Macro-Economische Statistieken over innovatie


Lezing voor ATB, Ministerie van Economische Zaken, 10 juni 1997, 13.00 uur

Hendrik Snijders

"Het is momenteel macro-economisch niet verantwoord om het innovatiebeleid te baseren op huidige macro-economische statistieken over innovatie". Dit is de tweede stelling bij mijn proefschrift Eendimensionale wetenschap. Het is een conclusie die voortvloeit uit het vierde deel, dat de titel 'Tamtam in Technologieland' meekreeg. In dit laatste en omvangrijkste deel van het boek reflecteer ik op mijn werk bij de AWT. Zoals gezegd, is op mijn analyses over de relatie tussen technologie en economie forse kritiek gekomen van Bart Verspagen en Luc Soete van MERIT, het instituut dat in mijn boek veel aandacht krijgt. De reden voor die aandacht is niet dat MERIT beter of slechter werk aflevert dan andere instellingen, maar ligt in het feit dat dit instituut veelvuldig wordt geciteerd in regeringsnota's over innovatie. Op de dag dat de lezing plaatsvond, is de kritiek vanuit MERIT wereldkundig gemaakt via de website van Bart Verspagen. Bij de formulering van deze tekst sluit ik aan bij de bewoordingen uit de kritiek van Verspagen.

R&D en de concurrent

In veel kwantitatieve beschouwingen over R&D staan grafieken waarin R&D-uitgaven worden uitgedrukt als percentage van het nationaal inkomen. Door landen met elkaar te vergelijken, ontstaat het beeld dat Nederland achterloopt. Dat beeld van achterstand strookt echter niet zonder meer met de geluiden die ik veelvuldig hoor vanuit R&D-verrichtende bedrijven. Daar beweert men vaak dat ze evenveel R&D doen als hun concurrenten en dat ze zeer goed in de gaten houden of hun concurrenten ineens sterk omhoog of omlaag gaan met hun R&D. Het lijkt op een wielerwedstrijd waarbij iedereen in het peloton blijft en af en toe sprake is van een ontsnapping. Wie de beslissende ontsnapping inzet, wordt winnaar, maar wie te vaak demarreert, verliest de koers.

Dat bedrijven evenveel R&D doen als hun concurrenten, valt ook in de statistieken te lezen. Chevron, Esso, Shell, Total, Texaco besteden allemaal ongeveer 2/3% van de omzet aan R&D. In veel sectoren is weliswaar minder uniformiteit te zien, maar daar blijken de verschillen veelal samen te hangen de verscheidenheid aan portfolio's. Waar ik die in kaart kon brengen, bleken afzonderlijke onderdelen eveneel R&D te doen als hun concurrenten. De farmaceutische tak van AKZO (Organon) besteedt 12,6% van de omzet aan R&D, evenveel als het gemiddelde voor de twee grote Zwitserse reuzen, Ciba Geigy en La Roche. Bij de vezels scoort AKZO (3,3%) nagenoeg gelijk aan vezelspecialist DuPont (3,4%).

Hoe kan het dat Nederlandse bedrijven evenveel R&D als hun concurrenten terwijl Nederland als land achterloopt? Om die vraag te beantwoorden, vergelijk ik eerst Nederland met twee andere kleinere landen, Zweden en Zwitserland. De keuze van die landen is ingegeven door het feit dat die landen in de meeste statistieken worden meegenomen. Daarna vergelijk ik Nederland met andere industrielanden die in de R&D-grafieken worden meegenomen.

Nederland vergeleken met Zweden en Zwitserland

In verschillende regeringsnota's wordt de R&D-structuur in Nederland als eenzijdig gekwalificeerd omdat de helft daarvan wordt uitgevoerd door slechts vijf bedrijven. Die eenzijdigheid is nog pregnanter als we het aandeel van de grootste (Philips) beschouwen. Het Nederlandse R&D-landschap lijkt daarmee op een monocultuur. Dit betekent echter niet dat sprake is van een uitzonderlijke situatie want in Zweden en Zwitserland ligt het niet anders. Integendeel; zes Zweedse en vier Zwitserse bedrijven zorgen voor ruim tweederde van de totale R&D in Zweden resp. Zwitserland. Kortom, in Zweden en Zwitserland hangt het nationale R&D-profiel nog sterker af van een handvol bedrijven dan in Nederland het geval is.

