Samenvatting eendimensionale wetenschap

Samenvatting
eendimensionale wetenschap


Eendimensionale wetenschap slaat op de werkwijze van veel wetenschappers die zich opsluiten in het eigen vakgebied. Veelal bouwen de discussies over dit isolement voort op de beschouwing van C.P. Snow over de scheiding tussen alfa- en beta wetenschappen. Daarbij gaat het veelal om inhoudelijke verschillen. Ook methodologisch gezien bestaat er echter een onderscheid. Hoe sterk de koppeling tussen inhoud en methode kan zijn, wordt vaak goed zichtbaar als natuurwetenschappers zich uitlaten over de- len van de werkelijkheid die buiten het object van hun vakgebied liggen. Studenten scheikunde zouden voor hun examen zakken als ze een chemisch proces op dezelfde manier zouden beschrijven als hun hooggeleerde docenten plegen te doen bij cijfermatige analyses over de leeftijdsverdeling binnen de universitaire chemie. Sommige fysici maken het nog bonter, zoals de natuurkundige Lagendijk die na- laat om de gepresenteerde feiten in zijn columns te toetsen; binnen het natuurkundig onderzoek zou dat een doodzonde zijn. Door deze werkwijze dragen fysici als Lagendijk in feite bewijslast aan voor de stelling van de door hen verguisde Latour die beweert dat wetenschappers geen waarheidszoekers zijn maar bouwers van (fictieve) feiten.

Ook veel analisten van wetenschap presenteren een eendimensionaal beeld van het onderzoeksveld door zich te beperken tot academisch onderzoek. Hierdoor blijft de specifieke rol van uitvinders en ontwikkelaars onderbelicht, hoewel deze groepen getalsmatig ver in de meerderheid zijn. Verbreding van het blikveld blijft veelal beperkt tot het wekken van verwachtingen over de toepassingsmogelijkheden die met een ontdekking bereikt zouden kunnen worden. Dat hoogstens 1% van de ogenschijnlijk baanbrekende ontdekkingen tot bruikbare produkten leidt, blijft daarbij onbesproken.
Vaak wordt het onderscheid tussen de verschillende categorieën onderzoek en onderzoekers genegeerd. Dat geldt bijvoorbeeld voor C.P. Snow en nog sterker komt dat tot uiting bij Latour die ontdek- kers, uitvinders en ontwikkelaars bewust op een hoop gooit. Uitvinders zijn naar hun aard knutselaars. Daar is niets mis mee, zodat Latours verwijt van knutselende onderzoekers weinig hout snijdt. Juist door het negeren van de verschillen binnen de groep van onderzoekers is deze zowel geliefde als verguisde wetenschapsonderzoeker minder overtuigend dan mogelijk zou zijn. Er blijken namelijk verschillende terreinen te zijn waar wetenschappers tenminste de schijn van (verdraaide) feitenbouwer op zich laden. Dat predikaat zou kunnen passen bij fysici die de buitenwereld het valse perspectief van een volmaakte theorie voorhouden met de proclamatie van de theory of everything. Veel sterker komt het feitenbouwen tot uiting bij onderzoekers die zich bezighouden met het broeikaseffect. Hoewel zij nog maar een zeer beperkt deel van de relevante processen kennen, doen zij voorspellingen over de ontwikkelingen die de komende decennia de mensheid bedreigen. Vooral het negeren van de zeer beperkte voorspelbaarheid moet binnen dit vakgebied als een tekortkoming worden aangemerkt.

Ontkenning van de begrensde voorspelbaarheid lijkt binnen de wetenschap nog steeds wijd verbreid; het (Laplaciaanse) ideaal van meten=weten blijkt diepgeworteld te zijn. Niet alleen in de natuurwetenschappen, maar bijvoorbeeld ook in de economie.
Het is echter nog veel erger; zelfs binnen lineaire modellen laten wetenschappers veelvuldig een terugkoppeling met de relevante werkelijkheid achterwege. Vaak lijkt meer waarde gehecht te worden aan het laatste cijfer achter de komma dan het eerste cijfer daarvoor. Illustratief hiervoor zijn de gege- vens over de investeringsstroom van Japan naar Nederland; zelfs binnen één OESO-publikatie worden over deze stroom twee cijfers gepresenteerd die een factor zes verschillen. De hoge cijfers blijken ont- leend te zijn aan Japanse en de lage cijfers aan Nederlandse bronnen. De achtergrond van de afwijkingen voert terug op een verschil in definitie, maar dat verschil blijft ongenoemd. De cijfers worden als vaststaande gegevens gepresenteerd; de cijfers moeten kloppen binnen het eigen model terwijl de relatie met de achterliggende werkelijkheid wordt genegeerd.
De macro-economische cijfermeesters van innovatie hebben vooral oog voor cijfers over speur- en ontwikkelingswerk. Aangezien deze R&D-cijfers hoofdzakelijk betrekking hebben op de industrie, - blijft de dienstensector buiten beeld. Daarmee negeren veel innovatie-economen de sector die in toenemende mate de motor lijkt te vormen van de economie in hoogontwikkelde landen. Door eenzijdig naar de R&D-kant van innovatie te kijken, negeren zij onder andere het belang van scholing. Deze eendimensionale focus op onderzoek doordrenkt overigens de gehele kennisinfrastructuur, inclusief de universiteiten.
Een nadere beschouwing laat zien dat de hoogte van de R&D-cijfers in een bepaald land zeer sterk afhangt van het aantal industriële multinationals met een hoofdkantoor aldaar, van de sector waarin die bedrijven actief zijn en van de mate waarin deze bedrijven hun verschillende activiteiten internationaal spreiden. Daarnaast lijkt de grootte van een land in hoge mate bepalend te zijn voor de relatieve hoogte van de R&D-uitgaven; hoe groter het land, hoe hoger het scoort in de R&D-statistieken.

