10 Magnifieke Meningsverschillen


de passages tussen [..] zijn literatuurverwijzingen.

"Wat zou het toch mooi zijn als iedereen het met elkaar eens zou zijn; wat een prachtige harmonie zou er dan heersen op aarde" verkondigde de dominee. Ik wierp tegen dat het leven in dat geval wel erg saai zou worden en vroeg of de wensdroom in plaats van de hemel niet veeleer de hel op aarde zou brengen. De dominee was een voorganger uit een naburige gemeente die inviel in een van die 'dominee-loze' tijdperken die ontstaat als er nog geen opvolger voor een vertrokken predikant is aangetreden. De discussie vond zo'n dertig jaar geleden plaats tijdens de catechisatie. Omdat de predikant inviel, deed de gelegenheid zich niet voor om later terug te komen op de wenselijkheid van een eensgezinde mensheid. Ik weet derhalve niet of mijn tegenwerpingen de wensdroom hebben verstoord, maar uit zijn eerste reacties kon ik afleiden dat hij wel enigszins uit het veld was geslagen.

Deze jeugdherinnering komt bij mij boven als wetenschappers en politici verlangend uitkijken naar een minder chaotische, meer eensgezinde wereld, zoals in het geval van de rede van oudpremier Lubbers ter gelegenheid van zijn aantreden als hoogleraar aan de KU Brabant. Lubbers eindigde zijn oratie met de conclusie "Globalisering heeft enorme mogelijkheden, materieel en ideëel. Voortgezette individualisering en globalisering aangevuld met het wij-gevoel in tal van vormen, is dan het perspectief. Er zijn echter ook kwade kansen: chaos, instabiliteit, strijd, kortom: disharmonie. Het gaat erom hoe de dialoog met de werkelijkheid gevoerd zal worden" [G-L3].

10.1 rampzalige regelmaat

Lubbers ziet in chaos een bedreiging. Hoewel de oudpremier niet meteen zal verwijzen naar de chaostheorieën economen lijken daar over het algemeen minder bekend mee te zijn lijkt de chaos waarop hij doelt niet geheel los te staan van die theorieën. Het lijkt mij in elk geval evident dat terugkoppeling in de politieke werkelijkheid een belangrijke rol speelt. De politieke werkelijkheid lijkt te ingewikkeld om met behulp van chaostheorieën te kunnen voorspellen. Maar het zou wel licht kunnen werpen op de vraag of bij de door Lubbers gevreesde instabiliteit sprake is van kwade kansen. Want voor veel dynamische systemen geldt, hoe meer vrijheidsgraden of hoe hoger de dimensie van de zogenoemde fractale aantrekker hoe groter ook de ordening. Bij diepe slaap worden de menselijke hersenactiviteiten bijvoorbeeld gekarakteriseerd door een fractale aantrekker met een dimensie die iets beneden de vijf ligt. Bij epileptische aanvallen daalt de dimensie ineens tot beneden de twee. Epilepsie betekent dus geen onregelmatig gedrag, maar wordt gekenmerkt door een relatief sterke regelmaat in de hersenen. Het lijkt er dus op dat wiskundige pathologie, ofwel chaos, gezondheid betekent en dat wiskundige regelmaat ziekte is.

Welke conclusie hieruit voor politiek en management getrokken kan worden, blijkt uit een reclamespot van BSO waarin een directeur op de korrel wordt genomen die aan de top als een poppenspeler zijn ondergeschikten stuurt. De laag onder hen geeft de signalen weer op dezelfde manier door aan de laag daaronder. Deze directeur heeft de touwtjes dus letterlijk in handen. Hij creëert als het ware een organisatie die wordt beheerst door een fractale aantrekker met een lage dimensie. Dit leidt tot een pathologisch zieke organisatie waarin het door Prigogine bejubelde vermogen tot zelforganisatie geen kans krijgt. In hoofdstuk negen kwam het belang van ordening uit chaos reeds ter sprake. Het is vooral dit principe uit de chaostheorieën dat buiten de natuurwetenschappen belangstelling lijkt te trekken.

Om het belang van grote vrijheid binnen de organisatie te onderstrepen, kan worden gewezen op de situatie in de voormalige Oostbloklanden, waar het politbureau de touwtjes letterlijk en figuurlijk strak in handen hield. In het verlengde daarvan zijn vergelijkingen gemaakt met de problemen van Philips in de jaren tachtig, die te wijten zouden zijn aan een te ver doorgevoerde hiërarchie en vooral aan een verstard ambtelijk klimaat. Dit zijn geen bewijzen dat chaos de processen in het dagelijks leven bestiert, en zeker is geen antwoord gevonden op de vraag hoe dat in de praktijk vorm krijgt; dat vrijheidsgraden essentieel zijn voor een goed lopende organisatie, is echter wel het beeld dat zich opdringt.

