EPILOOG: Punaises Poetsen


de passages tussen [..] zijn literatuurverwijzingen.

In de proloog werd aangekondigd dat voorbeeldgewijs onderzocht zou worden of en in hoeverre wetenschap eendimensionaal is. De voorbeelden werden vergeleken met spijkers. Als de voorbeelden u niet aanspreken of als u het allemaal te ver gezocht vindt, zult u constateren dat is gezocht naar spijkers op laag water. Geldt dat voor alle spijkers? Dan bent u het ongetwijfeld niet eens met de centrale stelling van dit boek dat wetenschap (te) eendimensionaal is gericht. U zult wellicht willen spreken van punaises poetsen in de betekenis van het verwijt van oud-minister Gruijters aan een muggeziftende parlementaire enquètecommissie.
Uiteraard heb ik bij het punaises poetsen iets anders in gedachten; punaises zijn spijkers die je met de duim kunt bevestigen; het zijn hanteerbare vlakken met een punt en symboliseren daarmee breedheid en diepgang. Die combinatie zouden we hoog in het vaandel moeten zetten. Niet in de zin dat we de geschetste tekortkomingen in theoretisch opzicht nader zouden moeten verkennen. Zo'n poging tot een synthese wil ik in elk geval niet doen. Als u dat onbevredigend vindt, wat let u? Wellicht kunt u daarbij de genoemde voorbeelden aanvullen, tegenspreken, of anderszins verrijken. Ik ga de weg van de theoretisering niet op, mede omdat ik er de zin niet voldoende van inzie. Of beter gezegd, er zijn sociologische (of wat voor al die niet ogische studies van de wetenschap dan ook) in overvloed, althans meer dan ze in de praktijk aan verandering teweeg brengen. Zoals is opgemerkt, heeft Kuhn veel zinvols over de ontwikkeling van de wetenschap gezegd. En dat geldt ook voor Latour, en wellicht ook voor veel andere wetenschapsfilosofen en -sociologen die niet aan bod kwamen. Een van de grootste problemen lijkt mij dat degenen die in de voetsporen van deze meesters treden, zich weinig moeite getroosten om de ontwikkelde theorieën in een breder perspectief te toetsen. Te veel wetenschappers vormen een soort fanclub die binnen eigen kring de geschriften van de grote voorgangers aan exegeses onderwerpen. Deze wetenschappers doen mij denken aan dr. Nobel Preis uit Sesamstraat die in de beslotenheid van zijn eigen laboratorium de meest ingenieuze ontdekkingen doet. In zijn geval betreft het uitvindingen die reeds lang als gebruiksvoorwerpen bekend zijn, zoals de tingeltafel die bij onthulling een piano blijkt te zijn. Wie niet naar buiten kijkt, loopt het gevaar om zich net als dr. Preis van de relevante werkelijkheid af te zonderen. Aangezien buiten het eigen laboratorium zoveel kennis en kunde liggen opgeslagen, valt er op veel wetenschapsgebieden nog veel te leren. Dat is de conclusie die uit dit boek voortvloeit. Wat waar te leren valt, is niet het belangrijkste; het gaat om de bereidheid om iets te leren van mensen uit andere disciplines en uit andere beroepssituaties. Zij weten weliswaar minder van het eigen vakgebied, maar het gaat niet in de eerste plaats om verdieping van de kennis binnen de dimensie van het eigen vakgebied maar om een verkenning van het meerdimensionale totaal.
De neiging om waarheden te zoeken binnen de vierkante millimeters van het eigen vak- gebied vormt in mijn optiek steeds minder de uitdaging waar de academische wetenschap thans voor staat. Vanuit die optiek zie ik mij ontslagen van de taak om zelf naar diepgravende oplossingen te zoeken voor de in dit boek gestelde problemen. De oplossing moet worden gezocht in methoden om te komen tot een grotere samenwerking tussen mensen die binnen verschillende segmenten van het onderzoek werkzaam zijn. De oplossing moet niet alleen worden gezocht bij de bewustmaking van de betrokken onderzoekers; ik ben er althans van overtuigd geraakt dat de belangrijkste oorzaken van de eendimensionale beoefening van de wetenschap in het huidige systeem liggen. Om de wereld te veranderen, zijn niet zozeer verdergaande analyses nodig alswel aanknopingspunten waarmee de managers, politici en dergelijke iets kunnen.
Geen woorden maar daden! Het wordt tijd om spijkers met koppen te slaan. Of, om minder pretentieus te zijn, kleine prikken uit te delen. Zoeken naar oplossingen, dat is de poetstaak, veeleer dan elk voorbeeld via een academische analyse op te poetsen. Bij dat poetsen gaat het om aanbevelingen, hetgeen iets totaal anders is dan het bedrijven van wetenschap. Uiteraard heb ik zelf over mogelijke verbeteringen nagedacht en een deel daarvan is ook op verschillende plaatsen in de tekst verwerkt. Maar voor echte veran- deringen is meer nodig dan een aantal suggesties van een enkel individu die bovendien aan de rand van de wetenschap staat. Om toch een aanzet tot verbetering te geven, vat ik de voorgaande hoofdstukken samen in een twaalf doorkijkjes in het eendimensionele wetenschapsland; de eerste tien vloeien min of meer rechtstreeks voort uit de analyses in voorgaande hoofdstukken terwijl de laatste twee vanuit de in dit boek gepresenteerde waarnemingen reflecteren op recente ontwikkelingen binnen de Nederlandse onderzoekswereld.

