Zonder integratie van wetenschap en techniek zijn wetenschapsmusea saai en weinig informatief.


Hendrik Snijders
Tijdschrift voor Wetenschap, Technologie & Samenleving (WTS) Jaargang 5, Nr. 2, 1997

In de rubriek Arena-debat van het tijdschrift Wetenschap, Technologie & Samenleving wordt een stelling geponeerd door E.J. Tuininga, hoogleraar WTS aan de natuurwetenschappelijke faculteiten van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Hij nodigt steeds twee mensen uit om op deze stelling te reageren, waarbij hij probeert tegengestelde opinies aan bod te laten komen. In nr. 2 van 1997 luidde de stelling "In wetenschapsmusea worden wetenschap en techniek teveel op één hoop gegooid" Voorstander was Wiro Jan Beek, hoogleraar natuurkunde bij de faculteit Bewegingswetenschappen van de VU en oprichter van het Techniekmuseum te Delft. Zijn betoog droeg de titel "Welkom in newMetropolis, ons nieuw nationaal?"

Hieronder volgt de tekst van mijn pleidooi tegen de stelling. Hierbij wordt voortgeborduurd op hetgeen in het boek Eendimensionale wetenschap is betoogd over de Europese publiekscentra op het gebied van wetenschap en techniek.

Net als bij veel musea met een kunsthistorische of archeologische collecties rukken veel wetenschaps- en techniekmusea het tentoongestelde uit hun omgeving. Zolang het gaat om juweeltjes of alom bekende voorwerpen kan het tentoongestelde het bezoeken meer dan waard zijn. Op het gebied van natuurwetenschappen en technologie geldt dat bijvoorbeeld voor elektriseermachines in het Teylersmuseum en voor ruimtevaartuigen in het Air and Space Museum in Washington; wie wil dat alles niet een keer in het echt zien? Maar al snel is sprake van collecties die louter interessant zijn voor mensen die voordien al wisten waarom het een en ander leuk, belangrijk of mooi is. Zo toont het Praagse techniekmuseum een prachtige verzameling antieke camera's maar het blijft onduidelijk wat je er mee kunt of hoe fotografen technisch en artistiek werken. In het Weense techniekmuseum zijn fraaie locomotieven te zien waar de bezoeker vooral met zijn vingers af moet blijven. Het Deutsches Museum in München heeft zalen vol oude vliegtuigen en auto's ingericht. Helaas leer je maar bar weinig over de werking van al die vervlogen glorie. Het Londense Science Museum, van een nog erger laken een pak. Het Parijse La Villette toont hedendaagse techniek, bijvoorbeeld op het gebied van het diepzeeduiken. Leuk, maar wat moet je er mee zonder verdere uitleg?

Afgaande op de belangstelling negeren de meeste bezoekers de museale collecties; behalve de reeds ingewijde hobbyisten die al van de hoed en de rand weten op het gebied van oldtimers en vliegtuigen zijn die overigens betrekkelijk talrijk zie je alleen mensen die zijn verdwaald tijdens de zoektocht naar meer interessante plekken. Dat blijken vooral vertrekken te zijn waar de bezoeker de handen uit de mouwen mag steken: doe-centra, hands on vertrekken, of welke benaming die wetenschappelijke en technische speeltuinen ook mogen hebben. Daar kan de bezoeker zich vermaken, zich laten verwonderen, zich op het verkeerde been laten zetten of anderszins in verwarring worden gebracht die de nieuwsgierigheid prikkelt. Ook kan men ter plekke vaak zelf uitvinden hoe iets in elkaar zit. Deze doe-vertrekken moeten we niet verwarren met wetenschap aangezien het veelal gaat om kennis die thans op de middelbare school wordt gedoceerd. Hedendaagse wetenschap komt in sommige musea ook expliciet aan bod, maar dat gebeurt vaak nog beperkter dan bij de technologie al het geval is. In het Deutsches Museum heeft men bijvoorbeeld een bewonderenswaardige poging gedaan om de quantummechanica voor het voetlicht te brengen, maar het resultaat is bedroevend. Deze afschrikwekkende expositie laat zich letterlijk en figuurlijk lezen als een leerboek, met alle saaiheid van dien. Niets over de fascinerende filosofische discussie die veel niet-fysici blijkt te boeien, terwijl een museum op dat gebied iets kan toevoegen aan hetgeen in boeken valt te lezen en een enkele keer op de televisie valt te zien. Ook blijft de bezoeker in onwetendheid over hedendaagse technologische toepassingen op basis van de quantummechanica. Wie overwoog om een exacte studierichting te kiezen, moet hier wel op andere gedachten worden gebracht.