10.2 slechte slaven

Het lijkt voor een organisatie essentieel dat een hoger niveau zich zo weinig mogelijk bemoeit met de inrichting van de dagelijkse werkzaamheden op een lager niveau. Voor de centrale overheid zou dat moeten betekenen dat zij zich zo weinig mogelijk moet bemoeien met de manier waarop lagere overheidsorganen hun taken uitvoeren. Waar die bemoeienis wel op de voorgrond treedt, komen de grenzen van de sturingsmogelijkheden vaak al snel in beeld. Illustratief daarvoor zijn de bijna tot traditie verheven plannen voor het hoger onderwijs van opeenvolgende kabinetten waarbij vaak in detail, tot de interne bedrijfsvoering aan toe, de broodnodige speelruimte werd en wordt ingeperkt. Pleidooien voor meer vrijheid worden binnen het overheidsapparaat vaak gepareerd met de constatering dat de universiteiten veel meer vrijheid hebben dan ze feitelijk gebruiken. Met andere woorden, gebruik eerst de ruimte die er is voordat je om meer vrijheid gaat zeuren. Dat klinkt aannemelijk, maar het probleem is dat een veelvuldig ingrijpende overheid bijdraagt aan een cultuur waarin volledige afhankelijkheid het dominante beeld wordt. De overheidsvoorschriften hebben binnen de universiteiten een "zij-cultuur" gestimuleerd  de overheid wordt verantwoordelijk gehouden voor uitvoeringsproblemen  en geen "wij-cultuur". Willen de universiteiten doeltreffend kunnen inspelen op de veranderende omgeving, dan moeten alle betrokkenen het gevoel hebben er zelf vóór te staan met een geloof in eigen kunnen; ze moeten leren roeien met de riemen die men heeft, hoe hoog de golven ook zijn, en geen energie verliezen door de golven bezwerend toe te spreken. Die cultuuromslag lijkt noodzakelijk, willen universiteiten zich kunnen ontwikkelen tot dynamische organisaties die een verandering van omgevingsfactoren als een uitdaging in plaats van een bedreiging zien. Elke universiteit zal anders op die veranderingen reageren, hetgeen op termijn tot een grotere variatie binnen het universitaire stelsel zal leiden. Het totaalbeeld zou hierdoor best wel eens ordelijker kunnen zijn dan nu, net zoals de vroegere verschillen tussen politieke partijen het partijpolitieke klimaat veel overzichtelijker maakten dan tegenwoordig, waar gematigde gelijkheid tot hoogste ideaal verheven lijkt te zijn.

Voor de universiteiten heeft de verdelende gelijkmatigheid tot gevolg dat men onmogelijk kan excelleren, net zoals het Nederlandse voetbal niet zou floreren met gelijkwaardige clubs. Minder overheidsbemoeienis zal ongetwijfeld tot meer differentiatie binnen het hoger onderwijs leiden. De kans op chaotische taferelen is behoorlijk groot, zeker in de overgang van de geleide naar de vrije onderwijs-economie. Sommige instellingen kunnen in de concurrentieslag ten ondergaan. Wat een leed voor personeel, studenten, enzovoort. Maar vormt die dreigende vernietiging niet juist de motor tot vernieuwing? De dreiging van opheffing of faillissement kan de krachtbron zijn voor een hernieuwd elan, zoals de dreigende ondergang Philips heeft omgetoverd van een ingedut bedrijf naar een onderneming die ook de buitenwereld vertrouwen inboezemt. Wie op dat succes zijn eigen vermogen heeft ingezet, kan na verkoop van de aandelen nu rustig rentenieren.

10.3 machtige mededinging

Chaos hoort bij dynamische systemen, zoals het hoger onderwijs, de economie en de wereldpolitiek. In de economie wordt dat ook bewust bevorderd, bijvoorbeeld door kartelvorming tegen te gaan. De Europese commissie toetst samenwerking, prijsafspraken en dergelijke aan de werking van de markt. Waar een te grote marktoverheersing dreigt, kan een fusie worden verboden of afgezwakt. Het inperken van samenwerking lijkt ogenschijnlijk kostenverspillend en vaak klant-onvriendelijk. Een voorbeeld. Een gedeelte van het onderhoud van het computernetwerk had mijn werkgever uitbesteed aan een daartoe gespecialiseerd bedrijf. Op grond van historische overwegingen wordt voor de tekstverwerking WordPerfect gebruikt. Nu meerdere programma's zijn gebundeld in PerfectOffice, wordt ook voor grafieken en adressenbeheer gebruik gemaakt van deze office-suite van Novell, pardon Corel. Mede gezien de grote doorstroom van medewerkers moet rekening worden gehouden met mensen die gewend zijn te werken met programma's uit de familie van Microsoft of Lotus. Dus die complete pakketten staan ook op het netwerk, voor het geval dat... En omdat de vooruitgang niet te stoppen is, komen er regelmatig nieuwe versies uit van de verschillende office-suites. Een eenvoudige systeembeheerder wordt hierdoor hoorndol; het valt niet meer bij te benen, waarom werken ze niet samen? Dat zou ik zelf ook wel leuk vinden, minder ruimte op de schijf, minder installatieproblemen en dergelijke. En goedkoper, er hoeft immers maar één suite gekocht te worden. De ingehuurde dienstverlener is het helemaal met mij eens, maar begint toch te twijfelen als ik hem vraag of hij echt denkt of de betrokken producenten zonder concurrentie zoveel moois in hun pakketten gestopt zouden hebben.

