12 Tegendraads Talent


de passages tussen [..] zijn literatuurverwijzingen.

Dit hoofdstuk bestaat uit gedeelten uit het boek dat ik schreef ter omlijsting van de toneelvoorstelling Einstein meets Bohr [B-S2]. De gebruikte citaten komen uit oorspronkelijke bronnen of zijn opgetekend uit artikelen. Ik heb die teksten vergeleken met de biografie die Pais over Einstein schreef; waar mogelijk verwijs ik voor de citaten naar dit standaardwerk van Pais [A-P2]. Van een aantal citaten heb ik geen goede bron terug kunnen vinden -- het materiaal was verzameld voor journalistieke doelen waarvoor referenties tot het minimum beperkt moeten blijven -- maar ik heb geen reden te twijfelen aan de correctheid van die passages.

12.1 saaie studie

Albert Einstein werd op 14 maart 1879 in de kleine joodse gemeenschap van Ulm geboren en een jaar later verhuisde de familie Einstein naar München. Daar bezocht hij het Humanistisch Gymnasium, waaruit blijkt dat Einstein niet volgens het joodse geloof werd opgevoed. Tijdens het gymnasium beoordeelde men zijn prestaties verschillend. Zijn wiskunde leraar constateerde dat hij op universitair niveau presteerde, maar zijn leraar Grieks voorspelde dat hij nooit iets goeds zou bereiken. Deze leraar zou Einstein later in zijn functie als klasseleraar aanraden de school te verlaten. Op Einsteins opmerking dat hij niets misdaan had, antwoordde hij: "Ja, dat is waar. Maar je zit achter in de klas en glimlacht, en dat staat de eerbied van de klas voor mij in de weg" [A-P2, p. 38].

Hoewel het gezonde verstand Einstein tot voltooiing van de studie aangezet zal hebben, kon hij de verleiding toch niet weerstaan zijn ouders achterna te gaan die inmiddels naar Milaan waren verhuisd. Daar genoot Einstein met volle teugen van de vrijheid als spijbelaar, maar mede door de financiële zorgen van zijn vader deed hij na een jaar toelatingsexamen aan de Eidgenössische Technische Hochschule in Zürich, kortweg aan te duiden als de ETH-Zürich. Einstein zakte, maar zijn kennis van de wiskunde maakte zoveel indruk dat professor Heinrich Weber zich persoonlijk inzette voor de wetenschappelijke toekomst van Albert. Na alsnog het gymnasiumdiploma gehaald te hebben, werd Albert officieel toegelaten tot de Poly.

De colleges liet hij voor het grootste deel lopen "In totaal waren er maar twee examens; voor de rest kon je doen wat je wilde... een vrijheid waarvan ik bijzonder genoten heb... tot een paar maanden voor mijn examen" [A-P2, p. 44]. Einstein was teleurgesteld dat in het officiële studieprogramma weinig of geen aandacht werd besteed aan de toen nog betrekkelijk nieuwe theorie van het elektromagnetisme. In de tijd die hij uitspaarde door de colleges te verzuimen, bestudeerde hij onder andere standaardwerken over dit vakgebied. Typerend is de volgende uitlating van professor Heinrich Weber, dezelfde man die zich had ingezet voor zijn toelating tot de natuurkunde opleiding:"Jij bent een knappe jongen, Einstein, een erg knappe jongen. Maar je hebt een grote fout: je laat je door niemand iets vertellen" [A-P2, p. 44]. Volgens Pais kostte het Einstein zeer veel moeite om in opdracht van anderen te werken. De laatste twee maanden voor zijn examen waren mede daarom een verschrikking en het kostte Einstein na afloop van zijn studie een jaar voordat hij de smaak voor de natuurkunde weer te pakken kreeg [A-P2, p. 44]. Toen hij zijn lust in het wetenschappelijk werk weer had teruggevonden, kon hij geen baan vinden. Hij verweet vooral Weber dat hij hem een baan onthield: "Ik zou allang een baan gevonden hebben als Weber geen oneerlijk spel met mij had gespeeld" [A-P2, p. 45]. Ook buiten Zürich lukte het niet. Zo schreef hij met vergeefse moeite een sollicitatiebrief aan de Leidse hoogleraar Heike Kamerlingh Onnes, de latere ontdekker van supergeleiding.

