11 Filosofische Fantasie


de passages tussen [..] zijn literatuurverwijzingen.

In dit deel kregen de natuurwetenschappers veel aandacht. Daarbij werd betoogd dat meten vaak niet leidt tot weten. Lineaire modellen volstaan niet om voorspellingen te doen over de dynamische werkelijkheid. Meer perspectief is te vinden bij het ontwikkelen van scenario's, maar dat is een lange weg. Vaak leveren eenvoudige beschouwingen ook al het nodige houvast, zoals voor de relatie tussen milieubelasting en de explosieve welvaartsgroei in Azië. Om het beschouwende betoog te trainen, zou je te rade moeten kunnen gaan bij filosofen. Om na te gaan of en in hoeverre wijsgeren een bijdrage kunnen leveren, concentreer ik mij wederom op techniekfilosofen.

11.1 vlaamse vervreemdingen

In het derde hoofdstuk (met name paragraaf 3.4) is aandacht besteed aan de bundel over techniekfilosofie onder redactie van Hans Achterhuis. Hij en zijn Twentse medewerkers vertolken in De maat van de techniek de opvattingen van de besproken filosofen op een tamelijk neutrale manier. Dat geldt zeker in vergelijking met hun Vlaamse collega's die in twee vergelijkbare boeken de opvattingen van enkele internationaal vermaarde techniekfilosofen beschrijven [A-W1; A-W2]. De bundels zijn op initiatief van de Koninklijke Vlaamse Ingenieursvereniging (k viv) tot stand gekomen. Een belangrijk verschil met de Twentse bundel is dat er naast filosofen ook ingenieurs als auteur optreden. Ondanks de inbreng van ingenieurs zijn de Vlaamse auteurs in mijn beleving veel sterker van de technologische werkelijkheid vervreemd dan hun Twentse collega's. Ter illustratie twee citaten. Chemicus en k viv-voorzitter Raoul Weiler stelt dat "de verknechting door en de drang naar de techniek zeer hoog is; televisie, ontspanning, dat alles wijst erop hoe sterk het opgaan van de mens in de techniek gevorderd is" [A-W1, p. 56]. Eco-filosoof Ullrich Melle constateert dat de moderne technologie ons heeft "bevrijd van veel zwaar labeur. Maar leven op 'de dop' of een job in een hamburgertent in ruil daarvoor zijn toch een vrij beperkte vooruitgang", zo meent Melle [A-W2, p. 81].

Beide schrijvers, en dat geldt voor de grote meerderheid van de auteurs in de beide Vlaamse bundels, betogen dat we naar de ecologische verdoemenis gaan als gevolg van de technologische ontwikkelingen. Interessant hierbij is het verschil met het betoog van economen en technologen die menen dat landen naar de economische afgrond gaan als ze niet in de pas lopen met de technologische ontwikkelingen. In het vierde deel ga ik nader in op die economen. Vooruitlopend daarop wil ik hier opmerken dat de pleitbezorgers van hogere investeringen in onderzoek en technologie-ontwikkeling zich verlammen door zich te concentreren op één enkele, en bovendien niet dominante factor in de economische concurrentiestrijd. De Vlaamse auteurs ondervinden dezelfde verlamming doordat ze het gevaar van een mogelijke ecologische ramp uitvergroten en projecteren op de technologie. De ene is bang voor een muis en de andere voor een spin en beiden slaan panisch op de vlucht en dragen daardoor bij aan een ramp die zonder paniekreactie niet opgetreden zou zijn. Ik druk me hier bewust gechargeerd uit. In genuanceerdere bewoordingen zou ik willen stellen dat zowel de pleitbezorgers als de angsthazen de maat van de techniek niet kennen. Beide groepen maken van een mug een olifant.

