1 Dansende Demonen


de passages tussen [..] zijn literatuurverwijzingen.

Is hij een holist? Mijn buurman kan deze vraag net kwijt tussen twee lezingen op het jaarlijkse congres van de Nederlandse Natuurkundige Vereniging. Het is voorjaar 1987 en we zijn getuige van iets nieuws. Naast de gebruikelijke vakspecialistische voordrachten heeft de organisatie dit jaar een programma gemaakt over de publieke belangstelling voor de quantummechanica, de natuurkundige theorie van het atoom. De zaal zit zo vol dat sprekers in de vakspecialistische sessies hun verbale talent moeten botvieren op een handvol meegetroonde supporters.

Illustere fysici als Albert Einstein en Niels Bohr baanden in het eerste kwart van deze eeuw de weg voor de quantummechanica, maar pas aan het eind van de jaren zeventig raakt het grote publiek over deze nieuwe tak van de natuurkunde geïnformeerd. Inmiddels zijn tientallen populair wetenschappelijke boeken verschenen over de natuurkunde van het allerkleinste. Veel schrijvers gaan daarbij verder dan een vakinhoudelijke popularisering door verbanden te leggen met filosofie en levensbeschouwing. Vooral boeken over relaties tussen quantummechanica en oosterse mystiek hebben sterk de aandacht getrokken, zoals De Tao van Fysica van Fritjof Capra [A-C1]. Een sleutelbegrip in dit boek vormt het holisme, de opvatting dat het deel niet begrepen kan worden zonder het totaal te kennen. Capra benadrukt dat de quantummechanica geen strikte scheiding toelaat tussen de waarnemer en het waargenomene. Subject en object moeten in samenhang worden beschouwd en deze holistische twee-eenheid zou in oosterse religies opgesloten zijn. De commotie over Capra's bestseller was zo groot en duurde zo lang, dat dit boek vijftien jaar later nog een belangrijke leidraad vormde op het landelijke natuurkunde congres.

1.1 satanische steniging

Voor zover mijn buurman ooit door Capra aan het twijfelen gebracht zou zijn, werd hij een uur geleden ongetwijfeld weer op het rechte pad gezet door de filosoof Doorman. Gekromd onder de last van het Achtvoudig Pad had deze Delftse voordrachtskunstenaar de nodige munitie aangedragen tegen mystiek en holistisch gewauwel [G-D2]. Alleen al de grimassen die zijn gelaat ontsierden bij het uitspreken van de naam Fritjof Capra onderstreepten dat Doorman geen enkele wetenschappelijke ruimte ziet voor de veronderstelling dat westerse natuurwetenschap en oosterse mystiek hand in hand gaan. De verbale veroordeling ging over in een barbaarse executie toen Capra voor de voeten kreeg geworpen dat hij zich op schrijversvoeten had begeven uit pure geldzucht. Als bewijs hiervoor werd aangedragen dat Capra in een dure auto rijdt met de letters TAO op het nummerbord. En zodra ideële en intellectuele motieven zijn uitgebannen, zal de gemiddelde fysicus zich ontslagen achten van de plicht tot zelfstandige meningsvorming. Mijn buurman lijkt zich in elk geval geen eigen mening gevormd te hebben. Hij lijkt eerder bevestigd te zijn in zijn vooroordelen en het holisme als een scheldwoord te zien. De natuurkundige Hilgevoord loopt inmiddels naar de microfoon en voordat ik kan vertellen of deze spreker een holist is, heeft hij het woord al genomen. Ik krijg zodoende geen gelegenheid de achtvoudige knoop uit het verhaal van Doorman te halen.

Capra is niet de enige natuurkundige die door veel fysici met de nek wordt aangekeken. Vier jaar na de tirade van Doorman zou Ad Lagendijk de landelijke toogdag van Nederlandse fysici aangrijpen voor een aanval op zijn collega's die zitten te dagdromen over een op handen zijnde theory of everything [G-L2]. De Amsterdamse fysicus stelde zich de retorische vraag waar de speurders naar die allesomvattende natuurkundige theorie eigenlijk mee bezig zijn. Met gevoel voor dramatiek werd het getuur in de microkosmos getypeerd als 'kleinkijken', en dat is allesbehalve synoniem met het 'alleskijken' dat de betrokken wetenschappers zeggen na te streven. In zijn oratie had Lagendijk een jaar eerder ook al zijn gram uitgesproken over 'arrogante fysici' die met hun boeken een miljoenenpubliek voorliegen over hun Grootse Overkoepelende Theorieën, met veel gevoel voor dramatiek afgekort als GOT [G-L1]. Deze oratie kreeg nationale bekendheid, onder andere omdat Intermediair de tekst twee weken later integraal afdrukte [D-L1]. In hoofdstuk zes kom ik nader terug op de pretenties van Lagendijks arrogante fysici. Daarvoor komt in hoofdstuk drie Lagendijks eigen arrogantie ter sprake als hij de vloer aanveegt met wetenschapsfilosofen en -sociologen als Latour en beleidsadviseurs als Beckers.

Dat de geïnteresseerde buitenstaander de populaire beschouwingen over de hedendaagse natuurkunde koopt, staat vast. De oplagen zijn zonder uitzondering groter dan het aantal studeervertrekken van natuurkundigen en er blijft geen boek onverkocht. In verschillende wetenschapsgebieden is men jaloers op deze publieke belangstelling. De wiskundigen zien het ontbreken van populaire verhandelingen over hun vakgebied zelfs als een van de verklaringen voor het dalende aantal eerstejaars dat zich aan de universitaire poorten meldt voor een studie in de wiskunde. Wat is dan toch de reden dat prominente wetenschappers als Doorman en Lagendijk al hun theatrale capaciteiten aanwenden en schande spreken over sommige populariseerders van de natuurkunde? De belangrijkste drijfveer lijkt mij dat zij, hoewel op zeer verschillende gronden, menen dat de gewraakte auteurs de geloofwaardigheid van de natuurkunde aantasten. En waar Fritjof Capra het mikpunt is van kritiek op ongeoorloofde uitstapjes naar de mystiek vormt Stephen Hawking het symbool van het schandalige geschrijf over de op handen zijnde voltooiing van de wetenschap [A-H1]. Dat juist dit tweetal veel kritiek krijgt, staat volgens mij niet los van het feit dat beide auteurs zeer goed verkopende boeken op hun naam hebben staan in twee van de meest beschreven takken van de natuurkunde. En daarom zijn zij de hoofdpersonen in dit en het volgende hoofdstuk. Zoals gezegd, zal ik daarbij niet zozeer de inhoud van boeken van deze auteurs als uitgangspunt nemen alswel de verontwaardigde reacties die hun werk onder fysici opriep en oproept.