Bovenstaande schets van de wetenschaps- en techniekmusea heb ik ontleend aan mijn proefschrift Eendimensionale wetenschap; bespiegelingen over bruggen tussen berekenen en beschouwen. (1997, Creon; een samenvatting is te vinden op mijn Web-Site: www.awt.nl/prive/snijders/) In dit boek analyseer ik onder andere de manier waarop wetenschap en technologie in veel musea wordt getoond. Het vormt een van de vele cases over de communicatie tussen wetenschappers en mensen buiten het eigen vakgebied. Die buitenstaanders zijn collega's uit andere disciplines, onderzoekers buiten de academische subcultuur en mensen buiten het onderzoekssysteem. In elk van de beschouwde cases kom ik tot de conclusie dat wetenschappers zich te eenzijdig opsluiten binnen de dimensies van het eigen vakspecialisme. Dat is niet alleen nadelig voor de buitenwereld, maar ook voor de ontwikkeling van de wetenschap zelf. Ik zal deze conclusie ik hier niet verder toelichten maar mij beperken tot een schets van enkele voorbeelden die verduidelijken waarom wetenschap, technologie en fun elkaar wederzijds kunnen versterken.

Joost Douma onderscheidde in het eerste nummer van WTS vier generaties wetenschapsmusea. Van de laatste generatie zijn nog weinig voorbeelden; het Amsterdamse newMetropolis (de volksmond moet maar snel een goed in het gehoor liggende roepnaam bedenken) is een van de eerste. Gezien de doelstellingen lijkt hier de scheiding tussen wetenschap, techniek en fun afwezig, maar de toekomst moet leren of de Amsterdamse nieuweling zich daadwerkelijk tot een funtropolis ontwikkelt. Wat betreft de eerste drie generaties zie ik vanuit de optiek van attractiewaarde overigens niet veel verschil en zeker geen vooruitgang; het door Douma als derde generatie betitelde Palais de la Decouverte in Parijs is zo mogelijk nog eenzijdiger naar binnen gekeerd als het Deutsches Museum dat Douma tot de tweede generatie rekent. Uit deze typering mag u niet concluderen dat iedereen de bestaande wetenschaps- en techniekmusea links moet laten liggen. Er valt veel te zien en te beleven dat de moeite waard is, zoals dat ook geldt voor veel musea op kunsthistorisch en archeologisch gebied. Maar het zou beter kunnen. Het lijkt mij essentieel dat daarbij de band tussen wetenschap en techniek wordt versterkt. Ik wil die stelling illustreren met twee voorbeelden.

Op het gebied van de natuurkunde zou een hedendaags wetenschapsmuseum aandacht moeten besteden aan supergeleiding. Van museale waarde zijn de spoeltjes die Kamerling Onnes of beter, zijn assistent en feitelijke ontdekker Holst gebruikte bij de ontdekking van supergeleiding, maar het zal geen drommen mensen trekken. Sinds materialen zijn gevonden die supergeleidend zijn bij de temperatuur van vloeibare stikstof zijn verbazingwekkende demonstraties uit te voeren. Een druppel vloeibare stikstof en een plaatje van supergeleidende materiaal gaat zweven boven een magneet. Dit effect moet te benutten zijn in geavanceerde kermisattracties die speelse scholieren fascineren. Wie het naadje van de kous wil weten, zou plaats moeten kunnen nemen achter een beeldscherm om via computersimulaties het effect van supergeleiding verder te doorgronden. Dat is niet mogelijk tot op het bot, aangezien wetenschappers het effect zelf nog maar ten dele begrijpen. Dit gebrek aan inzicht vormt echter geen bezwaar. Integendeel, het vormt juist een charme omdat er nog hoop is voor toekomstige onderzoekers die iets nieuws aan de weet willen komen. Wie meer wil weten over het proces van wetenschap, kan geïnformeerd worden over de hectische taferelen nadat de eerste 'hete' supergeleidende materialen werden ontdekt. Complete volksstammen onderzoekers wenden zich af van de bestaande programma's en gingen betrekkelijk lukraak aan het bakken en braden om maar als eerste een materiaal te vinden dat bij recordtemperaturen de weerstand voor elektrische stromen zou verliezen. Wie minder is geïnteresseerd in het wetenschappelijk proces, kan zich verder verdiepen in de toepassingsmogelijkheden van supergeleiding. Supersnelle zwevende treinen, supergeleidende magneten in de gezondheidszorg of in het onderzoek naar nieuwe elementaire deeltjes, enzovoort. Wie alleen in dergelijke toepassingen is geïnteresseerd, zal hier waarschijnlijk als eerste naar toe gaan. Als de belangstelling wordt geprikkeld en de vraag opdoemt hoe dat allemaal werkt, komt de bezoeker vanzelf terecht bij de zwevende kermisattracties, de computeranimaties en wellicht ook bij de spoeltjes van Kamerling Onnes en Holst.

