De nieuwe ingenieur:
technische kennis in de diepte, academische vorming in de breedte


Voordracht tijdens symposium 'Hoe Academisch is Techniek?'
TU Eindhoven, 4 november 1997

Hendrik Snijders

In de titel ligt de conclusie van mijn voordracht besloten. Een academicus moet diepgaande kennis van het eigen vakgebied combineren met vaardigheden om de eigen kennis de combineren en te integreren met kennis van anderen, zowel binnen als buiten het eigen specialisme. Dit is de centrale conclusie uit een advies dat de AWT deze week uitbrengt[1]. De eis om diepte en breedte te combineren, geldt zeker ook voor ingenieurs. Die eis gold altijd al, maar tegenwoordig wordt de noodzaak van die combinatie sterker gevoeld dan in het verleden.

De uitnodiging voor deze voordracht heb ik overigens niet te danken aan het AWT-advies, maar aan het proefschrift Eendimensionale wetenschap dat ik eind februari verdedigde aan de Universiteit Twente. In dit boek analyseer ik de communicatie tussen wetenschappers uit verschillende vakgebieden en tussen wetenschappers en mensen buiten de wetenschappelijke subcultuur. Mijn algemene conclusie is dat wetenschappers zichzelf en de buitenwereld te kort doen door te weinig buiten het eigen vakgebied te kijken. Vooral de scheiding tussen onderzoekers die rekenen en onderzoekers die beschouwen, komt als een groot obstakel naar voren, zoals uit de ondertitel blijkt. Als alternatief had ik 'kloven tussen kennen en kunnen' in gedachten. Beide tegenstelling, berekenen en beschouwen alsmede kennen en kunnen, zullen in deze voordracht een belangrijke plaats innemen.

Het begrip 'academische vorming' komt niet in mijn boek voor. Dat heeft vooral te maken met het feit dat ik primair naar de rol van onderzoekers heb gekeken. Het doorbreken van de eenzijdige, op de dimensies van het eigen vakgebied gerichte oriëntatie, is echter van groot belang met oog op het academisch vormende karakter van de opleiding.

In mijn boek kijk ik als relatieve buitenstaander naar de wetenschap. Ik beschouw mij zelf niet als wetenschapper, ik ben werkzaam voor een organisatie die de overheid over wetenschap adviseert. Ik vind het eigenlijk zeer grappig dat juist mijn naam vandaag bij 'wetenschap' staat, aangezien alle andere sprekers op dat gebied een veel grotere staat van dienst hebben. Drie professoren praten over andere zaken dan wetenschap. Ik heb zelf nauwelijks ervaring met wetenschappelijk onderzoek. Maar goed, als relatieve outsider zie je ontwikkelingen soms scherper dan als insider.

Wereldvreemde wetenschappers

In mijn boek maak ik veel gebruik van metaforen. Afgaande op de reacties in de pers, die overigens zeer taltijk waren, spreekt vooral de vergelijking van de academische wetenschapper met dr. Nobel Preis aan.

"Veel wetenschappers doen mij denken aan dr. Nobel Preis uit Sesamstraat die in de beslotenheid van zijn eigen laboratorium de meest ingenieuze ontdekkingen doet. In zijn geval betreft het uitvindingen die reeds lang als gebruiksvoorwerpen bekend zijn, zoals de tingeltafel die bij onthulling een piano blijkt te zijn. Wie niet naar buiten kijkt, loopt het gevaar om zich net als dr. Preis van de relevante werkelijkheid af te zonderen. Aangezien buiten het eigen laboratorium zoveel kennis en kunde liggen opgeslagen, valt er op veel wetenschapsgebieden nog veel te leren."

In plaats van een metafoor, kun je de naar binnen gekeerde werkwijze van wetenschappers ook in een figuur vastleggen. Zeer geslaagd vind ik de afbeelding die Intermediair gebruikte bij het artikel over mijn boek. Daarin staan twee wetenschappers die door rietjes kijken. Zij bestuderen zodoende een zeer klein gebied van de werkelijk- heid. Ze zijn blind voor hetgeen buiten dat gebied gebeurd en ze zijn ook blind voor hetgeen collega wetenschappers op andere vakgebieden doen.

