VOORWOORD (II)

Harry Beckers

Wie inzoomt op het jongste fragment van de geschiedenis van de mensheid ziet sinds Aristoteles een exponentiële groei van het aantal wetenschappers en van de kennis die zij genereren. Die groei leidde en leidt er toe dat afzonderlijke wetenschappers zich beperken tot steeds kleiner en smaller wordende fragmenten van wetenschap. Illustratief voor deze toegenomen versmalling is het groeiende aantal disciplines. De inhoudelijke versmalling is voor de meeste individuen pragmatisch gezien noodzakelijk omdat het anders moeilijk is om nog een eigen bijdrage te leveren aan de groei van kennis. De versmalling werkt ook door in de opleiding van jonge mensen; studenten worden niet alleen inhoudelijk wegwijs gemaakt binnen een bepaalde tak van de boom der wetenschappelijke kennis maar raken ook vertrouwd met de gewoonten en methoden die bij dat specifieke vakgebied horen.

Hier tegenover staat dat de problemen van bedrijven en non-profitorganisaties multidisciplinair van aard zijn; dat was altijd zo en dat zal ook wel altijd zo blijven. Bij de oplossing van die problemen maakt men ook gebruik van wetenschappelijke kennis. Hierbij treedt een spanningsveld op tussen de smalle monodisciplinaire wetenschap en de multidisciplinaire bedrijfspraktijk. Die spanning neemt toe, niet alleen omdat bedrijven meer dan vroeger een beroep doen op wetenschappelijke kennis maar ook vanwege het feit dat een toenemend deel van het personeel universitair geschoold is. Om in teams te kunnen samenwerken, moet men zich er bewust van zijn dat de methoden en de gewoonten per discipline verschillen. Dat bewustzijn is met name van belang bij de broodnodige samenwerking die zich over de wetenschappelijke hoofdstromen uitstrekt.

Gezien de multidisciplinaire praktijk van alle dag zijn velen binnen de wetenschappelijke wereld zich bewust van de noodzaak tot multidisciplinaire verbreding. Het dilemma is echter dat effectuering van die verbreding op gespannen voet staat met het feit dat het moeilijk is een bijdrage te leveren aan wetenschappelijke kennisvermeerdering zonder monodisciplinaire versmalling toe te passen.

Snijders legt op inspirerende en uitdagende wijze verschillende dilemma's bloot die verband houden met monodisciplinaire verdieping en multidisciplinaire verbreding. Hij bouwt zijn analyse op zijn natuurwetenschappelijke ondergrond en zijn gevarieerde en brede ervaring met wetenschap, opgedaan binnen universiteiten en in de wereld van het wetenschaps- en technologiebeleid. Gebruik makend van zijn journalistieke ervaring weet Snijders zich te ontdoen van vakjargon. Degene die gewend zijn aan wetenschap op smalle disciplinaire basis zullen wellicht het verwijt van borrelpraat in de mond willen nemen. Ik acht de gehanteerde gepopulariseerde schrijfstijl echter van groot belang omdat buitenstaanders zodoende een beeld krijgen van de situatie binnen een breed spectrum van de wetenschap. En buitenstaanders zijn we bij een groot gedeelte van de beschouwde problematiek allemaal gezien de breedheid van het beschouwde spectrum.

Naar het eerste voorwoord

Naar de proloog