De Nederlandse R&D-toppers zijn actief in relatief R&D-extensieve sectoren; alleen Philips behoort tot de 'high tech'. In Zweden en Zwitserland zijn het daarentegen bijna allemaal 'high-tech' bedrijven. De Zweedse en Zwitserse R&D-toppers besteden gemiddeld een tweemaal zo hoog percentage van de omzet aan R&D als het Nederlandse vijftal. Behalve het verschil in R&D-intensiteit zijn er ook grote verschillen bij de wereldwijde spreiding van R&D. Het Nederlandse vijftal doet 62% van hun R&D in het buitenland terwijl dat bij de Zwitserse bedrijven slechts 44% is en bij de Zweedse zelfs maar 20%. Samengenomen doen de R&D-toppers uit Zweden en Zwitserland een tweemaal zo groot deel van hun totale R&D in hun moederland als het Nederlandse vijftal. Hier zou de conclusie uit getrokken kunnen worden dat Nederlandse bedrijven wel evenveel R&D doen als hun concurrenten, maar dat ze het buiten hun moederland doen. Dit zou kunnen duiden op een zwak R&D-klimaat voor Nederland. Volgens mij moet je ook hier de verklaring in de eerste plaats op sector-niveau zoeken. In de farmacie kun je bij wijze van spreken alle monsters in een koffer over de wereld sturen en zodoende het onderzoek en ook productie op een geconcentreerde plaats verrichten. In de olie-industrie en de consumenten-elektronica is dat veel moeilijker. Opvallend is dat van de beschouwde bedrijven in de drie landen Electrolux het meest internationaal werkt met een aandeel van slechts 20% R&D in eigen land. Het profiel van Philips is in zekere zin een combinatie van Ericsson en Electrolux. Wat betreft internationale spreiding van de R&D zit Philips ook tussen dit tweetal. Bij veel bedrijven zie ik heel specifieke bedrijfsoverwegingen bij de keuze van vestigingsplaats voor het R&D-lab. Het Zweedse SKF, dat niet tot de R&D-top behoort, doet de centrale R&D in Nederland omdat dit een neutraal terrein was voor de grote produktievestigingen.

Verspagen meent dat ik aansluit bij een oud debat omdat ik zou concluderen dat R&D-statistieken op macro-niveau vooral een afspiegeling zijn van de sectorstructuur van een land. Het nieuwe van mijn analyse is dat ik mij richt op de sectoren van de R&D-giganten. De sectorstructuur van Nederland verschilt niet zo sterk met die van andere landen, maar beperkt tot de R&D-giganten zijn de verschillen wel enorm. De meeste bedrijven in een bepaalde sector zijn voor een groot deel van hun activiteiten op de nationale markt zijn aangewezen. Gemeten naar de omvang zijn deze bedrijven samen op R&D-gebied dwergen vergeleken met een handvol R&D-reuzen. Wie de R&D-kracht van die dwergen wil bepalen op basis van nationale R&D-statistieken, doet als degene die het gewicht van een dwerg wil bepalen door de twee samen te wegen en daar vervolgens het gewicht van de reus van af te trekken.

Twee maal twee is vier. Ofwel, als Nederlandse bedrijven in dezelfde sectoren zouden zitten als de Zweedse en Zwitserse en als ze even trouw zouden zijn aan het eigen land, zouden ze vier maal zoveel R&D in Nederland doen. Daarmee zou het R&D percentage in Nederland tot de hoogste ter wereld behoren. Anders gezegd, de positie op de R&D-ladder wordt voor landen als Nederland, Zweden en Zwitserland voor het overgrote deel bepaald door een handvol multinationals. Gezien deze afhankelijkheid is het een tamelijk onzinnige bezigheid om nationale R&D-statistieken te vergelijken.