Chaos in de vorm van opkomst en ondergang van bedrijven lijkt mij essentieel voor een duurzame economie. Maar als puntje bij paaltje komt, als ondergang dreigt, begint toch de angst te overheersen. Het is begrijpelijk en voor de dynamiek van het geheel misschien ook wel noodzakelijk dat arbeiders en vakbonden verzet bieden bij bedrijfssluitingen. Voor de betrokken personeelsleden vormt sluiting/inkrimping van een bedrijf een grote bedreiging. De zekerheid van de arbeidsplaats maakt plaats voor de onzekerheid op een nieuwe baan. Zelfs als zeker is dat de overgrote meerderheid wel elders werk vindt, blijft die persoonlijke onzekerheid bestaan. Het lijkt een eigenschap van de mens te zijn om bestaanszekerheid na te streven. We kunnen de redening echter ook omdraaien. Zou in Zuid-Limburg de chemische bedrijfstak tot de huidige omvang zijn doorgegroeid als de mijnen niet waren gesloten? Zou Noord-Brabant tot een van de meest R&D-intensieve regio's binnen Europa zijn uitgegroeid zonder sluiting van de leer- en textielindustrie? Bij mijn rondtocht langs Nederlandse vestigingen van buitenlandse moederbedrijven werd door twee bedrijven -- Fuji in Tilburg en Medtronic in Kerkrade -- de beschikbaarheid van personeel met industriële ervaring als een belangrijke overweging genoemd bij de keuze van de vestigingsplaats. Dus zonder bedrijfssluitingen in de plaatselijke industrie zouden zij wellicht naar andere streken zijn uitgeweken.

De een zijn dood, de ander zijn brood. Of dat op grote schaal geldt voor de ontwikkeling in genoemde regio's zou ik niet weten. Maar het in leven houden van ten dode opgeschreven bedrijven kan een kostbare zaak zijn. Dat weten we in Nederland met RSV, en recenter, ook met Fokker. Hoe duur het echt kan worden, blijkt uit de ontwikkeling van de Britse mijnbouw. Net als Nederland ontkomt het Verenigd Koninkrijk niet aan grootscheepse mijnsluitingen. Ik heb mij laten vertellen dat de Britse overheid goedkoper uit was geweest als ze, ten tijde dat Den Uyl de Limburgse mijnen sloot, elke mijnwerker met een miljoen pond zou hebben afgekocht.

Ik weet niet of Lubbers met het voorgaande grote moeite heeft, maar zou hij de ondergang van Philips hebben toegestaan? Het lijkt mij twijfelachtig; onder zijn leiding heeft minister Andriessen immers forse budgetten naar het voor Nederland veel minder belangrijke Fokker gesluisd. Maar ook voor Philips geldt, de een zijn dood is de ander zijn brood. Waarom zijn er zo weinig grote bedrijven uit de elektronica-sector in Nederland? Omdat Philips al het talent afsnoepte. Met de krimpende personeelsbezetting bij dit Eindhovense moederbedrijf is de ruimte voor andere spelers toegenomen. De Nederlandse vestigingen van buitenlandse moederbedrijven noemen de personeelsreductie bij Philips een voordeel. In samenhang met de verzelfstandigde dochters zoals het recent met succes naar de beurs gestuurde ASM-Lithography lijkt de opkomst van nieuwe bedrijven en uitbouw van bestaande bedrijven geleid te hebben tot een dynamischer elektronica-sector in Nederland. De vroegere monocultuur is voor een deel verdwenen; in de agrarische sector duidt zoiets veelal op een gezondere situatie.

Ik wil met het voorgaande niet stellen dat de Nederlandse overheid altijd lijdzaam moet toezien bij bedrijfsproblemen. Sterker nog, een volledig ongeleide markt lijkt niet goed. Maar de les die uit bestudering van dynamische systemen wel getrokken kan worden, is dat chaos daar inherent mee verbonden is. En dat daarbij grotere rampen kunnen ontstaan dan sluiting van een enkel bedrijf, lijkt mij evident.

10.4 schitterende stormen

In de voorgaande beschouwingen is zijdelings gewezen op zelforganisatie in chaotische systemen. In literatuur van organisatiedeskundigen wordt het belang van zelforganisatie tegenwoordig vaak sterk op de voorgrond geplaatst. Zij verwijzen opvallend vaak naar Prigogine die het verschijnsel van zelforganisatie in de natuur met enkele bestsellers onder de aandacht bracht van het grote publiek. Voor een algemene beschouwing over het principe van zelforganisatie verwijs ik naar het werk van Prigogine [A-P6; A-P7]; voor het doel van dit boek volstaat een beschouwing van het klimaat. Ik heb daar reeds aandacht aan geschonken toen de begrenzing van de voorspelbaarheid centraal stond. Nu beschouw ik de weersomstandigheden vanuit het perspectief van ordening uit chaos.

