Noten

1. Bij de laatste afwerking van de tekst heerste commotie over de beslissing van het Belgische Hof van Cassatie om onderzoeksrechter Connerotte van de zaak-Dutroux te halen. Connerotte had een vulpen aangenomen en een bord spaghetti gegeten tijdens een bijeenkomst voor slachtoffers en nabestaanden van de weerzinwekkende uitwassen van kinderporno. Hiermee zou de onderzoeksrechter de schijn van partijdigheid op zich geladen hebben. In Nederland zou Connerotte volgens verschillende rechters ook van de strafzaak zijn gehaald: "Je moet als rechter nu eenmaal heel afstandelijk doen" kreeg voormalig advocaat-generaal Leijten van de Hoge Raad door de Volkskrant in de mond gelegd [E-Vk4]. De vraag dringt zich echter op of afstandelijkheid in de praktijk wel zo goed mogelijk is. Is ons rechtssysteem nog wel bij de tijd als we de scheiding tussen subject en object moeten doorvoeren tot het extreem van de Belgische 'spaghetti-uitspraak'?

2. Capra stelt dat de geschriften van Heisenberg, in het bijzonder Physics and Philosophy hem bewogen hebben tot zijn onderzoek naar de beperkingen van het Cartesiaanse wereldbeeld [A-C2. p. 18].

3. Een voor leken zeer toegankelijke beschrijving is te vinden in De dansende Woe-Li Meesters [A-Z2]. Voor een diepgaandere beschouwing verwijs ik naar de hoofdstukken van mijzelf en van Dennis Dieks in de Teleac bundel Van Quantum tot Quark.[ B-H2].

4. Een belangrijk deel van De nieuwe geest van de keizen heeft betrekking op kunstmatige intelligentie. Hierin keert Penrose zicht (terecht) tegen schrijvers als Hofstadter die een zeer strenge definitie van het begrip intelligentie hanteren, en zodoende tot de conclusie komen dat machines nooit zullen kunnen denken. (Zie bijvoorbeeld De Spiegel van de Ziel, een boek dat Hofstadter samen met Dennet schreef en redigeerde [A-H7]). Penrose gebruikt een minder mens-gecentreerde omschrijving en komt daardoor tot een minder stellige afwijzing van de mogelijkheid tot kunstmatige intelligentie. Helaas vergt de analyse van de Turingtest en daar op voortbouwende verhandelingen zo veel doorzettingsvermogen van de lezer, dat velen niet toe zullen komen aan de veel interessantere bespiegelingen over serieel rekenen en parallel denken en de daaruit volgende conclusie dat de hersenen geen digitale computer vormen.

5. Dat bij de leerstoel van Hilgevoord/Dieks inderdaad sprake lijkt te zijn van internationale top zou afgeleid kunnen worden uit het verslag van de AWT-conferentie Keuzes maken waar de betrokken vakgroep als voorbeeld werd aangehaald bij de discussie over top-onderzoek: "In Utrecht worden bijvoorbeeld met een 'pareltjesbeleid' kleine maar internationaal goed aangeschreven vakgebieden, zoals het natuurkundige grondslagenonderzoek, voor afkalving behoed". Deze typering maakt overigens ook duidelijk dat de bescherming van hogerhand nog steeds nodig is voor het voortbestaan van dit vakgebied. Reactie op het Wetenschapbudget 1997 [C-AWT7].

6. Geciteerd in Poeh en de filosofen van John Tyerman Williams [A-T3].

7. Mattheus 25:14-30 en Lucas 19:11-27.

8. Op internet is de discussie volledig te volgen. Een van de meest interessante is misschien wel die van de redactie van het gewraakte tijdschrift (URL:http://www.nyu.edu/pubs/socialtext/sokal.html). De reactie betreurt het achteraf het artikel geplaatst te hebben. Bij de beslissing over plaatsing zouden ook verschillende leden van de redactie vraagtekens hebben gezet bij het artikel, bijvoorbeeld omdat het artikel van Sokal vanuit sociaal wetenschappelijke optiek volstrekt niet nieuw was. Dat toch tot plaatsing werd overgegaan houdt verband met het feit dat het een natuurwetenschapper was op die oude thematiek reageerde. De redactie zag het als een oprechte poging van een professionele natuurwetenschapper om vanuit de postmodernistische filosofie enige vorm van bevestiging te zoeken voor ontwikkelingen op zijn eigen vakgebied.

