Onderwijs als brug tussen maatschappij en wetenschap


Hendrik Snijders
Tijdschrift voor Wetenschap, Technologie & Samenleving (WTS) Jaargang 5, Nr. 3, 1997

"Veel wetenschappers doen mij denken aan dr. Nobel Preis uit Sesamstraat die in de beslotenheid van zijn eigen laboratorium de meest ingenieuze ontdekkingen doet. In zijn geval betreft het uitvindingen die reeds lang als gebruiksvoorwerpen bekend zijn, zoals de tingeltafel die bij onthulling een piano blijkt te zijn. Wie niet naar buiten kijkt, loopt het gevaar om zich net als dr. Preis van de relevante werkelijkheid af te zonderen. Aangezien buiten het eigen laboratorium zoveel kennis en kunde liggen opgeslagen, valt er op veel wetenschapsgebieden nog veel te leren."

Dit citaat is afkomstig uit mijn proefschrift Eendimensionale wetenschap.[ 1] De naam van dr. Nobel Preis is eigenlijk niet goed gekozen aangezien hij geen verstrooide professor is wiens ontdekkingen in aanmerking komen voor de Nobelprijs; hij is veeleer een uitvinder die de mensheid van nuttige gebruiksvoorwerpen wil voorzien. Ook buiten Sesamstraat worden de verschillen tussen wetenschap en technologie, tussen ontdekkers en uitvinders, vaak genegeerd.

Technologie en maatschappij

Er lopen veel wereldvreemde uitvinders rond die produkten bedenken waar geen mens op zit te wachten en waarvan ze zelf ook hadden kunnen bedenken dat ze niet zouden aanslaan. Aan Mathieu Weggeman heb ik het voorbeeld ontleend van de ingenieurs bij Philips die een rijst-kookmachine ontwikkelden voor thuisgebruik in China.[ 2] Een groot probleem daarbij was de rijst niet te laten klonteren, maar na veel inspanningen vonden ze daar een oplossing voor. Eenmaal op de markt gebracht, bleek het produkt niet aan te slaan. Toen ze ter plaatse poolshoogte namen, zagen ze dat de Chinezen rijst met stokjes eten; kleffe rijst wel te verstaan, omdat anders de hap voortijdig van de stokjes zou vallen. De reactie van het thuisfront had een hoog Nobel-Preisgehalte: "wanneer leren die Chinezen eens rijst eten?" Dit voorbeeld is extreem, maar ook illustratief, zeker voor Philips dat zich tot voor kort profileerde met de slogan Philips invents for you.

Dat technologen de consumenten de wet niet kunnen voorschrijven met behulp van superieure technologie, blijkt ook uit grootschaliger projecten dan de rijst-kookmachine. Volgens deskundigen, maar ook volgens mijn eigen ervaringen, was het V2000 videosysteem van Philips technologisch gezien superieur aan het VHS-systeem dat nu de markt domineert. Op het gebied van de huiscomputers zou Apple met zijn Macintosh vanuit technologische optiek en wellicht ook gemeten naar prijs/prestatieverhouding marktleider moeten zijn geworden in plaats van de MS-DOS computers.

Bovenstaande voorbeelden kunnen met legio andere - zowel positieve als negatieve - worden aangevuld. Ze illustreren dat technologische ontwikkelingen niet los staan van de maatschappij. Er zijn tal van spelers: technologen, managers, consumenten, belangenorganisaties, overheden die interactief met elkaar in verband staan. Deze dynamische wisselwerking treedt in veel wetenschappelijke analyses van technologie echter niet bepaald op de voorgrond. Vaak wordt technologie als een tamelijk autonoom proces afgeschilderd waarbij ofwel de negatieve ofwel de positieve kanten centraal staan. De negatieve aspecten treden vaak op de voorgrond in filosofische en ethische beschouwingen, maar ook in een groot deel van de W&S-beweging.

