeds.

Maar natuurlijk gaat het nu even om mijn herinneringen over mijn eigen leven (waar Ruth wel een belangrijk deel van uitmaakt) en kan Ruth over haar leven als zij dat wil haar eigen verhaal vertellen. Want van haar zijn inmiddels al enkele gedichten bundels uitgegeven en al in de 4e klas van de lagere school moest ze door haar geschreven verhalen aan de klas voorlezen. Overigens, als je een kind van je ouder ziet worden vraag je je ook wel eens af (tenminste dat doe ik) wat jouw opvoeding nog voor karakter (of laat ik zeggen gewoonte) sporen achter gelaten heeft.

Herinneringen 30 - Miriam onze tweede dochter, de actrice. Miriam werd 18 augustus 1962 geboren in hetzelfde ziekenhuis als Ruth, in de week dat in Japan de bon odori gevierd werd, elke avond in elk dorp; een soort Japans volksdansen begeleid door muziek, de dansers in een cirkel achter elkaar aan. Miriam was erg klein en moest eerst nog in een couveuse een paar weken in het ziekenhuis blijven, daarna kwam zij thuis. Een beweeglijke baby, elke ochtend lag zij in haar bedje met haar hoofd bij het voeteneind. Wel had zij veel haar tong uit haar mond en zij dronk ook langzamer dan Ruth; we vroegen er onze huisarts naar, maar hij zei, dat dat niets betekende. Waarom hij dat zei weet ik niet, want hij moet beslist gezien hebben wat er aan de hand was en wat wij later in Nederland hoorden: een verstandelijke handicap, zoals dat nu heet: mongolisme. Miriam's leven en haar invloed op het leven van Joke, Ruth en mij, en haar latere carriŤre als actrice bij een toneelgroep is een verhaal apart, waar we toen nog geen vermoeden van hadden. Wij hadden ook geen enkele ervaring van kennissen met kinderen met een handicap; in Japan werden die meestal thuis gehouden en je zag ze eigenlijk niet op straat in ons dorp. Met wat meer ervaring zouden we mogelijk de handicap van Miriam zelf eerder gezien hebben; onze Amerikaanse huisarts in Kobe had het ons kunnen of moeten vertellen, nu moesten wij wachten op een mededeling van een specialist in Nederland vrij kort na onze terugkomst in Nederland na verwijzing door onze huisarts daar.

Het feit, dat Miriam verstandelijk gehandicapt was (Down syndroom) heeft het leven van mij en mijn vrouw Joke en ook van Ruth uiteraard zeer beÔnvloed en ons leven niet gemakkelijker gemaakt. Joke had het er wel bijzonder moeilijk mee en was een tijd lang zeer depressief. En ook onze woon plannen werden er sterk door beÔnvloed; Nederland leek ons voor Miriam toch wel het land met de beste mogelijkheden, zodat plannen voor terugkeer naar Japan of om in Amerika te gaan werken en wonen opgegeven werden.

Ja, een gehandicapte dochter is wel een verhaal apart; moeilijkpersoonlijk gevoelsmatig te verwerkern, enorme problemen dat gevoel samen als echtpaar te delente door het verschil in karakter en eageren en uiten. En in zekere zin na jaren van inspanning een mooi verhaal ook, omdat Miriam - nadat zij op haar 17e naar een gezinsvervangend tehuis in Rotterdam verhuisd was, wat voor haar een normale stap was, net als haar oudere zus (Ruth woonde al op kamers in Amsterdam, waar zij studeerde) uit huis gaan - de kans kreeg deel te gaan vormen van een professionele toneelgroep voor uitsluitend verstandelijk gehandicapte acteurs, waar zij haar grote acteer talenten en behoefte in het middelpunt te staan volledig kon ontplooien, met vele optredens voor volle zalen en ook op televisie. Een levensvervulling; al heel jong had zij elke microfoon in de buurt al vastgepakt en een speech gehouden. En nu een echte toneelgroep, met 2 uitgevoerde stukken per jaar, met optredens zowel in Nederland als ook regelmatig op tourne in een aantal andere Europese landen, nu al zo'n 35 jaar lang.
En terwijl ik dit schrijf is daar de laatste ontwikkeling: een begin van dementeren nu op haar 54e jaar, een ook voor mij en Ruth schrijnende ervaring.