12.2 eigenzinnige eenling

Na tien maanden werkloos geweest te zijn, werd hij in mei 1901 leraar op een middelbare school, eerst op tijdelijke basis in Winterthur en daarna in Schaffhausen. In juni 1902 maakte hij de overstap naar de octrooiraad in Bern. In deze periode is Einstein tot wetenschappelijke bloei gekomen. Zeer belangrijk daarbij waren de discussies die hij voerde met zijn collega en vriend, de Italiaan Michele Besso. In 1905 bereikte Einstein zijn wetenschappelijk doorbraak met vijf artikelen.

Het eerste artikel, dat hij meteen het predikaat 'erg revolutionair' meegaf, betreft zijn analyse van het foto-elektrisch effect. Dit artikel bood hij aan op 17 maart, drie dagen voor zijn zesentwintigste verjaardag. Het foto-elektrisch effect is het verschijnsel dat licht elektronen uit een metaal kan vrijmaken. Einstein baseerde zijn verklaring op de veronderstelling dat licht uit pakketjes is samengesteld.

Het tweede artikel gaat over molecuulberekeningen en nauwelijks een maand na zijn eerste artikel bood hij het als proefschrift aan. Nadat het afgewezen was omdat het te kort zou zijn, voegde Einstein er één zin aan toe. Dat bleek voldoende te zijn om te kunnen promoveren. In 1906 verscheen dit artikel in de Annalen der Physik.

Zijn derde artikel, over de brownbewegingen, zou wel eens de meeste aandacht van zijn tijdgenoten getrokken kunnen hebben, want met zijn verklaring van dit fenomeen gaf Einstein het doorslaggevende bewijs dat stoffen uit moleculen opgebouwd zijn, iets waar veel fysici rond de eeuwwisseling om zaten te springen.

Zijn vierde artikel, dat nog geen vier maanden na zijn eerste publikatie aan de Annalen werd aangeboden, heeft betrekking op de speciale relativiteitstheorie. De centrale gedachte daarin is dat de lichtsnelheid onder alle omstandigheden dezelfde waarde heeft, ongeacht de snelheid van een waarnemer of een lichtbron. Een belangrijk gevolg van deze veronderstelling is dat massa en energie met elkaar verbonden zijn volgens de formule E = mc. Ook dit vierde artikel verscheen nog in 1905, zodat jaargang 1905 van de Annalen der Physik de drie baanbrekende publikaties van Einstein bevat, waarmee het een van de meest begeerde wetenschappelijke boekwerken is.

Het vijfde artikel tenslotte betreft een nadere uitwerking van de verklaring van de brownbewegingen. Het werd eind 1905 ter publikatie aangeboden.

Na zijn publikaties in 1905 kon een wetenschappelijke carrière voor Einstein uiteraard niet uitblijven. In 1909 werd hij hoogleraar aan de Universiteit van Zürich en in 1911 werd hij hoogleraar aan de Karl-Ferdinand Universiteit in Praag. In 1912 aanvaardde Einstein weer een professoraat in Zürich, maar nu aan de ETH, waar hij ook zijn studie voltooide. Hoe geniaal zijn publikaties ook geweest mogen zijn, als hoogleraar was hij minder geslaagd. Zijn colleges had hij nooit goed voorbereid en wanneer hij een college opnieuw moest geven, was hij de aantekeningen van de vorige keer vaak al kwijt. Het zal dan ook een grote opluchting zijn geweest toen hij in 1913 in Berlijn hoogleraar kon worden met uitsluitend een onderzoekstaak. Daarmee was hij verlost van colleges waar hij in zijn studententijd ook al zo'n hekel aan had.

12.3 eerste energiepakketjes

Van alle artikelen was de bijdrage over het zogenoemde foto-elektrische effect de meest opmerkelijke voor zijn tijdgenoten. Het gaat hier om het verschijnsel dat licht elektronen uit een metaal kan vrijmaken. Het was waargenomen bij natrium, maar het vreemde was dat elektronen alleen uit het metaal konden ontsnappen bij bepaalde kleuren van het invallende licht. Kleur hangt samen met de frequentie, en alleen boven een bepaalde drempelfrequentie kan licht elektronen vrijmaken. Om dit te verklaren, ging Einstein uit van een minimumenergie voor afzonderlijke lichtpakketjes. Een elektron heeft een minimale hoeveelheid energie nodig om te kunnen ontsnappen. Als een lichtpakketje langskomt dat die energie kan leveren, kan een elektron zich uit het metaal losmaken. Dit betekent dat alleen licht boven een bepaalde drempelfrequentie elektronen kan vrijmaken. Beneden die frequentie gebeurt er niets. De energie E van zo'n pakketje bedraagt E = hf, waarbij f de frequentie van het licht en h de constante van Planck is.