Wat we op de aardbodem ervaren als een willekeurige afwisseling van regen, wind en vlagen zonneschijn, blijkt vanuit de satelliet een depressie te zijn met een geordende structuur die zich over heel Europa kan uitstrekken. Wat zou het leven op aarde zijn zonder de ordeningsenergie van depressies en andere 'storingen'? Ook zonder uitvoerige berekeningen dringt de conclusie zich op dat een evenwichtstoestand de Aarde tot een onleefbare planeet zou maken; een verkillende ijstijd of een verzengende woestijn.

Maar hoeveel dynamiek kunnen we verdragen? Stormen en onweersbuien kunnen ons koninkrijk behoorlijk teisteren, maar met een beetje hulp van de techniek op deltahoogte houden we het hoofd wel boven water. Of dergelijke hulpmiddelen de overzeese rijksdelen bescherming bieden tegen ontketend orkaangeweld, lijkt echter twijfelachtig. Als we de middelen zouden hebben, zouden we de geboorte van een orkaan in de kiem willen smoren. In termen van Lubbers zouden we verlost zijn van de kwade kansen. Maar de vraag rijst of de disharmonie brengende tropische cyclonen niet juist de krachtbron zijn die het weer op aarde draaiende houden.

Het ene dynamische systeem is het andere niet. Toch dringt de vraag zich op of in de economie en in de politiek niet vergelijkbare processen kunnen optreden. Beurskoersen vertonen kenmerken die in chaotische systemen thuishoren. Illustratief daarbij is het grapje dat een aap op de beurs beter scoort dan duur betaalde specialisten. Dit betekent niet dat de beurs het zonder hooggekwalificeerde analisten kan stellen, net zoals we niet zonder de weerberichten van Erwin Krol of John Bernard kunnen. Hoewel, het gemiddelde resultaat van actieve beurshandelaren schijnt slechter te zijn dan de stijging van het beursgemiddelde. De economische redactie van de Volkskrant rekende voor dat "passief beleggen door een index te volgen beter is dan geld stallen bij professionele beleggers" [D-I2]. Zelfs het voorspellen van de veel minder wispelturige economische groei blijkt een hachelijke zaak; de Volkskrant legt professor Artis in de mond dat het IMF over een reeks van jaren beschouwd niet beter voorspelt dan op basis van pure toevalstreffers verwacht zou mogen worden [D-B6]. De achterblijvende prestatie zijn volgens het IMF niet (meer) toe te schrijven aan onverwachte gebeurtenissen, zoals de val van de Berlijnse Muur: "De laatste jaren is de omgeving echter stabieler geworden zonder dat de voorspellingen beter zijn geworden". Maar dat heeft het ideaal 'meten is weten' nog niet verdrongen, getuige de conclusie: "Voorspellers moeten nog veel leren".

Hoe zit het met de voorspellers van de meteorologische parameters. Scoren Krol en Bernard beter met hun voorspellingen dan de eenvoudige van geest die denkt dat het morgen hetzelfde weer zal zijn als vandaag? Volgens een Zeno-columnist scoren de wetenschappers ook op meteorologisch gebied slechter: "Als je het principe voorspel-elke-dag-voor-de-volgende-dag-hetzelfde-weer-als-vandaag volgt, zit je, over een jaar gemeten, beter dan wat KNMI of Meteoconsult met hun hele wetenschappelijke apparaat bereiken" [D-S21].

De vergelijking met het weer wordt overigens ook in veel beschouwingen doorgetrokken; er wordt over de barometer van de economie gesproken, en een lage stand hoort bij een depressie, zoals dat in de meteorologie ook geldt. Een extreem lage barometerstand leidt tot zware stormen, orkanen enzovoort. Betekent dit dat de beurskrach van 17 oktober 1987 een zware storm was en de crisis van de jaren dertig een orkaan? Zulke rampen zal iedereen willen bestrijden, maar hoe kun je dat doen? Bij bezwering van orkanen zou het middel wel eens erger kunnen zijn dan de kwaal. Veel rampen zijn gerekend over een langere periode overigens vaak lang niet zo catastrofaal als op het moment zelf werd gevoeld. Wie de ontwikkeling van de beurskoersen sinds 1980 bekijkt, ziet een met horten en stoten opgaande lijn waarbij de krach van 1987 nauwelijks meer dan een kleine rimpel is.

Als de internationale politiek ook een dynamisch systeem is en er is geen reden om te veronderstellen dat dit niet zo is hoe moeten we de huidige conflicten dan opvatten? Er zijn altijd grotere en kleinere conflicten geweest; wereldrijken kwamen en gingen, vaak een spoor van dood en verderf achterlatend. Bij elk afzonderlijk conflict zou je willen dat het ordentelijk was verlopen, maar over een reeks van eeuwen is toch sprake van een gestage vooruitgang. Alleen bij een geromantiseerde voorstelling van het verleden zullen mensen naar een vroegere tijd terug willen keren.