Zo geschetst, kan het beeld ontstaan dat iedereen breed moet kijken, meerdere disciplines met elkaar moet combineren, multidisciplinair moet werken. Dat is echter niet mijn boodschap. Stel je voor dat u naast uw ingenieursstudie ook nog alles van economie, rechten, kunst, filosofie, enzovoort moest weten. Dan zou u te weinig van de techniek leren om als betrouwbare ingenieur dienst te kunnen doen. Je moet de techniek voldoende beheersen, dat is een noodzakelijke voorwaarde. Zonder technische kennis zullen de wetenschappers van deze universiteit geen artikel gepubliceerd krijgen, en zonder die kennis wil geen werkgever jullie in dienst nemen. Dat geldt voor Océ en andere high tech bedrijven, het geldt voor de ingenieursbureaus, enzovoort. Om binnen te komen moet je een vak kennen. Om succes te boeken, moet je meer kunnen; daar komt de breedte van je blikveld tot uiting.

Vertaald naar de figuur van de rietjeskijkers betekent het dat je diep moet kunnen kijken, zonder oogkleppen voor hetgeen buiten je eigen kleine wereld gebeurt. Dat geldt voor het onderzoek, maar het geldt nog veel sterker voor functies buiten het onderzoek. Ik wil het vandaag hebben over het onderzoek, want daar ben ik voor ingehuurd, getuige de rubricering die de organisatie heeft aangebracht. Toch zal ik ook een onderwijsbril opzetten gezien het thema van vandaag.

We hebben het vandaag echter niet over de oogkleppen van de wetenschappers, maar over het vormende karakter van de ingenieursopleiding. Dit betekent dat we vandaag vooral door de opleidingsbril naar de wetenschap zouden moeten kijken. Vormt de rietjes-kijkerij binnen de wetenschap een goede omgeving voor de academische vorming van de ingenieurs? Die onderwijsbril is overigens geen vreemde manier van kijken; in feite wordt het universitaire onderzoek voor een belangrijk deel gelegitimeerd vanwege de bijdrage aan het onderwijs. De primaire taak van universiteiten ligt namelijk bij het opleiden van hooggekwalificeerde arbeidskrachten. Onderzoek staat in dienst van het onderwijs. Academisch onderwijs onderscheidt zich van het beroepsonderwijs vooral via de academische vorming.

Drie definities

Er zijn vandaag reeds verschillende definities gegeven van academische vorming. Prof. Lintsen heeft aangegeven hoe de discussie daarover in de loop van de tijd is verlopen. In mijn beleving treden twee belangrijke begrippen op de voorgrond bij de discussie over academische vorming:

defenitie 1

1 inzicht in de samenhang der wetenschappen
2 maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef

Dit zijn begrippen van academische vorming, in de goede zin van het woord. Maar de omschrijving is nogal academisch, in de slechte zin van het woord, want het neigt snel tot theoretisering en niet tot praktisch handelen. Hiermee wil ik niet zeggen dat deze termen geen functie hebben gehad, maar wel dat ze in deze tijd ontoereikend zijn. Dat geldt zeker voor toegepaste vakgebieden, zoals de meeste technische disciplines zijn.