dozijn dimensies

1. Aanvankelijk ging het om dimensies van verschillende wetenschapsgebieden; om de eendimensionale opsluiting binnen de door C.P. Snow geschetste wetenschappelijke culturen. Tegenwoordig proberen verschillende wetenschappers die kloof over te steken, maar te vaak wordt daarbij geen degelijk begaanbare overbrugging aangelegd. Te vaak is de sprong zo groot dat de betrokken wetenschappers dermate ver buiten de dimensie van de eigen discipline treden dat in het andere vakgebied geen houvast gevonden wordt; ze maken een step out en negeren daarbij de diepgang in andere vakgebieden. En breedheid zonder diepte vormt een oppervlakte zonder inhoud. Vaak is dat erger dan de opsluiting in de diepte van het eigen specialisme. De oplossing zou gezocht kunnen worden in samenwerking: twee weten meer dan een. Daarvoor moeten deskundigen aan de overzijde van de eigen discipline echter wel als gelijkwaardig worden beschouwd. Twee weten meer dan een. Dit betekent ook respect wat betreft andervaks gebrek aan diepgang in de eigen discipline.

2. Naast grenzen tussen disciplines blijken in veel vakgebieden ook scherpe scheidslijnen te lopen tussen verschillende soorten onderzoek, zoals tussen fundamentele en toepas- singsgerichte specialismen. Voor een belangrijk deel houden deze scheidslijnen verband met de karakters van de personen die binnen de betrokken deelspecialismen werkzaam zijn. Ontdekkers van fundamentele natuurwetten zijn vaak andersoortige mensen dan degenen die iets uitvinden. De uitvinder op zijn beurt heeft vaak weer een andere karakter dan degene die deze kennis tot ontwikkeling brengt via produkten of processen. Dit betekent niet dat de kloven tussen verschillende gebieden niet overbrugd kunnen worden. Wellicht nog sterker dan bij de scheiding tussen de disciplines geldt dat de sleutel tot de oplossing tenminste voor een deel in het samenwerken ligt. Dus ook hier geldt dat twee meer weten dan een.