De verschillen tussen de Nederlandse, Zweedse en Zwitserse R&D-% zijn volledig terug te voeren op een handvol bedrijven. En met de beste wil van de wereld kan ik niet geloven dat de R&D-strategie van die bedrijven veel invloed heeft voor de welvaart in Nederland. Wat goed is voor Philips is goed voor Nederland. Dat was misschien zo, maar nu zou je ook tot een tegengestelde conclusie kunnen komen; de bloei van oostelijk Brabant lijkt mij eerder bevorderd dan belemmerd te zijn door de inkrimping van Philips. Verspagen haalt in zijn kritiek legio economen aan die aangetoond zouden hebben dat er wel een relatie bestaat tussen welvaart en R&D. Zolang sprake is van landen die een gesloten systeem vormen en van en economie waarin de industrie de hoogste toegevoegde waarde levert, zou dat ook best kunnen. Maar dat industriële tijdperk ligt nu achter ons. Bedrijven beperken hun speelveld steeds minder tot de nationale grenzen. Een deel van de Duitse industrie heeft dat aan den lijve ondervonden en probeert nu in rap tempo de 'achterstand' in te halen. Beter laat dan nooit, maar met de verlate reactie lijken de nadelige gevolgen voor de Duitse economie wel extra groot te zijn. Om de welvaart veilig te stellen, moet de groei van de bedrijvigheid overigens niet uitsluitend - of zelfs niet in de eerste plaats - binnen de industrie worden gezocht. Grote delen van de zakelijke en financiële dienstverlening kennen tegenwoordig een hogere toegevoegde waarde dan menig industrietak. Dat is vooral van belang voor Nederland, dat juist in die sectoren competitief is. In de R&D-statistieken treden deze sectoren niet op de voorgrond.

Nederland en andere industrielanden

Terug naar de cijfers. In de R&D-statistieken prijken naast het genoemde drietal ook de grootste vijf industrielanden. Als we die vijf met Nederland vergelijken, blijkt dat de score op de R&D-ladder toeneemt met het BBP. Dus hoe groter het BBP, hoe hoger het R&D-percentage. Dat beeld houdt ook stand voor andere industrielanden. Kernachtig samengevat: in 1985 deden de grote landen tweemaal zoveel R&D als de kleine, relatief gezien uiteraard. Dat lijkt merkwaardig omdat procentueel gezien de grootte er niet toe zou mogen doen.

Ik probeerde het verschil in een herkenbare relatie te vangen, en de eerste poging was raak: tussen de logaritme van het BBP en het R&D% bestaat een lineair verband. Dat gold althans voor 1985, een jaartal dat ik bewust heb gekozen voor de vergelijking omdat vanaf dat jaar de directe buitenlandse investeringen explosief stegen. Tot 1985 waren bedrijven nog relatief sterk op het eigen moederland gericht. Daarna treedt de mondialisering van het bedrijfsleven op de voorgrond hetgeen betekent dat de relatie tussen markt en moederland zwakker wordt. Dit betekent tevens dat de relatie tussen BBP en R&D minder betekenis krijgt. Het logisch gevolg van de mondialisering is dat het R&D% van grote en kleine landen naar elkaar toegroeit, hetgeen ook in de praktijk is gebeurd.