Planck had in 1900 al een sprongsgewijze verandering van energie geïntroduceerd voor een verklaring van zwarte straling; op 19 oktober 1900 had Planck in een lezing voor de Duitse Academie van Wetenschappen de formule gepresenteerd die voldeed voor alle temperaturen en frequenties en op 14 december wist hij voor dezelfde groep ook de afleiding te geven. Omdat diens quantisatie van energieniveaus omstreden was, zou je verwachten dat Planck met Einsteins 'hulp' ingenomen zou zijn. Dezelfde simpele formule E = hf verklaarde immers twee onbegrepen processen. Het tegendeel bleek echter waar. In 1910 schreef Planck bijvoorbeeld: "dat de theorie van het licht eeuwen teruggeworpen zou worden, tot de tijd toen de volgelingen van Newton en Huygens elkaar bestreden met de deeltjes- en de golftheorie. Alle vruchten van Maxwells gigantische arbeid zouden verloren gaan door een quantisatie van energie toe te staan, en dat alles ter wille van enkele nog dubieuze speculaties". Hiermee werd geen totaal oordeel over Einsteins werk uitgesproken. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de volgende uitspraak van Planck, eveneens uit 1910, over Einsteins relativiteitstheorie:"Als het [...] juist blijkt, wat ik wel verwacht, zal hij beschouwd worden als de Copernicus van de twintigste eeuw".

In 1913 was Einsteins wetenschappelijke ster al zover gestegen, dat hij tot de Duitse Academie voor Wetenschappen werd toegelaten. In zijn op 12 juni 1913 geschreven Wahlvorslag prees Planck Einsteins totale werk, maar hij herhaalde zijn kritiek op de hypothese van de lichtquanta: "Samenvattend kan men stellen dat onder de vele problemen waar de moderne natuurkunde zo rijk aan is, er nauwelijks één te vinden is waaraan Einstein geen opmerkelijke bijdrage heeft geleverd. Dat hij bij zijn speculaties soms ook eens het doel voorbijgeschoten is, zoals bijvoorbeeld bij zijn veronderstelling van lichtquanta, mag men hem niet al te zeer aanrekenen. Zonder ooit eens risico te nemen, is zelfs binnen de meest exacte natuurwetenschap immers geen echte vernieuwing mogelijk".

Aan het begin van deze eeuw riep Einsteins deeltjesverklaring meer vragen op dan ze beantwoordde. In dat licht bezien is de weerstand van Planck niet zo vreemd. Hij was overigens ook niet de enige. Bohr, die met zijn atoommodel een belangrijke stap had gezet naar een beter begrip van atomaire processen, was het ook niet met Einstein eens. Dat zij niet de enige waren die gereserveerd stonden tegenover Einsteins theorie, blijkt uit het volgende citaat uit 1915 van Robert Millikan, de fysicus die nota bene de juistheid van Einsteins vergelijking voor het foto-elektrisch effect experimenteel bevestigde: "Ondanks [....] het ogenschijnlijke algehele succes van de vergelijking van Einstein, is de natuurkundige theorie waarvan de vergelijking de uitdrukking moet zijn, zo onhoudbaar gebleken, dat ook Einstein zelf, denk ik, er niet meer in gelooft".

12.4 listig laserlicht

Einstein geloofde er echter wel in, en overtuigd als hij was van zijn eigen gelijk, zocht hij naar experimenten die het deeltjeskarakter van licht zouden kunnen bevestigen. Spoedig na Millikans uitlating meende hij een oplossing gevonden te hebben met een gedachtenexperiment dat later bekend zou worden onder het begrip gestimuleerde emissie. Gestimuleerde emissie, ofwel het principe van de laser, is mogelijk als een elektron van een hoog naar een lager energieniveau kan springen onder uitzending van een foton met een bepaalde frequentie f. Als het elektron in deze hoge of aangeslagen energietoestand door een foton wordt getroffen met precies dezelfde frequentie f, springt het elektron spontaan naar het lagere energieniveau. Het invallende foton krijgt derhalve gezelschap van het dan uitgezonden foton, zodat we twee fotonen hebben met dezelfde frequentie f. Dit proces kan zich bij andere aangeslagen atomen herhalen, zodat we een opeenhoping van fotonen kunnen krijgen die allemaal dezelfde frequentie en richting hebben.

