13 Vernieuwende Vreemdelingen


de passages tussen [..] zijn literatuurverwijzingen.

In het eerste deel ging de aandacht uit naar het voordeel dat wetenschappers kunnen hebben bij een minder sterke afsluiting van ervaringen buiten de eigen wetenschappelijke discipline. Vooral de afsluiting binnen de a- resp. b-cultuur stond daarbij centraal. De eendimensionale specialisatie heeft zich binnen deze hoofdgroepen verder vertakt. Om de ontwikkeling van onbevangen wetenschappelijke inzichten te bevorderen, is het van belang dat niet alle onderzoekers aan de dimensie van hun oorspronkelijke discipline vast blijven kleven. Ik zal in dit hoofdstuk dit belang voorbeeldgewijs verkennen.

13.1 onbevangen onderzoekers

In de wetenschapsfilosofie is Thomas Kuhn uitgegroeid tot een van de belangrijkste vertolkers van het belang van discipline-overstijgende wisselwerking. Centraal in het werk van Kuhn staat het begrip paradigma, door hem onder andere omschreven als "algemeen aanvaarde wetenschappelijke prestaties die een tijd lang model problemen en oplossingen verschaffen aan een gemeenschap van onderzoekers" [A-K2, p. 10]. Paradigma is bijna een modewoord geworden waarbij een geringe verschuiving in opvattingen reeds als een verandering van paradigma wordt aangeduid. Kuhn doelt echter op majeure veranderingen, zoals de titel van zijn baanbrekende boek ook duidelijk maakt: the Structure of Scientific Revolutions. Voor de natuurwetenschappen is daarvan sprake bij de ontwikkeling van de darwinistische evolutieleer, de vervanging van het Ptolemeïsche door het Heliocentrische wereldbeeld, de overgang van de klassieke mechanica naar de quantummechanica, enzovoort.

In nog geen tweehonderd pagina's schetst Kuhn zijn visie op de ontwikkeling van de wetenschap en voor mijn gevoel heeft hij daarmee de helft gezegd van hetgeen hierover in theoretisch opzicht te zeggen valt. De academisering is echter ook op dit terrein niet achterwege gebleven. Integendeel, Kuhns ideeën werden in kringen van met name Europese wetenschapssociologen warm onthaald en prompt werd er een nieuw specialisme geboren: Sociology of Scientific Knowledge (SSK). In een overzichtsartikel naar aanleiding van Kuhns dood schetst Marcel Hulspas de ontwikkelingen van Kuhns opvolgers in deze tak van wetenschap [D-H9].

In plaats van Kuhn weerklank te laten vinden binnen andere vakgebieden, concentreren deze opvolgers zich op de dimensie van de sociologie en filosofie. Hierdoor maken de opvolgers Kuhn onschadelijk voor mensen uit andere vakgebieden, en daarmee voor degenen die in hun dagelijkse beroepspraktijk iets van Kuhn zouden moeten leren. Hoezeer zij zich onschadelijk maken, wordt duidelijk als we beseffen dat het vooral de SSK-sociologen zijn waar de in paragraaf 3.7 geschetste weerzin van Sokal en andere natuurwetenschappers zich op richt. Ook Latour theoretiseert in belangrijke mate voort op de door Kuhn ingeslagen weg.(22) In dit hoofdstuk probeer ik een andere weg te bewandelen; niet theoretiseren in het verlengde van Kuhn, maar zoeken naar voorbeelden uit de praktijk. Ik hoop daarbij (vooral) mensen buiten de wetenschapsfilosofie en -sociologie aan te spreken.

Kuhn constateert dat relatief veel baanbrekende wetenschappelijke ontdekkingen op naam van jongeren staan. De verklaring daarvoor is volgens Kuhn niet, of niet alleen, de leeftijd, maar de mate van onbevangenheid; het zijn de nieuwelingen in een vakgebied  jong en oud  die volgens Kuhn als eersten zien dat bestaande regels "niet langer een speelbaar speelveld definiëren" en die "een nieuwe verzameling kunnen ontwerpen die de oude regels kan vervangen, omdat ze als nieuwelingen nog niet door de praktijk zijn gebonden aan de traditionele regels van de normale wetenschap" [A-K2, p. 110].(23) Kuhn illustreert dit betoog onder andere met een beschouwing over John Dalton, een van de belangrijkste personen uit de geschiedenis van de chemie. Dalton was geen scheikundige en ook niet bijzonder in dat vakgebied geïnteresseerd; hij was een meteoroloog die het vermengen van gassen en het oplossen van gassen in water vanuit zijn eigen deskundigheid bekeek en zodoende zijn beroemde chemische atoomtheorie wist te ontwikkelen [A-K2, p. 162].