Aan de atoombewapening en milieuvervuiling werden destijds belangrijke kritiekpunten over de wetenschap ontleend. Als begin in het maatschappelijk bewustmakingsproces is dat ook niet slecht. Bovendien is het vaak nodig om je als actiegroep op een element te focusseren. Tegenwoordig overstijgen veel filosofisch en ethisch ingestelde wetenschappers deze one issue beweging nauwelijks. Zeer scherp proef ik dat in twee bundels van Vlaamse filosofen en ingenieurs.[ 3] De meeste auteurs schetsen het beeld waarin de mensheid ecologisch naar verdoemenis gaat als gevolg van technologische ontwikkelingen.

Deze negatieve belichting van techniek verschilt hemelsbreed van het beeld van economen en technologen die menen dat landen naar de economische afgrond gaan als ze niet in de pas lopen met de technologische ontwikkelingen. Die verheerlijking van de technologie spreekt uit technologienota's van de regering, maar ook uit onderzoeksrapporten van organisaties als de OESO. In mijn boek concentreer ik mij op het werk van MERIT, in het bijzonder de nota's STEMMING. Mijn kritiek wordt (uiteraard) niet door hen gedeeld, zoals blijkt uit de reactie die Bart Verspagen op Internet heeft gezet.[ 4]

Mijn conclusie is dat zowel de pleitbezorgers als angsthazen de maat van de techniek niet kennen. Bedrijven die zo blind zijn voor de interactie tussen technologie en maatschappij, krijgen het moeilijk met de concurrentie; met veel dr. Nobel Preisen dreigt een faillissement. De veranderingen die Philips de laatste tijd heeft ondergaan, passen in dat beeld. De leuze lets make things better illustreert die cultuuromslag.

Wetenschap en maatschappij

Binnen de academische wetenschap ontbreekt een terugkoppeling vanuit de maatschappij en mede daardoor is er veel meer ruimte voor dr. Nobel Preisen dan in de technologie. Wetenschappers die zich binnen het eigen vakgebied opsluiten, hebben de wind zelfs in veel opzichten mee. Via tellingen van citaties, visitaties door commissies die geheel of grotendeels uit vakbroeders bestaan, enzovoort, worden academische wetenschappers gestimuleerd geen millimeter buiten de dimensies van de eigen discipline te treden. Die opsluiting hoeft weliswaar niet altijd en voor iedereen erg te zijn, maar de afzondering is te dominant. Dit betekent niet dat de monodisciplines aan de wilgen gehangen moeten worden en dat iedereen zich moet toeleggen op de multidisciplinaire verbreding. Het is voor de overgrote meerderheid van onderzoekers menselijkerwijs onmogelijk om op twee of meer terreinen deskundig te zijn.

Bij de combinatie van twee disciplines die raakvlakken met elkaar vertonen, wordt vaak gesproken van interdisciplinair onderzoek, maar in feite is veelal sprake van de ontwikkeling van een nieuwe discipline. Dat is bijvoorbeeld het geval op biomedisch gebied, waar zich een vakgebied heeft ontwikkeld dat even mono- disciplinair is de 'moederdisciplines'. Er zijn slechts enkele gebieden waarvoor duodisciplinair werken noodzakelijk is, zoals voor de geschiedenis en filosofie van een vakgebied.

Universiteit Aantal buitengewone hoogleraren.
Universiteit van Amsterdam
Vrije Universiteit
Universiteit Utrecht
Rijksuniversiteit Groningen
Erasmus Universiteit Rotterdam
Universiteit Leiden
Technische Universiteit Delft
Universiteit Maastricht
Katholieke Universiteit Brabant
Landbouw Universiteit Wageningen
Universiteit Twente
ca. 150
ca. 125
ca. 100
96
85 + 15 vacant
85
52
ca. 50
37
33
23

Wat betreft de filosofie was vroeger vaak ook sprake van een dubbele opleiding - of tenminste een anderhalve studie - doordat men pas na het kandidaats of doctoraal examen met de studie filosofie begon. Duodisciplinair werken komt ook vaak tot uiting bij degenen die studie maken van de geschiedenis van de natuur- wetenschappen en techniek. Op de totale wetenschap gaat het bij de duodiscipliniare wetenschappers echter om uitzonderingen die de algemene regel bevestigen. Bovendien is het de vraag of hier echt sprake is van multidisciplinariteit. Gemeten naar de breedte van het werkterrein zijn deze vakge- bieden echter niet breder dan een willekeurig ander terrein.