Tot op de dag van vandaag heeft Capra niet te klagen over belangstelling voor zijn betoog over parallellen tussen het oosterse denken en de quantummechanica. Latere schrijvers traden in zijn voetsporen en schetsen vaak een beter toegankelijk beeld van de bizarre kenmerken van deze belangrijke tak van de natuurkunde. Maar als principieel betoog over de wederzijdse relaties tussen hedendaagse natuurkunde en oosterse mystiek blijft De Tao van Fysica onovertroffen. Dit boek vormt thans hèt standaardwerk over de relaties tussen het oosterse denken en de quantummechanica. Wat dat betreft is er alle reden om een beschouwing over die relaties op te hangen aan het geruchtmakende boek van Capra. De beroering die hij in het midden van de jaren zeventig veroorzaakte, laat zich vergelijken met de latere opwinding rond Salman Rushdie. Met zijn Duivelsversen haalde Rushdie de woede van een groot gedeelte van de islamitische wereld op zijn nek. Vooral het feit dat het een geloofsgenoot was die de islam voor het oog van de hele wereld te grabbel gooide, bracht veel moslims tot razernij. Zoiets is ook het geval bij het werk van Fritjof Capra. Grotere heiligschennis dan zijn pleidooi over relaties tussen oosterse mystiek en hedendaagse natuurkunde is bijna ondenkbaar. Net als bij Rushdie hebben de meeste verontruste schepsels geen letter van de verguisde auteur gelezen. De vooringenomen opvatting is genoeg; het is immers ondenkbaar dat de precieze en met beide voeten op de grond staande natuurkunde overeenkomsten vertoont met de vage en zweverige mystiek, laat staan dat de natuurkunde bewijslast zou kunnen aandragen voor het oosterse gelijk. Fysici zouden de afvallige Capra eigenhandig hebben gestenigd als die afrekening binnen hun bevattingsvermogen zou hebben gelegen. De geciviliseerde fysici moeten echter genoegen nemen met een geestelijke afrekening, maar ook de psychologische oorlogvoering is allesbehalve vrij van barbaarse methoden, zoals het verwijt dat hij zich hoofdzakelijk door financiële motieven liet leiden. Deze beschuldiging kan echter geen stand houden omdat Capra onmogelijk kon voorzien dat zijn boek zou uitgroeien tot een wereldwijd kassucces. Afgaande op de moeite die het kostte om een uitgever te vinden, geloofde eigenlijk niemand in verkoopmogelijkheden. Voor het achterhalen van de echte motieven vormen ideële overwegingen een veel beter vertrekpunt. Een bruikbare informatiebron daarover vormt Capra's biografie Het Nieuwe Denken, waarin hij onder andere zijn identiteitscrisis beschrijft [A-C2]. Hij wilde deel uitmaken van de fysische gemeenschap, maar hij voelde zich ook aangetrokken tot de tegenpool, de wereld van hippies.

1.2 ondergeschikte onderzoekers

Nadat hij kennis nam van de oosterse denkwereld zag Capra een uitweg om de tegenstelling in zijn eigen identiteit te overbruggen. Hij verzette zich tegen het op overheersing gerichte streven in de westerse cultuur aangezien dat zou leiden tot uitbuiting, bijvoorbeeld van de Eerste Wereld ten opzichte van de Derde Wereld. De mentaliteit van overheersing zou typisch zijn voor de natuurkunde, waar beheersing van experimentele omstandigheden centraal staat; volgens Capra ligt uitbuiting dicht bij overheersing. De experimentele werkwijze is binnen de natuurkunde sinds Galileï tot bloei gekomen en heeft nadien grote invloed gehad op de gehele westerse wijze van denken en werken. Deze methodiek wordt ook in de quantummechanica met succes toegepast, ondanks de theoretische beperkingen die hiervoor op atomaire schaal gelden; Capra benadrukt in elk geval dat deze theorie geen ruimte biedt voor een overheersende positie van de waarnemer ten opzichte van de waarneming. Om dat te onderstrepen, citeert Capra met instemming John Wheeler, die stelt: "Niets wat het quantumprincipe betreft is belangrijker dan dit, dat het de opvatting vernietigt, dat de wereld 'daarginds' is, waarbij de waarnemer er door een 20 cm dikke laag glas veilig van is gescheiden...Om te beschrijven wat er is gebeurd, moet men het oude woord 'waarnemer' doorkrassen, en daarvoor in de plaats het nieuwe woord 'deelnemer' zetten. In een of andere vreemde zin is het heelal een 'deelnemingsheelal'" [A-C1 , p. 136]. Na deze typering van de quantummechanica concludeert Capra dat dit idee 'deelname in plaats van waarneming' voor de natuurkunde nieuw is, maar dat men er in de mystiek al lang mee vertrouwd is: "Voor de oosterse wereldbeschouwing is het idee van de 'deelnemer' dus essentieel, en de oosterse mystici hebben dit idee tot in het uiterste doorgevoerd, zodat waarnemer en het waargenomene, subject en object, niet alleen onscheidbaar, maar ook niet van elkaar te onderscheiden zijn" [A-C1, p. 137]. Toegepast op de relatie tussen mens en natuur betekent dit dat de mens niet boven maar in de natuur staat. Deze nevenschikking lijkt inderdaad vreemd voor het christendom waar God de mens het rentmeesterschap over de natuur heeft toevertrouwd.

Met de sterke samenhang tussen subject en object zou de quantummechanica op gespannen voet staan met onze westerse denkwereld terwijl op een natuurlijke wijze aangesloten zou worden bij het oosterse denken. Capra heeft daarmee voor zichzelf in het hart van de hedendaagse natuurkunde een onderbouwing gevonden voor de oosterse filosofieën. Nogmaals, het gaat bij Capra niet alleen om een positieve keuze voor het oosterse denken, maar ook om een negatieve opstelling tegenover de westerse cultuur. Vooral die laatste instelling verklaart voor een belangrijk deel de grote aantrekkingskracht van Capra op wetenschappers buiten de fysica. Met name onder psychologen, maar ook onder geneeskundigen en juristen, tref ik veel mensen die bekend zijn met het werk van Capra. Daarbij heb ik nog niemand gesproken die Capra had gelezen uit nieuwsgierigheid naar het oosterse denken. De drijfveer vormde steeds een onvrede met de sterke, op exacte beheersing gerichtheid van hun eigen wetenschap. Met andere woorden, het is de vraag of de werkelijke betekenis van het werk van Capra gezocht moet worden in de letterlijke inhoud van zijn beschouwingen over de oosterse mystiek.

1.3 rationele rechtspraak

Volgens mij wordt de belangstelling voor Capra's werk niet primair gevoed door nieuwsgierigheid naar de fysica, maar door parallellen met het eigen vakgebied. Hoe dat mogelijk is, is mij duidelijk geworden uit het contact dat ik had met Rein Peters, een officier van justitie die gegrepen zei te zijn door een lezing van Hilgevoord voor het Studium Generale in Nijmegen [G-H1]. Hilgevoords betoog over het feit dat waarnemer en waarneming niet van elkaar te scheiden zijn, sprak hem zo aan dat hij dat thema verwerkte in een kinderboek [A-P8]. In dit boek, dat ook uiterst leesbaar is voor volwassenen, gaat de kat Quantum met het meisje Lianne op zoek naar het land van de afgedankte dieren. Of dat land echt bestaat, weet niemand, maar zolang je er niet bent geweest, kun je het niet weten. Quantum is de kat die bij Schrödinger is weggelopen omdat deze fysicus het bekende gedachtenexperiment in de praktijk wilde brengen. Het hele boek is doordrenkt met grappige verwijzingen naar de quantummechanica en de relativiteitstheorie, zoals bij het slot van een twistgesprek met vleermuis Tridi over de vraag wat nu onder en boven is. "'Voor mij ben ik onder en jij boven', zuchtte Lianne. 'Nou ja, het hangt er misschien vanaf hoe je het bekijkt', zei Tridi geduldig. 'Precies', zei Quantum. 'De werkelijkheid hangt af van het standpunt van de waarnemer'....... 'Maar mijn standpunt is natuurlijk wel het meest voor de hand liggende', zei de vleermuis, kijkend naar Quantum. 'Neem nou de uitwerpselen'. Quantum liet zijn stuk brood los en keek vies naar boven. 'Die vallen omhoog, bij mij en bij jou', ging Tridi ernstig verder. 'Maar jij zit er dan middenin en ik niet. Het is toch onnatuurlijk om in je eigen poep te zitten?'" [A-P8, p. 70].