9. Een neveneffect van Engelstalig onderwijs kan zijn dat de aantrekkingskracht op buitenlandse studenten toeneemt. Veel Europese bedrijven die in de opkomende Aziatische landen opereren, zien in de uit het westen terugkerende Aziatische studenten een belangrijke functie weggelegd om de cultuurkloof met de Aziatische vestigingslanden te overbruggen.

10. De term onbenulligheid is de titel van het zesde hoofdstuk, die in het Engels on number numbness heet. Aanvankelijk leken de vertalers (Eugène Dabekaussen, Barbara de Lange en Tilly Maters) die term onbenummerdheid gedoopt te hebben, een term die nog in de inhoudsopgave prijkt.

11. De term lineair staat niet alleen voor vergelijkingen die in het normale assenstelsel een grafiek met een rechte lijn opleveren. Ook kwadratische logaritmische, exponentiële, enzovoort, vergelijkingen, zijn met de term lineair te vangen. Door de schaalverdeling goed te kiezen, kan de vergelijking ook daadwerkelijk een rechte lijn opleveren of een anderszins vloeiende kromme; de voorspelbaarheid verschilt in dergelijke vergelijkingen niet van de 'echte' lineaire vergelijking.

12. Ten tijde van een arbeidsconflict werd de New York Times door de redactie op de gebruikelijke wijze samengesteld maar niet gedrukt. Dit betekende bijvoorbeeld dat kranteartikelen over wetenschappelijk onderzoek de lezers niet bereikten. Onderzoek dat de aandacht van journalisten trok, bleek in de wetenschappelijke literatuur niet vaker geciteerd te worden dan onderzoek dat aan hun aandacht was ontsnapt. Maar bespreking in de gedrukte edities leidt wel tot meer citaties in de wetenschappelijke literatuur. Het enkele feit van een journalistieke beschouwing heeft dus een positief effect op de citation-index.

13. Naar het zich thans laat aanzien lijkt er sprake te zijn van fluctuaties die verband kunnen houden met massaverdeling tijdens het prille heelal. Die conclusie trok de Leidse sterrenkundige Katgert, maar toen waren de COBE-gegeven al vier jaar oud. De aard van de donkere en zichtbare materie zou tot op grote hoogte aan de hand van de COBE-gegevens vastgesteld zal kunnen worden. Hoe, dat zou nog niet goed duidelijk zijn; daarvoor zouden volgens Katgert nog veel analyses nodig zijn. Bron: De gloed van de oerknal, D-K2].

14. Deze schets gaf Lederman in de outline voor The God Particle:"Who would spend $ 4.4 billion on the 'Boson Buster?'. Even though that's what it is." In het uiteindelijke boek, Het goddelijk deeltje, heb ik deze opmerking niet teruggevonden, maar de verslaggeving van zijn eigen betrokkenheid bij de voorbereiding van de superbotser roept dezelfde sfeer op. Illustratief is de vervaardiging van de video om president Reagan een positieve beslissing te ontlokken. [A-L2, p. 325].

15. In 1996 lijken Amerikaanse natuurwetenschappers een nieuw richtsnoer gevonden te hebben; het bericht dat een van Mars afkomstige meteoriet sporen van eencellig leven bevat, lijkt een basis te bieden voor extra financiële ondersteuning.