Het verschil met spontane emissie is dat bij gestimuleerde emissie het uitgezonden foton evenwijdig aan het invallende foton wordt uitgezonden. Einstein kwam tot deze conclusie op grond van de wetten van behoud van energie en impuls. Hij was er zo van overtuigd dat hij het bij het rechte eind had, dat hij de uitvoering van het experiment niet behoefde af te wachten om zijn gelijk op te eisen. In 1916 introduceerde hij in een brief aan zijn vriend Besso zijn vondst met de opmerking: "een geweldig licht is over mij gekomen".

Daarmee had Einstein zijn gelijk echter allerminst gekregen. De bevestiging van de lichtdeeltjes kwam pas in 1923, toen de Amerikaanse fysicus Arthur Compton er in slaagde röntgenstralen met vrije elektronen te laten botsen. Dit was weliswaar een ander experiment dan Einstein voorstelde, maar zijn overwinning was er niet minder om. In feite speelde Compton een soort biljartwedstrijd met fotonen en elektronen. Compton kon zijn meetresultaten alleen verklaren als hij aan de gebruikte röntgenstralen behalve energie ook een impuls toekende. Als we dat bij de wisselwerking tussen fotonen en gebonden elektronen doen, lijkt geen behoud van impuls te gelden. Als een foton een atoom treft, draagt het zijn energie over aan een elektron dat dan naar een hogere energiebaan springt. Na verloop van tijd valt dit elektron weer naar de oude baan terug onder uitzending van een foton met dezelfde frequentie als het eerder ingevallen foton. De totale energie is in dit proces behouden, maar dat lijkt niet te gelden voor de impuls. Als het elektron terugvalt, wordt een foton in een willekeurige richting uitgezonden. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat het uittredende foton in tegengestelde richting beweegt als het eerder binnengetreden foton. In dat geval is de impuls van de twee fotonen tegengesteld, waarmee de wet van behoud van impuls overtreden lijkt te worden. Als we dit beschouwen, klinkt de eerder geciteerde uitspraak van Millikan niet zo vreemd. Dat toch impulsbehoud optreedt, komt doordat de atoomkern een gedeelte van de impuls van het foton overneemt of afstaat. Om het deeltjeskarakter van licht te bewijzen, diende de neutraliserende invloed van de atoomkern te verdwijnen. Einstein deed dit in zekere zin bij zijn gedachtenexperiment over gestimuleerde emissie en Compton deed het helemaal door vrije in plaats van gebonden elektronen te nemen.

In hetzelfde jaar dat Compton biljart speelde met golfballen, opperde Louis de Broglie een bijzondere vorm van symmetrie. Twintig jaar na Einsteins spectaculaire veronderstelling dat licht uit deeltjes bestaat, veronderstelde deze Franse edelman dat elektronen door golven beschreven kunnen worden. Dat hij niet zonder meer het gelijk van de natuurkundigen aan zijn kant kreeg, blijkt al uit de in eerste instantie afhoudende reactie van Einstein. Hoewel allesbehalve overtuigd van de juistheid van de golfhypothese, voelde Einstein toch dat ze van belang zou kunnen zijn. Hij vestigde er zelfs de aandacht van anderen op, en mede door zijn wetenschappelijk gezag werd De Broglie's theorie serieus genomen. Dit verklaart wellicht ook de korte tijd waarbinnen pogingen werden gedaan om de hypothese van De Broglie experimenteel te toetsen. Dat gebeurde binnen enkele jaren volgens verschillende methoden. Een van de experimentatoren die de golfeigenschappen van elektronen bevestigde, was G.P. Thomson, de zoon van J.J. Thomson die het deeltjeskarakter van elektronen had ontdekt; vader en zoon Thomson symboliseren daarmee het golf-deeltje dualisme in de natuurkunde.