11.2 individuele invloed

Hoe groot is de invloed van de technologie op onze samenleving? In plaats van de samenleving als geheel te beschouwen, zoals in de voorgaande paragraaf is gebeurd, kan ook vanuit het individu worden gekeken. In een essay over Jacques Ellul hekelt Raoul Weiler de dominante rol van de technologie:"Het individu kan kiezen tussen een aantal produkten die de techniek hem voorschotelt, maar beslist niet over de produktieprocessen en de investeringen die tot die produkten leiden. In feite reduceert het technisch systeem de veelheid aan mogelijkheden tot één enkele, namelijk de min of meer snelle vooruitgang en groei; de sociale veranderingen die aldus ontstaan, versterken bovendien dit proces" [A-W1, p. 56/57]. Met deze uitspraak treedt Weiler in het voetspoor van verschillende andere Vlaamse auteurs die in feite de primitieve culturen verheerlijken.

Ronduit ontluisterend is de impliciete wens van Weiler dat het individu zou moeten meebeslissen over produktieprocessen en investeringen. Wat moet ik mij daar bij voorstellen, een sturing zoals in de vroegere Sovjet-Unie? Een referendum over de verandering van een produktieproces? Bovendien, is de invloed van het individu als consument op het produktieproces niet veel groter dan Weiler doet voorkomen? Aangemoedigd door Greenpeace werd verhinderd dat Shell een olieplatform in zee dumpte. Loodvrije benzine vindt steeds meer ingang, en de snelheid waarmee dat gebeurt, hangt samen met de inzet van de nationale overheden die daarmee als vertegenwoordigers van de individuen in feite invloed uitoefenen op het produktieproces van zowel de auto's als de benzine. En wat te denken van het terugdringen van het gebruik van de CFK's die als belangrijke veroorzakers van de verdunning van de ozonlaag worden gezien?

Ook bij de ontwikkeling van verschillende technologieën speelt het individu een veel grotere rol dan de Vlaamse auteurs doen voorkomen. Het is volgens mij niet juist, zoals Weiler stelt [A-W1, p. 54], dat in geval van keuze tussen meerdere technieken automatisch  dat wil dus zeggen zonder andere keuzemogelijkheid  voor de meest efficiënte wordt gekozen. Volgens deskundigen, maar ook volgens mijn eigen ervaringen, was het V2000 videosysteem van Philips technologisch gezien superieur aan het VHS-systeem dat nu de markt domineert. Op het gebied van de huiscomputers zou Apple met zijn Macintosh vanuit technologische optiek  en wellicht ook gemeten naar prijs/prestatieverhouding  marktleider moeten zijn geworden in plaats van de MS-DOS-computers. Het feit dat de beste, althans de meest gebruiksvriendelijke, niet won, houdt onder andere verband met marketing, ofwel de kunst om de gunst van de consumenten, dus de individuen, te winnen.

Zoals gezegd, Weiler is niet de enige die bezorgd is over de kleine rol van het individu bij de technologische ontwikkeling, zoals ook blijkt uit het volgende citaat van milieu- en techniekfilosoof Paul Gimeno: "Nogmaals, zeggen dat de kloof tussen diegenen die weten of beslissen en een relatief onwetende massa nooit volledig zal worden gedicht, biedt geen argument opdat men niet alles zou ondernemen om de kloof te reduceren" [A-W2, p. 76].