16. Drees verwijst naar een Gallup-onderzoek uit november 1991. Van de ondervraagden geloofde 47% in het scheppingsverhaal naar de letter van de bijbel, 40% had een religieus wereldbeeld dat ruimte bood voor de evolutieleer en slechts 9% geloofde in een evolutieproces zonder goddelijke regie

17. Vergelijk ook paragraaf 3.9 over de fantasierijke feitenbouwers. In columns presenteren wetenschappers ongecontroleerde feiten op een wijze die ze binnen het eigen vakgebied niet van de eigen studenten zouden tolereren.

18. De kenschets van Michelson is ontleend aan een voordracht van Gerard 't Hooft [G-H2].

19. Deze iteraties zijn eenvoudig op de computer uit te voeren, bijvoorbeeld door in een spreadsheet in cel 1 de omvang van de beginpopulatie te typen en in cel 2 de formule. Door die formule te kopiëren naar de onderliggende velden, zie je meteen de omvang van opeenvolgende generaties. Bij r=2 is zeer snel het evenwicht van x= 0,5 bereikt. Bij r= 3 is voor een beginpopulatie van x = 0,125 al snel de evenwichtsstand van 0,67 bereikt, maar voor hogere startpopulaties zijn er twee waarden die slechts zeer langzaam naar elkaar toegroeien; bij een start van x = 0,4 vinden we na 10 stappen achtereenvolgens de waarden 0,62 en 0,71 en na 30 stappen 0,63 en 0,70. Bij r = 3,5 is echter al zeer snel sprake van evenwicht, zij het dat vier verschillende waarden van x elkaar afwisselen: 0,500; 0,875;0,383;0,827;0,500;0,875; enzovoort.

20. Inmiddels verschenen onder de titel Het einde van de zekerheden. Tijd. chaos en de natuurwetten.

21. Zelfs de prognoses op deze gebieden --  waar lineaire modellen nog redelijk bruikbaar zijn -- moeten met de nodige voorzichtigheid worden betracht. Neem het eenvoudige feit van het aantal inwoners in Nederland. In haar troonrede van 1996 zei koningin Beatrix dat Nederland in 2015 achttien miljoen inwoners zal tellen. Dit getal hadden de tekstschrijvers ontleend aan een verouderd groeiscenario van het CBS dat uitkwam op 18,1 miljoen inwoners. Volgens nieuwe prognoses zou Nederland volgens het CBS omstreeks 2030 het maximum van 17,4 miljoen inwoners bereiken [E-Vk3].

22. De in paragraaf 10.6 aangehaalde sterke retorica van Latour bouwt in veel opzichten voort op het paradigma van Kuhn. Bij Kuhn is het een min of meer neutrale observatie, terwijl bij Latour een beschuldigende ondertoon te beluisteren valt; het zijn de feitenbouwers en niet waarheidzoekers die werken aan de sterke retorica. In tegenstelling tot Latour richt Kuhn zijn beschouwingen niet op de technologie, zodat hij ook niet in de val trapt om ontdekkende, uitvindende en ontwikkelende onderzoekers op een hoop te gooien.

23. Dit citaat wijkt enigszins af van de vertaling in de Nederlandse editie die ik hier minder gelukkig vind.

24. Een vergelijkbaar pleidooi valt vanuit grote industriële ondernemingen te beluisteren die wijzen op het belang van fundamenteel onderzoek aan de universiteiten. Dat belang vloeit echter niet alleen voort uit de behoefte aan nieuwe wetenschappelijke inzichten die op langere termijn een basis kunnen leggen voor nieuwe economische activiteiten; fundamenteel onderzoek is vooral van belang met het oog op de kwaliteit van afgestudeerden.

25. Deze tekst werd geschreven voordat in de Haagse regio het idee werd ontwikkeld voor een TGV -- inmiddels HSL gedoopt -- station onder het Prins Clausplein.