12.5 eindelijke erkenning

Er zullen weinig wetenschappers zijn die de Nobelprijs zo vaak zijn misgelopen als Einstein. Vanaf 1910 werd hij bijna jaarlijks genomineerd; alleen in 1911 en 1915 werd hij niet voorgedragen. De verschillende voordrachten waren veelal afkomstig van steeds andere fysici en ook de wetenschappelijke prestaties waarvoor Einstein geëerd zou moeten worden, verschilden van jaar tot jaar. De tiende voordracht leverde het beoogde succes op; in 1921 kreeg Einstein de Nobelprijs zodat de elfde nominatie kon worden ingetrokken [A-P2, p. 505]. Als we beschouwen hoezeer de verschillende bijdragen van Einstein met elkaar samenhangen, wekt het geen verwondering dat men hem voor zijn totale werk eerde. Merkwaardig genoeg werd bij de toekenning van de Nobelprijs alleen zijn verklaring van het foto-elektrisch effect met name genoemd. Historisch gezien is dat wellicht het meest belangwekkende artikel, vooral ook omdat Einstein zo'n vijftien jaar -- naar het leek bijna tegen beter weten in -- bleef vasthouden aan zijn opvattingen over het deeltjeskarakter van het licht. Wetenschappelijk beschouwd lijkt de waarde het minst belangrijk van de drie artikelen die in 1905 in druk verschenen. Het zou in elk geval meer in de rede hebben gelegen dat Einstein voor de relativiteitstheorie bekroond zou zijn. Voortbordurend op het werk van onder andere de Nederlandse natuurkundige Lorentz ontwikkelde Einstein in 1905 de speciale relativiteitstheorie. Daarna zou Einstein voor een belangrijk deel op eigen kracht de zwaartekracht in de relativiteitstheorie verwerken. Op 25 november 1915 vond dat zijn bekroning met de presentatie van de gravitatievergelijkingen voor de Duitse Academie van Wetenschappen.

Met de presentatie van de algemene relativiteitstheorie heeft Einstein in zijn eentje een geheel nieuwe dimensie aan de natuurkunde toegevoegd en zodoende is hij op een lijn te stellen met Newton en Maxwell, de grondleggers van de mechanica en het elektromagnetisme. In mei 1919 -- twee jaar voor Einsteins 'Nobeljaar' -- bevestigden twee Britse zonsverduisteringsexpedities de voorspelling van de algemene relativiteitstheorie, dat licht door een zwaartekrachtsveld wordt afgebogen. Deze expedities trokken veel publiciteit, en daarmee werd Einstein in een klap wereldberoemd. In een Londens warenhuis werd de formule E = mc in de etalage getoond en filmbeelden uit die tijd tonen de gigantische publieke belangstelling voor deze 'tentoonstelling'.

In tegenstelling tot bijvoorbeeld Bohr omringde Einstein zich niet met briljante studenten die zijn inzichten later zouden kunnen uitwerken. De hiermee verband houdende werkzaamheden pasten niet bij Einsteins karakter. Juist door die solistische en eigenzinnige instelling heeft Einstein op geheel eigen wijze een bijdrage aan de ontwikkeling van de natuurkunde gegeven. Deze vasthoudende tegendraadsheid treedt in feite ook op de voorgrond bij de discussie over de interpretatie van de quantummechanica, die in het eerste hoofdstuk aandacht kreeg. Experimenten lijken Einstein in het ongelijk te stellen, maar zonder zijn vasthoudend verzet tegen Bohrs interpretatie zouden we nu waarschijnlijk minder van de quantummechanica begrijpen. En zelfs nu begrijpen we er nog zo weinig van.

12.6 vasthoudende vredesactivist

Naast honderden wetenschappelijke publikaties ondernam Einstein pogingen de natuurkunde voor leken toegankelijk te maken. Met Leopold Infeld schreef hij het boek The Evolution of Physics; from early concepts to relativity and quanta. Ook buiten de natuurkunde verschenen artikelen van Einstein; over de relatie tussen wetenschap en dictatuur, tussen wetenschap en religie, maar ook over militant pacifisme, Gandhi als staatsman, de Joodse levensvisie, Palestina en de Arabieren, negers in Amerika en over opvoeding.

In 1933 vluchtte Einstein, die immers van joodse afkomst was, naar de Verenigde Staten waar hij tot zijn dood bleef wonen. In 1939 gaf de als pacifist bekend staande Einstein met een brief aan president Roosevelt een belangrijke stoot tot de ontwikkeling van de atoombom. Einstein zag dat de relativiteitstheorie en de quantummechanica tezamen voorspelden dat bij sommige atomaire processen een deel van de massa in een gigantische hoeveelheid energie omgezet kan worden volgens de relatie E = mc. Vooral de zorg dat Hitler met behulp van de in Duitsland achtergebleven fysici dit principe zou weten aan te wenden voor het maken van een atoombom, vormde voor Einstein de aanleiding zich tot de Amerikaanse regering te wenden. Hitler zou in geen geval als eerste, laat staan als enige, over een atoomwapen mogen beschikken.