Dat de rol van de massa groter is dan dit citaat doet vermoeden, heb ik hierboven reeds betoogd. Anderzijds is de rol van degenen die weten of beslissen in veel gevallen kleiner, want veel beslissers weten vaak juist weinig. Wie kijkt naar de samenstelling van veel Raden van Bestuur signaleert opvallend veel niet-technisch geschoolde mensen op dat hoogste niveau. Dat geldt ook voor veel grote technologiegedreven ondernemingen. Dit betekent echter geenszins dat de techneuten op het tweede plan carte blanche hebben. De wens tot grote investeringen zullen zij overtuigend moeten aantonen, waarbij het steeds belangrijker wordt de mogelijke perspectieven op de markt te schetsen. Die marktkansen worden bepaald door de 'onwetende' massa, die daarmee een belangrijke rol speelt bij de ontwikkeling van nieuwe technologieën. De rol van de consument lijkt steeds belangrijker te worden omdat geen enkel bedrijf het zich kan of wil veroorloven om miljarden te steken in een nieuwe technologie als daar geen commerciële vruchten van te plukken zouden zijn. De moeizame introductie van OMO-power bij Unilever, de ogenschijnlijke flop van het OS2/WARP besturingssysteem van IBM, enzovoort, kunnen daarbij als kostbare voorbeelden worden gezien van de geringe invloed van de weters.

Wie heeft het dan wel voor het zeggen? Niemand! Maar dat betekent niet dat technologie een autonoom proces is. De beslissers, de weters en de massa zijn drie actoren in een interactief proces. Binnen die drie groepen zijn er weer tal spelers met verschillende belangen die ook interactief met elkaar in verband staan. Op milieugebied zijn meerdere industrieën actief met uiteenlopende belangen chemische industrie, autobranche, boeren, windmolenbouwers die mede tot de beslissers behoren, terwijl ook verschillende overheden EU, nationaal, provinciaal, gemeente beslissingen kunnen nemen. Als er één kenmerk is van dergelijke interactieve, dynamische systemen, dan is het de onvoorspelbaarheid van de uitkomst. Om gericht naar een bepaalde toekomstige situatie toe te werken, zou de regie in één hand moeten liggen. Maar de praktijk wijst uit dat dit geen begaanbare weg is, als ze al gewenst zou zijn. De ontwikkelingen in het voormalige Oostblok hebben geleerd dat het vroeg of laat echt uit de hand loopt. En dat komt niet doordat een verkeerde regisseur aan de knoppen zat, maar omdat de wereld niet op die manier maakbaar is. Kortom, de toekomst is niet te voorspellen, laat staan te organiseren. En dat is maar gelukkig ook, want juist het leven in onzekerheid maakt het leven op aarde zo spannend.

11.3 belangrijke beslissingen

Binnen de groep van weters bestaan ook grote onderlinge meningsverschillen, zoals bijvoorbeeld duidelijk naar voren komt bij de bouw van kerncentrales. Voorstanders van de bouw presenteren met behulp van dezelfde technieken andere cijfers dan de tegenstanders. De vraag wie gelijk heeft, is niet relevant, maar de vraag wie gelijk krijgt. De beslissers zullen overtuigd moeten worden. Aangezien de verschillende categorieën weters niet overal evenveel gehoor vinden, zullen afzonderlijke beslissers zich niet op dezelfde bronnen baseren.

Een gebrek van veel milieuwetenschappers is volgens mij dat ze weinig oog hebben voor interactieve ontwikkelingen, zoals ik in een eerder artikel betoogde naar aanleiding van het verschijnen van het (eerste) milieubeleidsplan [D-S13]. In plaats van het NMP als een grote sprong voorwaarts te omarmen en de regering te houden aan de uitgesproken woorden, werd getracht het nog mooier gezegd te krijgen. De Tweede Kamer bleek gevoelig voor de argumenten en er volgde een tweede versie (NMP-plus). Inmiddels zijn we ongeveer twee kabinetsperiodes verder en is de fraaie papieren norm van CO2-uitstoot verhoogd omdat de gestelde doelen niet haalbaar bleken. Maar belangrijker is dat besloten is Schiphol uit te breiden en de Betuwelijn grotendeels bovengronds aan te leggen. Was het niet slimmer geweest om de aandacht te richten op deze projecten. Beide beslissingen zijn volgens mij weinig verrassend in het licht van de belangrijke distributiefunctie van Nederland. Gezien dat belang wil ik ze ook niet bestrijden. Maar dat is ook niet de vraag. Die luidt of niet meer scenario's door de milieubeweging ontwikkeld hadden moeten worden. Niet alleen beplanting van een bulderbos dat op afstel van de beslissing aanstuurt. If you can't beat them, join them. En laten we eerlijk zijn, wat is er tegen een ondergrondse Betuwelijn, een optie waar het nu te laat voor is, maar die misschien niet eens zoveel duurder had hoeven uit te vallen als in de jaren zeventig en tachtig proefprojecten waren gestart en joint ventures waren gesloten tussen Nederlandse en Japanse ondernemingen.