In deze opsomming mis ik een belangrijk element, namelijk de kennis van een bepaalde academische discipline. Van academici wordt verwacht dat ze een hoog kennisniveau in de praktijk kunnen brengen. Het is geen beroepsopleiding in de zin dat je een bekend kunstje kunt oplossen; dat type opleidingen hoort in het HBO thuis. Bij de universiteiten gaat het om een beroepsvoorbereiding waarbij men een methode geleerd krijgt om een bijdrage te kunnen leveren aan nieuwe oplossing voor ingewikkelde problemen. Dat vraagt om analytische, conceptuele, creatieve vaardigheden. Aangezien problemen in de dagelijkse praktijk zeer veel verschillende aspecten bevatten, moet men kunnen samenwerken met vele anderen. Ik zou de omschrijving van academische vorming dan ook willen aanpassen aan de eisen van deze tijd. Academische vorming betekent:

defenitie 2

1. ontplooiing van analytische, conceptuele, creatieve vermogens (taak van eigen studierichting)
2. in combinatie metcommunicatieve vaardigheden (dit vraagt om inspanningen buiten de eigen discipline).

In mijn betoog gaat het om het belang van de communicatieve vaardigheden, om het vermogen op kennis op te nemen die buiten het eigen specialisme ligt. En vooral ook om die opgenomen kennis in de praktijk te brengen. Je hebt weinig aan de brede vorming als je daar in de praktijk geen gebruik van weet te maken. Geen Woorden maar Daden.

Geen Woorden maar Daden, is nu zo mogelijk nog belangrijker dan in de eerdere discussiefasen over academische vorming vanwege de enorme groei van het aantal studenten. Die toename geldt voor alle vakgebieden, en de techniek vormt daarop geen uitzondering. Die toename is ook van belang voor de discussie over academische vorming. Als je alleen mensen opleidt voor functies binnen het wetenschappelijk onderzoek, zul je andere eisen kunnen, of misschien ook wel moeten, stellen aan het academisch vormende karakter van de opleidingen. Mede in het licht van de toegenomen stroom van afgestudeerden naar functies buiten het academisch onderzoek, kom ik tot de volgende wijzigingen van de oorspronkelijke typering:

defenitie 3

1. Academische vorming traditioneel sterk gericht op KENNEN. In deze tijd gaat het vooral om KUNNEN.
2. In plaats van INZICHT in samen- hang wetenschappen gaat het om communicatieve VAARDIGHEDEN tot samenwerking met mensen uit andere vakgebieden.

Academisch alfabetisme

Bovenstaande leidt tot de conclusie dat de omschrijving van academische vorming op beide niveau's uitgedrukt zou moeten worden in termen van communicatie van wetenschappers

1. tussen verschillende disciplines
2. met de buitenwereld

Ik heb begrepen dat er een enquête is gehouden onder studenten van deze universiteit en dat niemand van de ondervraagden academische vorming en communicatieve vaardigheden met elkaar in verband heeft gebracht. Dat verbaast mij niet. Het is ook niet de enige factor die van belang is bij de vorming tot academicus. De portier moet communicatief onderlegd zijn, maar hoeft geen academische vorming hebben genoten.

Ik heb wel eens het begrip academisch alfabetisme gebruikt. Analfabetisme komt in Nederland niet op grote schaal voor in de zin dat men niet kan lezen en schrijven. Ik durf u in elk geval niet van analfabetisme te verdenken. U beheerst allemaal het schrift van de alfa's en van de bèta's op het niveau van de basisschool.

Tijdens de middelbare school is uw kennis van het schrift van de 's en van de 's verder ontwikkeld, maar vanaf het moment dat u hier binnen kwam, is uw kennis van het schrift van de alfa's stil blijven staan. Aangezien de conditie meestal achteruit gaat zonder training, zal bij velen van u het niveau van de alfa-kennis zijn achter uitgegaan, terwijl uw bèta-kennis naar academisch niveau is getild.

Op academisch niveau bent u dus in feite analfabeet; u kent op dat niveau alleen het schrift van de bèta's. U heeft niet geleerd op academisch niveau te communiceren met anderen; als u over andere zaken praat, is dat de borrelpraat en de koffieleut. Daar is niets op tegen als tijdverdrijf, maar in de beroepspraktijk volstaat hobbyisme niet.

Deze woordspelerij zal u wellicht niet overtuigen. Daarom wil ik mijn betoog onderbouwen met enkele korte voorbeelden die in mijn boek uitgebreider worden belicht.