En voor mij betekende het feit dat Miriam gehandicapt was aan 1 kant afzien van het kijken naar een baan in Amerika, New York, aan de andere kant nam ik de functie van secretaris aan in de Stichting Tehuizen Helpt Elkander Deltagebied toen Miriam 3 jaar oud was en zo had ik een actief aandeel in hert opzetten van 9 Gezinsvervangende Tehuizen voor verstandelijk gehandicapten. Een vrijwillige functie, die best wel veel tijd kostte met regelmatige vergaderingen en ander werk daarvoor en zo mogelijk mijn gezin meer heeft belast dan ik toen door had. Aan de andere kant gaf dat werk ook veel voldoening. Het was natuurlijk ook mooi, dat in ons 3e geopende tehuis, onze eerste nieuwbouw, een plaats was voor Miriam, toen zij 17 jaar was. Wij hadden al kort na haar 3e jaar, na zorgvuldige informatie, besloten, dat het leven voor haar prettiger zou zijn met soortgenoten samen en zonder de vaak goed bedoelde maar overbezorgde zorg van de ouders in een geone buurt. Bovendien kon je goed zien, dat ze bij ons thuis eigenlijk geen vrienden of vriendinnen had, zoals wel in de woonvoorziening en het dagverblijf waar zij overdag naar toe ging. En wonder boven wonder, in Rotterdam werd dus de toneelgroep Theater Maatwerk opgericht.
En nu, terwijl ik dit schrijf, is Theater Maatwerk sinds 2 jaar gesloten, getroffen door de bezuinigingen in de zorg en gefuseerd met een Rotterdams theater centrum, waar zij nu optreed samen met niet-gehandicapte acteurs.

En dienen minder prettige, zeg maar heel nare ontwikkelingen zich aan: zij begint te dementeren. Een kind van je dat dementeert, eigenlijk de omgekeerde wereld, maar bij verstandelijk gehandicapten begint dat proces nu eenmaal vaak op veel jongere leeftijd. Hoe het proces verloopt en wat de consequenties ervan zijn - we zullen het moeten afwachten.

Herinneringen 31 - Vrienden.

Met vrienden gaat het soms vreemd; je ontmoet mensen en sommigen zie je kortere tijd, anderen leven ver weg of zijn inmiddels dood en weer anderen zijn dan vrienden voor het leven. Wat de oude Nederlandse vrienden betreft: mijn beste vriend Wim vertrok naar Zuid Afrika en ik zelf naar Japan en voordat we elkaar weer zagen ging hij dood. Ik hoorde over hem van zijn moeder, die ik nog wel zag na terugkeer in Nederland. Een levendige vrouw, maar die op het eind van haar leven er genoeg van had en zei: mijn vriendinnen zijn allemaal dood, waarom ik nog niet. Want zij wilde wel en schreef haar eigen begrafenis toespraak, die toen het zover was door haar dochter Ank werd voorgelezen. Mijn oude buurvriend Harrie is ook al lang dood na een carriŤre als directeur van een levensverzekeringsmaatschappij en zo bleven over zijn zus Ellie en haar man en oude klasgenoot Lidio. Een apart stel, al bij elkaar vanaf heel jong tot haar dood. Lidio kreeg parkinson, begon in de loop van de jaren steeds meer te beven en steeds moeilijker te praten en eindigde uiteindelijk in een verzorgings tehuis in Blaricum, in een heel klein kamertje waar zijn rolstoel nauwelijks in paste en waar hij steeds minder kon doen. En inmiddels eind 2016 in een ziekenhuis overleed na een zware longontsteking waar in overleg met hem door de artsen niet meer getracht werd hem te genezen. Hij vond het genoeg.

Herinneringen 32 - de Chusan.