Terug naar de Vlaamse milieufilosofen. Zij putten zich uit in zwartgallige toekomstperspectieven en triviale uitwijdingen over het autogebruik, zoals milieufilosoof Ullrich Melle: "Is het niet kenmerkend voor deze moderne mens dat één van zijn heiligste cultobjecten de auto is, een uiterst effectieve machine ter vernietiging van mens en dier, cultuur en natuur?" [A-W1, p. 157] Uit de Vlaamse techniekbundels spreekt over het algemeen een zwartgallige sfeer. Dat wordt versterkt door de aangesneden problematiek, die vaak betrekking heeft op vraagstukken over leven en dood. In hoofdstuk drie kwam dat grensvlak reeds ter sprake aan de hand van discussies over een veranderende definitie van de hersendood. Dergelijke discussies over de grens tussen leven en dood zijn zeker niet onbelangrijk, en als gevolg van discussies over euthanasie en abortus ethisch ook zeer beladen.

11.4 dreigende degene(n)ratie

Niemand gaat dood door de ouderdom. Het einde van de mens wordt altijd ingeluid door een ongeval of ziekte. Dat de levensverwachting van de mens met het stijgen der jaren afneemt, komt doordat het afweersysteem verzwakt zodat infecties steeds meer de vrije hand krijgen. Naarmate de medische technologie dat afweersysteem vaker en beter te hulp komt, zal de mens langer in staat zijn om infecties te overleven. Aangezien de gebreken wel met de jaren blijven komen, zullen de laatste jaren van het leven door steeds minder mensen in blakende gezondheid worden doorgebracht. Dit betekent dat we een dubbele prijs voor de gezondheidszorg betalen. We steken miljarden in de verlenging van het leven terwijl de kwaliteit van het leven tijdens de uitgestelde dood steeds slechter wordt.

Waarom is het medisch ingrijpen in de menselijke identiteit overigens zo veel erger dan bij andere vormen van leven. Waarom mag een aardappelras worden veredeld en mogen paarden raszuiver worden gefokt en mag zoiets bij de mens niet? Vanuit godsdienstige optiek valt het antwoord daarop wellicht te ontlenen aan bijbelfragmenten waarin staat dat de mens is geschapen naar Gods beeld. Maar wat is filosofisch gezien een legitiem onderscheid tussen de mens en andere levende wezens?

Volgens de evolutietheorie is de mens het produkt van de evolutie en er valt iets voor te zeggen om de mens als de bekroning te zien. In het dierenrijk treedt veredeling van een soort op via natuurlijke selectie. Als via spontane genetische mutatie een bever wordt geboren met grotere tanden waarmee betere dammen gebouwd kunnen worden, is de kans op overleven groter dan die van de gemiddelde soortgenoot. Als deze grotere tanden op nakomelingen worden overgedragen, is ook hun overlevingskans relatief groot. Na verloop van generaties zullen er steeds meer bevers met grote tanden komen en wordt dat het dominante kenmerk van de soort [A-D4].