Filosoferende fysici

Met de communicatie tussen wetenschappers onderling, is het droevig gesteld. Er zijn tegenwoordig veel toonaangevende fysici die populair wetenschappelijke boeken schrijven die nogal wat religieuze en filosofische uitstapjes bevatten. Titels als de tao van fysica, god en de nieuwe natuurkunde. Stephan Hawking die zichzelf bijkans goddelijk waant. Vanuit de optiek van inzicht in de samenhang der wetenschappen zou je dat als een goede verbreding moeten zien.

Vanuit communicatie-optiek is echter geen sprake van verbreding. Betrokken auteurs gaan namelijk nauwelijks of niet te rade bij theologen en filosofen. Er is geen communicatie omdat er nauwelijks een gemeenschappelijk raakvlak is. Fysici weten niets van filosofie; ze verketteren filosofen zelfs. Filosofen weten niets van techniek.

Terugkerend naar de rietjeskijkers, zouden we in de twee wetenschappers een filosoof en een fysicus kun voorstellen. De enige plekken waar sprake is van filosofische reflectie op techniek zijn buitenposten bij de Technische Universiteiten. Dat geldt overigens ook voor geschiedenis. Ondanks het zware stempel dat de techniek op de huidige samenleving drukt, is professor Lintsen een eenling. De blinde vlek voor de rol van natuurwetenschap en techniek valt de alfa-wetenschappers te verwijten, maar dat verwijt is evenzeer van toepassing op de bèta-wetenschappers die geen moeite nemen om alfa-kennis tot zich te nemen. Zelfs niet als ze vanuit hun bèta-kennis uitstapjes naar alfa-gebieden maken.

Veel baanbrekende vernieuwingen ontstaan op het raakvlak van verschillende vakgebieden. Ofwel, van buiten de kaders die voor afzonderlijke vakgebieden gelden. Alleen al vanuit dat perspectief bezien is het duidelijk dat het voor de ontwikkeling van de wetenschap zeer nadelig is als de afzonderlijke onderzoekers te introvert zijn.

Ik wil hier niet verder op ingaan, maar mij concentreren op de gevolgen van een introverte opstelling ten opzichte van de buitenwereld. Ik richt mij nu dus op de tweede punt uit mijn communicatie-definitie. Daarbij zal ik voorbeelden zoeken die iets dichter bij uw vakgebied liggen dan de kibbelende filosofen en fysici.

Granieten grot

Vanouds wordt het beeld van de ivoren toren gebruikt om de isolatie van de wetenschappers ten opzichte van de samenleving te schetsen. Dat beeld geldt niet meer in zijn oude vorm. Het bij die toren horende voetstuk is aan de professoren ontnomen. Iedereen heeft tegenwoordig wel een kennis die aan de universiteit studeert of heeft gestudeerd. Via contractonderzoek staat de academische wetenschap met beide voeten in de maatschappij. En toch zijn wetenschappers nog te blind voor de werkelijkheid. In mijn boek concludeer ik dat de ivoren toren plaats heeft gemaakt voor de granieten grot. De metafoor van dr. Nobel Preis past bij dat beeld.

De naam van dr. Nobel Preis is eigenlijk niet goed gekozen aangezien hij geen verstrooide professor is wiens ontdekkingen in aanmerking komen voor de Nobelprijs maar een uitvinder die de mensheid van nuttige gebruiksvoorwerpen wil voorzien. In de praktijk lopen - zeker in de westerse wereld - veel wereldvreemde uitvinders rond die produkten bedenken waar geen mens op zit te wachten en waarvan ze zelf ook hadden kunnen bedenken dat ze niet zouden aanslaan. Aan Mathieu Weggeman - hoogleraar aan deze universiteit - heb ik het volgende voorbeeld ontleend.