December 1962 vertrokken wij uit Japan naar Nederland voor ons 6-maandelijks verlof. Voor mijn firma was het verlof en zou ik weer naar Osaka terugkeren; wij zelf - en voornamelijk ik - dacht ook aan het onderzoeken van de mogelijkheden van na het verlof te gaan werken in Amerika of Nederland; het werken in Japan had ik wel een beetje gezien, ook omdat onze moeder maatschappij overgenomen was en mijn werk van graan en goederen handel aangevuld zou moeten worden met andere, gefabriceerde producten zoals diamanten en dergelijke. Voor de zekerheid lieten we onze bezittingen inpakken, zodat we alle kanten op konden. December 1962 dus, met het passagiersschip de Chusan. Een enorm schip met vele verdiepingen en veel ruimte zoals zwembad, sportzaaltje, restaurants etc. En met een tamelijk kleine binnenhut voor 4 personen op een van de lagere verdiepingen. We hadden van onze vriend Hans Brinckmann een Japanse opwindbare plastic slingerhanger gekregen die na het opwinden ging draaien en muziek maakte. Dat werd het dagelijkse ritueel voor het slapen gaan van Ruth en Miriam. Veel zwemmen dus, waarbij vooral Ruth, met zwembandje om een echte waterrat veel bekijks kreeg van de voornamelijk wat oudere Engelse mede passagiers. We deden heel wat havens aan tussen Kobe en Rotterdam en gingen in elke haven volop "passagieren. Op de Chusan was ook voldoende "kinderopvang, met spelletjes onder leiding van een van de stewardessen of stewards. En de kinderen ATEN VOORAF, onder leiding van Chusan-personeel. Dat was wel makkelijk; ze mochten van hen morsen, alles werd opgeruimd en zo leerde Ruth in record tempo zelfstandig eten. Wat verder? Het was een onbezorgde tijd, we hadden geen vaste plannen voor de toekomst maar konden altijd terug naar Japan, het was mooi weer met een mooie zee en met de gebruikelijke vliegende vissen en ook walvissen op afstand. In Nederland woonden wij eerst even in het appartement van mijn tante Bep op het Westerschelde plein in Amsterdam, tegenover de RAI. En het was de koudste winter in jaren, het was een record jaar: tot zeker half maart waren de stoepen bedekt met bevroren sneeuw. We hadden tijdelijk een werkster, die altijd alles wilde opruimen; als we een half glas sap of melk even lieten staan zei ze: drink het even op, dan kan ik het glas of kopje afwassen. Wat contact met familie, met oude vrienden en ook wat rondsnuffelen in de graan wereld over werk mogelijkheden in Amerika of Nederland.
En toen sloeg de bliksem in. Miriam had altijd al wat wazig uit haar ogen gekeken en we maakten ons wat zorgen over haar trage ontwikkeling en spraken erover me de huisarts en die verwees ons naar de V.U. voor een afspraak met een professor daar. En tijdens dat bezoek werd ons meegedeeld: jullie dochter is verstandelijk gehandicapt, mogolisme. We vroegen hem van alles, maar zijn mededelingen kwamen er eigenlijk voornamelijk op neer, dat ze altijd hulp zou moeten hebben, niet zelfstandig zou kunnen leven en dat er in Amerika ook ouder verenigingen waren.
Hoe verwerk je zo iets - ik weet het niet meer, vermoedelijk uiteindelijk ieder volgens zijn eigen karakter. Joke boordevol verdriet, wanhopig, verslagen, voelde zich onterecht ook mede schuldig een gehandicapt kind te hebben. Ik trachtte het verdriet zo veel mogelijk van me af te zetten door via Amerikaanse kanalen meer over mongolisme te weten te komen, van hen te horen dat er ook in Nederland ouder verenigingen waren: naar bleek een Protestantse, Philidelphia, een Katholieke het Zorgenkind en een Neutrale Helpt Elkander. Het was wel duidelijk dat de toekomst er niet best uitzag, dat de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt waren en dat zorg het hele leven van Miriam nodig zou zijn.
Overigens had dit nieuws doorslaggevend effect op onze plannen: we wisten dat dergelijke kinderen in Japan als het ware thuis verborgen werden gehouden, niet op straat kwamen en dat er geen opvang mogelijkheden waren. En hoorden ook, hoeveel er aan zorg in Nederland beschikbaar was, samen met Scandinavische landen de beste van de wereld. Dus - zeker voor Joke - met bloedend hart besloten we in Nederland te blijven en ging ik dus op zoek naar een baan. Inmiddels hadden we een huis gehuurd voor een aantal maanden in Eemnes. Ik ging solliciteren en Joke had de zware taak naast haar verdriet zonder het personeel waaraan ze gewend was twee kleine kinderen te verzorgen. Ze moest luiers wassen voor Miriam, die ze ook nog streek, want gestreken luiers was ze gewend uit Japan. Ik denk, dat ik het zware leven en het zware verdriet van Joke met mijn afstandelijk karakter vaak onderschat heb, hoewel ik zoveel mogelijk meehielp. Maar toen ik aan een baan begon bij de Rotterdamse graan firma Granaria was ik te weinig thuis: elke dag heen en weer naar Rotterdam, in die tijd ook nog 's zaterdags. En dat bleef zo tot we een huis kochten in Poortugaal, een klein dorpje vlak bij Rotterdam; toen was ik door de kortere afstand veel meer thuis.