Na de oorlog, toen de druk van de nazi's was verdwenen en de verwoestende uitwerking van de atoombom was gebleken, zette Einstein zich vol overgave in tegen de atoombewapening. Het meest bekend is de oproep die hij vlak voor zijn dood in 1955 samen met de Britse filosoof Bertrand Russell deed, het Russell-Einstein manifest. Einstein schreef op 2 maart 1955 een brief aan Niels Bohr, in een poging ook hem bij deze verklaring te betrekken. Deze brief begint als volgt: "Frons niet zo! Deze brief heeft niets te maken met onze oude controverse in de fysica, maar met een zaak waarover wij het volkomen eens zijn". De brief eindigt met de passage: "In Amerika ligt het daarom zeer moeilijk, omdat de meest geziene geleerden die invloedrijke posities bekleden nauwelijks geneigd zullen zijn zich in een dergelijk 'avontuur' te storten. Als ik er zelf bij ben is dat voor de beïnvloeding van het buitenland gunstig, maar niet hier in dit land waar ik (niet alleen op wetenschappelijk terrein) als een zwart schaap bekend sta" [A-H5, p. 274].

Bohr verwachtte weinig heil van de verklaring en daarom heeft hij deze niet getekend. Voor Einstein vormde de ondertekening zijn laatste openbare daad. Hoewel de atoombewapening nog steeds doorgaat, is het Russell-Einstein manifest van groot belang geweest, vooral voor de discussie onder natuurwetenschappers. Dit manifest heeft bijgedragen aan een klimaat waarin de Pughwash-beweging kon ontstaan, de beweging die in 1995 de Nobelprijs voor de vrede kreeg. Wat dat betreft is Bohr wellicht toch te pessimistisch geweest.

De persoonlijkheid van Einstein kan niet los worden gezien van diens ontdekkingen. Zeker gezien het wetenschappelijke belang van zijn werk, zou onder studenten het inzicht in de hedendaagse natuurkunde kunnen toenemen als zij meer kennis zouden nemen van het worstelproces van Einstein. Wie een wetenschapsorganisatie leidt, doet er goed aan rekening te houden met de mens achter de wetenschapper. Wie ruimte wil geven aan de creativiteit van Einsteins, moet ook begrip hebben voor de grilligheid van dergelijke genieën. Dit betekent niet dat ik ongebreidelde (academische) vrijheid bepleit. Niet iedereen heeft de kwaliteiten van Einstein en kan op een vergelijkbare geniale manier met de vrijheid omspringen. De prijs van die vrijheid zou wel eens te groot kunnen zijn. Maar talent verloochent zich niet. En waar dat talent bovendrijft, dringt de vraag zich op of de betrokkene ook met alle (democratische) plichten opgescheept moet worden. De enkele keren dat ik met Schillebeeckx sprak in zijn functie als projectleider kon ik mij niet aan het gevoel onttrekken dat de universiteit zijn creativiteit zat te verspillen. Wat te denken van de filosoof die meerdere boeken op zijn naam heeft staan die als dissertatie zouden kunnen dienen. Op mijn vraag waarom hij nog steeds niet was gepromoveerd, antwoordde hij dat dit een middel was om het hoogleraarschap te ontlopen; als professor zou hij een groot gedeelte van zijn (creatieve) vrijheid verliezen en manager moeten spelen.

Waarom moeten alle hoogleraren goede onderzoekers, docenten, en managers zijn? En in deze tijd van externe financiering ook nog goede marketeers. Dat lijkt een gevarieerde taakstelling, meerdimensionaal zou je zeggen. Maar mensen die van alles een beetje kunnen, zijn in feite ook eendimensionaal. Niet in de diepte maar in de breedte, en dat is misschien wel de ergste vorm van eendimensionaliteit die universiteiten kan treffen. Dat zijn bespiegelen die bij mij boven komen drijven bij het aanschouwen van de levensloop van Einstein. Waar een beetje human interest toe kan leiden. Dat Einstein in dit opzicht geen uitzondering is, zal nader blijken in het volgende hoofdstuk.