26. In Frankrijk gold dat voor Yves Farge, werkzaam bij Pichiney en voorzitter van de IRDAC (Industrial R&D Advisory Comittee of the EU) die lang in het universitaire onderzoek heeft gewerkt en voorzitter was van de CNRS, het Franse NWO. In Zwitserland was de wetenschappelijke en industriële achtergrond te vinden bij Hansjürg Mey, als hoogleraar naar ASCOM vetrokken en nu weer deeltijdhoogleraar aan de universiteit van Bern. In Denemarken gold dat voor Ulrik Lassen, gepensioneerd vice-president R&D van Novo Nordisk A.S. en voordien hoogleraar. De omgekeerde weg was in Duitsland bewandeld door Wilfried König, vanuit de industrie benoemd als een van de vier hoogleraar-directeuren van de afdeling werktuig- en machinebouw van de technische universiteit in Aken.

27. Dit is een vuistregel, die niet als wetmatigheid is bedoeld. Dus was het niet vreemd dat tijdens een werkbezoek aan Océ van der Grinten een lichtelijk afwijkende verhouding naar voren kwam vanwege het iets lagere aantal ontwikkelaars. Daarop doorgevraagd bleek een gedeelte van de ontwikkelaars buiten Océ te werken; als die werden meegeteld bleek de 'formule' precies te kloppen. Volgens de vuistregel zou ongeveer 7,5% aan basic research besteed worden, hetgeen opmerkelijk dicht licht bij het officieel gehanteerde aandeel van 6% voor de VS.[E-OSP]

28. De hier gebuikte terminologie is ontleend aan de CBS-indeling; de A-wetenschappen omvatten globaal genomen de a- en g-disciplines.

29. Interessant is de omschrijving die de astrofysicus en aankomend kunstenaar Vincent Icke geeft van het verschil tussen kunstenaar en wetenschapper [D-I1]. "Voor mij is juist het verschil tussen kunst en wetenschap mijn drijfveer. In het werk dat ik als aankomend kunstenaar probeer te maken gaat het dan over het enorme verschil tussen wat ik weet en wat ik voel. Ik heb hier een bak warm water staan. Ik weet vrij veel over thermodynamica en dergelijke, dus ik kan uitrekenen wat er allemaal gebeurt met de moleculen. En toch, als ik mijn hand in dat water steek is de gewaarwording een heel andere dan wat er in mijn hoofd gebeurt als ik denk aan de Boltzmann-vergelijking. Dat kon contrast is voor mij een heel fundamenteel emotioneel contrast. En daar probeer ik mee in het reine te komen. Mijns inziens hebben kunst en wetenschap dus niet zo heel veel gemeen".

30. Een nadere beschrijving van dit effect laat ik hier achterwege. In vrijwel alle populair wetenschappelijke boeken over de quantummechanica wordt dat nader beschreven. Voor een beschrijving die in het verlengde ligt van de middelbare-school-natuurkunde verwijs ik naar Licht: golven of deeltjes? [D-S8]

31. Het aantal Nobelprijswinnaars dat een instelling claimt, lijkt overigens niet eenduidig vast te stellen. Mag de ETH-Zürich de Nobelprijs van Einstein op haar eigen erelijst zetten? Dan mogen dat ook nog enkele andere instellingen, en dergelijke meervoudige claims zijn bij meerdere laureaten mogelijk.

32. Voor een nadere argumentatie verwijs ik naar het eerder genoemde AWT-advies [C-AWT5]. De conclusie over de meerwaarde van de promotie is mede ontleend aan De meerwaarde van een promotie [B-N1].

33. In dit artikel wordt verder geconstateerd: "In short, PhD.s are finding jobs, but they are finding nonacademic jobs more easily than they are finding academic research positions. Graduate students who anticipate traditional academic-style research jobs find themselves in positions for wich they have not been prepared. Many are feeling the pain of unmet expectations".

34. Er van uitgaande dat het onderzoeksbudget dat de universiteiten uit de eerste geldstroom ontvangen primair bestemd is voor de opleiding van mensen, kost een promotie gemiddeld zo'n miljoen gulden [C-AWT1].

35. Eigen berekening op basis van Adreslijst Universiteiten 1994.

36. Tegenwoordig vindt de Nederlandse uitdrukking speur- en ontwikkelingswerk steeds meer ingang, maar de daarbij horende afkorting S&O vind ik minder herkenbaar; hiervoor zal ik het Engelse R&D (Research and Development) gebruiken.