Op raakvlakken van scheikunde, biologie en gezondheidszorg vraag het genetisch onderzoek aandacht. Het wetenschappelijk plakken en knippen van DNA kun je op een zeer leuke manier uitleggen, zoals bijvoorbeeld gebeurt in het National Museum of American History (jawel in het geschiedenismuseum in Washington) aan de hand van A Night at the Opera. In deze film stoppen de Marx Brothers een pagina met hoempamuziek tussen de pagina's klassieke muziek. Het resultaat is zeer komisch, zoals we van de broers gewend zijn. En de uitleg is zeer inzichtelijk, bij genetische manipulatie wordt een stuk DNA in een bestaande keten gevoegd, zoals de Marx Brothers een pagina muziek invoegden. In het Amerikaanse museum ontbreekt de link met de technologische toepassingen, zodat velen zich afvragen wat je er allemaal mee kunt. Of beter, die vraag wordt niet gesteld omdat mensen de stand voorbij lopen. Wie de toepassingen meer centraal zet, loopt minder kans dat de stand leeg blijft, zeker als verband wordt gelegd met actuele vraagstukken, zoals de commotie rond het schaap Dolly. Zonder Dolly gaat de boodschap via de Marx Brothers verloren en zonder Marx Brothers blijft de bezoeker even onwetend over het hoe en waarom van Dolly als hij of zij voordien was. Indien aandacht wordt geschonken aan de combinatie van wetenschap en techniek, kan voor de echt geïnteresseerde nog meer worden uitgelegd. Veel mensen lijken bij Dolly visoenen te krijgen over volledig in laboratoria geconstrueerde mensen. Als die stap al te zetten is, zal het zeer veel voeten in de aarde hebben. De bezoeker kan dat aan de lijve ondervinden; het aanpassen van een bepaalde eigenschap is nog wat anders dan een weloverwogen combinatie van genetische eigenschappen in elkaar draaien, net zoals het tussenvoegen van een bestaand stuk muziek iets anders is dan het (her)schrijven van een volledige symfonie. Misschien komen bezoekers die dachten dat het allemaal niet zo'n vaart loopt tot de conclusie dat wetenschappers en technologen veel verder zijn dan ze dachten. Zij komen wellicht kritischer uit het museum dan ze naar binnen gingen. Ook prima.

De twee voorbeelden geven een indruk hoe belangrijk de combinatie van wetenschap, technologie en fun vaak is. Als de technologie en de toepassingsmogelijkheden worden weggelaten, blijft onduidelijk waarom supergeleiding, genetische manipulatie, enzovoort, zo belangrijk zijn. Bovendien valt dan niet te begrijpen waarom onderzoekers zich zo gretig op bepaalde vakgebieden storten. Zonder wetenschappelijke uitleg blijft de bezoeker onwetend hoe alles werkt. Zonder fun verwordt alles tot een saaiheid die kan concurreren met de Franse duikboten en de Duitse quantumuitleg.

Terug naar de startpagina voor eendimensionale wetenschap

Terug naar overzicht artikelen.

Naar het overzicht van persreacties.

Bestelling