Heeft de evolutie bij de mens de ultieme volmaaktheid bereikt? Die argumentatie heb ik in elk geval nog niet gehoord. Maar als de evolutie niet is voltooid, mag de mens dan geen poging doen die in gewenste banen te leiden? En als dat niet mag, op grond van welk principe mag dat dan niet? Zou het feit dat natuurlijke selectie tegenwoordig vrijwel is verdwenen, geen argument moeten zijn om ingrijpen als noodzakelijk kwaad te zien? Wordt het niet de hoogste tijd om tot zelfsturing van het evolutieproces over te gaan? In de natuur treedt bij afwezigheid van natuurlijke vijanden een ongeremde groei van de populatie op, met daarop het onvermijdelijke gevolg van ziektes die weer zorgen voor een uitdunning van de populatie. Als de natuurlijke vijanden van de konijnen verdwijnen, neemt hun aantal toe tot het moment dat het genetisch materiaal zodanig is verzwakt dat een ziekte de kop opsteekt en de populatie decimeert. De sterksten overleven de epidemie hetgeen leidt tot een verbetering van het genetisch materiaal waardoor weer een groeiende populatie mogelijk is. Hoe zwaar vroeger de natuurlijke selectie bij de mens toesloeg, wordt getypeerd door C.P. Snow in zijn second look, waar hij opmerkt dat in Franse dorpen in de achttiende eeuw de gemiddelde leeftijd bij overlijden lager lag dan de gemiddelde leeftijd waarop de huwelijken zich voltrokken [A-S1, p. 83].

Sinds de achttiende eeuw heeft de mensheid zijn natuurlijke vijanden behoorlijk goed onder controle gekregen, hetgeen tot een ongebreidelde groei van de menselijke soort heeft geleid. Kunnen we zonder ingrijpen in het genetisch materiaal verhinderen dat we vroeger of later het lot van de konijnen ondergaan die zonder natuurlijke vijanden periodiek te maken krijgen met de konijneziekte? Of hebben we daar nu al last van, en moeten we nieuwe ziektes zoals AIDS beschouwen als een symptoom van hetgeen ons te wachten staat?

Het voorgaande is niet bedoeld als een pleidooi voor een veredeling van het menselijk ras. Ik heb in het geheel niet de ambitie om een antwoord te geven op de gerezen vragen. Waar het mij om gaat, is dat de mens in zijn huidige vorm als norm wordt genomen, terwijl alle ingrepen als aanpassingen van de mens worden gezien. Als er op een bepaald gebied een verandering optreedt, lijkt steeds als eerste -- en vaak enige -- verklaring naar externe factoren gekeken te worden. De pers bericht over een drastische teruggang van de kwaliteit van het mannelijke zaad. Maar is dat verwonderlijk als we geen selectie toepassen en kosten nog moeite sparen om nagenoeg onvruchtbare ouderparen aan zelfverwekte nakomelingen te helpen terwijl anderzijds de geboortebeperking het aantal nakomelingen van vruchtbare ouders zeer sterk heeft ingeperkt? Ik geloof graag dat de dalende kwaliteit van het sperma door externe factoren wordt beïnvloed, maar met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zou die kwaliteit vroeger of later vanzelf afnemen omdat onvruchtbaarheid niet meer op natuurlijke wijze wordt weggeselecteerd maar juist wordt overgedragen op nieuwe generaties.

11.5 menselijke machine

Degene(n)ratie van het menselijk ras komt niet in het woordenboek voor. In plaats daarvan breken wetenschappers zich het hoofd over de vraag of kunstmatige intelligentie mogelijk is. Dat doen ook verschillende auteurs die over deze problematiek een miljoenenpubliek bereikten met zeer lezenswaardige boeken, zoals Penrose en Hofstadter. De laatste vraagt zich samen met Dennet af of een machine ooit kan denken [A-H7]. Daarbij gaat het uiteraard om de vraag of een machine precies zo kan denken als mensen, want iets blijkt pas intelligent als het een evenbeeld is van de mens, niet minder, maar ook niet meer. Is die omschrijving echter wel intelligent? Wat is er 'imbeciel' aan een computer die alles weet? Waarom zou een computer die zich kan reproduceren en verbeteren niet veel slimmer kunnen zijn dan een mens? De computer kan zich ongeslachtelijk voortplanten -- dus zal deze geen weg weten met vragen die Hofstadter bedacht heeft om het liefdesleven te testen -- en daardoor niet voldoen aan Hofstadters omschrijving van intelligentie. Wat is trouwens intelligentie? Een geavanceerde spellingcorrector haalt meer fouten uit een tekst dan een goede secretaresse. De computer maakt sommige fouten waaruit blijkt dat hij geen mens is. Maar soms kunnen die fouten zeer intelligent zijn, zoals in het geval van het programma CORRie dat Nijmeegse computerlinguïsten ontwikkelden. CORRie brak sommige woorden verkeerd af, zoals minister-sloopbaan. Is dat eigenlijk niet een veel betere afbreking dan het voorgeschreven -- dus niet intelligente -- ministers-loopbaan?

