Wijsheid uit het oosten

Hendrik Snijders

De Volkskrant, 4 april 1992, 3e artikel van negendelige serie De Quantumdans.

De Duivelsverzen hebben een storm van kritiek losgemaakt in de islamitische wereld. Vooral het feit dat het een geloofsgenoot was die de islam voor het oog van de hele wereld te grabbel gooide, bracht veel moslims tot razernij; Iets vergelijkbaars doet zich voor bij het werk van Fritjof Capra.
            In De Tao van Fysica signaleert deze Oostenrijks-Amerikaanse fysicus overeenkomsten tussen hedendaagse natuurkunde en oosterse mystiek. Grotere heiligschennis is bijna niet denkbaar. Fysici zouden de afvallige Capra eigenhandig hebben gestenigd als die afrekening binnen hun bevattingsvermogen gelegen zou hebben.
            Maar net als Salman Rushdie oogstte Capra buiten de eigen geloofsgemeenschap veel lof. Met veertigduizend exemplaren van de Nederlandse vertaling is Capra's boek uitgegroeid tot een bestseller. Dit succes was aanvankelijk niet voorzien. Het koste Capra zelfs veel moeite een uitgever te vinden. In 1975 lukte dat, maar pas in 1982, zeven jaar later, verscheen de Nederlandse vertaling. Gary Zukav ging hem met De Dansende Woe-Li Meesters zelfs een jaar voor. Het verkoopsucces van dit boek, dat do blik ook naar het oosten richt, stimuleerde het besluit tot een Nederlandse vertaling van Capra's boek.
            Capra's betoog over de verwevenheid tussen de westerse natuurwetenschap en het oosterse denken is voor een belangrijk deel opgebouwd rond de opvattingen van Niels Bohr. Capra kiest daarbij het idee 'deelname in plaats van waarneming' als uitgangspunt voor een betoog over de relatie tussen de quantummechanica en het oosters denken: "oosterse mystici hebben dit idee tot in het uiterste doorgevoerd, zodat waarnemer en waargenomene, subject en object, niet alleen onscheidbaar, maar ook niet van elkaar te onderscheiden zijn."
            De aanleiding voor Capra's stellingname moeten we overigens niet alleen zoeken in het oosterse denken. Minstens zo belangrijk lijkt de onvrede met onze eigen westerse cultuur. In de IKON-documentaire De geschiedenis van de toekomst (in 1986 uitgezonden) stelde Capra bijvoorbeeld: "Sinds de zeventiende eeuw is onze westerse wetenschap steeds geobsedeerd geweest door het denkbeeld van beheersing. Deze obsessie heeft rampzalige gevolgen gehad. Het heeft in de praktijk tot onheil geleid wanneer je denkt aan de situatie in de Derde Wereld: de uitbuiting. Uitbuiting ligt niet erg ver van overheersing. En zo is de geďndustrialiseerde wereld gebaseerd op dit denkbeeld van beheersing en uitbuiting."
            Capra stelt de natuurkunde mede verantwoordelijk voor de janboel die we van de wereld hebben gemaakt. Dit plaatste hem voor een dilemma. Enerzijds wilde hij werken aan het front van de natuurkunde en anderzijds wenste hij te vluchten uit de wereld die mede door deze wetenschap is gevormd. Deze vlucht dreef hem in de armen van de oosterse denkers. Dat leidde tot een schizofrene positie, zoals hij duidelijk maakt in zijn autobiografie Het Nieuwe Denken: "De week in Amsterdam (zomer 1971; red.) vormde het hoogtepunt in mijn gespleten leven als hippie-fysicus. Overdag placht ik mijn kostuum te dragen en met mijn collega's op de conferentie de problemen in de deeltjesfysica te bespreken. (...) 's Avonds droeg ik gewoonlijk hippiekleren en hing ik rond in cafés, op pleinen en in de woonboten van Amsterdam."
            In de tijd dat De Tao van Fysica uitkwam, ontbrak het klimaat voor een serieuze discussie, maar ontwikkelde zich een loopgravenoorlog. In 1989, toen de kruitdampen waren opgelost, organiseerde de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden een conferentie over de betekenis van het werk van Capra.
            Vanuit natuurkundige optiek werd geconstateerd dat een gedeelte van Capra's bewijsvoering door experimenten is achterhaald. Ook door oosterse bril werden zwakke plekken gesignaleerd. Maar in beide gevallen leidde dat niet tot de conclusie dat Capra onzin uitkraamt. In het oosterse denken zou Capra sterkere overeenkomsten kunnen vinden en in de natuurkunde heeft hij zelfs het belangrijkste voorbeeld over het hoofd gezien.
            Capra besteedt bijvoorbeeld geen aandacht aan het zogenoemde EPR-gedachtenexperiment van Einstein. EPR lijkt op een situatie met een witte en een zwarte bal. Is de ene bal wit, dan weet je meteen dat de andere zwart is en omgekeerd. Maar tot het moment dat je kijkt, zijn volgens Bohr beide ballen zowel wit als zwart.
            In de gedachtenconstructie van Einstein vliegen de ballen ver uit elkaar, bijvoorbeeld naar New York en Moskou. Op het moment dat je in New York een witte bal ziet, moet de bal in Moskou zwart zijn. Dit zou volgens Einstein alleen maar mogelijk zijn als die bal in Moskou altijd al zwart was. Anders zou immers een soort telepathisch contact moeten bestaan, want informatie kan hooguit met de lichtsnelheid reizen. Volgens Einstein leidde zijn EPR-gedachte tot de conclusie dat de quantummechanica geen volledige beschrijving van de werkelijkheid kan zijn.
            In 1982 gaf een experiment hem echter ongelijk. Dit versterkte Bohrs stelling dat geen uitspraak over de werkelijkheid mogelijk is zolang niemand kijkt. En dat beeld zou goed gepast hebben in Capra's betoog over de verwevenheid tussen waarnemer en waarneming.

            Doordat Capra niet de sterkste voorbeelden uit de quantummechanica kiest, lenen veel andere boeken zich beter als introductie in de gespleten wereld van het quantum. Wie specifiek is geďnteresseerd in de samenhang tussen religie en natuurkunde kan inmiddels ook een betere keuze doen.
            In Das Lachen Gottes beschrijft de theoloog Gerhard Staguhn in elk geval op een veel betere manier de religieuze/filosofische aspecten van de fysica dan Capra en veel andere natuurkundigen dat doen. Als principieel betoog en als historisch document laat het boek van Capra zich echter niet vervangen. Door de heftige reacties heeft het als geen ander werk een stempel gedrukt op de discussies over de betekenis van de quantummechanica.