Ingenieurs bij Philips werkten een tijd geleden aan een rijst-kookmachine voor de Chinese thuismarkt. Een groot probleem daarbij was de rijst niet te laten klonteren. Met veel inspanningen hadden ze daar een oplossing voor gevonden. Eenmaal op de markt gebracht, bleek het produkt niet aan te slaan. Toen ze ter plaatse poolshoogte namen, zagen ze dat de Chinezen rijst met stokjes eten; kleffe rijst wel te verstaan omdat anders de hap voortijdig van de stokjes zou vallen. De reactie van het thuisfront had een hoog Nobel-Preisgehalte: "wanneer leren die Chinezen eens rijst eten?" Dit voorbeeld is extreem, maar ook illustratief, zeker voor Philips dat zich tot voor kort profileerde met de slogan Philips invents for you.

Doe zoals ingenieurs van Matsushita die een automatische broodbakmachine ontwikkelden voor thuisgebruik. Het lukte niet goed met die machine. Om het beter te doen, gingen ze niet zoals in het geval van de rijstkokers bij Philips in eigen kring aan het werk maar men stuurden iemand naar een goede broodbakker om daar de tacit knowledge op te snuiven. Daar werd ontdekt dat broodbakkers het deeg tegelijk trekken en draaien, twee handelingen die in de machine na elkaar werden uitgevoerd. Gewapend met dit inzicht werd de machine aangepast, en toen deze ook gelijktijdig trekkende en draaiende bewegingen maakte, werd deeg van goede kwaliteit afgeleverd. Dus meer afkijken bij mensen die op een bepaald gebied meer weten.

Tekorten technici

Het belang om kennis buiten het eigen vakgebied te halen, geldt ook voor toegepaste wetenschappen buiten de -sector. In mijn boek besteed ik veel aandacht aan economische analyses over technologie. Economische rekenmeesters concluderen dat Nederland te weinig aan R&D doet, terwijl bedrijven beweren dat ze evenveel doen als hun concurrenten. Ik wil hier een ander voorbeeld noemen, dat nog dichter bij jullie beleving zal staan.

In Duitsland, bijvoorbeeld, studeert een op de vijf studenten een technische wetenschap, in Nederland slechts een op de zestien.

Deze conclusie trekt de commissie Verruijt die tot taak had de toekomst van de Technische en de Natuurwetenschappen te verkennen. Deze commissie was ingesteld door de KNAW, op verzoek van de OCV. Als die organisaties u onbekend zijn, dan volstaat de wetenschap dat het toonaangevende instanties zijn. In de commissie zaten toonaangevende mensen.

Een op de zestien, tegenover een op de vijf. Die conclusie trok de commissie Verruijt op basis van cijfers van het CBS[2]. Volgens het CBS is in maakt de sector techniek in Nederland 6% van het aantal studenten uit terwijl dat in Duitsland 19% is. In Duitsland kiezen dus drie maal zoveel studenten voor techniek als in Nederland. Dat is echt zorgwekkend, als dat zo zou zijn. Maar kan dat wel waar zijn? Is het echt zo sterk verschillend. Een lid van de commissie Verruijt zei die vraag wel gesteld te hebben, maar hij werd het zwijgen opgelegd met de mededeling dat het CBS het allemaal prima had berekend. Als deze criticus iets meer had doorgedacht, had hij zelf de onjuistheid van deze cijfers kunnen aantonen.

Denkt u maar even met mij mee

1. Drie van de dertien Nederlandse universiteiten zijn technisch, of eigenlijk vier van de veertien. Dus het lijkt eerder 1 op 4 dan 1 op 16.
2. De TU's zijn kleiner dan de grote Algemene universiteiten, maar samen zijn ze groter dan de grootste. Dus minder dan 1 op 10 kan het in elk geval niet zijn.
3. Die conclusie kan overigens ook getrokken worden uit de eerder getoonde grafiek over de toename van het aantal studenten. Van de acht HOOP-gebieden is de techniek het grootste.