Herinneringen 33 - Granaria. Nu we wisten dat Miriam verstandelijk gehandicapt was lweek het ons dus het beste om zeker voorlopig in Nederland te blijven, omdat we inmiddels wel begrepen hadden, dat daar de opvang mogelijkheden voor haar samen met enkele Scandinavische landen de beste waren in de wereld. En zo solliciteerde ik bij de graanfirma Granaria. Een interessante baan, waarbij ik in de 15 jaar dat ik daar werkte opklom van handelaar tot directeur, samen met 3 collegas. Granaria had 2 eigenaars, twee neven, Tijn en Sam, zonen van de oprichters. Het verhaal was, dat hun vaders nog begonnen waren met handelen met boeren en molenaars op de fiets, maar inmiddels was het een bloeiend bedrijf, wat steeds verder uitbreidde, van verkoop van granen aan Nederlandse "molenaars", naar internationale graanhandel, met vertegenwoordigers en silos in een aantal regios in Nederland, voornamelijk het IJssel gebied. Een van de gevleugelde gezegden van Tijn was: even een frisse neus halen, en dan liep hij met Sam wat door Rotterdam rond en bespraken zij nieuwe ideeen. En dat frisse neus halen en de gang van zaken bespreken werd een vaste gewoonte ook bij mij en mijn collega's. In die tijd reisde ik veel naar Amerika en had daarinteressante ontmoetingen met vertegenwoordigers van Amerikaanse graanfirmas. En op een gegeven moment startten we ook een kantoor in Engeland, waar wij veel graan aan verkochten en een kantoor in Amerika. Na 15 jaar en een conflict met Sam vertrok ik bij Granaria en ging werken bij Nidera, een Argentijnse graanhandelsfirma die ik nog kende uit Japan; daar was ik agent voor hen, En daar werkte ik weer 10 jaar, om op mijn 60e met pensioen te kunnen gaan, mede door de inmiddels ernstige longziekte van Joke, die veel verzorging nodig had. Maar nu loop ik dus even vooruit naar het jaar 1988. Dat mijn werk veel reizen en contacten over de hele wereld met zich mee bracht (ook naar Rusland) was niet altijd leuk voor het gezin.

Herinneringen 34 - Verstandelijk Gehandicapten werk. Je hoort dat je dochter verstandelijk is en zo rond haar 3e jaar wordt je benaderd door een ouder vereniging, Stichting Tehuizen Helpt Elkander Deltagebied omdat de secretaris daarvan overleden is, of je bestuurslid wil worden en wat doe je dan? Je zegt ja en gaat volop vergaderen, naar woningen kijken en leert een heleboel over wat er aan zorg voor verstandelijk gehandicapten mogelijk is. Op dat moment was het alleen nog bij plannen gebleven, maar samen met de andere bestuursleden wisten we 9 tehuizen te openen, gedeeltelijk verbouwde panden, later nieuwbouw. Veel vergaderingen, veel tijd kostte het naast mijn toch al drukke graanhandel baan; nu denk ik weleens: had ik niet meer van die tijd aan het gezin aan mijn vrouw moeten geven? Ook al compenseerde ik het wel met in feite de vaste afspraak: in het weekend zorg ik voor de kinderen, dan ben jij vrij om er even uit te zijn. EN ook al moest ik de eerste jaren nog vaak zaterdags ochtends werken. 9 huizen, het is niet niks, het feit dat we dat in feite in record tempo deden gaf ook veel voldoening, ook omdat Miriam vanaf haar 18e in 1 van die huizen haar woning vond. Inmiddels is het concept van zelf bouwen al weer achterhaald, evenals het eerste concept van kleine slaapkamers en grote gemeenschappelijke ruimtes. Nu huurt men eerder woningen, appartementen op 1 verdieping vlak naast elkaar, met veel meer eigen ruimte, zit en slaapkamer met keukenhoek als dat kan, meer persoonlijke vrijheid.