3. Voor samenwerking lijkt de veelal individualistisch ingestelde westerling van nature minder getraind te zijn dan de meer collectief ingestelde Aziaat. Daarbij komt dat een gemeenschappelijk kenmerk van veel Aziatische culturen lijkt te zijn dat men meer op de praktijk is gericht; het gaat er om dat iets werkt terwijl de op wetenschappelijke theorievorming ingestelde westerling eerst precies wil weten hoe iets werkt. Het zal weinig nut hebben om de verschillen tussen oosterse en westerse landen te overbruggen door elk op dezelfde wijze te gaan werken; daarvoor zijn de onderlinge culturen te diep geworteld. Maar net als bij de voorgaande kloven kan wel bij elkaar inspiratie worden opgedaan; men kan van elkaar leren en daarbij wederzijds voordeel behalen. Zo bezien geldt ook hier dat twee meer weten dan een.

4. Wetenschap is mensenwerk, maar de menselijke factor blijkt door academische weten- schappers sterk onderschat te worden; zij leggen eenzijdig de nadruk op de inhoud van de kennis. Deze vierde vorm van eendimensionaliteit leidt er toe dat te weinig profijt wordt getrokken van de inhoudelijke vernieuwing die kan uitgaan van mensen die hun loopbaan buiten hun oorspronkelijk vakgebied voortzetten. Door geen rekening te houden met de leeftijdsafhankelijke prestatievermogens wordt het totaal aan kennispotentieel onvoldoen- de benut en verliezen te veel onderzoekers voor het eind van hun arbeidzame leven hun creatieve vermogen tot grensverleggende kennisontwikkeling. Variatie over twee of meer gebieden is hier het devies.

5. In de beschouwingen kwam de economie naar voren als de wetenschap waar de een- dimensionaliteit sterk op de voorgrond treedt. Veel economen voeren berekeningen uit die op gespannen voet staan met een beschouwing van de dagelijkse praktijk. Als rekenen is en beschouwen , laat de economie zien dat de scheiding tussen en niet (of niet alleen) inhoudelijk is bepaald. Het gaat om twee werelden, die van de berekenaars en die van de beschouwers. Die groepen samenbrengen, is misschien wel de grootste opgave.

6. De eendimensionale opsluiting binnen (een deel van) de economie is extra bezwaarlijk omdat de miljarden verslindende uitgaven ten behoeve innovatie mede op basis van economische analyses worden gekanaliseerd. De macro-economische cijfermeesters van innovatie hebben vooral oog voor R&D-cijfers. Aangezien R&D hoofdzakelijk een industriële aangelegenheid is, blijft de dienstensector buiten beeld. Daarmee negeren veel innovatie-economen juist die sector die in toenemende mate de motor lijkt te vormen van de economie in hoogontwikkelde landen. Door eenzijdig naar de R&D-kant van innovatie te kijken, negeren zij bovendien het belang van scholing. Deze eendimensionale focus op onderzoek doordrenkt in feite de gehele kennisinfrastructuur, inclusief de universiteiten.

7. Door de focus op onderzoek te richten, verdwijnt het universitaire onderwijs naar de ach- tergrond, terwijl op dat gebied toch de primaire taak van de universiteiten ligt. Bij de opleiding van studenten wordt onevenredig veel nadruk gelegd op de eigen (universitaire) behoefte aan toekomstige onderzoekers; van propaedeuse tot toponderzoeker. Hiermee verliezen universiteiten de totale behoefte van de samenleving aan hoger opgeleiden uit het oog. Die blindheid is de zevende vorm van eendimensionaliteit.

8. De rol van de universiteiten als opleidingsinstituut is de laatste decennia verder op de voorgrond getreden doordat ook veel mensen die van oudsher de kost met hun 'handen' moesten verdienen, thans levenslang moeten leren. Om voor die education permanente een solide basis te leggen, bestormen steeds meer jongeren de poorten van het hoger onderwijs. Om in de hiermee samenhangende behoefte aan praktijkgerichte scholing te voorzien, is het meer dan ooit nodig dat in het universitaire onderwijs een combinatie van kennen en kunnen tot stand wordt gebracht. Veel wetenschappers leven echter nog sterk in het verleden, toen het hoger onderwijs nog voor weinigen was; toen een kleine groep de universiteit zocht als studiehuis en als voorbereiding op een latere beroepspraktijk. In die verleden tijd viel veel te ontdekken en was kennis nog macht. Die tijd van een eendimensionale oriëntatie op kennisverwerving in de hoofden is echter voorbij; de veranderende maatschappelijke functie van de universiteit vereist in toenemende mate een combinatie van hoofd- én handenarbeid.