Uit het betoog van Lubbers en hij staat daarin zeker niet alleen spreekt de veronderstelling dat de chaos nu groter is dan vroeger, hetgeen ik waag te betwijfelen. Er is nog geen tien jaar geleden een groot wereldrijk ter ziele gegaan en dat heeft tot nu toe niet tot grootscheepse conflicten geleid. De oorlog in Tsjetsjenië betekent een ramp, een hel wellicht, voor de bewoners aldaar, maar op wereldschaal is dat geen grote catastrofe. En dat geldt ook voor Europa, waar het conflict in Joegoslavië de aandacht opeist. Alleen in Afrika lijken op dit moment de aantallen slachtoffers van honger en geweld disproportioneel hoog. Zou Afrika op wereldschaal een noodzakelijk kwaad kunnen zijn, een cycloon van het economische en politieke wereldklimaat? Ik gebruik hier bewust de term 'zou' omdat het leven op onze aardbol niet gelijk gesteld kan worden aan het weer op onze planeet. Lagendijk veegt in een column de vloer aan met dit soort vergelijkingen; gekscherend zegt hij dat volgens de Wet der Complexe Dingen twee onbegrepen verschijnselen met elkaar in verband worden gebracht vanwege de 'overeenkomst' dat we ze geen van beiden begrijpen [D-L3]. Inzichten in het ene chaotische systeem kunnen op een metaforische wijze echter wel degelijk van nut zijn. Uiteraard gaat niet elk dynamisch systeem gepaard met depressies in de omvang van cyclonen. Maar het gaat mij ook niet om de vraag hoe ver de aardse samenleving uit evenwicht mag raken, maar om de conclusie dat zeker ook wetenschappers zich in hun beschouwingen rekenschap moeten geven van het feit dat een dynamisch systeem als de wereldpolitiek noodzakelijkerwijs gepaard gaat met 'kwade kansen'.

10.5 prachtige pluriformiteit

Voor de aardse atmosfeer kan afname van de dynamiek tot rampen leiden en het heeft er tenminste enige schijn van dat in de economie iets vergelijkbaars geldt. De opkomst en ondergang van bedrijven lijkt essentieel te zijn en het systeem van de parlementaire democratie, met het kenmerkende komen en gaan van regeringen, lijkt een goede voedingsbodem te zijn voor economische bedrijvigheid. De overgang van dictatuur naar democratie lijkt voor de Zuidamerikaanse landen ook in economisch opzicht geen slechte ontwikkeling te zijn. Maar nieuwe eenheidsworsten liggen op de loer. De wereld wordt overspoeld door de Amerikaanse media en westerse landen laten geen gelegenheid voorbijgaan om andere landen tot onze levenswijze te bekeren. Met moeite wisten de Europese regeringsleiders tijdens de Euro-Aziatische top in Bangkok hun wijsvinger over geschonden mensenrechten in Aziatische landen in de zak te houden. Niet dat we moeten staan juichen om het binnenlandse beleid in deze landen, maar enige bescheidenheid is wel op zijn plaats. Een kwart eeuw geleden werd je in Europa opgepakt als je een Amerikaanse president vanwege een genocidale schending van de mensenrechten in datzelfde Azië toeschreeuwde dat hij een moordenaar was. Maar ook los van het morele recht van spreken, is het de vraag hoe nuttig de Europese zendingsdrang is met betrekking tot de promotie van het eigen staatsbestel.

Wat goed voor ons is, hoeft helemaal niet goed voor anderen te zijn. Zoals reeds is opgemerkt, spelen in Azië familiebanden vaak een grotere rol dan in het westen; veel Aziaten zullen vanuit hun waarden en normen wellicht vinden dat we in het westen de familierechten en -plichten schromelijk verwaarlozen. Of zelfs per decreet onmogelijk maken door mensen te verplichten op grote afstand van huis en haard naar passende arbeid te zoeken. Als Aziaten even fanatiek gebruik zouden maken van het bezwerende vingertje als westerlingen doen, zouden zij de Nederlandse ambassadeurs in hun land op het matje kunnen roepen, de lokale bevolking kunnen oproepen tot protestdemonstraties; Kok kills family.

Ik wil hiermee niet zeggen dat we geen stelling moeten nemen tegen beknotting van vrijheden, maar wel dat we voorzichtig moeten zijn met het overplaatsen van de eigen normen en waarden. Wat weten wij van Azië af? In elk geval minder dan Aziaten van Europa, zoals bondskanselier Kohl tegenover zijn Aziatische gesprekspartners moest erkennen tijdens de Euro-Aziatische top in Bangkok. En bij protesten tegen andersdenkenden lijkt het ook van belang te beseffen dat volledige gelijkgezindheid funest is voor de samenleving. Je kunt je zelfs afvragen of we nu niet teveel uniformiteit kennen.