Om de eendimensionale opsluiting te verminderen, gaat het in de eerste plaats om het samenvoegen van kennis door deskundigen uit verschillende vakgebieden; twee weten meer dan een. Maar dan moeten ze wel de oren en ogen openhouden voor de kennis en kunde die beschikbaar is buiten de eigen discipline. Niet alleen binnen de wetenschap, maar ook daarbuiten. Doe zoals ingenieurs van Matsushita die een automatische broodbakmachine ontwikkelden voor thuisgebruik. Het lukte niet goed met die machine. Om het beter te doen, gingen ze niet, zoals in het geval van de rijstkokers bij Philips, in eigen kring aan het werk maar men stuurde iemand naar een goede broodbakker om daar de tacit knowledge op te snuiven.[ 5] Daar werd ontdekt dat broodbakkers het deeg tegelijk trekken en draaien, twee handelingen die in de machine na elkaar werden uitgevoerd. Gewapend met dit inzicht werd de machine aangepast, en toen deze ook gelijktijdig trekkende en draaiende bewegingen maakte, werd deeg van goede kwaliteit afgeleverd.

Wetenschap & Samenleving

Naar de aard van de wetenschap is het moeilijk voor afzonderlijke individuen om multi- of interdisciplinair te werken. Hoe sterk de zuigende kracht van mono- disciplinaire wetenschap is, komt sterk naar voren bij de gebieden die uit de vroegere W&S-beweging zijn ontstaan. Een gedeelte van het W&S-onderwijs is overgegaan in onderzoek op het gebied van wetenschapsdynamica, dat op zijn beurt opgeslokt lijkt te worden door de filosofie.

Voor zover analyses van wetenschap en technologie worden gemaakt, ontaarden die vaak in extreme schetsen die door de wetenschappers niet worden gepruimd. Dit gebrek aan waardering treedt bijvoorbeeld op de voorgrond bij voor Bruno Latour, de Franse wetenschapsfilosoof of -socioloog die furore heeft gemaakt met zijn boek over wetenschap in actie.[ 6] De aversie tegen Latour klinkt in Nederland door in columns die de Amsterdamse fysicus Ad Lagendijk voor de Volkskrant schrijft.

Internationaal trekt de Amerikaanse fysicus Alan Sokal de aandacht. Sokal schreef een parodie op de postmodernistische wetenschapskritiek. Na de onthulling dat de gepubliceerde tekst nep was, werd Sokal wereldberoemd.[ 7] Het zou mij niet verbazen als Alan Sokal de C.P. Snow van de volgende eeuw wordt. Sokal is inmiddels een gevierd spreker op congressen, zoals op het congres war and peace in science dat de universiteit van Antwerpen onlangs organiseerde.

Een cruciaal fragment uit Sokals' voordracht betrof een citaat ban Latour:'that "reality is the consequence rather than the cause" of the so-called "social construction of facts" as Bruno Latour and Steve Woolgar assert.'[ 8] In veel situaties is deze aanhaling van Latour van toepassing. Dat geldt volgens mij bijvoorbeeld voor de analyses van het belang van R&D voor de economie. Bij de presentatie van wetenschappelijke rapporten over het broeikaseffect dringt de vraag zich op of hier geen sprake is van feitenconstructie. Het probleem is echter dat Latour deze terminologie ook toepast op inzichten die al flink door de mangel zijn gegaan. De Sokal-Latour controverse mondt daarmee uit in een karikatuur. Er wordt gediscussieerd over de vraag of Napoleon bestaan heeft of dat atomen echt bestaan. Dat zijn wellicht interessante vragen voor de borreltafel of om bepaalde stellingen tot op het bot te doordenken, maar het zijn allesbehalve interessante vragen over de rol van wetenschap en technologie.