9. Op inhoudelijk gebied blijken veel westerse wetenschappers een onstuitbare drang te hebben naar lineaire modellen waarmee exacte berekeningen zijn uit te voeren. In de praktijk spelen terugkoppelingsfactoren een belangrijke rol; die zorgen er voor dat voorspelbare lineaire ontwikkelingen hoogstens als uitzonderingen interessant zijn. Door de niet-lineariteit van die zogenoemde dynamische processen te negeren, handelen de betrokken wetenschappers in meerdere opzichten onverantwoord eendimensionaal.

10. Als we het niet goed doen, doe het dan beter. Over het algemeen kan het geen kwaad om mensen voor die uitdaging te plaatsen. Het is tenslotte weinig zinvol om de beste stuurlui aan wal te laten staan. Het probleem is echter dat het aandragen van oplossingen andere vaardigheden vereist dan het analyseren van een probleem. Dit verschil heeft te maken met verschillen in het werk van een onderzoeker en een ontwikkelaar. De fout die veel wetenschappers maken, is dat ze zich te snel laten verleiden tot aanbevelingen. Dat is de tiende vorm van eendimensionaliteit, een vorm die samenhangt met de eerst genoemde, waarbij wetenschappers over de grenzen van de eigen discipline trekken door op het andere terrein als een amateur pogingen te doen vakspecialisten met jarenlange ervaring naar de kroon te steken. Als het omgekeerde gebeurt, als politici en andere 'buitenstaanders' uitspraken doen over wetenschap, is Leiden echter in last.

11. Wat betreft de academische wetenschap kan op basis van dit boek niet worden gesteld dat de gehele wetenschap eendimensionaal is. Niet zozeer omdat er meer- dimensionale uitzonderingen zijn, maar vooral omdat niet de gehele wetenschap is beschouwd maar slechts een klein aantal disciplines, en daarvan ook nog slechts enkele deelterreinen. Toch lijkt het geschetste beeld breder te gelden dan alleen voor de beschouwde deelgebieden. Die conclusie dringt zich bijvoorbeeld op bij het aanschouwen van de voorstellen die de KNAW en het Rathenau Instituut presenteerden onder de noemer 'wetenschap en ethiek'. Mede op voorspraak van de landelijke politiek deden deze instellingen een oproep om met voorstellen te komen voor activiteiten op het gebied van wetenschap en ethiek. Deze oproep leverde in totaal ruim zestig voorstellen op waarvan de zes meest belovende op 13 november 1996 werden gepresenteerd op een symposium [F-KNAW]. Voor tenminste de helft van gepresenteerde voorstellen geldt echter dat ze hoogstens ten dele betrekking hebben op 'wetenschap en ethiek'; niet zozeer omdat ze geen ethische dimensies hebben alswel omdat de thematiek niet primair op wetenschap is gericht. Zeer expliciet geldt dat voor het voorstel 'ethiek en literatuur' van professor Varga. De titel zegt in feite al voldoende; het voorstel gaat niet over literatuurwetenschap maar over het object van dat vakgebied. "Opvallend is dat juist die boeken geliefd zijn die gaan over extreme situaties die we in ons eigen leven liever ontlopen", concludeerde Varga, om zich vervolgens af te vragen welke invloed de literatuur op de mens uitoefent. Dat lijkt mij een wezenlijke vraag voor de literatuurwetenschap. Echter, als die vraag niet of onvoldoende aan bod komt, duidt dat op een eendimensionale tekortkoming van de betrokken wetenschappers. Zij kijken in dat geval immers alleen of te eenzijdig door de bril van de auteur en vergeten de betrokken literatuur vanuit de optiek van de lezer te beschouwen. Ook professor 't Hart trad met zijn voorstel 'strafrecht en ethiek' buiten het domein van de wetenschap. Hij sprak over ethiek in relatie tot de rol van het Openbaar Ministerie en het optreden van politie; voor beide groepen zou een beroepsethiek nodig zijn. Het betreft uiteraard beroepsgroepen met veel academisch geschoolde juristen, maar daarmee zijn het nog geen wetenschappers. Als de rechtspraak en de rechtshandhaving in het gedrang komen 't Hart wees in zijn mondelinge toelichting met name op de uitwassen die in België en Italië op de voorgrond treden horen de daarmee verbonden problemen hoge prioriteit te krijgen van juridische wetenschappers; zij zijn ingehuurd om het functioneren van het recht te onderzoeken. Dat is geen kwestie van ethiek, althans niet voor de betrokken wetenschappers, maar van deugdelijk werk afleveren. Het feit dat de knelpunten binnen het rechtssysteem onder de noemer van 'wetenschap en ethiek' worden gepresenteerd, wekt op zijn minst de indruk dat de juridische wetenschappers het recht te eendimensionaal vanuit de bestaande regels beschouwen.