37. De eenzijdige focus op R&D gold in elk geval voor de regeringsnota's tot medio 1996. In het Wetenschapsbudget 1997 is het belang van R&D sterk gerelativeerd [C-OCW, p. 10]] "De R&D-uitgaven zijn internationaal de meest gebruikte indicator voor investeringen in kennis. Deze indicator voldoet echter steeds minder, omdat de uitgaven binnen een kennisintensieve samenleving beschreven kunnen worden aan de hand van drie gebieden; onderwijs (het aanleren van kennis), kennisontwikkeling of kennisaankoop, en kennisoverdracht." In de nota wordt overigens nog weinig met die conclusie gedaan aangezien over het totaal van immateriële investeringen binnen de OESO nog geen overeenstemming bestaat over een eenduidige definitie. Een becijfering voor Nederland leert dat de R&D-uitgaven momenteel iets minder dan eenvijfde van de totale immateriële investeringen beslaan.

38. Per 1 januari 1996 bestaat de WBSO formeel niet meer. De regeling is sindsdien opgenomen in de Wet afdrachtvermindering loonbelasting en premie voor de Volksverzekeringen. In de praktijk blijft de naam WBSO echter voortbestaan.

39. In het Wetenschapsbudget 1997 wordt opgemerkt dat investeringen in wetenschappelijk onderzoek een gemiddelde economische 'rate of return' hebben van 20 tot 30% [C-OCW, p.45].

40. Deze passage schreef ik na de editie 1995 van de Tour de France. In 1996 slaan de commentatoren een andere toon aan na drie Nederlandse etappe-overwinningen en nog meer andere podiumplaatsen. Raar toch; één etappe-overwinning is slecht, drie is luxe.

41. De gegevens in tabel 1 zijn ontleend aan The 1992 UK R&D Scoreboard [C-CR] aangevuld met gegevens van Business Week, 28 juni 1993.

42. Gegevens ontleend aan de bijdrage van dr. F.I.M. van Haaren, toenmalig R&D-directeur van AKZO. Opgenomen in collegedictaat van Beckers [B-B1].

43. Bij de Zwitserse cijfers gaat het om de waarde van de export, maar aangezien 80% van de produktie wordt geëxporteerd, kunnen de verschillen met de andere cijfers niet groot zijn.

44. Misschien hebben we wel de pech gezegend te zijn met een relatief gunstige geografische ligging en een grote aardgasbel. Die voordelen kunnen aanleiding geven tot luiheid, zelfgenoegzaamheid en dergelijke. Het feit dat het grondstof-arme Tunesië het economisch beter lijkt te doen dan de met aardgas en -olie gezegende buurlanden, zou daar ook een indicatie voor kunnen zijn. Maar met relatieve hoogte van R&D-uitgaven heeft die beschouwing weinig raakvlakken.

45. De helft van de Nederlandse R&D-top-40 wordt bezet door dochters van moederbedrijven met een buitenlands hoofdkantoor; Philips/AT&T (6e), Duhpar/Solvay (7), HSA/Thomson (12), Dow Chemical (17), Ericsson (19 en 25), SKF (20), enzovoort. Gegevens zijn ontleend aan Bert Minne [B-M3.; overzicht is ook opgenomen in [B-D1] en [C-AWT3].

46. De gegevens hebben betrekking op 1992 en zijn ontleend aan de STIU database van mei 1994. De percentages zijn inclusief uitgaven voor defensie.

47. Gegevens over de R&D-uitgaven zijn ontleend aan de EZ-studies over de R&D-top in Zwitserland en Zweden; Corporate R&D, Switserland Report [C-IBB] en Corporate R&D in Sweden [C-Carta]. De cijfers over Nederland zijn ontleend aan Stemming 2 [C-MERIT2].