Het hele boek zinspeelt overduidelijk op de quantummechanica, en dat geldt ook voor de geciteerde passage. Maar de verwijzing naar de juridische praktijk tekent de sfeer van dit boek. Op het moment dat ik dit schrijf, is de wereld vol commotie over de vrijspraak van O.J. Simpson, en pas nu zie ik hoe sterk Peters naar de rechtspraktijk verwijst. Uit de publieke reacties ontstaat de indruk dat de huidskleur van de beoordelaar bepalend is voor de conclusie over de betrokkenheid van Simpson bij de hem ten laste gelegde moorden. Zwart Amerika zegt onschuldig, sterker nog, velen zeggen dat met 100% zekerheid, terwijl blank Amerika met dezelfde stelligheid overtuigd is van de schuld. Met andere woorden, de positie van de waarnemer blijkt niet losgezien te kunnen worden van de waarneming; ofwel, subject en object zijn niet onafhankelijk van elkaar.(1)

De uitslag van jury-uitspraken plaatst advocaten vaker voor verrassingen dan rechterlijke vonnissen. Maar dat betekent niet dat het Amerikaanse systeem slechter is dan het onze. Rechters zijn ook mensen, en worden derhalve evenzeer beïnvloed door de eigen opvoeding, politieke achtergrond, seksuele geaardheid, enzovoort, als zorgvuldig geselecteerde juryleden. Het feit dat jury's groter zijn dan rechtsprekende colleges in het Nederlandse systeem, zou de kans op vooringenomenheid wel eens kleiner kunnen maken in plaats van groter. Maar het gaat hier niet om de rechtspraak in het dagelijks leven, maar om de vraag of de veroordeling door fysici van Capra staande kan blijven.

1.4 oosterse oriëntatie

Doorman herhaalde de vaker gehoorde beschuldiging dat Capra nooit in oosterse landen is geweest, maar gaf toe zelf ook nooit in oosterse streken verkeerd te hebben. Hij beriep zich echter op schrijvers met grondige kennis van oosterse culturen en deze auteurs zouden een totaal ander beeld schetsen dan Capra doet. Vooral Frits Staal geeft volgens Doorman een goed beeld van het oosterse denken [A-S2]. Echter, wat is oosters denken? Waar in onze westerse samenleving cultuurfilosofen en theologen volkomen tegengestelde opvattingen kunnen laten horen, liggen meningsverschillen in oosterse samenlevingen evenzeer voor de hand. Over India wordt gezegd dat een bezoeker na een dag een behoorlijk goed beeld van dit land heeft, dat na een week over onderdelen iets steekhoudends valt te zeggen en dat na verblijf van een jaar geen zinnige algemene uitspraak mogelijk is.

Capra kan verweten worden dat hij zich niet heeft laten hinderen door gebrek aan kennis van de oosterse samenlevingen, maar Doorman begaat evenzeer een fout door Capra's beschouwingen over het taoïsme te ondergraven met tegenwerpingen die zijn ontleend aan de Veda, de oudste heilige hindoeïstische literatuur. Op mij komt dit over als een beschrijving van een vrijzinnige gemeenschap uit Nederland te weerleggen met overleveringen uit het Grieks-orthodoxe geloof. Met Capra's onwetendheid van oosterse samenlevingen zou het overigens ook nog wel eens mee kunnen vallen. Dat hij de plank niet volledig heeft misgeslagen, kan worden afgeleid uit de ontvangst bij een later bezoek aan India. Capra werd stormachtig onthaald en had een lang onderhoud met de toenmalige president, Indira Gandhi. Dat Capra een redelijke sfeertekening geeft van het oosterse denken concludeer ik ook uit reacties van mensen die vertrouwd zijn met oosterse culturen. Tijdens een symposium dat naar aanleiding van Capra werd georganiseerd, typeerde professor Ria Kloppenburg -- deskundige op het gebied van oosterse culturen maar tot aan het congres onbekend met Capra's werk -- het werk van Capra als meeslepend en niet in strijd met de geest van het oosterse denken [F-ISW2]. Sterker nog, Capra had het allemaal krachtiger kunnen beschrijven omdat hij niet de sterkste voorbeelden zou hebben gekozen. Met andere woorden, een betere kennis van oosterse religies had zijn betoog inhoudelijk kunnen versterken.

Opvallend veel grondleggers van de quantummechanica toonden belangstelling voor het oosterse denken. Aanhangers van Capra brengen vaak naar voren dat Niels Bohr het boeddhistische Yin-Yang symbool in zijn wapenschild opnam. Hieruit mag overigens niet worden geconcludeerd dat Bohr zich bij deze keuze heeft laten leiden door het gedachtengoed waar dit symbool mee verbonden is. De figuratieve aantrekkingskracht lijkt in elk geval minstens zo belangrijk geweest te zijn. Er zijn echter collega's van Bohr die veel eenduidiger sympathiseerden met oosterse mystiek. Vooral Erwin Schrödinger, de ontdekker van de naar hem genoemde centrale quantumvergelijking, werd tot het oosterse denken aangetrokken. Illustratief is bijvoorbeeld de titel van één van diens geschriften: Le Physique, mon Veda. Ook Albert Einstein keek welwillend naar het oosten. Capra kwam te laat om met deze fysici van gedachten te kunnen wisselen. Hij had wel een gesprek met Werner Heisenberg, de ontdekker van de naar hem genoemde onzekerheidsrelatie, één van de vreemdste formules uit de quantummechanica. Helaas kreeg hij geen tijd van leven om op Capra's boek te reageren; we moeten genoegen nemen met het verslag dat Capra zelf geeft van een gesprek met Heisenberg. Vooral de opmerking dat hij met Capra behoorde tot de fysici van een andere soort, heeft Capra naar eigen zeggen geïnspireerd om met de voorbereiding van zijn boek door te gaan [A-C2, p. 39].(2) Ook de filosoferende Heisenberg had de blik niet volledig van het oosten afgekeerd, zodat eigenlijk een eentonig beeld ontstaat. Bohr en Heisenberg, Schrödinger en Einstein, vier van de belangrijkste grondleggers van de quantummechanica met zeer uiteenlopende opvattingen over deze theorie, toonden allemaal op een of andere wijze sympathie voor het oosterse denken. Hiermee is natuurlijk niet gezegd dat de quantummechanica een wetenschappelijke basis vormt voor oosters denken, maar het maant wel tot voorzichtigheid om hedendaagse fysische pleitbezorgers van oosterse religies zonder vorm van proces aan de schandpaal te nagelen.