Toen men Sokal het probleem van het broeikaseffect voorhield, zij hij dat hij daar te weinig van afwist. Hij veronderstelde dat het inzicht wel zou verbeteren als je meer zou weten, terwijl dat maar de vraag is. Het is moeilijk om via de huidige werkwijze tot veel diepere inzichten te komen omdat de relevante meetperiode te klein moet zijn in het licht van de gigantische tijdsonstantes.

Bezien vanuit de doelstellingen van de W&S-beweging zouden de huidige W&S-docenten de betrokken onderzoekers en hun geldschieters een spiegel voor moeten houden. W&S-ers zouden die wetenschappelijke feitenbouwers moeten ontmaskeren, maar dat gebeurt niet. Integendeel, zijn ze zelf evenzeer feitenbouwers geworden die zich hebben laten opzuigen in de fuik van de academische specialisatie.

Onderwijs vanuit de maatschappij

De afsluiting van andere disciplines en van de buitenwereld is ongewenst voor het onderzoek, maar deze werkwijze is nog veel nadeliger voor het onderwijs. In de praktijk wordt de invulling van het universitaire onderwijs voor een belangrijk deel vanuit het onderzoek bepaald. Dat geldt met name voor Nederland, waar de koppeling tussen onderwijs en onderzoek relatief groot is. Het zou een open deur moeten zijn: de universitaire hoofdtaak ligt niet bij het onderzoek aangezien het primaire produkt van de universiteiten de opgeleiden zijn die de maatschappij instromen. En die opgeleiden krijgen colleges van mensen die net als dr. Nobel Preis hun hele leven binnen de eigen subcultuur hebben doorgebracht. Studenten leren zodoende door een eenzijdig bril kijken die hen blind maakt voor de maatschappelijke context waarin wetenschap en technologie hun plaats krijgen. In zo'n klimaat kunnen de eerder genoemde pleitbezorgers en angsthazen van techniek uitstekend wortel schieten.

Om studenten beter voor te bereiden op de toekomstige rol in de maatschappij, zouden zij ook college moeten krijgen van mensen die afkomstig zijn uit de voor hen relevante beroepspraktijk. Net zoals de 'normale' docenten de academische cultuur uitstralen, zullen deze 'buitenstaanders' de geur van de relevant beroeps- praktijk verspreiden. Wat mij betreft hoeft de buitengewone hoogleraar geen expliciet wetenschappelijke kwalificaties te hebben; het gaat erom dat hoogwaardige kennis en kunde wordt binnengebracht, gerelateerd aan een beroepspraktijk. Die praktijkervaring kan net zo kennisintensief zijn als de academische geleerdigheid.

Binnen de universiteiten wordt vaak laatdunkend gedaan over praktijkervaring. Het riekt al snel naar beroepsgerichte kennis die niet van academisch niveau is. Die houding is niet alleen bespeurbaar bij de wachters van de oude ivoren toren, maar zeker ook bij mensen die zich tot doel stellen wetenschap en maatschappij dichter bij elkaar te brengen, zoals docenten Wetenschap en Samenleving en organisatoren van Studium Generale programma's.

Ik kon indertijd waardering opbrengen voor de actie van mijn Utrechtse Studium Generale collega André Kluckhuhn die samen met Piet Vroon zijn doctorsbul inleverde uit protest tegen het eredoctoraat van Albert Heijn. Deze actie kreeg veel aandacht en het inspireerde een promovendus tot de sarcastisch bedoelde stelling dat Allerhande de wetenschappelijke publicatie van de heer Heijn was. Als ik nu op de actie van Kluckhuhn en Vroon terugkijk, moet ik concluderen dat Albert Heijn met recht en reden een eredoctoraat heeft gekregen. Hij is het boegbeeld van een bedrijf dat een voortrekkersrol speelt op het gebied van de distributielogistiek en het inspelen op consumentengedrag. Het argument dat Albert Heijn het allemaal niet zelf heeft bedacht, gaat niet op. Of we zouden ook een deel van de Nobelprijzen moeten terugvorderen die zijn toegekend aan managers van teams die welhaast industriematige ontdekkingen deden met behulp van deeltjesversnellers, zoals het CERN.