Herinneringen 35 - Renesse. Op een gegeven moment kochten wij een huisje in Renesse; een soort vacantie huisje op een bungalow parkje van de heer Bijkerk. 2 Slaapkam ers (een ervan met 2 stapelbedden, de ander met een dubbel bed, woonkamer, keuken, redelijk terrein er om heen. Een ideaal moord voor weekends en vacanties. Het strand was een 10 minuten fietsen en na een paar jaar kochten we ook een strand huisje van een verhuurder, die er mee ophield. Ook daar hadden we veel plezier van; je kon je spullen op het strand achterlaten. Het in het voorjaar neerzetten en in het najaar weer weghalen was best wel ingewikkeld; een keer kwamen we daarbij me de auto even vast te zitten in het zand. We betaalden voor die staanplaats aan de gemeente een klein bedrag als jaarlijksepacht.

Herinneringen 36 - Frankrijk1 - Sainte Maxime.

Frankrijk deed ons al meteen aan Japan denken, het land met zoveel goede herinneringen, waar je als eigenwijze Hollander niet deel was van het even eigenwijze Nederland. De beleefde Japanners, de natuur, lezen in de metro, de sterke familie banden, geen raadgevingen maar je laten leven zoals je wilde, de overeenkomsten waren en zijn groot tussen die twee toch ook zo verschillende landen, verschillende culturen. De tegenstelling van een gevoel van vrijheid in een vrij strak geredigeerde maatschappij. De eerste keer, ik meen in 1976, huurden we een huisje in Sainte Maxime, wat via het terrein van een boerenbedrijf slechts een paar honderd meter van het strand lag en waarvandaan je de zee ook net kon zien, zelfs heel goed als je op 1 van de pilaren van het tuinhek stond. Een landschap ook wat sterk aan Japan deed denken: zee, een smalle strook bewoond land en dan daarachter bergen. Een tweede jaar daar kochten we grond en begonnen we met het ontwerpen en bouwen van een huis. n in de twee jaar dat dat duurde reisden we met een karavaan door Normandie en Bretagne en het jaar daarop via via met een camper naar Italie en Venetie. En toen was het huis klaar en werd dat ons permanente vakantie oord en zelfs uiteindelijk een tijdje ons permanente adres. Maar dat is alweer een ander verhaal. Ik herinner me onze eerste vakantie nog goed: Joke ging met Ruth en Miriam vooruit samen met onze Westmaasse buurjongen en kregen daar bezoek van een aantal klasse genoten van Ruth's gymnasium, met de opdracht van Joke: als Hans straks ook vakantie heeft moeten jullie weer vertrekken. Ja, Maxime, wat een plek, wat een plezier, wat was dat na Renesse een deel van ons leven. Een paar jaar later ging Joke er ook een keer zonder mij met twee vriendinnen naar toe maar meestal gingen we toch samen. Een huis ontwerpen, samen met een architect natuurlijk, heeft wel iets heel speciaals. En met een wilde tuin, deel van de natuur er omheen, van 1630 m2, waarvandaan je naar beneden naar een naburig beekje kon lopen, althans zolang het naburige stukje grond nog niet bebouwd was. De keus op Maxime was mede gemaakt doordat Sainte Maxime zo'n levendig plaatsje was; we hadden wel geaarzeld tussen helemaal buiten wonen, vlak bij een strand, maar kozen tenslotte toch voor strand en stadje en winkels en wat vertier. Terwijl ik dit schrijf heb ik het huis alweer 7 jaar geleden verkocht, iets wat vooral Ruth veel verdriet gedaan heeft, en waar ik nog steeds met gemengde gevoelens aan terug denk, maar het was nu eenmaal het huis van Joke en mij samen en niet meer dezelfde plek na haar dood.