Deze schets heb ik ontleend aan een voordracht uit 1991 van professor Kempen, de toenmalige projectleider van CORRie. Het project kreeg ook in de landelijke pers aandacht [D-J8]. Wie de toenmalige kenschets van dit spellingsprogramma leest, komt tot de conclusie dat een deel van de slimmigheden thans al voor een deel verwerkt zijn in nieuwe generaties spellingcorrectors met hun ingebouwde controle van de grammatica. En die leveren soms ook de meest onverwachte voorstellen voor correctie. Ook de nog weinig geavanceerde spellingcorrector van oude WordPerfect edities leverde soms slimme combinaties op. Hoe vaak is de gesuggereerde verandering van een naam geen goede karakterisering van de betrokken persoon?

Achterhuis c.s. lijken overigens zelf meer oog te hebben voor de bredere context dan de besproken auteurs. Op verschillende plaatsen worden zwakke punten aangewezen. Zeer sterk komt dat naar voren in een passage van Achterhuis die aansluit bij de bovenstaande relativering van het unieke van het huidige menselijke ras, getuige het volgende citaat: "Wie in zijn natuurfilosofie de evolutie centraal stelt, en dat doet Jonas ontegenzeggelijk, heeft geen enkel argument in handen om te betogen dat we thans aan het einde ervan zijn aangeland. Op mijn prikbord hing lange tijd een cartoon waarop een dinosaurus zijn soortgenoten vertelt dat hun toekomst er somber uitziet omdat het klimaat warmer wordt en zij zich niet snel genoeg kunnen aanpassen. Waarom was er toen geen toestand die het waard was te behouden? Is de huidige mens, die volgens Jonas min of meer gestalte krijgt in de westerse mens, echt het absolute eindpunt van de evolutie? Belooft bijvoorbeeld juist de techniek ons toch geen hogere fase, waarbij we bijvoorbeeld kunnen denken aan de cyborg, het wezen waarin mens en machine aan elkaar gekoppeld zijn?" [A-A1, p. 169]

Blijkens dit citaat ziet Achterhuis in het samengaan van mens en machine een mogelijke stap in het evolutieproces. Mens en techniek vormen niet elkaars tegenpool, zoals toch sterk door de meeste besproken filosofen wordt betoogd. Dat geldt minder voor Arnold Gehlen, die meent dat de mens een Mängelwesen is, een kwetsbaar en nauwelijks levensvatbaar biologisch misbaksel [A-A1, p. 181]. Ik zou in het verlengde van die typering willen stellen dat de mens zich weet te handhaven doordat hij zich met de machine heeft geïntegreerd. Niet in de vorm van een nieuw wezen dat als het ware automatisch met rekenchip en pacemaker is uitgerust, maar als symbiose. Waar zouden we zijn zonder de trein? En dan bedoel ik echt zijn; wat is de mensheid zonder moderne transportmiddelen? Wat is het verschil tussen een mens met vleugels en een mens die zich met een vliegtuig verplaatst? Kunnen we dit niet zien als een stap in het evolutieproces waarbij de mens demontabele vleugels kreeg aangemeten? De auto zorgt voor snelle benen. De telefoon en de televisie omschrijven onze oosterburen fraai als apparaten voor ver-horen en ver-zien, dus feitelijk als apparaten die de werking van onze zintuigen drastisch hebben vergroot. En deze ontwikkelingen hebben een zichtbaar effect op de sociale en culturele ontwikkeling van de mens.