Zolang landen te beschouwen zijn als tamelijk gesloten systemen, geldt dat het R&D% toeneemt met de grootte van het land. Althans dat geldt voor mijn selectie van landen: VS, Japan, Duitsland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, Nederland, België, Oostenrijk, Denemarken, Finland en Noorwegen. Vertel mij hoe hoog het R&D% is, en ik zeg u wat het BBP is. Wie een hoger R&D% wil, moet het land groter maken. Verspagen bestrijdt die conclusie door te wijzen op mijn beperkte keuze van landen: "Het ware beter geweest als Snijders nog wat meer 'logaritmische logica' had toegepast. Dan had hij kunnen zien dat de relatie tussen omvang van een land en R&D-intensiteit alles behalve lineair is, als men tenminste niet bij voorbaat een groot aantal landen uitsluit".
Verspagen maakt een selectie van landen waar de R&D-intensiteit afneemt met de omvang van het land. Naast Nederland en België beschouwt hij Italië, Canada, Australië, Zuid-Korea, Israël, India en China. Mijn verweer zou kunnen zijn dat deze landen ook niet in de gangbare statistieken voorkomen; juist de R&D-extensieve G7-landen ontbreken in de regel. Naast dit formele argument gebruik ik ook een inhoudelijke overweging bij de gemaakte keuze. R&D is hoofdzakelijk beperkt tot de industrie, zodat het weinig zin heeft om niet industriële landen mee te nemen. Vanuit dat perspectief valt Italië buiten de vergelijking aangezien het maar voor de helft een industrieland is. Voor de andere helft is het nog sterk agrarisch en in die sector treedt R&D nu eenmaal niet op de voorgrond, zoals ook blijkt uit de score van landen als Griekenland. Voor India en China geldt in zekere zin het zelfde. Die landen staan aan het begin van de industrialisering en zijn derhalve niet te vergelijken met volgroeide industrielanden. Bovendien zijn ze bij die industrialisatie sterk afhankelijk van buitenlandse investeringen, zodat ze wat betreft R&D alles behalve eilanden zijn. Israël is een land met veel emigranten met een hoge vaak technisch gerichte opleiding. Dat maakt het land uitermate interessant, maar geen goed vergelijkingsland bij R&D-statistieken.

Gezien de omvang van het BBP zouden Canada en Australië - die laag scoren op de R&D-ladder - meegenomen moeten worden in de vergelijking. Soms gebeurt dat ook, zoals in Nederland in Drievoud waarin het CPB concludeert dat Canada en Australië vanwege de sectorstructuur goed met Nederland vergelijkbaar zijn. In bepaalde opzichten is dat wellicht ook zo, maar vanwege hun gigantische omvang en hun relatief kleine bevolking leken ze mij zo specifiek dat ze met geen enkel land goed vergelijkbaar zijn. Maar goed beargumenteren kan ik het ook niet. Maar ik hoef dat ook niet te doen, aangezien het mij niet gaat om een bewijs voor de 'logaritmische logica' maar om een schets die duidelijk moet maken dat de grootte van een land van belang is of was voor de score op de R&D-ladder. En juist die relatie wordt onderbelicht of zelfs verzwegen.

Verspagens selectie weerlegt mijn analyse niet, maar bevestigt die ook niet. Die bevestiging kan wel worden gevonden in de ontwikkelingen van de Aziatische Tijgers. Zuid-Korea stijgt op de internationale R&D-ladder omdat het veel nationale bedrijven heeft in R&D-intensieve sectoren. Die bedrijven doen relatief veel R&D in eigen land in vergelijking tot de productie. Daarmee lijkt het sterk op Zweden. Singapore heeft ook veel bedrijven in R&D-intensieve sectoren, maar dat zijn voor de grote meerderheid buitenlandse ondernemingen. Die doen nog veel R&D in het moederland. Wat Philips nog teveel in Nederland doet, doet het te weinig in Singapore en Taiwan.

Ik heb diverse keren met Verspagen en Soete van gedachten gewisseld via E-mail. Zoals uit deze tekst blijkt, ben ik niet bepaald overtuigd geraakt van de houdbaarheid van hun kritiek, terwijl zij niet onder de indruk zeggen te zijn van mijn argumentatie. Om de impasse te doorbreken, nodig ik graag anderen uit om de discussie verder te helpen. Niet omdat er verschil van mening bestaat, maar omdat de verschillen relevant zijn voor de discussie over R&D, innovatie en economie. Ik heb althans de indruk dat Verspagen en Soete tot op zekere hoogte de mening uit tenminste een deel van het wetenschappelijke veld vertolken terwijl ik eveneens de indruk heb dat ik een beeld schets waarin de mensen uit de bedrijven zich herkennen. Om deze kloof tussen wetenschap en maatschappij te overbruggen, is verdergaande communicatie nodig. Kortom, wie de schoen past, trekken hem aan.

Terug naar de startpagina voor eendimensionale wetenschap

Terug naar overzicht artikelen.

Naar het overzicht van persreacties.

Bestelling