Herinneringen 37 - Frankrijk2. Mijn buurman Marcel Lempereur (november 2016). Ik ben 88 en als Marcel nog leeft zal hij nu 96 zijn. De eerste keer, dat ik Marcel ontmoette was in 1976. Wij, mijn vrouw en ik, bekeken een bouwterrein van 1630 m2 in Zuid Frankrijk en hij liep daar langs op weg naar zijn huis bovenaan de doodlopende weg, die als een van de wegen van ons kruispunt wat omhoog liep. Zijn huis was in feite het enige wat al af was van ons lottissement. Een lottissement overigens met ietwat vreemde grenzen; niet afgesloten met een toegangshek zoals meestal in de Provence, want dat kon niet, omdat de drie andere armen doorgaande wegen waren; een de heuvels op via een klein bruggetje over ons riviertje, via 2 andere lottissements naar de kustweg, een ander rechtstreeks naar de zee op een zevenhonderd meter afstand van ons terrein en de laatste via het plaatselijke kerkhof naar de tennisbanen aan de kustweg tussen Sainte Maxime en Saint Tropez. Ons lotissement lag nog net in Sainte Maxime, aan de overkant van de rivier begon Grimaud. Het ruwe terrein was als onderdeel van een heuvelachtig gebied tamelijk vlak, kennelijk al een beetje bouwrijp gemaakt. En het keek uit op de baai van Saint Tropez aan de ene kant en op de berg Haute Suaan aan de andere kant. We kochten het terrein kort na dat bezoek en lieten er een huis op bouwen. Overigens, je eigen huis ontwerpen, samen met een architect, en het dan laten bouwen is heel leuk, een fantastische ervaring. Marcel was acht ouder dan ik, liep elke dag een rondje en hield ervan om wat te praten met een niet-Fransman, eerst als wij naar de voortgang van de bouw gingen kijken staand op het terrein, later zittend op een van onze terrasjes met de wijnfles tussen ons in, elke keer als we er met vakanties waren. En nog later, toen we permanent in Frankrijk woonden, van 1998 tot 2010, waren het wekelijkse glaasjes wijn en gesprekken over alles wat er in de wereld en om ons heen gebeurde. Overigens bijna altijd bij mij; de paar keer dat ik bij hem naar binnen mocht was zijn vrouw Cristiane nooit thuis; kennelijk hield zij niet zo van bezoek. De verschillen tussen ons waren groot en dat was misschien wel een deel van de wederzijdse attractie. In de eerste plaats wat karakter betreft, hij de beheerste, rustige en waardige dubbele leeuw, ik de dubbele waterman, impulsief en bij wijze van spreken (maar ook in het echt) struikelend over drempels. Hij geboren in de buurt van Metz, ik in Amsterdam. Ik mij tot het uiterste verzettend tegen de militaire dienstplicht en nog steeds werkend in de graanhandel, hij de beroepsmilitair met een carriŤre als sergeant in Algiers, daar gewond aan zijn been (was het nu zín linker of rechter Ė ondanks het feit, dat ik hem er elke keer weer moeilijk mee zag lopen moet ik daar toch weer goed over nadenken Ė ja, het was links) en daardoor met vervroegd pensioen, zodat hij het zich kon veroorloven zich al betrekkelijk jong in Sainte Maxime te vestigen. Met dat been moest hij elk jaar een paar weken in een ziekenhuis in Toulon verzorgd worden. Vervroegd pensioen volgens normale arbeids gewoonten, maar niet ongewoon met zijn been en als militair. Want tijdens onze eerste ontmoeting was ik dus nog maar 48, hij al 56, Ik getrouwd met een mooie Nederlandse, hij met een wat gekleurde, mooie vrouw uit Frans Guiyana. En ik redelijk links in politiek opzicht, hij een aanhanger van le Pen van het Nationale Front, fel tegen verdere import van Arabische mensen in Frankrijk. Niet dat hij een hekel aan ze had; hij sprak altijd vol lof over zijn locale vrienden tijdens zijn Arabische diensttijd en over de locale rekruten die hij daar moest opleiden, maar hij was wel bang voor de invloed van de Islam in Frankrijk. Zoals hij weleens zei: ďwij Fransen krijgen nauwelijks kinderen, de Algerijnen in Frankrijk een heleboel, dus uiteindelijk krijgen zij alleen daarom al straks een meerderheid. En dan is het voorbij met het Frankrijk van nuĒ. We wisten beiden, dat we over dat onderwerp een verschil van mening hadden en praatten daar in feite dus zelden over, want dat had weinig zin. En bovendien waren er genoeg onderwerpen, waar we het wel eens waren, zoals ons stadje, het huis, en vooral de tuin en filosofie. Want Marcel las veel, evenals ik en gaf mij ook af en toe de naam van een Franse filosoof op die ik volgens hem moest lezen. Mijn dochter Ruth, zoveel jonger dan ik en daarmee ook feller, had af en toe, bijvoorbeeld tijdens verkiezingen en wat de Franse kranten daarover dan schreven wel eens een heet debat met hem, overigens zonder elkaar te overtuigen.
Beiden hadden we twee kinderen. Hij had een zoon, die in Nice studeerde en later hoofd posterijen op een Frans eiland werd en die hij daardoor vrijwel nooit meer zag, en een jongere dochter, eerst nog op de lagere school, die later ging samenwonen met een vriend in de buurt van Saint Tropez, waar ze een beauty praktijk begon en o.a. ook klanten had op de vele cruise schepen. Na de verkoop van mijn huis in 2010 namen wij afscheid en heb ik Marcel niet meer gezien. Ik gaf hem wat van mijn tuin- en andere spullen die hij kon gebruiken, want hij tuinierde nog actief, had zijn luiken een ander kleurtje gegeven en zijn oprij pad vernieuwd. Ik was weer in Maxime in 2014 en wilde uiteraard Marcel bezoeken om oude herinneringen op te halen. maar zoals gewoonlijk was zijn tuinhek op slot en moest ik bellen door te schudden aan de grote koperen bel. Na een tijdje wachten en weer bellen kwam zijn vrouw Cristiane naar het hek toe, maar zonder het hek open te maken. Hoe is het met jullie, ik kom voor Marcel, is hij thuis en mag ik binnenkomen? Nee, zei ze, dat kan niet. Het gaat heel slecht met Marcel, hij herkent mensen niet meer en ligt de hele dag in bed. Je mag hem dus niet bezoeken. Kan ik ook niet even om een hoekje kijken? Nee zei ze, hij wil geen bezoek meer. ďEn hoe gaat het met de kinderenĒ vroeg ik nog. Onze zoon zit te ver weg, zoals je weet. En onze dochter laat de verzorging van Marcel aan mij over, ze helpt me nooit. En dat was het dan. Leeft Marcel nog? Ik denk van niet, maar weet het niet zeker. Marcel, op onze manier waren we goede vrienden, we respecteerden elkaar en genoten van onze vaak korte maar regelmatige gesprekken. Hij kwam en hij ging. Een markante man.