11.6 simulerende samenwerking

Hofstadter schiet met zijn beschouwingen over kunstmatige intelligentie zijn doel voorbij. Het zijn althans beschouwingen waar ik weinig praktische aanknopingspunten voor zie. Maar hij vraagt ook aandacht voor vraagstukken die wel van groot praktisch nut kunnen zijn. Bepaald indrukwekkend vind ik Hofstadters uiteenzetting over het prisoners-dilemma [A-H6]. Dit dilemma is in 1950 ontdekt door Melvin Dresher en Merrill Flood van de RAND Corporation en Hofstadter legt dat principe uit aan de hand van een iets afwijkende situatie. Ik koop een partij postzegels van een handelaar waarbij de transactie in het geheim plaatsvindt door de tas met geld tegen die met postzegels te ruilen. We zullen elkaar nadien nooit meer zien. Als we beiden de afspraak nakomen, zijn we allebei tevreden. Maar wat moet ik doen als de ander de afspraak niet nakomt en een lege zak op de afgesproken plaats neerzet? Dan kan ik daar zelf ook het beste een lege zak neerleggen, ik ben dan tenminste niet slechter uit. Maar als ik zelf een lege tas neerzet en de ander een volle, ben ik het beste af. Dus, wat de ander ook doet, ik kan altijd beter een lege zak neerzetten. En de ander denkt natuurlijk hetzelfde, zodat we samen toch slechter af zijn. Staat logica samenwerking in de weg? vraagt Hofstadter zich af [A-H6, p. 712]. Met deze dilemma's heb je wellicht niet te maken als het gaat om de afweging van de koop van een olietanker of het aanleggen van een pijplijn. Maar dat kan al anders worden als je in een corrupte omgeving werkt. Een pijplijn is alleen in het betrokken land te gebruiken terwijl een tanker de mogelijkheid biedt om na verloop van tijd de olie van elders te betrekken.

Hofstadter refereert aan een experiment dat is uitgevoerd onder leiding van Robert Axelrod, die ook de analyses verrichtte [B-A1]. Om de effectiviteit van verschillende samenwerkingsstrategieën na te gaan, formuleren verschillende deelnemers aan het experiment een eigen strategie. De eenvoudigste is het oog-om-oog principe; bij de eerste zet wordt samengewerkt en bij de tweede zet volgt dezelfde handeling als de tegenpartij bij de eerste zet deed. Dus samenwerking wordt met samenwerking beantwoord en na bedrog wordt bij de volgende zet ook bedrog gepleegd. De opmerkelijk uitkomst is dat deze strategie van beperkte vergelding veruit het meeste rendement oplevert. De conclusie was dus dat men het beste aardig en vergevingsgezind kan zijn. Zou het gebruik van dit soort computerexperimenten niet een uiterst geschikt middel zijn voor het ethiek-onderwijs? Je kunt betogen tot je een ons weegt dat samenwerking moreel noodzakelijk is, maar is die boodschap overtuigend in een samenleving waarvan we het idee hebben dat ze half corrupt is? Als studenten zich in allerlei bochten wringen om strategieën te ontwikkelen die meer voordelen opleveren en daarin niet blijken te slagen -- wat volgens Hofstadter de uitkomst van het experiment was -- heeft dat toch een veel grotere impact? Het bijkomende voordeel is dat dergelijke verkenningen een brug slaan tussen kwalitatieve en kwantitatieve beschouwen, tussen beschouwen en berekenen, tussen a en b.