1.5 fysische feiten

Tot nu toe ging het vooral om de vraag hoe Capra omspringt met het oosterse gedachtengoed. Afgaande op het oordeel van kenners van oosterse religies is mijn indruk dat hij daar geen overtrokken eenzijdig beeld van schetst. Wat betreft zijn weergave van de fysische kant van de medaille mag je verwachten dat hij daar als natuurkundige een correcte beschrijving van geeft. Dat is in elk geval de conclusie van de bekende Amerikaanse deeltjesfysicus Leon Lederman in zijn autobiografisch getinte boek over de speurtocht naar de bouwstenen van het heelal [A-L2, p. 169]. Ik zou het zelf iets genuanceerder uitdrukken. Capra's schets van de natuurkunde is correct voorzover het onderdelen betreft die min of meer gemeengoed zijn, maar waar hij nog prille theorieën belicht, ontstaan problemen. Dat betreft vooral de bespreking van de zogenoemde schoenvetertheorie, een term die in de Nederlandse vertaling is ontleend aan het Engelse bootstrap, wat laarslus betekent. De woordkeus is ontsproten aan de legende over iemand die zich aan zijn eigen laarslussen uit het moeras trok, vergelijkbaar met de manier waarop Baron van Münchhausen zich aan zijn eigen haren omhoog tilde. Capra besteedt bijzonder veel aandacht aan de schoenvetertheorie die in de jaren zeventig werd beschouwd als een mogelijk gemeenschappelijk fundament voor de gehele natuurkunde. De schoenvetertheorie was destijds bijzonder speculatief en vormde zodoende per definitie een wankel fundament voor beschouwingen over relaties tussen fysica en oosterse mystiek. Capra maakt niet erg duidelijk wat de schoenvetertheorie inhoudt en de geschiedenis ontslaat mij van de noodzaak deze tekortkoming te herstellen. De door Capra bejubelde theorie heeft het namelijk al hoog en breed afgelegd tegen de quarks. Het wedden op verkeerde paarden is een veel voorkomende fout en met enige vergevingsgezindheid hoeven we Capra dat niet al te zwaar aan te rekenen. Maar het geduld begint op te raken als hij later in zijn biografie in herhaling valt en Heisenberg in de mond legt dat het quarkmodel geen hout snijdt. Ik ben geneigd te geloven dat Heisenberg die terughoudendheid tegenover Capra heeft uitgesproken, maar het is onwaarschijnlijk dat Heisenberg die opvatting ook nog verkondigd zou hebben toen Capra zijn biografie schreef. In die tijd was namelijk al veel experimenteel materiaal aangedragen dat wees op het feitelijk bestaan van quarks, terwijl de schoenveters tot op de draad waren versleten. Hoogstens kan ten gunste van Capra worden aangedragen dat de laatste jaren een nieuw bootstrapmodel op de voorgrond is getreden. Deze nieuwe variant duikt op bij het huidige streven naar een theory of everything, hetgeen niet betekent dat de huidige laarslussen minder speculatief zijn dan de schoenveters van Capra. Maar het zou te ver voeren om nu reeds het jachtterrein van Hawking naar de allesomvattende theorie uit te kammen.

Capra had zijn heil overigens helemaal niet hoeven te zoeken bij speculatieve nieuwe theorieën om steun te vinden voor een holistische natuurbeschouwing. Hij had gewoon naar de oude vertrouwde klassieke mechanica van Newton kunnen kijken. Volgens de wetten van Newton is alles in het heelal met elkaar verbonden via de zwaartekracht. De zwaartekracht houdt niet alleen de Aarde in een baan om de Zon, maar elke komeet en elk afzonderlijk atoom daarvan wordt door de zwaartekracht van ons zonnestelsel beïnvloed. Zelfs een willekeurig atoom in een verafgelegen sterrenstelsel voelt het effect van ons zonnestelsel. Maar niet alleen dat, elk atoom in ons zonnestelsel is met dat ver verwijderde atoom verbonden. In de klassieke mechanica regeert een actie-op-afstand die zorgt dat niets verandert zonder het totaal te wijzigen, hoe onmeetbaar klein die verandering ook moge zijn. Zowaar het holisme ten top.

Een eerste beschouwing vanuit de natuurkunde levert dus het beeld op dat Capra zich baseert op theorieën die inmiddels achterhaald zijn terwijl hij mogelijk bewijsmateriaal uit meer vertrouwde delen van de natuurkunde over het hoofd ziet. Het merkwaardige is dat veel fysici die ik kritiek over Capra heb horen uitspreken, deze aspecten onbelicht laten. Ook Lederman rept hier niet over in zijn populair wetenschappelijke verhandeling, hoewel het diens afkeer van Capra geloofwaardiger gemaakt zou hebben. Lederman baseert zijn kritiek op hetgeen Capra heeft gezegd over oosterse mystiek, terwijl dat nu bij uitstek het gedeelte van Capra's speelveld lijkt te zijn waar Lederman relatief weinig deskundigheid bezit. Veel fysici die Capra kritiseren lijken zodanig verstrikt in de lussen van de eigen vooroordelen, dat ze de eigenlijke scoringskansen, nota bene voor open doel, missen. Met die opgelegde kansen is het intellectuele doodvonnis voor Capra nog niet getekend. Omdat hij de eerste was die een populaire beschouwing over de quantummechanica schreef, mag niet te streng worden geoordeeld, zeker niet tegen de achtergrond dat hij aan de quantummechanica sterkere bewijslast had kunnen ontlenen. Om die ontlastende bewijsvoering te kunnen beoordelen, is enige verdieping nodig in de gespleten wereld van het quantum. Ik neem hierbij mijn toevlucht tot een sfeertekening zoals die in meer uitgebreide vorm is te vinden in de meeste populair wetenschappelijke beschouwingen over de quantummechanica, niet alleen in het werk van Capra en andere auteurs die flirten met oosterse religies, maar ook in meer 'neutrale' beschrijvingen, zoals in De Kosmische Code van Pagels [A-P1] of in de Teleac-uitgave Van Quantum tot Quark [B-H2].

1.6 gespleten getuigen

Stel een reiziger laat je watertanden van allerlei exotische dieren die hij heeft gezien. Je staat op het punt een reis te boeken als hij verslag doet van een vogel met vier poten. Het geloof in de wonderwereld is in een klap weggevaagd, want hoe kan iets zowel een vogel als een viervoeter zijn. De quantummechanica presenteert een vergelijkbaar sprookjesland als de globetrotter. In deze theorie kan iets bijvoorbeeld zowel golf als deeltje zijn, ondanks het feit dat de onderlinge verschillen tussen golven en deeltjes veel groter zijn dan die tussen vogels en zoogdieren. Deeltjes hebben één kenmerk gemeen, bij botsingen blijft er altijd iets over. Bij botsende golven is daarentegen wel een complete verdwijning mogelijk doordat twee golven elkaar kunnen uitdoven. Het feit dat iets èn golf èn deeltje zou kunnen zijn, was volgens Einstein te wijten aan een nog ontbrekende schakel. Zodra die gevonden zou worden, zouden de paradoxen uit de quantummechanica verdwijnen. Om zijn gelijk te bewijzen, bedacht Einstein ingenieuze gedachtenexperimenten. Beroemd zijn de voorbeelden waarbij licht door twee spleten schijnt. Als licht op één smalle spleet valt, wordt een achterliggend scherm egaal belicht terwijl twee spleten een patroon opleveren met lichte en donkere strepen. De lichtbundels die door de afzonderlijke spleten vallen, interfereren met elkaar en de wederzijdse uitdoving en versterking wordt in de natuurkunde gezien als het doorslaggevende bewijs voor een golfkarakter.