12. Met de voorgaande samenvatting heb ik niet het gehele wetenschappelijke veld recht gedaan. In feite is dat ook reeds aangegeven; de toevoeging 'westers' impliceert dat het in het oosten anders kan liggen. En dat lijkt ook daadwerkelijk het geval te zijn. De toevoeging 'academisch' impliceert dat de situatie in de bedrijfs- research anders kan liggen. En in de praktijk lijkt dat ook daadwerkelijk anders te liggen. In het bedrijfsleven zijn onderzoekers sterker multidisciplinair gericht dan het geval is binnen de universiteiten. Dat wordt voor een belangrijk deel in de hand gewerkt door de dwang om het onderzoek uiteindelijk uit te laten monden in bruik- bare produkten en processen. Voor veel bedrijfsonderzoekers is individuele vrijheid echter niet minder belangrijk dan voor universitaire onderzoekers. Het is de kunst van het management om de dwang van de markt niet ten koste te laten gaan van de broodnodige creativiteit van de individuele onderzoeker.
Vroeger werd het management van R&D aan de onderzoekers zelf overgela- ten. Het (hogere) management vervulde in deze eerste generatie van R&D-management geen sturende rol; men ging er van uit dat uit de R&D altijd wel iets goeds kwam. In feite verkeren de meeste universiteiten nog steeds in die eerste fase; decanen zijn bijvoorbeeld onderzoekers die hun leidinggevende taken tijdelijk vervullen. Binnen het bedrijfsleven is de rol van het management gaandeweg sterker geworden; er wordt aan loopbaanplanning gedaan waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen bijvoorbeeld wetenschappelijke en leidinggevende kwaliteiten. De mobiliteit van onderzoekers speelt een belangrijke rol, ook de beweeglijkheid tussen verschillende specialismen. Thans wordt wel gesproken van de vierde generatie R&D-management; hierbij gaat het om technologie-arsenaal management, hetgeen impliceert dat men niet alle benodigde kennis in eigen huis moet ontwikkelen maar vooral de ogen en oren de kost moet geven om bestaande kennis en expertise af te kijken of in te kopen.
Het feit dat de bedrijfsonderzoekers minder wereldvreemd te werk gaan dan hun universitaire collega's kan niet los worden gezien van het verschil in de rol van het management. Niet dat de universiteiten de concepten van de vierde generatie R&D-management zouden kunnen kopiëren. Maar er zou wel van geleerd kunnen worden. De bestaande regels werken dat echter niet in de hand. De wetgever geeft bijvoorbeeld nog steeds belangrijke aanwijzingen voor de inrichting van de univer- siteiten, zoals de opdeling in faculteiten. Hiermee wordt een drempel opgeworpen voor samenwerking van mensen over de facultaire (discipline) grenzen heen. Niet dat dergelijke samenwerking verboden is, maar gezien de op de eigen discipline gerichte oriëntatie van de huidige generatie academische wetenschappers zijn juist prikkels nodig voor discipline-overstijgende samenwerking. Het is echter niet alleen de wetgever die de onderzoekers stimuleert tot monodisciplinair werken. De visitaties die de VSNU uitvoert, worden per discipline georganiseerd, met als gevolg dat multidisciplinaire initiatieven, zoals een gemeenschappelijke -propaedeuse in Utrecht, snel te licht worden bevonden.