48. Voor de helft van de Amerikaanse staten ligt het R&D-percentage boven 2%. Van de staten met een 'BBP' boven 200 miljard US dollar hebben Californië (3,7%) en Pennsylvania (3,1%) relatief hoge R&D-uitgaven terwijl Texas (1,7%) en Florida (1,5%) relatief laag scoren op de R&D-ladder. Massachusetts (5,8%), Maryland (5,5%) en Michigan (4,7%) zijn middelgrote staten ('BBP" van 100-200 miljard US dollar) met hoge R&D-percentages terwijl Georgia (1%) Tennessee (1,1%) en Wisconsin (1,5%) relatief laag scoren. [C-NSF, p. 339].

49. Figuur is ontleend aan AWT-advies nr. 16 [C-AWT4, p. 50). De gegevens over de relatieve omvang van sectoren zijn ontleend aan Stemming 1 [C-MERIT1].

50. In Stemming 3 is MERIT overigens ook overgestapt op een relatieve schaal [C- MERIT3]. Daarbij worden meer factoren dan alleen R&D meegenomen. Ook in deze schets overheerst de achterstand doordat er relatief veel sectoren zijn waarin de R&D in Nederland beneden het gemiddelde in die sector ligt. De weinige sectoren waarin Nederland relatief veel aan R&D doet, zijn overigens wel de grootste. Ze omvatten de helft van de Nederlandse industrie. Met andere woorden, in de helft van de industrie doen Nederlandse bedrijven relatief veel aan R&D en in de andere helft wordt relatief weinig aan R&D uitgegeven.

51. Singapore 45%, Japan 28%, Hongkong en Zuid-Korea 24%, Taiwan 21%, VS 19%, het Verenigd Koninkrijk 15%, Duitsland 9% en Italië 6%.

52. Het eerder aangehaalde onderzoek van Kleinknecht vormt een eerste poging aan deze omissie tegemoet te komen [B-K2]. In dit onderzoek ontbreekt overigens de relatie tussen innovatie en winstgevendheid, zodat het geen geschikt materiaal is voor een analyse over de werkelijke betekenis van R&D en innovatie voor het MKB..

53. In 1996 deed zich een vergelijkbare situatie voor bij Fokker. Hier maakte de pers overigens wel melding van de onverwacht snelle herplaatsing van een groot deel van het ontslagen personeel.

54. In 1996 zijn de zwartgallige geluiden over de economie verstomd. Hiervoor in de plaats trokken optimistische beschouwingen de aandacht, ook in internationale tijdschriften. The Dutch make it look easy kopte Business Week vlak na de presentatie van de miljoenennota door het paarse kabinet [E-BW3]. Deze positieve wending is vooral een verrassing voor degenen die met een sterk vooringenomen R&D-blik naar de Nederlandse economie keken.

55. Veel studies maken vergelijkingen van de prestaties van afzonderlijke landen op het gebied van patenten. De betrouwbaarheid daarvan is echter zeer beperkt omdat veel bedrijven de nationaliteit van de aanvrager bepalen op grond van strategische overwegingen. Dit heeft tot gevolg dat het betrokken patent dikwijls niet op naam van de werkelijke uitvinder staat. Bij de betalingsbalans voor kennisuitwisseling lijkt de betrouwbaarheid van de statistieken nog kleiner; in de kennishandel is het verschil vaak belangrijker dan de opgevoerde waarde; het kan voordelig zijn om de waarde aan beide zijden met een bepaald bedrag te verhogen of te verlagen, zolang de werkelijke betalingen maar niet veranderen (11-10 = 1011-1010). Vergelijk ook paragraaf 22.6.

56. De industrie omvat ook de bouwnijverheid, zodat de omvang redelijk overeenkomt met die in Nederland. Het aantal verschillen in de afbakening tussen verschillende dienstensectoren lijkt soms even groot als het aantal studies over de dienstensector. Dit maakt een onderlinge vergelijking tussen de situatie in verschillende landen tot een hachelijke onderneming. Een deel van het probleem wordt overigens veroorzaakt door de mate waarin deze sector is geprivatiseerd, zoals het onderwijs en de gezondheidszorg. Een groot gedeelte van de niet-commerciële dienstverlening uit het Nederlandse overzicht is in de Amerikaanse tabel opgenomen in de informatie-gerelateerde diensten.