Het westen zweert bij het democratische systeem en individuele mensenrechten en steekt die voorkeur niet onder stoelen en banken maar profeteren het als een nieuwe wereldgodsdienst over onze planeet. Meer dan tweeduizend jaar nadat veel Aziaten het confucianisme omarmden, heeft de westerse wereld een religie gevonden zonder God. De zendingsdrang hebben we echter nog wel van de christelijke voorvaders overgenomen, inclusief kruistochten tegen machthebbers die al te duidelijk ingaan tegen de door ons aangehangen religie. Is dit echt te ver gezocht? Misschien zijn de woorden te scherp gekozen, maar is de nadruk die we leggen op individuele mensenrechten en het heil dat we verwachten van de parlementaire democratie echt zo waardevrij als we in het westen vaak doen voorkomen? Zoals in hoofdstuk 4 is opgemerkt, kent het Chinees het woord ik niet, zodat de vraag rijst hoe je in de Chinese cultuur individuele mensenrechten onder woorden moet brengen. Tijdens het Forum Engelberg legde ik de bovengeschetste relatie tussen religie en democratie voor aan Sen, een van de sprekers met een gemengd Aziatisch-Amerikaanse achtergrond [G-S1]. Sen bestreed de stelling niet, maar gaf als antwoord dat de parlementaire democratie grote voordelen biedt voor Aziatische landen; in India zou de economische ontwikkeling samenhangen met de mate waarin de parlementaire democratie werd gerespecteerd. Die positieve interactie lijkt mij niet vreemd; ze stemt overeen met de ontwikkelingen in Zuid-Amerika waar de economische groei pas echt een vlucht kon nemen nadat de dictaturen waren verdreven. Dit betekent dat democratie een gunstig systeem is voor economische ontwikkelingen, maar hetzelfde geldt blijkbaar voor het confucianisme. Na afloop van de discussie kreeg ik van verschillende zijden steunbetuigingen; een van hen bleek later een van de centrale figuren van het Forum Engelberg te zijn; Raimund Panikkar, emeritus hoogleraar in de geschiedenis van religies aan universiteiten in India en Spanje.

Overigens is het nog de vraag of democratie even taai is als andere grote stromingen uit de ideeëngeschiedenis van de mens. Zoals in veel andere landen, wordt het steeds moeilijker om mensen naar de stembus te laten gaan. Is dat zo vreemd; is het verschil tussen VVD en PvdA, tussen D66 en CDA groot genoeg om het rode potlood ter hand te nemen? Verontrustend is het argument van (te) veel politici dat je moet stemmen om Janmaat buiten het parlement te houden. Racisme als legitimatie voor de parlementaire democratie. We zijn wel erg ver gezonken.

In het volgende deel komt naar voren dat veel vernieuwingen in de wetenschap afkomstig zijn van relatieve buitenstaanders. In het licht van dit hoofdstuk zou dat betoog gezien kunnen worden als een pleidooi voor pluriformiteit. Mondiaal gezien was de wetenschappelijke pluriformiteit vroeger groter dan nu, zoals scherp naar voren komt in een uitspraak van Bodifee [A-W1, p. 63]. In een discussie met filosofen constateert deze Vlaamse wetenschapsredacteur dat eensgezindheid zeer hoog op prijs wordt gesteld, terwijl de wetenschap leeft van het omgekeerde, van meningsverschillen, van discussie. "In onze eenwordende wereld is het problematisch of de wetenschap nog goed kan functioneren. Er is een tijd geweest in Europa niet zo lang geleden dat er een heel verschil was tussen Brits empirisme, Frans rationalisme en Duitse romantiek; nu is dat één pot. En dat is niet het goede klimaat waarin de wetenschap kan groeien".

Binnen de totale wetenschap zijn de verschillen groter dan Bodifee schetst -- de industriële research en het academisch onderzoek vertonen grotere onderlinge verschillen dan de wetenschappelijke tradities binnen verschillende Europese landen -- maar binnen de academische disciplines geeft Bodifee een goede schets. Het naar elkaar toegroeien van academische culturen verkleint de dynamiek en daarmee de kans op verrassende vernieuwingen die ontstaan op plaatsen waar verschillende culturen elkaar ontmoeten. Gelukkig melden zich nieuwe landen op het pad van de wetenschap. In hoofdstuk vier kwam naar voren dat de opkomende Aziatische landen vergeleken met het westen andere accenten leggen met betrekking tot wetenschap en technologie. Geert Hofstede heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het in kaart brengen van die verschillen. Naar eigen zeggen heeft hij veel gehad aan de samenwerking met Michael Bond, een Canadese psycholoog die al jaren in Azië leefde en werkte [A-H8, p. 27]. Bond zou Hofstede er pas echt van doordrongen hebben hoe groot de rol van cultuur in ons leven is. Uit de verwevenheid van oosters en westers denken ontstond een analyse die volgens velen heeft geleid tot verandering van paradigma's (in hoofdstuk dertien ga ik nader in op dit begrip). Er worden zelfs congressen gewijd aan de plaats die een discipline inneemt nadat men Hofstedes cultuuranalyse had verwerkt. In een gesprek dat ik met Hofstede had, benadrukte hij het belang van de ontmoeting tussen verschillende culturen bij de vooruitgang van wetenschap. De samenwerking met Bond kreeg vooral gestalte aan de universiteit van Hongkong, een smeltkroes waar vele (wetenschappelijke) culturen elkaar ontmoeten.