Einstein had aan het begin van deze eeuw echter aangetoond dat een lichtstraal is opgebouwd uit deeltjes, naderhand fotonen genoemd. Tegenspraak tussen golf- en deeltjeseigenschappen zou volgens Einstein naar voren komen bij lichtbundels met een uitzonderlijk lage intensiteit. Stel het geval dat lichtdeeltjes één voor één bij de spleet komen. Een afzonderlijk foton dat voor de ene spleet komt, kan niet 'weten' of er nog een tweede spleet is. Als het foton er toch geen weet van kan hebben, kan een eventuele tweede spleet net zo goed dicht blijven. Voor een geïsoleerd foton mag het dus niet uitmaken of er nog andere spleten zijn, zodat bij zeer lage lichtintensiteit het interferentiepatroon altijd zou moeten verdwijnen, ongeacht het aantal spleten. Echter, volgens de quantummechanica hangt de interferentie niet af van de lichtintensiteit. Het enige dat telt, is de golffunctie van het foton. En die bevat informatie over de totale experimentele opstelling, ongeacht de intensiteit van de lichtbundel. Zolang twee spleten open zijn, gaat het foton door beide spleten en interfereert het met zichzelf. Dat is echter in strijd met het ondeelbare karakter, en daarmee spreekt de quantummechanica zich zelf tegen. Deze theorie kan zodoende niet honderd procent volledig zijn, althans dat meende Einstein. Latere experimenten hebben echter uitgewezen dat bij individuele fotonen wel degelijk de tegenstrijdige golf- en deeltjeseigenschappen blijven bestaan. En dat geldt ook voor elektronen, zoals de figuur hiernaast laat zien.

Dat (ogenschijnlijk) tegenstrijdige eigenschappen samen kunnen gaan, valt voor een deel te verklaren uit het feit dat ons beeld van golven en deeltjes niet hoeft aan te sluiten bij de quantumwereld. Het is met andere woorden mogelijk dat we in de quantummechanica niet toe kunnen met de woorden golf en deeltje, net zomin als Eskimo's uit de voeten schijnen te kunnen met de termen sneeuw en ijs. Al naar gelang de specifieke configuraties van gekristalliseerd water hebben zij de beschikking over verschillende woorden en zo is het mogelijk dat in de quantumwereld aparte uitdrukkingen nodig zijn voor de verschillende uitingsvormen van golven en deeltjes. In plaats van deze veel gemaakte vergelijking met de Eskimo-taal zouden we ook naar het Nederlands kunnen kijken, dat is gezegend met relatief veel woorden voor ijs; zelfs voor niet-ijs bestaan uitdrukkingen. Waar de lezer zich misschien vertwijfeld afvraagt of hij een wetenschappelijke verhandeling voor zich heeft of dat eerder sprake is van een essay, het lijkt misschien allebei of juist geen van tweeën, zou naar een nieuw woord gezocht kunnen worden. Wetsay misschien? Bij golven en deeltjes is een dergelijke vraag al meermalen gerezen. Misschien zouden we moeten spreken van deelgo of dolfje. In het Engels wordt wel de term wavecle gebruikt, maar onovertroffen is het Duitse Weltchen. Behalve een samenvoeging van Welle en Teilchen suggereert dit woord ook een nieuwe betekenis, namelijk dat de quantummechanica een wereldje op zich is. Deze woordenspelletjes zijn nuttig om te benadrukken dat voorzichtigheid is geboden als vertrouwde begrippen in een andere context worden gebruikt. Niels Bohr ontwikkelde het beeld waarbij golven en deeltjes complementaire eigenschappen vormen die allebei nodig zijn. Het is in zekere zin te vergelijken met het lichaam en de geest bij de mens. Zonder lichaam is geen sprake van een mens en zonder geest verliest de mens datgene wat hem onderscheidt van andere schepsels. Het is mogelijk naar afzonderlijke lichamelijke of geestelijke eigenschappen te kijken, zoals in de quantummechanica golf- of deeltjeskenmerken gescheiden te bestuderen zijn. Voor een compleet beeld zijn beide soorten eigenschappen vereist, zoals de complementaire delen van de door Bohr gebruikte Yin-Yang figuur gelijktijdig nodig zijn om de volledige uitdrukkingskracht te bereiken.

Met een fraai symbool of een ingenieus woordenspel verdwijnen de paradoxen uiteraard niet uit de quantummechanica. Naast Einstein wezen ook andere fysici daar op, zoals Erwin Schrödinger die met de naar hem genoemde kat naar voren trad. Deze kat van Schrödinger zit in een afgesloten ruimte met een flesje gif waar een hamer boven hangt. Als die naar beneden valt, breekt het flesje en het vrijkomende gif zal de kat doden. De kans bedraagt vijftig procent dat dit is gebeurd, zodat de kans dat de kat dood is even groot is als de kans dat de kat levend wordt aangetroffen. Tot zover is er niets aan de hand. Maar het mechanisme dat het flesje breekt, gehoorzaamt de wetten van de quantummechanica, en dat verandert de zaak. De hamer kan twee verschillende posities innemen, blijven hangen en neervallen, en tot aan het moment van de meting gelden volgens de quantummechanica beide toestanden. Er is namelijk maar één golffunctie die beide mogelijkheden in zich bergt, net zoals het foton dat ondeelbaar is en desondanks door twee spleten gaat. Zolang de doos dicht blijft, is de hamer zowel naar beneden gevallen als op zijn plaats gebleven, met als gevolg dat de kat zowel dood als levend is. Pas bij het openen wordt een van beide posities aangenomen en is de kat ofwel dood ofwel levend. Daaruit volgt evenwel niet dat de waargenomen positie voordien ook al bestond. Met andere woorden, als de kat dood is, volgt daaruit niet de conclusie dat het beest daarvoor ook al dood was (tenzij iemand anders stiekem heeft gekeken, want dan zou reeds een meting zijn uitgevoerd).

1.7 foppende fotonen

Om aan te tonen dat de quantummechanica onvolledig is, hoeft maar één voorbeeld gegeven te worden waarbij deze theorie een verkeerde voorspelling doet. Steeds als Einstein er een gevonden meende te hebben, ontdekte Bohr een fout in diens redenering. Einstein wist echter van geen ophouden en zijn laatste gedachtenexperiment was een juweel. En juist die parel, die de fysica tot op de dag van vandaag in de greep houdt, heeft Capra over het hoofd gezien. Het betreft het gedachtenexperiment dat Einstein in 1935 samen met Podolsky en Rosen ontwikkelde en dat naar dit drietal als de Einstein-Podolsky-Rosen-situatie, beter bekend als de EPR-paradox, de geschiedenis is ingegaan. Hier volsta ik met een korte schets van de EPR-paradox; een aanvullende beschrijving is verwerkt in mijn persoonlijk portret (paragraaf 15.4). Mocht dat niet voldoende zijn om uw nieuwsgierigheid te bevredigen, dan kunt u terecht bij een groot aantal boeken over deze problematiek.(3)

De EPR-paradox is een gedachtenexperiment dat betrekking heeft op de onzekerheidsrelatie van Heisenberg die het onmogelijk maakt om van een quantumdeeltje gelijktijdig zowel plaats als impuls of snelheid te bepalen. Deze onzekerheidsrelatie vormt hèt symbool van de quantummechanica. In wiskundig vocabulaire heeft deze formule de volgende gedaante:

dx * dp > h

waarbij dx en dp de spreiding in plaats resp. impuls zijn en h de constante van Planck is. Van belang is dat h uiterst klein is, zodat alleen de allerkleinste deeltjes een merkbare invloed ondergaan van de onzekerheidsrelatie.

