Nawoord bij artikel - Nederlandse R&D: het valt best mee.


Op de dag van publicatie van het ESB-artikel maakten de Volkskrant en het Financieele Dagblad melding van de conclusie dat het best wel mee valt met de R&D-situatie in Nederland. Twee weken later weersprak minister Wijers in het Financieel Dagblad (20-2-1996) mijn conclusie dat het allemaal wel meevalt. De uitspraken van Wijers waren verpakt in een betoog over het belang van informatica. Hieronder volgt de betrokken passage uit het FD-artikel Innovatieve software krijgt nu vaker subsidie.

Wijers keerde zich tegen een vorige week in het blad ESB verschenen artikel waarin onderzoeker H. Snijders de algemeen aangenomen veronderstelling weersprak dat Nederlandse bedrijven minder aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) uitgeven dan hun buitenlandse concurrenten. Snijders baseert zijn conclusie op een correctie van de R&D-uitgaven voor sectorspecifieke factoren. Hij stelt dat Nederlandse multinationale ondernemingen vooral actief zijn in R&D-extensieve sectoren. De bewindsman refereerde aan onderzoek van het Limburgse instituut Merit waaruit blijkt dat die correctie voor een kwart van de uitgaven opgaat, ofwel f 400 mln. Voor de overige f 1,2 mrd echter niet. 'Gecorrigeerd voor sectorstructuren is er een gat van ruim een miljard gulden', aldus Wijers.

De opmerkingen van Wijers passen in de kritiek die vanuit Merit op mijn boek is geleverd door Bart Verspagen. Aanvullend op mijn reactie op die kritiek wil ik enkele kanttekeningen maken bij de opmerkingen van minister Wijers.

Het verschil tussen de sectorcorrectie van mij en die van Merit is dat ik naar de R&D-giganten in de verschillende sectoren kijk terwijl Merit naar de sectoren als geheel kijkt. Mijn conclusie is dat het niet gaat om de vraag of we een grote sector chemie of farmacie hebben, maar wat de grote bedrijven in die sectoren aan R&D doen. Een farmaceutische sector met vooral buitenlandse producenten leidt tot een ander totaal aan R&D-uitgaven als een sector met louter grote 'nationale' ondernemingen. Bovendien kan het profiel binnen een sector sterk verschillen. Dat geldt vooral voor de elektronica, waar telecommunicatie meer R&D vraagt als consumentenelektronica. Ook maakt het verschil of bedrijven zich toeleggen op distributie (waar Nederland ijzersterk in is) of in productie of ontwikkeling. Overigens kunnen dergelijke sectorverschillen ook uit de Merit-cijfers worden afgeleid. De Scandinavische landen blijken relatief veel aan R&D te doen in de sector papier. Het moge duidelijk zijn dat die takken van industrie daar een ander profiel hebben dan in landen zonder uitgestrekte wouden. De vliegtuigindustrie is vooral in de VS sterk in R&D, hetgeen niet losgezien kan worden van het Amerikaanse ruimtevaartprogramma. Binnen de voedingsmiddelenindustrie voert Nederland de R&D-lijst aan. Die hoge positie wordt veroorzaakt door Unilever die in Nederland relatief veel aan R&D doet in verhouding tot de productie in ons land.

In ESB van 10 april publiceerden Hugo Hollanders en Bart Verspagen een kritiek op mijn ESB-artikel. Mijn constatering dat het R&D-percentage samenhangt met de omvang van het BBP (het R&D-percentage is rechtevenredig met de logartime van het BBP) werd door hen weerlegd met een tegenvoorbeeld.
Zij vinden binnen een groep landen, waartoe o.a. China en India behoren, een negatieve relatie. Dit betoog is in uitgebreidere vorm verwerkt in de reactie over mijn proefschrift die Bart Verspagen op zijn homepage heeft gezet. Hollanders en Verspagen verzetten zich tegen mijn conclusie dat de R&D-inspanningen van grote multinationals verantwoordelijk zijn voor de Nederlandse R&D-achterstand. Vergeleken met een referentiegroep (Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Japan, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Zweden) doet Nederland veel te weinig R&D. Ook als rekening wordt gehouden met de sectorverschillen. Want ook in sectoren met grote Nederlandse multinationals (elektrische machines met Philips, olie met Shell en farmacie met AKZO) loopt Nederland achter bij de groep referentielanden. Hollanders en Verspagen baseren zich daarbij op hun eigen onderzoek, het onderzoek waar minister Wijers zich ook op blijkt te baseren.

Tegelijkertijd met de reactie van Hollanders en Verspagen publiceerde ESB mijn weerwoord: En toch is er geen R&D-achterstand..

Terug naar de startpagina voor eendimensionale wetenschap

Terug naar overzicht artikelen.

Naar het overzicht van persreacties.

Bestelling