In de CBS-publicatie komt een categorie voor die meteen mijn aandacht trok; de groep handel/kunstnijverheid/ industriële planning. Het CBS telt in die sector 11% van de studenten terwijl Duitsland in die categorie op 0% blijft steken.

Veel andere organisaties, zoals de OESO en EUROSTAT, voegen in hun statistieken beide categorieën samen tot techniek. Dat is voor Nederland ook terecht, aangezien vrijwel het volledige HBO-techniek onder deze categorie valt. Als we beide categorieën sommeren, komt Nederland op 17% en Duitsland op 19% uit.

Verruijt zegt dat de techniek in Duitsland - relatief gezien, uiteraard - driemaal zo groot is als in Nederland. Dat is onjuist, de sectoren zijn in beide landen vrijwel even groot. De natuurwetenschappen zijn in Duitsland - relatief gezien - vier maal zo groot als in Nederland. Daar zit het verschil.

Het gaat mij hier niet om de vraag hoe het precies is gesteld met het tekort aan 's, maar om de conclusie dat je meer naar buiten moet kijken als je met onderzoek bezig bent. Doe je dat niet, dan stel je al snel een verkeerde diagnose van de patiënt. Jullie collega's in de geneeskunde leren dat je zoiets niet straffeloos kunt doen.

Critische consument

De voorbeelden van de verdwenen technici en de rijst etende Chinezen zijn geen uitzonderingen. Althans ik kom ze in vrijwel alle mij bekende takken van wetenschap tegen. En zeker niet alleen in de toegepaste wetenschappen. Ik denk dat het tegendeel eerder het geval is. Als ingenieur kun je je namelijk niet veroorloven om te lang en te ver van de buitenwereld afgesloten te zijn. Dat geldt zeker voor het bedrijfsleven. Bedrijven die te weinig nadruk leggen op die interactie, krijgen het moeilijk in de concurrentiestrijd; met veel dr. Nobel Preisen dreigt een faillissement. De veranderingen die Philips de laatste tijd heeft ondergaan, passen in dat beeld. Men kan het zich eenvoudigweg niet veroorloven om zelf te bepalen wat voor de consument uitgevonden moet worden. Ik noemde de leuze Philips invents for you. De huidige slogan lets make things better illustreert de cultuuromslag. Binnen de academische wetenschap ontbreekt een dergelijke terugkoppeling vanuit de maatschappij en mede daardoor is er veel meer ruimte voor dr. Nobel Preisen dan in de technologie.

Dr. Nobel Preis is een voortreffelijk vakspecialist in de diepte maar het ontbreekt hem aan kwaliteiten in de breedte. Het ontbreekt hem aan academische vorming, zou ik vandaag willen zeggen. Voor jullie latere beroepspraktijk is dat funest. Een enkeling à la, maar de meerderheid, nee dat is toch echt niet van deze tijd.

Onderwijs en onderzoek

Er doemt een paradox op die verband houdt met de eerder gepresenteerde stelling over diepte en breedte. Aansluitend bij een eerdere definitie zou ik academische vorming omschrijven als

1.. ontplooiing van analytische, conceptuele, creatieve vermogens (taak van eigen studierichting)

in combinatie met

2. communicatieve vaardigheden (dit vraagt om inspanningen buiten de eigen discipline).

Voor academisch onderwijs heb je onderzoek nodig; niet als doel op zich, maar als een omgeving waarin je kritisch, constructief, analytisch en conceptueel leert denken en handelen. Je werkt in een omgeving waarin gewerkt wordt aan problemen die nog geen oplossingen kennen. Om oplossingen te kunnen aandragen, moet je het betrokken probleemgebied zeer grondig kennen. Dus voor wetenschappelijk onderzoek moet je zeer gespecialiseerd zijn. Zonder door de rietjes te kijken, kom je in de wetenschap niet ver. Dat geldt ook voor de technische wetenschappen.

Dit leidt in feite tot een paradox:

- academisch onderwijs studenten breed moet leren kijken, en
- academisch onderzoek vereist deskundigheid binnen een zeer klein specialistisch gebied.