Om enig gevoel te krijgen voor de werking van de onzekerheidsrelatie kan een vergelijking met een oppervlak nuttig zijn. Een gebied van 1 hectare wordt bijvoorbeeld gevormd door een stuk land van honderd bij honderd meter, maar ook van tien bij duizend meter. Bij een gegeven oppervlak wordt de lengte tweemaal zo groot als de breedte halveert. Zo is het ook bij de onzekerheidsrelatie; hoe kleiner dx, dus hoe nauwkeuriger de plaats vaststaat, hoe groter dp, ofwel hoe minder over de impuls bekend is. In feite is dus sprake van een onkenbaarheidsrelatie. Het feit dat plaats en impuls niet tegelijk exact te bepalen zijn, heeft namelijk niets met een eventuele onnauwkeurigheid van de meetinstrumenten te maken. De wiskundige achtergrond van de onzekerheidsrelatie vloeit voort uit het feit dat xp niet gelijk is aan px; dxdp is namelijk het verschil tussen xp en px. Het lijkt er allemaal verdacht veel op dat in de quantummechanica 2x3 niet gelijk is aan 3x2. In sommige boeken staat dat zelfs met zoveel woorden, maar toch leveren deze vermenigvuldigingen in beide gevallen zes op, zoals op de basisschool wordt geleerd. Dat px niet gelijk is aan xp vindt zijn oorzaak in het feit dat de letters geen getallen voorstellen, zoals in de middelbare school wiskunde, maar handelingen. En waar in het dagelijks leven de volgorde van bepaalde handelingen niet ongestraft mag worden omgekeerd, is dat ook niet toegestaan in de quantummechanica. Wiskundig lijkt er dus geen vuiltje aan de lucht, iets wat vaak wordt benadrukt door fysici die menen dat de aandacht voor de onzekerheidsrelatie het beeld van hun exacte wetenschap besmeurt. Maar hoe logisch de wiskunde ook in elkaar steekt, het lost de dilemma's niet op zoals die in de EPR-paradox naar voren treden.

Toen het EPR-gedachtenexperiment werd gepubliceerd, gingen veel mensen aan de volledigheid van de quantummechanica twijfelen. Maar menselijke gedachten hebben in de natuurkunde nooit het laatste woord; dat is voor experimenten weggelegd. Aan de aanvankelijke EPR-constructie kleefde één levensgroot nadeel; het was zelfs theoretisch onmogelijk om alles in een echt experiment te toetsen. Via enkele tussenstappen zijn anderen er in geslaagd een vergelijkbare EPR-situatie te creëren die wel in het laboratorium valt te onderzoeken. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de zogenoemde spin, een magnetische eigenschap die twee aan elkaar tegengestelde waarden kan aannemen. Als een deeltje zonder spin uiteenvalt in twee deeltjes die wel een spin bezitten, moet de spinrichting van de nieuwe deeltjes tegengesteld zijn. Stel nu dat het oorspronkelijke deeltje zich halverwege Brussel en Amsterdam bevindt en dat de nieuwe deeltjes in deze steden worden geregistreerd. Als de meting in Brussel een deeltje met spin-omhoog registreert, is op datzelfde moment duidelijk dat de spin van het deeltje in Amsterdam omlaag is gericht. Tot zover is er niets aan de hand, maar welke conclusie moet worden getrokken over de spin vlak voor de meting? Volgens de quantummechanica geldt tot het moment van de meting de golffunctie die voor beide deeltjes zowel de mogelijkheid van spin-omhoog als spin-omlaag toelaat. Pas bij de meting wordt een spinrichting aangenomen, maar Einstein meende dat in het genoemde voorbeeld de spin van het 'Amsterdamse deeltje' omlaag moet hebben gestaan vanaf het moment dat het werd gevormd. Hij achtte het ondenkbaar dat het deeltje in Brussel ten tijde van de meting een signaal naar Amsterdam zendt waardoor het deeltje daar een spin in neerwaartse richting krijgt. Voor deze telepathische contacten zag Einstein geen ruimte binnen de natuurkunde, en dus zou iets aan de quantummechanica moeten ontbreken.

Het laatste obstakel op weg naar experimentele toetsing werd in 1964 uit de weg geruimd door John Bell. De werkwijze van Bell was naar wiskundige maatstaven betrekkelijk eenvoudig, maar een nadere uitleg zou ons toch teveel op een zijspoor zetten. Bovendien is de werkwijze van Bell in veel populair wetenschappelijke boeken over de quantummechanica beschreven. Bell hoopte dat de experimenten Einstein in het gelijk zouden stellen, maar toen Alain Aspect en zijn medewerkers het experiment in 1982 uitvoerden, trok de quantummechanica aan het langste eind.

In latere drukken maakte Capra melding van dit experiment dat zijn opvattingen zou ondersteunen. Immers, aangezien Einstein ongelijk kreeg, zou in de quantumwereld de door hem geschetste EPR-situatie moeten gelden waarbij waarnemer, waarneming en waargenomene onlosmakelijk met elkaar verbonden zouden moeten zijn. Een sterkere schets van de verwevenheid tussen subject en object lijkt vrijwel ondenkbaar. Geen enkel experiment heeft tot nu onvolkomenheden in de quantumtheorie kunnen traceren, zodat het er steeds meer op begint te lijken dat de voorgeschotelde sprookjeswereld van de quantummechanica de werkelijkheid is op atomaire schaal. Als het betoog van Capra vanuit natuurkundige optiek hout snijdt, moet zijn gelijk worden gezocht bij de EPR-situaties. Maar de vraag rijst -- en dat is tevens de laatste vraag die van belang is voor een definitief oordeel over Capra -- welke betekenis de kabouterwereld van het atoom heeft voor onze eigen belevingswereld. Wie van een exotische reis terugkomt met foto's van vliegende viervoeters, zal veel beroering wekken. Maar natuurkundigen kunnen hun speurtocht door de microkosmos niet omlijsten met kleurige vakantiedia's. Er zijn weliswaar indrukwekkende opnames gemaakt van allerlei elementaire deeltjes die in zogenoemde bellenvaten dampsporen achterlaten, maar dat vormt net zo min een direct bewijs als sporen van straaljagers het bestaan van vliegtuigen aantonen. Tegenwoordig worden met behulp van de tunnel-microscoop opnames gemaakt van kristaloppervlakken. Hierbij worden de contouren van individuele atomen afgebeeld, maar ook hier betreft het een interpretatie van de metingen. Goed beschouwd komen fysici niet verder dan grafische voorstellingen van de berekeningen aan atoommodellen die door henzelf zijn ontworpen. En daarbij rijst de vraag welke relatie er bestaat tussen model en werkelijkheid.