Mensen als Albert Heijn, maar ook Ruud Lubbers, Harry Beckers, Hans van Manen, Jaap van Zweden, enzovoort, horen aan een universiteit thuis. Sterker, zonder die mensen is het bijna niet te voorkomen dat studenten een eendimensionale, op de eigen wetenschap gerichte cultuur door de poriën naar binnen krijgen. Gelukkig zijn in Nederland relatief veel van dergelijke buitenstaanders aangesteld. In de ons omringende landen zijn de eisen aan het academisch niveau vaak veel stringenter. De rector van de technische universiteit in Kopenhagen meende dat voor mensen als Lubbers en Beckers geen Deense leerstoelen beschikbaar zouden zijn.

Mijn kritiek op de Nederlandse universiteiten is dat ze met het systeem van buitengewone hoogleraren voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten. Het zijn vaak zogenoemde nul-aanstellingen waarbij de betrokkene in ruil voor de titel gratis college geeft. Voor veel mensen uit het bedrijfsleven is dat geen probleem aangezien zij op die manier in contact komen met potentiële arbeidskrachten. Of meer algemeen, ze een beeld krijgen van de cultuur van toekomstige werknemers. Maar geldt dat ook voor de non-profit sector? Hoeveel hoogleraren op basis van een nul-aanstelling zijn werkzaam binnen vakorganisaties, patiëntenverenigingen, enzovoort? Of heeft het geven van colleges zo weinig prestige dat het is verworden tot vrijwilligerswerk?

Buitengewone hoogleraren en buitenpromovendi

De wisselwerking tussen universiteit en maatschappij hoeft zich niet te beperken tot het hooggeleerde niveau. Hoeveel ruimte krijgen mensen uit de beroepspraktijk om hun inzichten te verdiepen door hun kennis in een proefschrift te bundelen? De eerste stelling bij mijn dissertatie geeft aan dat universiteiten in die richting dubbel voordeel kunnen halen: "Als de universiteiten het aantal promoties getalsmatig evenwichtiger verdelen over AIO's en mensen die buiten de academische wereld werkzaam zijn, zal het aantal werkloze gepromoveerden dalen terwijl de inbreng van kennis en kunde van buiten de academische subcultuur toeneemt."

Ook voor conventioneel promotie-onderzoek is het van belang om kennis uit de maatschappij te halen. Vroeger gebeurde dat meer dan tegenwoordig. Als ik zie hoeveel moeite universiteiten doen om buitenpromovendi te krijgen, is dat ook niet verwonderlijk. Want net als bij de buitengewone hoogleraren, willen ze voor een dubbeltje op de eerste rang zitten. Of nog erger, ze willen wel de lusten in de vorm van de financiële bonus, maar niet de lasten. Die beperken zich tot de begeleidingstijd van de promotor en de leestijd van de commissie.

Sommige bedrijven stellen hun medewerkers in de gelegenheid om hun praktijkervaring dieper door te analyseren en te confronteren met wetenschappelijke theorieën. Tenminste voor een deel kunnen zij dit in werktijd doen, maar die bedrijven zijn uitzonderingen. Net als bij de buitengewone hoogleraren zou je hier ook inbreng vanuit andere sectoren van de maatschappij willen hebben. Maar in die gevallen spendeert de buitenpromovendus veel tijd aan de dissertatie waar geen cent vergoeding tevenover staat. Erger nog, het kost handen vol geld.