De verschillen tussen het westen en Azië zullen nog wel even voortduren aangezien ze verband houden met diepgewortelde culturele normen en waarden. De westerse cultuur is gericht op waarheid, en dat vormt een goede voedingsbodem voor wetenschap. De oosterse cultuur is gericht op deugd, en dat lijkt een gunstige omgeving voor de ontwikkeling van technologie. Aziaten, althans zeker Japanners, lijken niet het sterkst in het bedenken van nieuwe concepten, maar zodra iets nieuws is geformuleerd, zijn ze zeer bekwaam in het uit-ontwikkelen. Een voorbeeld daarvan is het in paragraaf 9.3 beschreven fuzzy logic. Dat principe werd in het westen ontdekt en vervolgens door Japanners in praktijk gebracht en die praktijk waaide vervolgens weer over naar het westen. Met verschillende managementtechnieken lijkt het niet veel anders te zijn. Waar zouden we nu staan als Japan zich niet tussen de VS en Europa op het technologische wereldtoneel had begeven? Niet omdat Japan zo veel beter is, maar omdat het anders is. Vanuit die optiek valt het niet aan te bevelen dat het westen Japanse successen nadoet, maar moet de kracht veeleer in eigen vernieuwingskracht worden gezocht.

10.6 beschouwend besluit

In dit hoofdstuk ben ik vertrokken vanuit de observatie dat op natuurwetenschappelijk gebied het inzicht is ontstaan dat in veel processen orde en chaos hand in hand gaan; dat vaak een groot aantal vrijheidsgraden nodig is om ordening uit chaos te kunnen laten ontstaan. Gewapend met dat inzicht heb ik in vogelvlucht enkele problemen uit de a- en g-wereld belicht en heb mij laten verleiden tot bespiegelingen die verstrekkende gevolgen zouden kunnen hebben. Het was daarbij niet zozeer mijn bedoeling om arrogante antwoorden te geven alswel om voorzichtige vragen te stellen. Dat in de a- en gamma-disciplines (te) weinig lering wordt getrokken uit ervaringen die in de b-wereld zijn opgedaan met de bestudering van chaotische processen, lijkt mij duidelijk. Dat valt deze a-wetenschappers overigens niet echt kwalijk te nemen aangezien b-wetenschappers zelf ook alle moeite doen om zich aan de lessen van dynamische systemen te onttrekken. Dat is op zich niet vreemd gezien de vorderingen die de b-wetenschappen in voorgaande eeuwen maakten met een lineaire beoefening van de wetenschap. Het lijkt er op dat de b-wetenschappen op de golven van deze successen andere disciplines hebben besmet met hun lineaire modellen en het verleggen van het accent naar 'waarheid' ten koste van 'deugd'. Het zijn voor een deel ook de natuurwetenschappelijk geschoolde geleerden geweest die het lineaire denken in de a- en gamma-disciplines hebben geïntroduceerd. Dat geldt volgens mij zeer sterk voor Jan Tinbergen die aan de wieg stond van de econometrie en het Centraal Planbureau. In het vierde deel ga ik nader in op de wereldvreemdheid van de lineair denkende macro-economen. Ook in veel andere a- en gamma-disciplines hebben mensen met een natuurwetenschappelijke opleiding een stempel gedrukt, zoals bijvoorbeeld de psycholoog Adriaan de Groot, de oriëntalist Frits Staal en de organisatiepsycholoog Geert Hofstede. Zij zijn allemaal opgeleid in een tijd dat woorden als chaos, dynamische systemen, onzekerheid, enzovoort nog niet in het vocabulaire van de academische b-wetenschappers voorkwamen. In hoeverre zij als gevolg van hun lineaire opleiding blind zijn geworden voor de dynamische werkelijkheid waar de a- en gamma-disciplines betrekking op hebben, kan ik niet beoordelen; daarvoor heb ik mij te weinig verdiept in hun werk en hun vakgebied. Bij Hofstede is die infectie niet opgetreden, maar dat zou het gevolg kunnen zijn van het feit dat hij uit een technologische en industriële omgeving kwam en zodoende dichter bij de dynamische werkelijkheid stond dan zijn collega's binnen de universitaire wereld. Wie ook de schuld heeft, het wordt tijd om de ankerpunten voor de academische wetenschap nadrukkelijker te leggen in de niet-lineaire werkelijkheid.

De a- en gamma-disciplines zouden het lineaire b-denken van zich kunnen afschudden, bijvoorbeeld door inspiratie te zoeken bij andere culturen. Een personeelsdirecteur van DSM haalde met instemming een uitspraak aan die Boeddha 500 jaar voor Christus zou hebben gedaan: "Verandering is de enige zekerheid" [E-DSM]. Deze uitspraak verschilt sterk van de in dit deel gewraakte slogan meten is weten die uiting geeft aan het streven om onzekerheid te reduceren. De instemming met Boeddha's opvatting over verandering -- die je zou kunnen omdopen tot onzekerheid is de enige zekerheid -- illustreert dat in het bedrijfsleven onzekerheden een centrale rol spelen; de gebruikmaking van die onzekerheden vormt in feite de kurk waarop het internationale bedrijfsleven drijft.