57. Het in paragraaf 18.4 gememoreerde verschil tussen de Duitse deelstaten wat betreft het inkomen per hoofd van de bevolking roept de vraag op in hoeverre Duitsland nog baat heeft bij een relatief grote industrie. Van de Westduitse staten voeren de twee 'havenstaten' Hamburg en Bremen de lijst aan en zijn de 'industriestaten' de hekkesluiters; in Hamburg is de economische welvaart ongeveer twee maal zo hoog als in Noordrijn Westfalen, Baden Würtenberg en Rijnland Paltz.

58. In de Japanse landbouw werkt ruim 9% van de beroepsbevolking terwijl deze sector nauwelijks 1% van de toegevoegde waarde genereert. De verhouding werkgelegenheid-toegevoegde waarde is 8,4. Voor België is die verhouding 7,5, voor Duitsland 5,9. Voor Nederland bedraagt die verhouding 3,8 en voor de VS is dat 3.1. Gegevens ontleend aan [D-K10].

59. In het wetenschapsbudget 1997 wordt aangekondigd dat Nederland wil proberen dat de OESO in de toekomst bij de internationale vergelijkingen met meer factoren rekening houdt dan alleen de R&D. [C-OCW, p. 10]. Vergelijk paragraaf 17.1.

60. Zowel Rinnooy Kan als de EZ-nota ontlenen hun gegeven aan gegevens van Buck Consultants International uit 1995 [C-Buck2]. In eerdere publicaties van Buck komt een zelfde profiel van buitenlandse investeringen naar voren.

61. In feite is de Nederlandse bijdrage nog minder. Volgens het World Science Report 1993 waren er in 1990 wereldwijd tussen de 4 en 5 miljoen mensen in de R&D werkzaam [C-UP, p. 140]; voor Nederland bedroeg dat aantal 26.680 [C-UP, p. 45].

62. Deze differentiatie kan onder druk komen te staan als de inkomsten uit sportuitzendingen gelijkmatig over de verschillende teams wordt verdeeld.

63. Acht geïnterviewden aan Amerikaanse universiteiten zijn verbonden aan Caltech, Stanford, Berkeley, Harvard, MIT (2x), Yale en Pennsylvania. De andere tien zijn werkzaam bij Amerikaanse bedrijven en Canadese universiteiten.

64. Ik gebruik hier bewust termen als slimheid en intelligentie door elkaar, om te vermijden dat de lezer meteen in hokjes gaat denken. Het gaat mij hier niet om de vraag of I.Q. gedefinieerd kan worden, maar wel om de veronderstelling dat niet iedereen even geschikt is voor elke opleiding. Het feit dat het moeilijk is om de begaafdheid te meten, versterkt alleen maar dit betoog; als gevolg van de moeilijke meetmethode is de spreiding in begaafdheid/intelligentie/slimheid/enzovoort nog groter.

65. Zo geschetst, dringt de overeenkomst zich op met de rede waarmee C.P. Snow opzien baarde. De inhoud van zijn boodschap was ook al door anderen verkondigd, maar op het juiste moment bracht Snow dat nog eens in een prestigieuze lezing onder woorden. Dat de pers op voordrachten afkomt, kan ook verband houden met het feit dat je in een voordracht sneller afziet van nuanceringen dan in geschreven teksten.

66. Kleinknecht is na zijn oratie blijven hameren op de negatieve uitwerking van loonmatiging. Zo zou de groei van de toegevoegde waarde per arbeidsjaar de laatste tien jaar in Nederland sterk zijn achtergebleven bij het Europees gemiddelde, een achterstand die hij in verband brengt met achterblijvende investeringen in de toepassing van nieuwe procestechnologie. Potverteren met loonmatiging en flexibilisering, luidde de kop boven het ESB-artikel [D-K5]. Dany Jacobs bestreed onder de kop Creatief vandalisme de relatie tussen beide factoren [D-J2] terwijl Jan Koeman de constatering over de achterblijvende produktiviteit bestreed; gerekend naar het BBP per gewerkt uur zou Nederland ver boven het Europese gemiddelde zitten [D-K6].