Door met meer hoogleraren en promovendi van buiten de universiteiten te werken, kan de kloof tussen wetenschap, technologie en maatschappij worden verkleind. Als de overheid deze en dergelijke ontwikkelingen wil stimuleren, zou ze universiteiten de wet kunnen voorschrijven. Maar dan is sprake van een middel dat waarschijnlijk erger is dan de kwaal. Universiteiten moeten zelf hun eigen weg kiezen, alleen dan ontstaat een klimaat van intellectuele vrijheid waarin studenten hun creatieve vaardigheden kunnen ontplooien.

De overheid moet zich concentreren op het scheppen van een omgeving waardoor universiteiten worden gestimuleerd tot een grotere wisselwerking. Daarbij is het volgens mij essentieel dat de beoordeling van de geleverde kwaliteit niet verloopt via het onderzoek waarvan de kwaliteit wordt gemeten door citaties te tellen. Onderzoek is slechts een middel; onderwijs is het doel.

Van citation index naar alumni index

Om te bevorderen dat meer vanuit dat perspectief wordt gewerkt, moet bij de beoordeling de nadruk liggen op de positie die afgestudeerden op de arbeidsmarkt weten te bemachtigen. Om in termen van de AWT te spreken, we moeten van citation index naar alumni index.[ 9] Die universiteiten en die faculteiten die studenten het best voorbereiden op de arbeidsmarkt, moeten voor die prestatie worden beloond. Waar veel mensen worden opgeleid tot werkloosheid, kan de geldkraan worden teruggedraaid. Vanuit dat economisch perspectief moeten de universiteiten worden aangestuurd. Bij die invulling is volgens mij geen sprake van een verschil zijn tussen maatschappelijke relevantie en economisch belang, waar Wim Thijssen zich in het vorige nummer van WTS zorgen over maakte.

Vanuit ministeries en bedrijven klinken soms weliswaar geluiden die wijzen in de richting van een directe koppeling tussen economie en onderzoek, maar er klinken eveneens geluiden die juist het tegendeel bepleiten. Veel grootgebruikers van academici maken zich zorgen over het feit dat het fundamenteel onderzoek in de verdrukking komt door de toename van het derde geldstroomonderzoek. Niet omdat het betrokken fundamentele onderzoek op zichzelf zo belangrijk is voor ons land - vanuit kennisoptiek maakt het niet uit waar ter wereld fundamenteel wetenschappelijke doorbraken plaatsvinden - maar omdat universitaire studenten in een te sterk toepassinggerichte onderzoeksomgeving geen goed opleidingsklimaat aantreffen. Dat uitgangspunt geldt niet alleen voor het béta-onderzoek, maar ook voor onderzoek in alfa- en gamma-wetenschappen.

De financiering van het universitaire onderwijs en onderzoek uit de eerste geldstroom is uiteraard niet van vandaag op morgen volledig realiseerbaar op basis van alumni indices. Dat hoeft ook niet, en misschien hoeft het ook nooit zeer stringent doorgevoerd te worden. Misschien volstaat het om de grootste uitwassen te verhelpen.

Zo'n uitwas zou (met nadruk op zou) kunnen bestaan op het gebied van de antropologie. Een langdurig werkloze antropoloog beklaagde zich in een ingezonden brief over het feit dat hij is opgeleid door de laatste primitieve stam op deze aardbol. De klager is alles behalve een uitzondering wat betreft zijn werkloosheid. Kortom, er zijn indicaties dat het huidige antropologische onderzoek geen goede omgeving biedt om studenten voor te bereiden op de arbeidsmarkt. Dat besef dringt ook door in de kring van antropologen, maar in mijn waarneming blijft men het accent leggen bij het kennisaanbod vanuit de klassieke antropologie en veel minder bij de grote behoefte aan kennis van vreemde culturen en de vraag naar mensen die met cultuurverschillen weten om te gaan. Met de toenemende mondialisering van de economie neemt die behoefte verder toe. Antropologen die proberen het onderwijs in te richten vanuit die vraag naar opgeleiden, hebben het echter moeilijk. Hun onderwijs-gerichte werk staat niet in hoog aanzien; het scoort niet hoog op de citatie-index. Als de cultuur binnen de universiteiten zou omslaan door de alumni index op de voorgrond te plaatsen, hebben de marktgerichte antropologen meer kansen.