Gezien de ontwikkeling die delen van de natuurwetenschappen hebben doorgemaakt, zouden a- en gamma-disciplines zich opnieuw door deze wetenschappen kunnen laten inspireren. Het voordeel is namelijk dat het object van de natuurwetenschappen eenvoudiger is dan van de meeste andere vakgebieden; dat geldt ook voor de dynamische systemen. In veel gevallen is het onmogelijk om daar in kwantitatieve zin voorspellingen over te doen, maar vaak zijn wel kwalitatieve vergelijkingen -- metaforen -- mogelijk. Mijn indruk is dat vooral organisatiekundigen dat doen. Mede geïnspireerd door natuurwetenschappelijke analyses van dynamische systemen komen velen van hen tot de conclusie dat je binnen een organisatie de nodige vrijheidsgraden moet hanteren; doe je dat niet, dan loopt het vroeger of later spaak. Juist het feit dat we in onze westerse cultuur geleerd hebben door de bril van de waarheid te kijken, zou een handicap kunnen vormen. Dit zou kunnen betekenen dat Aziaten ook in dit opzicht in het voordeel zijn; als het trekken van een parallel een deugdelijk voordeel biedt, passen zij die toe; de eventuele haken of ogen negeer je of je past er een mouw aan.

Wetenschappers moeten oog hebben voor het feit dat processen in de praktijk slechts bij hoge uitzondering lineair zijn. Aangezien het in de praktijk vaak moeilijk is om dynamische systemen goed te analyseren, kan het nuttig zijn om kennis te nemen van (eenvoudige) systemen die tot het onderzoeksdomein van andere disciplines behoren. Dit betekent dat het vaak grote voordelen biedt om buiten de dimensie van het eigen vakgebied te treden. In het vierde deel zal ik nader op die oversteek ingaan; niet door te betogen hoe het moet, maar door te laten zien hoe het kan. Ik zal mij daarbij richten op studies over het belang van wetenschap en technologie voor de economische welvaart. Dat belang heeft weliswaar voor een groot deel betrekking op b-disciplines, maar de analyserende onderzoekers komen uit de economie en sociale wetenschappen.

Met of zonder scenario's, uiteindelijk zullen de meeste beslissingen worden genomen op basis van intuïtie, gezond verstand of in het verlengde van vergelijkbare situaties op andere gebieden. Illustratief daarvoor is de motivatie van minister Borst bij de keuze van de nieuwe gevechtshelicopter voor defensie. In de medische wereld heeft ze geleerd bij investeringen in apparatuur veel waarde te hechten aan degene die met de betrokken apparatuur moeten gaan werken; op basis van die ervaring heeft zij naar eigen zeggen de keuze op de Amerikaanse gevechtshelicopter laten vallen [D-H6]. Zo werkt de Wet der Complexe Dingen blijkbaar ook; bekendheid op het ene terrein gebruiken voor om beslissingen op andere gebieden te nemen. Daar kan Lagendijk toch moeilijk bezwaar tegen maken. Ook mensen die hun hele leven binnen hetzelfde vakgebied blijven, nemen beslissingen op basis van intuïtie, van inzichten die niet of zeer moeilijk zijn na te vertellen. Het gebruik van het timmermansoog valt nauwelijks uit de boeken te leren maar moet door training, door vallen en opstaan, worden gekweekt. Het belang van deze ervaringskennis kwam in paragraaf 4.4 naar voren onder de noemer tacit knowledge.

Bij Lagendijk blijvend, wil ik hier voortborduren op diens in paragraaf 3.9 geschetste fantasierijke feiten. Moeten we Latours beeld van wetenschappelijke feitenbouwers niet op de voorgrond plaatsen als we zien hoe een groot deel van de wetenschappelijke klimaat- en broeikasonderzoekers te werk gaat? Naast 'feitenbouwen' vormt 'retorica' een belangrijk begrip bij Latour; hij spreekt van de overgang van zwakke naar sterke retorica, van een roepende in de woestijn naar een dominante wetenschapsopvatting [A-L1]. Crutzen zouden we zo als de (terechte) roepende kunnen beschouwen, terwijl we nu zijn aangeland bij het papagaaien-circuit waarbij iedereen elkaar napraat. Zolang dit pagaaiencircuit zorgt voor afdoende geldstromen, hebben wetenschappers er belang bij dat hun broeikas-retorica dominant blijft. Deze en dergelijke beelden dringen zich bij mij op. Om dat beeld nader te toetsen, is diepgaander onderzoek nodig; onderzoek waar zowel natuurwetenschappers als (wetenschaps)filosofen bij betrokken zouden moeten zijn. Echter, als schets van Latour klopt, is dat eenvoudiger gezegd dan gedaan; het gaat immers in tegen de geldende retorica. In hoeverre filosofen afdoende affiniteit met de natuurwetenschappelijke en technologische kant hebben, wordt in hoofdstuk 11 nader beschouwd.