1.8 schaduwrijke signalen

Een beroemd schilderij van René Magritte bevat de tekst Ceci n'est pas une pipe. Deze zin staat onder een nauwkeurig geschilderde pijp. Het lijkt een bizarre opmerking, en toch heeft de kunstenaar gelijk. We zien immers een afbeelding en geen echte pijp. Het is meer dan een woordenspel. Magritte maakt duidelijk dat er een verschil bestaat tussen de afbeelding en het eigenlijke voorwerp. In de oudheid had Plato de grotmetafoor opgevoerd; grotbewoners die met de rug naar de uitgang gekeerd genoegen moeten nemen met schaduwbeelden op de wand. Dat wij daadwerkelijk kampen met vertekende beelden, dat we dingen zien die er niet zijn, blijkt onder andere uit kunstwerken van Plato's tijdgenoten die paarden met wenkbrauwen tekenden. De afwijking van het huidige beeld van paarden is echter niet zo groot dat we de getekende dieren niet kunnen thuisbrengen. Maar naarmate een cultuur verder afwijkt van de onze, kan classificatie wel moeilijk worden, zoals een archeoloog ondervond die prehistorische grottekeningen onderzocht. Pas toen hij zich bewust werd van het verschil tussen beeld en werkelijkheid wist hij dat hij van doen had met tekeningen van bekende dieren, gemaakt door mensen die met volstrekt andere ogen naar het dierenrijk kijken dan wij doen. De archeoloog had een andere bril opgezet nadat hij kennis had genomen van het werk van Gombrich. Deze Britse kunsthistoricus illustreert op indringende wijze hoezeer we last hebben van een cultureel gekleurde bril. Niet alleen in de prehistorie, maar ook in de moderne tijd, zoals blijkt als kunstenaars uit verschillende samenlevingen een schilderij maken van hetzelfde landschap. Ook als een natuurgetrouwe weergave wordt nagestreefd, is vaak in een oogopslag te zien of het betrokken werk door bijvoorbeeld een Europeaan of een Chinees is geschilderd [A-G2]. Voor een zo 'objectief' mogelijk beeld van de werkelijkheid zijn modellen vaak handig. Voor het tekenen van een mens is het bijvoorbeeld nuttig te weten dat bij gestrekte armen de afstand tussen de vingertoppen van de linker- en rechterhand overeenkomt met de lichaamslengte. Maar hoeveel baat een schilder ook moge hebben bij modelmatige hulpmiddelen, het kan niet tippen aan het succes dat natuurkundigen daarmee hebben geboekt. De fysische modellen stemmen vaak zo goed overeen met experimenten, dat de indruk ontstaat dat model en werkelijkheid identiek zijn. Tot in de quantummechanica ineens problemen opduiken. De wiskundige modellen stemmen nog steeds voortreffelijk overeen met de experimenten, maar daarmee is nog geen vertaling gemaakt naar alledaagse beelden. Het atoom lijkt op een zonnestelsel in het klein, met de kern als zon en de elektronen als ronddraaiende planeten. Maar wat moet je met dit beeld als voor elektronen gangbare begrippen als plaats en snelheid hun betekenis verliezen, als het ondeelbare elektron op meerdere plaatsen tegelijk kan zijn?

Onze ogen en vooral onze hersenen zijn blijkbaar niet toegesneden om een beeld te ontwerpen van de bizarre wereld van het atoom. Het is dan ook niet verwonderlijk dat sommige fysici bij het interpreteren van de quantumwereld terugvallen op de schaduwbeelden van Plato. Maar waar Plato de wiskunde als de eigenlijke werkelijkheid zag, beschouwen verschillende fysici de mathematische modellen van de natuurkunde juist als de schaduwbeelden. Schrödinger zag in dat laatste schaduwbesef zelfs de grootste vooruitgang die de natuurkunde deze eeuw heeft gemaakt, groter dan de inhoudelijke vooruitgang die met de quantummechanica en de relativiteitstheorie is geboekt. Het schaduwkarakter is er volgens Schrödinger altijd geweest, maar we waren ons daar niet van bewust; we dachten dat we met de wereld zelf van doen hadden [D-W2]. Dit standpunt van Schrödinger is erg extreem en doet de natuurkunde in zekere zin onrecht. De betrouwbaarheid van de modellen is zo groot, dat een ruimtevaartuig bij wijze van spreken tot op de centimeter nauwkeurig op de Maan of een planeet kan worden neergezet. Ook buiten de natuurkunde wordt met modellen gewerkt en sinds de intrede van de computer gebeurt dat op steeds grotere schaal. Vaak rijst daarbij de vraag of het gebruikte model wel een goede afspiegeling vormt van de werkelijkheid. Dat economen en econometristen berekeningen uitvoeren over de ontwikkeling van het financieringstekort of de werkloosheid, lijkt geen bezwaar. Maar als volksvertegenwoordigers het effect van een 'koopkrachtplaatje' op het financieringstekort bij wijze van spreken tot op twee decimalen nauwkeurig doorrekenen, krijgt het model een status die het niet kan waarmaken. Politici zijn echter niet de enigen die zich laten misleiden door modellen. Wat bijvoorbeeld te denken van het gebruik van modellen voor de koersontwikkeling van aandelen als apen en dobbelstenen een beter beleggingsresultaat behalen dan duur betaalde specialisten? Ondanks de vaak uiterst magere resultaten, zeker bezien vanuit natuurkundige optiek, blijven zelfs veel wetenschappers vasthouden aan hun geliefkoosde modellen, zoals in de loop van dit boek nog nader wordt toegelicht (zie met name hoofdstuk 9 en 22). Tegen de achtergrond van dit geloof in modellen kunnen waarschuwingen als die van Schrödinger eigenlijk niet scherp genoeg zijn.

Schrödinger beperkt de reikwijdte van de natuurkundige modellen nog verder als hij de fysica met geloof vergelijkt. Hij waarschuwde in elk geval scherp tegen inhoudelijke verbanden tussen fysica en religie. Hij benadrukte dat de natuurkunde van de alledaagse waarneming uitgaat en dat het werkelijke domein van religie ver buiten bereik van wetenschappelijke verklaringen ligt. Schrödinger lijkt dus welhaast de laatste te zijn om religieuze voorkeuren te onderbouwen met fysische inzichten. Daarmee verschilt hij hemelsbreed van Capra, die immers aan de natuurkundige modellen bewijskracht ontleent om zijn voorliefde voor oosterse opvattingen gewicht te geven. Capra maakt de natuurkunde zodoende bovengeschikt aan religie en bedrijft daarmee in feite sciëntisme. Waar dat toe kan leiden, heeft hij zelf in niet mis te verstane bewoordingen uiteengezet waar hij de onderdrukking in en door de Eerste Wereld aan de kaak stelt. Dat hij zoveel levensbeschouwelijke waarde hecht aan de quantummechanica lijkt ingegeven door de eigen maatschappelijke en religieuze opvattingen. De geschiedenis van het westerse denken bevat legio voorbeelden waarin dat ook is gebeurd, en meestal kwam men daarbij van een koude kermis thuis.

1.9 aangehouden aanklacht

Zo langzamerhand heeft de achtvoudige knoop zich opgelost. De eerste twee lussen hebben betrekking op Capra's motieven, die niet materieel maar ideëel zijn. Hoewel geen deskundige, lijkt hij een goede sfeer te schetsen van de oosterse culturen. Bovendien wordt zijn voorliefde voor het oosterse denken gedeeld door belangrijke ontdekkers van de quantummechanica. Daarmee zijn vier knopen verwijderd zonder dat belastend materiaal naar voren is gekomen. Veel tegenstanders van Capra komen niet verder dan dit punt, hetgeen betekent dat zij op onjuiste gronden tot een veroordeling komen. De vijfde en zesde lus hadden zij om Capra kunnen samentrekken, waar hij zich baseert op een inmiddels achterhaalde theorie en blind blijft voor holistische trekken van de klassieke mechanica. Door de ontrafeling van de zevende lus, de EPR-experimenten, werd zoveel materiaal aangedragen dat tot voordeel van Capra strekt, dat de twee voorgaande knopen alsnog losspringen. Maar uiteindelijk raakt Capra toch verstrikt in de achtste lus, en wel zodanig dat een veroordeling in het verschiet ligt. Capra maakt namelijk niet duidelijk op welke gronden het gerechtvaardigd is om natuurkundige inzichten te gebruiken voor conclusies op religieus gebied.