Wat is de samenhang tussen de verschillende vormen van eendimensionale opsluiting? Zolang de waarheid louter binnen het eigen specialisme wordt gezocht, komt bij mij een spreuk naar voren die ik las op een suikerzakje in een Zwitserse universiteitskantine: "Statistik ist eine Lüge die nur aus kleine Wahrheiten besteht". Als variant op die spreuk zou je kunnen zeggen dat de academische wetenschap als geheel een leugen is die bestaat uit louter kleine discipline-waarheden. Je zou het zelfs nog sterker kunnen formuleren; bij kleine, eendimensionaal afgeschermde wetenschappelijke feiten gaat het vaak niet eens om waarheden, zoals de beschouwingen over de statistieken van macro-economen over innovatie lieten zien. In die gevallen gaat de spreuk op van Keynes: "It is better to be roughly right than precisely wrong" [E-Econ2]. Om te voorkomen dat deze stelling tot wereldvreemde ongecijferdheid leidt, is een meerdimensionale wetenschap nodig. Het grote probleem is echter dat het zeer moeilijk lijkt te zijn om kwantitatieve en kwalitatieve beschouwingen in de praktijk te combineren. De ene groep slaat aan het rekenen en de andere aan het denken. De rekenaars lijken aan de winnende hand, zoals de ontwikkelingen in de economie illustreren. Deze tak van wetenschap is in de -schoot ontstaan Adam Smith was eerst en vooral filosoof en dat geldt tot op grote hoogte ook voor Karl Marx en John Maynard Keynes maar tegenwoordig is het accent verlegd van beschouwing naar berekening. Wat is het verschil nog tussen econometrie, wiskunde en theoretische natuurkunde? Met de intrede van de computer lijkt het niet ondenkbaar dat andere disciplines in de - en -richtingen het voorbeeld van de economie zullen volgen. Als de economie ons duidelijk maakt dat die brug nodig is en een proefterrein wordt voor het construeren van die brug, bewijst deze wetenschap zijn economisch nut. Zelfs dubbel en dwars.

De meest wezenlijke kloven binnen de academische wetenschap lijken dus betrekking te hebben of het verschil tussen kennen en kunnen, tussen kwalitatieve en kwantitatieve benaderingen, tussen berekenen en beschouwen. De theoloog kan niet rekenen en de techneut bedrijft geen beschouwende wetenschap. Deze typering lijkt dicht in de buurt te komen van de schets die C.P. Snow gaf. Dit betekent niet dat de voorbeelden die in dit boek de revue passeerden nodeloos waren. Ze maken duidelijk dat de scheiding tussen de wetenschappelijke culturen veel ernstiger is dan de onwetendheid van elkaars grensverleggende ontdekkingen waar Snow de nadruk op legt.

Waar een wil is, is een weg. De vraag is of de wil sterk genoeg is. Dat geldt zowel voor de wetenschappelijke onderzoekers als voor de verantwoordelijke managers en beleidsmakers. Als dit boek bijdraagt aan het bewustzijn dat meer dimensionale veranderingen noodzakelijk zijn binnen de westerse academische wereld, althans zeker die in Nederland, ben ik een zeer tevreden mens.

Naar de samenvatting

Naar de stellingen

Naar de inhoudsopgave

Berichten in de pers

Bestelling

Naar de hoofdpagina over eendimensionale wetenschap