Je kunt de tegenstelling overbruggen door een deel van de studie te besteden aan vakken buiten het eigen specialisme; bijvakken Techniek & Maatschappij, Studium Generale, enzovoort. Maar daarmee los je de gesignaleerde nadelen van de eendimensionale wetenschap niet op. Bovendien voorzie je met de aldaar opgedane kennis maar voor een beperkt deel in de broodnodige academische vorming. Gelukkig vindt de meerderheid van de geïnterviewden ook niet dat het Studium Generale bij uitstek de instantie is om academische vorming gestalte te geven. Ik heb jaren voor het Studium Generale gewerkt, dus ik mag het zeggen.

Voor een klein aantal mensen heeft het Studium Generale wel die vormende functie. Ik denk dan met name aan de medewerkers van het bureau Studium Generale. En voor deze universiteit, ook aan de studenten in de voorbereidingscommissies. Ook de organisatoren van dit congres hebben hun academische vorming verbreed en verdiept. De combinatie van kennis verwerven en handelen is volgens mij van groot belang.

Het Studium Generale zou wel een zwaarder accent in de brede academische vorming kunnen krijgen als de programma's veel docenten als bezoekers weten te trekken. Immers, onderzoekers moeten ook breder leren kijken, en breder blijven kijken. Docenten moeten bijvakken Techniek & Maatschappij volgen, naar een Studium Generale gaan. Dat zal hun werkwijze veranderen, ze zullen af en toe buiten het rietje kijken. En die werkwijze zal afstralen op studenten, die zodoende ook veel in de diepte en af en toe in de breedte leren kijken. Als de docenten naar een Studium Generale gaan, zullen zij wellicht de studenten meenemen, zoals ik vroeger met hoogleraren uit de afstudeerwerkgroep naar een natuurkunde colloquium ging. Als concrete suggesties om de discussie te prikkelen, heb ik drie stellingen

1. Een (verplicht) Studium Generale voor het wetenschappelijk personeel.
2. Een Substantieel deel (bijvoorbeeld helft) van de colloquia laten verzorgen door ingenieurs die buiten het betrokken onderzoeksgebied werken.
3. Geef meer ruimte aan (multidisciplinaire) ontwerpersopleidingen

Wat betreft het derde punt moet ik deze universiteit overigens een compliment maken. In 1992 kwam de AWT met een advies over de ingenieursopleiding[3]. Daarin werd voorgesteld om de ingenieursopleiding in tweeën te knippen. Vier jaar in de disciplinaire diepte en daarna een of twee jaar in de breedte via de ontwerpersopleiding. De minister heeft er niet veel naar geluisterd, maar deze universiteit heeft echt invulling gegeven aan de ontwerpersopleiding. Ik geloof dat de helft van de AIO's op 2-jarige ontwerp-plaatsen zit. Het is nog te weinig als we kijken naar het totaal aantal studenten in de eerste fase, maar het is een belangrijk begin. Ik heb begrepen dat deze universiteit er sier mee wil maken, en dat kan zeker vruchten afwerpen.

Ik weet niet of de ontwerpersopleiding voldoende ruimte biedt voor multidisciplinaire samenwerking. En ik betwijfel ook of de eerste punten voldoende aandacht krijgen. Er is dus nog veel werk aan de winkel. Veel verbeteringen zijn op de werkvloer door te voeren. Het personeelsleden onder u zou ik als motto willen meegeven

Verander de wetenschap, begin bij jezelf.

Goed gedrag moet worden beloond. Dus de minister moet universiteiten en faculteiten belonen die hun studenten goed voorbereiden op de arbeidsmarkt. Dat brengt mij bij de reeds eerder aangehaalde stelling dat de primaire taak van universiteiten betrekking heeft op het opleiden van hooggekwalificeerde arbeidskrachten. Dit betekent dat universiteiten eerst en vooral moeten worden beoordeeld op het succes van de afgestudeerden op de arbeidsmarkt.