Capra kan worden verweten dat hij twee werelden met elkaar in verband brengt zonder de verbinding van deugdelijke argumentatie te voorzien. Je zou ook kunnen zeggen dat hij een tweedimensionaal fysisch-filosofisch vlak opbouwt met behulp van ondeugdelijke assen. Voordat een publieke veroordeling mogelijk is, is het van belang na te gaan of de aanklagers wel een consistent beleid voeren en of zij zelf vrijuit gaan. Niet dat ik zou willen eisen dat alleen mensen zonder zonden een steen mogen werpen. Maar het is ook niet gerechtvaardigd als de stenengooiers Capra zouden veroordelen voor de splinters in diens ogen en eventuele balken in de eigen ogen over het hoofd zien. In dat geval moet de terechtstelling acuut worden afgelast. Om op deze vragen een antwoord te krijgen, moet allereerst worden nagegaan hoe de fysische gemeenschap andere auteurs bejegent die de grens overschrijden tussen natuurkunde en levensbeschouwing. Die speurtocht staat in het volgende hoofdstuk centraal. Maar eerst wil ik de positie van Doorman even apart beschouwen.

Aan de hand van Doormans betoog heb ik in dit hoofdstuk de discussie binnen de fysische gemeenschap in ogenschouw genomen. Vrijspraak van Capra zou tot de conclusie kunnen leiden dat Doorman zelf niet helemaal vrijuit gaat bij de betreding van het grensvlak tussen verschillende wetenschapsgebieden. Die conclusie zou ik persoonlijk niet graag trekken; als we op voorhand elk gestrompel over de drempel tussen disciplines zouden afkeuren, worden gedurfde vernieuwingen in de kiem gesmoord. Juist die durf bij het overschrijden van drempels siert Doorman; hij heeft bijgedragen tot vernieuwingen op het raakvlak van cultuur, wetenschap en samenleving. Tijdens zijn voorzitterschap van de VPRO konden eigenzinnige kunstenaars als Wim T. Schippers zich voor een groot publiek ontplooien. Doormans eigen voordrachten zijn vaak ook niet geheel vrij van provocatie, zoals mij bleek tijdens een Studium Generale [G-D1]. Steunend op het eerder aangehaalde werk van Frits Staal [A-S2] had Doorman twijfel gezaaid onder de sympathisanten van Capra. En twijfel zaaien lijkt mij een effectieve manier om mensen aan te zetten tot zelfstandige meningsvorming. Helaas had Doorman voor de toegestroomde Nederlandse natuurkundigen zijn recalcitrante karakter thuis gelaten; nu vormde zijn afkeer van Capra een preek voor eigen parochie. Ik neem aan dat Doorman de argumenten op grond waarvan veel fysici gruwen van Capra en andere populariseerders evenzeer naar de prullenmand wil verwijzen als het betoog van Capra. De bekende fysicus Gerard 't Hooft spreekt onder impliciete verwijzing naar Capra over mensen die zich "wenden tot de oosterse mystiek om door middel van meditatie en navelstaren tot diepere inzichten in het mysterie van de quantummechanica te geraken" [A-H9, p. 27] Ten tijde van zijn voordracht had 't Hooft deze formulering nog niet aan het papier toevertrouwd, maar in die geest wordt al veel langer vanuit de fysische wereld tegen de oosterse denkwereld aangekeken. Ik kan mij niet voorstellen dat Doorman met deze typeringen instemt.

De achterflap van het door Doorman geciteerde boek van Staal bevat onder andere het volgende fragment uit een recensie: "...een verzameling essays waarop in de pers met felle aanvallen en enthousiaste verdediging werd gereageerd. Een teken dat er iets interessants met dat boek aan de hand is" [A-S2]. Verguisd en vereerd, dat geldt zowel voor Staal als voor Capra. Maar dat is niet de enige overeenkomst. Beiden zijn opgeleid in de wis- en natuurkunde. Beide westerlingen vragen aandacht voor het oosterse denken en beiden komen daarbij tot opvallende conclusies. Wat betreft Staal vat Harry Mulisch dat in het voorwoord samen: "In ruwe trekken komt het er op neer dat alles wat bij ons rationeel-exact en bèta is, zoals de wis- en natuurkunde, daarginds een vage alfa-status heeft; maar wat bij ons alfa is of zelfs helemaal niet bestaat, zoals de grammatica en de wetenschap van het ritueel, is daar bèta" [A-S2, p.9]. Dat hier slaat op het westen en het daar op India, maar Mulisch merkt op dat het ook voor Japan lijkt te gelden, waar zelfs thee zetten en bloemen schikken wetenschappelijk zijn.

Heeft Staal gelijk en Capra ongelijk? Of omgekeerd? Vast staat dat beiden heftige reacties hebben opgeroepen, en daarmee hebben zij bijgedragen tot een verdieping van de wetenschappelijke discussie. Grote dwalingen kunnen leiden tot de vernieuwing binnen de wetenschap. We moeten zuinig zijn op tegendraadse talenten, of ze nu Capra, Doorman of Staal heten. Vanuit die optiek had Capra al halverwege dit hoofdstuk vrijgesproken kunnen worden.

Noten

1. Bij de laatste afwerking van de tekst heerste commotie over de beslissing van het Belgische Hof van Cassatie om onderzoeksrechter Connerotte van de zaak-Dutroux te halen. Connerotte had een vulpen aangenomen en een bord spaghetti gegeten tijdens een bijeenkomst voor slachtoffers en nabestaanden van de weerzinwekkende uitwassen van kinderporno. Hiermee zou de onderzoeksrechter de schijn van partijdigheid op zich geladen hebben. In Nederland zou Connerotte volgens verschillende rechters ook van de strafzaak zijn gehaald: "Je moet als rechter nu eenmaal heel afstandelijk doen" kreeg voormalig advocaat-generaal Leijten van de Hoge Raad door de Volkskrant in de mond gelegd [E-Vk4]. De vraag dringt zich echter op of afstandelijkheid in de praktijk wel zo goed mogelijk is. Is ons rechtssysteem nog wel bij de tijd als we de scheiding tussen subject en object moeten doorvoeren tot het extreem van de Belgische 'spaghetti-uitspraak'?

2. Capra stelt dat de geschriften van Heisenberg, in het bijzonder Physics and Philosophy hem bewogen hebben tot zijn onderzoek naar de beperkingen van het Cartesiaanse wereldbeeld [A-C2. p. 18].

3. Een voor leken zeer toegankelijke beschrijving is te vinden in De dansende Woe-Li Meesters [A-Z2]. Voor een diepgaandere beschouwing verwijs ik naar de hoofdstukken van mijzelf en van Dennis Dieks in de Teleac bundel Van Quantum tot Quark.[ B-H2].