Om te bevorderen dat de universiteiten zich nadrukkelijker richten op de maatschappelijke relevantie van hun werk, zie ik geen betere mogelijkheid dan een aansturing vanuit het economisch gerichte opleidingsperspectief. Dat betekent zeker niet dat fundamenteel onderzoek plaats moet maken voor onderzoek gericht op maatschappelijke problemen. Maar het betekent wel dat studenten in de opleiding ook met relevante maatschappelijke vraagstukken geconfronteerd moeten worden.

Hoezeer studenten tijdens hun studie vervreemd kunnen raken van de voor hun vakgebied relevante maatschappelijke ontwikkelingen, blijkt uit een recent gesprek waarin mij werd meegedeeld dat er recent afgestudeerde economen zijn - met goede studieresultaten - die niet weten wat de NAFTA en GATT betekenen. Kennis van dergelijke organisaties gaat zeer wel samen met een opleiding in een fundamentele wetenschappelijke omgeving.

Je zou kunnen zeggen dat de maatschappelijke waarde van fundamentele kennis toeneemt naarmate studenten meer aandacht besteden aan de relatie tussen die kennis en actuele problemen die voor hun vakgebied relevant zijn. Zo beschouwd is er niets tegen om op fundamenteel wetenschappelijk niveau studie te maken van Confucius, thermodynamica, enzovoort, zolang men studenten maar leert die kennis vervolgens (ook) te relateren aan ontwikkelingen in het hedendaagse China, milieuproblemen, enzovoort.

Noten

[1] H. Snijders, 1997; Eendimensionale wetenschap. Bespiegelingen over bruggen tussen berekenen en beschouwen. ISBN 9080353728, uitgeverij Creon, Den Haag.

[2] M.C.D.P. Weggeman, Kennismanagement ,voordracht tijdens het congres Tussen actie en passie; Managementdag Rijksdienst 1996, Den Haag, 23 mei 1996.

[3] Raoul Weiler en Dirk Holemans (redactie), Bevrijding of bedreiging door wetenschap en techniek en Gegrepen door techniek, Uitgeverij Pelckmans, Kapellen, resp. 1993 en 1994.

[4] Woord en wederwoord zijn te vinden via mijn eigen homepage http://www.awt.nl/prive/snijders/.

[5] Het voorbeeld van de broodbakkers stamt uit een boek van twee Japanners die ook het begrip tacit knowledge onder de aandacht brengen. Ikujiro Nonaka en Hirotaka Takeuchi, The Knowledge-Creating Company. How Japanese Companies Create the Dynamics of Innovation, Oxford University Press, New York, 1995.

[6] Bruno Latour, Wetenschap in actie. Wetenschappers en technici in de maatschappij, Ooievaar Pockethouse, 1995. Oorspronkelijke titel Science in action; How to follow scientists and engineers through society, 1987.

[7] Alan Sokal, Transgressing the Boundaries: Towards a Transformative Hermeneutics of Quantum Gravity, Social Text, mei 1996. De toelichting dat het een parodie was: Alan Sokal, A Physicist Experiments with Cultural Studies, Lingua Franca, mei/juni 1996.

[8] Alan Sokal, What the Social Text Affair Does and Does Not Prove, tekst verschijnt in A House Built on Sand: Flaws in the Cultural Studies Acount of Science, Noretta Koertge (redactie), Oxford University Press, 1997.

[9] Deze slogan werd voor het eerst gebruikt in Onderzoek is mensenwerk; ruimte voor management van human resources, AWT-advies nr. 22, Den Haag, juli 1995.

[10] Rieke Leenders, Heeft de klassieke antropologie nog bestaansrecht? FACTA, Sociaal Wetenschappelijk Magazine, oktober 1996.

Terug naar de startpagina voor eendimensionale wetenschap

Terug naar overzicht artikelen.

Naar het overzicht van persreacties.

Bestelling