Aangezien de arbeidsmarkt multidisciplinair is, betekent dit automatisch ook een beloning voor opleidingen die diep en breed zijn. Het succes op de arbeidsmarkt als sturings- en financieringsmechanisme, dat is het pleidooi van de AWT. De overheid moet bij de beoordeling van de kwaliteit van de universiteiten het accent verleggen van het onderzoek naar het onderwijs. Dit wordt ook wel eens uitgedrukt in de slogan van 'citiation index' naar 'alumni index'

Sturende studenten

Ik zal hier niet verder ingaan op de rol van de overheid. Voor de huidige generatie studenten is het misschien ook niet eens zo relevant wat de politiek gaat doen. Als de minister naar de AWT zou luisteren, zal dat jullie tijd wel duren voor veranderingen zijn geëffectueerd. Dus daar zou ik niet op wachten. Wend je eigen invloed aan. Nu is dat wellicht beter mogelijk dan ten tijde van de WUB. De WUB gaf studenten medezeggenschap, zonder noemenswaardige invloed op het onderwijs. Nu de WUB is afgeschaft, kunnen studenten zich als consumenten organiseren om de kwaliteit van het onderwijs af te dwingen.

Als consument kun je waar voor je geld vragen. Je hebt het misschien niet zelf betaald, maar het is wel voor jou betaald. Het minste wat je mag vragen is dat ze je goed op de arbeidsmarkt voorbereiden. Daarbij is het niet voldoende dat de afgestudeerden werk vinden.

Vaak wordt gezegd dat hoger opgeleiden meer kans op werk hebben dan laag opgeleiden. Dat noem ik geen prestatie, aangezien ze relatief getalenteerd zijn. Er zijn studierichtingen waar de afgestudeerden meer kans lopen werkloos te worden en blijven dan zeg mensen met een MBO-opleiding. In dat geval heeft de opleiding geen meerwaarde, maar een minderwaarde opgeleverd. Als betrokkene meteen na het VWO was gaan werken, zou hij of zij meer kansen op de arbeidsmarkt hebben gehad.

Een vergelijking met de gemiddelde arbeidsmarkt cijfers is helemaal niet relevant voor ingenieurs. De technische studies trekken mensen met relatief zeer hoge cijfers op de middelbare school; dus een groep die van nature goed bemiddelbaar moet zijn op de arbeidsmarkt. Als een opleiding een meerwaarde wil opleveren, moeten jullie in elk geval beter op de arbeidsmarkt scoren dat de gemiddelde academicus. Niet alleen gemeten naar de kans op werk na de studie, maar ook gemeten naar de kwaliteit van de loopbaan. Zowel aan het begin van de carrière als na verloop van een aantal jaren. Om te kunnen beoordelen of je waar voor je geld en tijd krijgt, kun je als student eisen dat de universiteiten de opleidingskwaliteit meten, bijvoorbeeld door de loopbaan van afgestudeerden te volgen.

Gelet op de geluiden die thans uit de voor jullie relevante arbeidsmarkt komen, zal de kwaliteit van de loopbaan afhangen van de mate waarin afgestudeerden de specialistische vakkennis in de diepte weten te combineren met vaardigheden om de eigen kennis met die van anderen weet te combineren.

En daarmee ben ik weer aangeland bij de titel van mijn betoog.

Noten

[1] Wisselwerking tussen 'zachte' en 'harde' kennis. Benutting van a- en g-kennis in van oudsher b-dominante sectoren. AWT-advies nr. 29, Den Haag, oktober 1997.

[2] Kennis en economie 1996, CBS, Voorburg/Heerlen, 1996.

[3] Technici en onderzoekers; kwaliteit en kwantiteit, AWT-advies nr. 11, Den Haag, december 1992.

Terug naar de startpagina voor eendimensionale wetenschap

Terug naar overzicht artikelen.

Naar het overzicht van persreacties.

Bestelling