Kijkend naar de economische analyses van R&D, dringt de conclusie zich op dat de koppeling tussen berekenen en beschouwen achterwege blijft. Die kenschets geldt breder, zoals tot uiting komt in de ondertitel bespiegelingen over bruggen tussen berekenen en beschouwen. In plaats van een scheiding tussen berekenen en beschouwen kan gesproken worden van kloven tussen kennen en kunnen. In de academische wereld wordt eenzijdig nadruk gelegd op kennis en wordt genegeerd dat ook nog iets met die kennis gepresteerd moet worden. Die eenzijdigheid komt bijvoorbeeld tot uiting in een onderwijsvisitatie op het gebied van de natuurkunde en in een verkenning van de geesteswetenschappen.
Het streven naar kennisvermeerdering blijkt diepgeworteld te zijn in de westerse maatschappij, althans veel sterker dan in oosterse culturen waar de vraag naar de bruikbaarheid op de voorgrond treedt. In de westerse cultuur staat individualiteit hoog in het vaandel. Binnen de wetenschap uit zich dat bijvoorbeeld in de verheerlijking van Nobelprijswinnaars; grote delen van het universitaire onderwijs zijn gericht op die 'Nobelcultuur'. In Azië ligt dat anders, niet alleen omdat men in veel landen nog aan het begin van de wetenschappelijke ladder staat, maar ook vanwege de veel minder individualistische cultuur. De collectief ingestelde Aziaat lijkt beter toegerust voor de grootschalige produktie die op de voorgrond treedt in industriële sectoren als de automobielindustrie en de elektronica.
Het westerse streven naar waarheid lijkt essentieel geweest te zijn voor de totstandkoming van de wetenschappelijke revolutie. Nu de wetenschappelijke kennis over de hele wereld is verspreid, kan Azië daar dankbaar van profiteren bij de ontwikkeling van deugdelijke produkten. Ondanks Aziatische successen worden oosterse culturen door veel westerse wetenschappers echter nog steeds niet serieus genomen. Oosterse denkers blinken in westerse filosofische teksten vooral uit door afwezigheid. Waar oosters denken wel doorklinkt, zoals in de gepopulariseerde beschouwingen over de hedendaagse natuurkunde van Capra en Zukav, worden de betrokken auteurs bekritiseerd op basis van vooringenomen opvattingen, zoals de veronderstelling dat de oosterse mystiek vaag is en dus niet in overeenstemming kan zijn met de exacte fysica. Dat deze 'vage' culturen plaats bieden aan technologische bedrijven die mede op basis van diezelfde fysica tot concurrerende produkten komen, valt buiten de eendimensionale blik van veel westerse wetenschappers.

Gezien de exponentiële groei van de wetenschappelijke kennis worden afzonderlijke wetenschappers gedwongen om zich op een steeds kleiner aspect van de wetenschap te concentreren. Daar staat tegen- over dat het in de dagelijkse praktijk vaak om problemen gaat die zich niet tot een of twee disciplines laten inperken. Voor de oplossing van die problemen moet in toenemende mate gebruik worden ge- maakt van experts. De spanning tussen de brede, multidisciplinaire problemen uit de praktijk en de smalle, monodisciplinair getrainde expert, treedt steeds sterker op de voorgrond. Dit dilemma tussen de individuele en de collectieve behoefte zou voor een belangrijk deel overbrugd moeten worden via samenwerking; twee weten meer dan een. Daarbij moeten deskundigen aan de overzijde van de eigen discipline echter wel als gelijkwaardig worden beschouwd. Dit vereist respect voor andervaks gebrek aan diepgang in de eigen discipline. Juist daar blijkt de individualistisch ingestelde en getrainde westerse wetenschapper problemen mee te hebben.

De op individuele kennisverwerving gerichte grondhouding van wetenschappers lijkt tegenwoordig een groter probleem te vormen dan vroeger, met name vanwege de enorme groei van de universiteiten als opleidingsinstituut. Veel mensen die van oudsher de kost met hun 'handen' moesten verdienen, moeten thans levenslang leren. Om in de hiermee samenhangende behoefte aan praktijkgerichte scholing te voorzien, is het meer dan ooit nodig dat in het universitaire onderwijs een combinatie van kennen en kunnen tot stand wordt gebracht. Veel wetenschappers leven echter nog sterk in het verleden, toen het hoger onderwijs nog voor weinigen was; toen een kleine groep de universiteit zocht als studiehuis en als voorbereiding op een latere beroepspraktijk. Die tijd van een eendimensionale oriČntatie op kennis- verwerving in de hoofden is echter voorbij; de veranderende maatschappelijke functie van de universiteit vereist in toenemende mate een combinatie van kennen en kunnen.

De meest wezenlijke kloven binnen de academische wetenschap lijken betrekking te hebben op het verschil tussen kennen en kunnen, tussen kwalitatieve en kwantitatieve benaderingen, tussen berekenen en beschouwen. De theoloog kan niet rekenen en de techneut bedrijft geen beschouwende wetenschap. Deze typering lijkt dicht in de buurt te komen van de schets die C.P. Snow gaf. Dit betekent niet dat de voorbeelden die in dit boek de revue passeren nodeloos zijn. Ze maken duidelijk dat de scheiding tussen de wetenschappelijke culturen veel ernstiger is dan de onwetendheid van elkaars grensverleggende ontdekkingen waar veel discussies over de wetenschappelijke culturen de nadruk op leggen.


Terug naar de hoofdpagina over eendimensionale wetenschap

Berichten in de pers

Bestellingen

laatst gewijzigd op 20 mei 2003