Inhoud:

Herinneringen. Herinneringen 1. Herinneringen 2. eerste jaren. Herinneringen 3 - eerste jaren 2. Herinneringen 4 - Blaricum. Herinneringen 5 - Blaricum2. Herinneringen 6 - Blaricum3. Herinneringen 7 - Bussum. Herinneringen 8 - Grootouders. Herinneringen 9 - Moeder. Herinneringen 10 - Bussum en Amsterdam. Herinneringen 11 - Amsterdam. Herinneringen 12 - Zussen. Herinneringen 13 - Amsterdam. Herinneringen 14 - De boekhandel. Herinneringen 15 - HBS en oorlog. Herinneringen 16 - HBS en oorlog 2. Herinneringen 17 - HBS en oorlog 3. Herinneringen 18 - Vader. Herinneringen 18a - paaszondag 2011. Herinneringen 18b - Vader 2. Herinneringen 19 - meisjes. Herinneringen 20 - HBS leraren. Herinneringen 21 - zeilen in de oorlog. Herinneringen 21a - oorlog. Herinneringen 22 - Einde oorlog. Herinneringen 23 - Dienstplicht (medio 1948-1 oktober 1950). Herinneringen 23a - Dienstplicht IndonesiŽ. Herinneringen 23b - Dienstplicht IndonesiŽ. Herinneringen 24 - En toen kwam Joke in mijn leven: Herinneringen 24a - Japan. Herinneringen 24b - Japan2. Herinneringen 24c - Japan - katten Herinneringen 24d - Japan en werk: Herinneringen 25 - V.S. en Canada. 1958 Herinneringen 26 - New York voorjaar 1958. Herinneringen 27 - Het is met herinneringen. Herinneringen 28 - En een ander fascinerende truc. Herinneringen 29 - Ruth, mijn dochter en kameraad Herinneringen 30 - Miriam onze tweede dochter, Herinneringen 31 - Vrienden. Herinneringen 32 - de Chusan.

Herinneringen 33 - Granaria. Herinneringen 34 - Verstandelijk Gehandicapten werk. Herinneringen 35 - Renesse. Herinneringen 36 - Frankrijk1 - Sainte Maxime. Frankrijk - Marcel (november 2016)


En click hier voor:
WEKELIJKSE COLOM
HOME | ASTROLOGY | ARTICLES | GEBOORTETEKST | TRANSITTEXT | COURSFR | CURSUSNL | PRICES | OMAR KHAYYAM's RUBAIYAT INTRO | ENGLISH RUBAIYAT | DUTCH RUBAIYAT | MIRIAM | gedichtenRUTH | SAYINGS | BOOKS