Volgens ons is Maarten Biesheuvel de beste Nederlandse korteverhalenschrijver. Koop bij Van Oorschot zijn verzamelde verhalen en geniet met volle teugen, maar lees hier alvast een prachtig staaltje. Een verhaal in één alinea, waarin de hele wereld van de roem voor ons open- en dichtgaat; waarin Pontius Pilatus zijn handen in onschuld wast na het vermoorden van een vis, waarin Brahms, Mozart, Glazounov en Bach optreden naast Homerus als liefhebber van catalogi en Melville van schepen, kortom een verhaal waar alle Biesheuvelmotieven in besloten zijn:

Gemiste kans

Er was een groot feest in het huis van Rein Dool in Dordrecht, en wel op een avond in de herfst. Dat huis is geweldig groot, aan de voorkant ligt het aan de Wolwevershaven en aan de achterkant staat het midden in de Oude Maas, die machtige, brede, klotsende en snelstromende rivier. Het huis is eigenlijk een klein paleisje, ooit gebouwd voor een bankier uit Rotterdam. Dat moet een heel rijke man zijn geweest, want het huis heeft dikke stenen muren en is overal van binnen met mahonie betimmerd. Eva en ik waren ook voor het feest uitgenodigd. We luisterden met veel plezier naar twee strijksextetten van Brahms, uitgevoerd door levende musici; er was een grote gerookte zalm op een zilveren schaal, er waren salades, er was brood met paté, er was soep, makreel en haring. Rein had goede sigaren besteld. Er was wodka, wijn en bier in grote hoeveelheden. Ik raakte in een opperbeste stemming en kuste Eva in een donker hoekje op een tweezitsbankje. Hier en daar brandden kaarsen. Toen de musici het ‘Dissonantenkwartet’ van Mozart begonnen te spelen werd ik eufoor, ik stak een tuitknak uit de winkel van Hajenius op en begon door het huis te dwalen. Na een minuut of tien kwam ik voor een deur waarachter ik onbekende stemmen hoorde. ‘Dus jij vindt dat we de oversteek maar moeten maken, Vladimir?’ hoorde ik. ‘Maar natuurlijk, Herman,’ zei iemand, ‘we varen eerst naar Newfoundland en dan zien we wel verder.’ ‘Nicolai, geef jij Jane even een stuk kaas,’ hoorde ik, ‘we zullen maar niet naar dat feest hier toegaan, hè? We zouden veel te veel opvallen.’ ‘Pontius, geef mij dat scherpe mes even aan, het lijkt wel of er op de deur wordt gebonsd, kom toch binnen!’ Ik trad binnen en zag dertien personen: twee dames en elf heren. Maar wat zagen ze er allemaal merkwaardig uit. Een man die iets kleiner was dan ik kwam op me af. Hij droeg een bruingrijs tweedjasje en een witte pantalon, op zijn neus zat een lorgnon van ouderwets model geklemd. De man keek me guitig aan en leek me heel slim. Het was net of ik hem al eens eerder had gezien. ‘Vlug, doe die deur dicht,’ zei hij, ‘we zijn hier maar incognito.’ ‘U bent toch Vladimir Nabokov?’ vroeg ik verbaasd. ‘Je raadt het,’ zei hij, ‘we zijn hier voor jou gekomen, maar laat ik je eerst aan de andere leden van onze club voorstellen.’ Ik schudde de handen van Homerus, Thomas Mann, Jane Austen, Herman Melville, Gogol, Tolstoj, Vergilius, Dante, Flaubert, Cleopatra, Jezus en Pontius Pilatus. De laatste was een reus van een kerel met rood haar, hij had een wit lang gewaad aan. Om zijn middel zat een strakke gordel en daaraan hing in een fraai bewerkte ivoren schede een dolkmes, waarschijnlijk het mes waarover ik al had horen praten. Pilatus droogde juist zijn handen af aan een rood-wit geblokte theedoek die een beetje naar haring stonk. ‘Nu ken je de leden van de club,’ zei Melville die op sandalen liep, in een Nankingse broek gekleed was en met ontbloot bovenlijf rondliep, hij rookte een pijp, ‘we hebben allemaal jouw werk gelezen. Je hebt nu wel genoeg geschreven. Hou ermee op. Het mooiste verhaal vinden wij allemaal "Brommer op zee". Sommige andere verhalen halen ook een aardig peil. Homerus is vooral te spreken over "Oculare Biesheuvel", dat verhaal met die ellendige namenlijst. Nabokov is nogal gesteld op "Een vreemd voorval". Jane Austen vindt "De merel" prachtig. We zijn hiernaartoe gekomen om je lid te maken van de club. Iets mooiers valt er niet te bereiken!’ Jezus keek me aan en zei een beetje stuurs: ‘Maar dan moet je wel meteen meegaan.’ Ik sputterde tegen. ‘Anton Tsjechov heeft "De dame met hondje" geschreven, waarom is hij dan geen lid van de club?’ ‘We wilden hem lid maken,’ sprak Jane Austen terwijl ze heel grappig mijn bewegingen en mijn stemgeluid nabootste, ‘maar op het laatste moment heeft hij de boot gemist.’ ‘Hoe kwam dat dan?’ vroeg ik. ‘Vertellen we je wel op zee,’ lachte Cleopatra. ‘En Kafka?’ vroeg ik, ‘"De jager Gracchus" is een juweel van een vertelling, waarom bevindt hij zich niet hier?’ ‘Van hetzelfde laken een pak,’ zei Homerus. Nabokov kuste me links en rechts op de wang. ‘Dus je wordt lid? vroeg hij. ‘Meteen’, zei ik, ‘daar hoef ik niet over na te denken.’ ‘Een verstandig man,’ giechelde Cleopatra die twintigste-eeuws ondergoed droeg en rondtrippelde op rode schoentjes met hoge hakken. Gogol kwam naar me toe en verklaarde: ‘Ik probeer haar al dertig jaar te bekeren, maar ze is halsstarrig. ‘Hij wordt lid van de club,’ lachten ze nu allemaal, ‘hoe meer zielen hoe meer vreugde.’ Melville wierp het raam open en riep met stentorstem over het wijde donkere water van de Oude Maas, waar het behoorlijk waaide: ‘Stubb! Hierkomen! Stubb! Opschieten!’ Vijf minuten later verscheen er in de baan zilver licht die de maan over de rivier wierp een overnaadse sloep van acht meter lang, een jachtsloep van de Pequod. Wat moest Stubb sterk zijn dat hij dat ding in zijn eentje vooruit kon krijgen. Behendig roeide hij tussen de rijnaken op de rivier door, sleepbootjes ontweek hij handig. Terwijl hij midden in de stroom lag, dreef hij nagenoeg niet af. Stubb was net zo sterk en doortastend als hij in Moby Dick beschreven wordt. Toen hij vlak bij het huis van Rein was legde hij zijn schip met de neus tegen de stroom, wierp het anker uit en keek ons verwachtingsvol aan. Met een pikhaak trok hij de kont van het schip naar het open raam. Homerus stapte alvast in. ‘Mag ik vannacht naast jou slapen, Jane?’ vroeg hij, ‘ik geloof dat ik waarachtig verkouden word...’ Toen dacht ik aan Eva, de vrouw die mij het dierbaarste is van wat ik op aarde bezit! Ik moest toch afscheid van haar nemen. ‘Een ogenblik, dames en heren,’ zei ik, ‘ik moet nog even iets doen.’ ‘Je moet doen wat je niet laten kunt,’ glimlachte Pontius en sneed zich nog een stuk worst af, worst van Rein. Terwijl Gogol, Vergilius en Melville zich ook inscheepten, rende ik naar het grote vertrek aan de andere kant van het huis waar het feest gegeven werd. Een zaal! Het stond er blauw van de rook en wat een gesnater hoorde ik. Er werd gegeten en gedronken en de musici speelden nu Glazounov. Al tamelijk vlug had ik Eva gevonden. ‘Eva,’ zei ik, ‘schrik niet, ik verdwijn voorgoed, voortaan ben ik lid van de club.’ ‘Wat?’ vroeg ze, ‘praat nou geen wartaal.’ Terwijl ik met Eva terugliep legde ik haar alles uit. Binnen vijf minuten was ik weer in de lage kamer waar Nabokov me zo vriendelijk had ontvangen. Een stoel was omgevallen, een glaasje stond leeg op de grond, een rode kater keek ons aan vanuit een biezen mand. ‘Aan die tafel hebben de dames en heren gezeten, ‘ zei ik wijzend op de keukentafel en de gammele stoeltjes. ‘Die theedoek daar heeft Melville aan Pilatus gegeven,’ glimlachte ik verlegen en onthutst tegen Eva. ‘Je bent dwaas,’ zei ze, ‘dwaas en grillig. Heb je vandaag wel je pillen geslikt?’ ‘Je was er zelf bij toen ik dat deed,’ zei ik, ‘ik ben bij mijn volle verstand.’ Eva en ik staken onze koppen uit het raam en toen zagen we dat de sloep al in de buurt van de grote brug over het water was. ‘Homerus! Herman! Vladimir! Gustave!’ riep ik zo hard ik kon, geluid draagt ver over het water, ‘jullie zijn mij vergeten, neem me nu toch alsjeblieft mee, ik geef juist een laatste kus aan mijn vrouw.’ Maar de sloep kwam niet terug. De maan verdween achter een wolk, en ik had nog juist tijd om te zien hoe de sloep met de stroom en de wind mee de Dordtse Kil opging. Die sloep was op weg naar zee! Eva wilde me niet geloven. Ik onderwierp het vertrek aan een nauwkeurig onderzoek en vond na een kwartier het mes van Pontius Pilatus op de vloer onder het kozijn. Toen hij door het raam klom moest het uit de schede zijn gevallen. Het was een Romeins mes, een mes van een model dat wij nog nooit hadden gezien en het was inderdaad vlijmscherp. Ik begon te huilen, maar Eva troostte me. Een kwartier later kwam Rein de kamer binnenstappen. ‘Ik was jullie kwijt,’ zei hij, ‘waarom zijn jullie hier? Jullie maken het toch niet uit?’ Onhandig hield ik hem het mes van Pilatus voor. ‘Ziehier het mes van Pontius Pilatus,’ zei ik. ‘Onzin,’ zei Rein. ‘Dat is mijn briefopener. Maar kom terug naar het feest, de muzikanten gaan nu Bach spelen.’

Maarten Biesheuvel