67. In 1993 bedroeg de overheidstoelage voor het IMEC 890,1 miloen Bfr en voor het VITO 923,2 miljoen Bfr. In guldens uitgedrukt krijgen ze elk ongeveer 45 miljoen [C-VRWB]. TNO krijgt 332 miljoen aan basis- en doelsubsidie, DLO 235 miloen. De toelage voor de GTI's bedraagt 62 miljoen voor het ECN, 43 miloen voor het NLR, 10 miljoen voor het WL, 5 miloen voor het Marin en 4 miloen voor GD [C-NOWT, p. 216-218].

68. Deze vraag heeft slechts betrekking op het tamelijk naïeve wereldbeeld van Tinbergen over de lineair maakbare werkelijkheid. Zijn vermogen om grote en brede vraagstukken tot de essentie terug te brengen, lijkt minder navolging te vinden binnen het CPB. [D-D1]. Met zijn bijdrage aan nieuwe lineaire modellen en het reduceren tot de essentie toonde Tinbergen zich een goede leerling van zijn leermeester, de natuurkundige Paul Ehrenfest. Het CPB lijkt daarmee voort te bouwen op de kant van Tinbergen die zich in confrontatie met de economische werkelijkheid het minste staande weet te houden.

69. Voor 1989 becijferde het CPB de R&D-uitgaven van Fokker op 4,46% van de omzet. Het FEM kwam voor 1990 op 1,55% en voor 1991 op 0,98%. Navraag bij Fokker resulteerde voor 1991 in 6,9%. MERIT komt voor de totale Nederlandse vliegtuigbouw op 3,44% voor de periode 1981-1991.

70. De statistieken laten daadwerkelijk een stijging van de R&D-uitgaven zien; volgens het CBS zijn die uitgaven in 1994 gestegen tot 2,04% van het BBP, hetgeen 0,1% boven het Europese gemiddelde ligt. In 1994 --  het eerste 'WBSO-jaar' -- zouden 12% meer mensen voor R&D zijn ingezet als in 1993 [C-CBS].

71. Gegevens zijn ontleend aan Balance of Payments Statistics Yearbook, 1992 van het IMF [C-IMF]. De uitgave van 1992 geeft cijfers over de periode 1984-1991. Het bedrag aan directe buitenlandse investeringen is bijvoorbeeld samengesteld uit de rubrieken equity capital, reinvestments of earnings, other long-term capital en short-term capital. De Franse statistieken laten de tweede kolom open, de Nederlandse de derde, de Britse en Zweedse de eerste en vierde, de Belgische de tweede en vierde terwijl de Duitse statistieken alle vier deelgroepen omvatten.

72. Bijvoorbeeld die van Euromoney, door het FEM getypeerd als een gezaghebbend financieel vakblad. Volgens 24 top-economen zal Nederland in 1996 en 1997 na Singapore, Luxemburg en Zwitserland de sterkste economie hebben.

73. Opvallend is dat juist deze passage aandacht trok van het CBIN (Commissariaat voor Buitenlandse Investeringen in Nederland; de organisatie die buitenlandse bedrijven werft voor een investeringen) en van René Buck, directeur van het bedrijf dat ondernemingen adviseert met betrekking tot vestigingsplaatsen en dat vergelijkend onderzoek uitvoert naar vestigingsfactoren.

74. Deze constatering betekent overigens ook dat de belastingvoordelen voor de R&D-verrichtende multinationals mede ten goede komen aan de dochters in het buitenland; Nederlandse Shell-laboratoria verrekenen de voordelen in hun tarieven voor bijvoorbeeld Shell-Duitsland.

Terug naar de hoofdpagina over eendimensionale wetenschap