13.2 toevallige treffers

Vanuit universitaire kring wordt nogal eens onderstreept dat onderzoek niet al te zeer gestroomlijnd moet worden via richtlijnen omtrent maatschappelijk of bedrijfsrelevant onderzoek.(24) Dergelijke stroomlijning zou als nadeel hebben dat de ruimte voor toevallige ontdekkingen ingeperkt zou worden, zoals bijvoorbeeld door een universitaire vertegenwoordiging werd geponeerd tijdens een hoorzitting over de regeringsnota kennis in beweging. In het vierde deel komt deze nota nog uitgebreider ter sprake. Als voorbeeld van zo'n toevalstreffer werd de ontdekking genoemd van materialen die ook bij relatief hoge temperaturen geen weerstand bieden aan elektrische stromen. Het bestaan van hoge temperatuur supergeleiders werd overigens ontdekt in het Zwitserse bedrijfslaboratorium van IBM. Toevallige ontdekkingen en bedrijfsrelevantie hoeven dus helemaal niet met elkaar in tegenspraak te zijn. Het voorbeeld roept zelfs de vraag op of de universitaire omgeving wel de meest geschikte is om een voet te zetten op nog onbetreden onderzoekspaden. Een van de belangrijkste kenmerken van universiteiten is namelijk de disciplinaire opdeling met tamelijk ondoordringbare schotten tussen wetenschapsgebieden, terwijl in de industrie mensen vanuit verschillende disciplines samenwerken binnen één project.

In een voordracht over human resource management (HRM) maakte meervoudig hoogleraar Roel in't Veld gewag van zijn bezoek aan het genoemde IBM-laboratorium [G-V1]. Daar werken 35 onderzoekers, waarvan er drie met een Nobelprijs zijn beloond. In't Veld werd verzekerd dat het in twee gevallen om een vergissing ging, om iets waar zij bij toeval op waren gestoten. Onlangs waren ze weer iets toevalligs tegengekomen dat een goede kans zou maken op een Nobelprijs. Twee IBM-medewerkers, Binnig en Rohrer, kregen in 1986 de Nobelprijs voor natuurkunde voor hun bijdrage aan de ontwikkeling van de rastertunnelmicroscoop, een prijs die ze overigens moesten delen met Ernst Ruska van de Technische Hogeschool in Berlijn. Met de door Rohrer en Binnig ontwikkelde microscoop kan men in feite atomaire deeltjes zien. Deze techniek betekende een grote sprong voorwaarts voor het onderzoek naar de structuur der materie, en de toekenning van de Nobelprijs is dan ook niet vreemd.

Het toeval en de vergissing waar IBM op doelde, slaat dan ook niet op deze ontdekking of zij moeten met dat beeld willen koketteren maar op de ontdekking van twee andere IBM-medewerkers, Bednorz en Müller. Begin 1986 merkten zij dat een oxyde van lanthaan, barium en koper supergeleidend was bij 30 K, een destijds ongehoord  of beter onmogelijk hoge temperatuur. Ze waren dan ook aarzelend met de publikatie, maar nadat hun vondst werd gepubliceerd, sloegen over de hele wereld onderzoeksgroepen als moderne alchemisten aan het bakken en braden om maar als eerste een materiaal te vinden dat bij recordtemperatuur de elektrische weerstand zou verliezen. In januari 1987 werd een temperatuur van 52 K gemeld en nog geen maand later kwamen twee meldingen binnen van 93 K. Daarmee was binnen enkele maanden dus een stof gevonden die gekoeld met vloeibare stikstof (77 K) een elektrische stroom ongehinderd doorlaat.

Beschouwd vanuit de optiek van de IBM-onderzoekers lijkt bij de warme supergeleiding inderdaad sprake van toeval; ze zochten in feite naar iets anders en dit kwam toevallig voorbij. Maar is het ook toeval vanuit de optiek van de ontdekking? Er zijn zoveel materialen die supergeleidend zijn bij temperaturen die boven het record van voor 1986 liggen, dat gesteld zou kunnen worden dat het toevallig is dat niet eerder een 'hete supergeleider' werd gevonden. Dat geldt zeker gezien het feit dat op meerdere plaatsen werd gezocht naar hogere-temperatuur-supergeleiders. Maar bij de gerichte speurtochten werd gebruik gemaakt van de theorie die Amerikanen Bardeen, Cooper en Schrieffer in 1957 hadden ontwikkeld. Deze BCS-theorie werkte en werkt uitstekend voor de oude generatie supergeleiders, maar geeft geen antwoord op de vraag waarom de nieuwe materialen supergeleidend kunnen zijn. Anders gezegd, met de BCS-theorie in de hand zou je nooit materialen maken zoals die op het IBM-lab werden gebruikt. De theorie -- het bestaande paradigma -- lijkt hier de (universitaire) experimentatoren in de weg te hebben gestaan.

IBM-onderzoekers zijn niet de enigen die in hun wetenschappelijke onbevangenheid baanbrekende ontdekkingen doen. Wellicht zijn deze industriële onderzoekers minder belast met fundamenteel-theoretische paradigma's en daardoor ook op oudere leeftijd in staat om gevestigde theorieën te ontmaskeren. In de universitaire wetenschap lijken het vooral jongelingen te zijn die aan de wieg staan van vernieuwingen.

Een van de belangrijkste ontwikkelingen in de astronomie is de ontdekking van de pulsars, sterren die in de orde van seconden om de eigen as draaien. De vondst werd gedaan door de Amerikaanse PhD student Joselyn Bell bij haar onderzoek naar een ander type ster, de quasars. De gevonden draaisnelheid was hoog, onmogelijk hoog, en pas na volhoudend aandringen wist zij de gevestigde orde van haar gelijk te overtuigen. Net als in de voorbeelden van de IBM-onderzoekers gaat het om ontdekkingen die tot nieuwe theorieën leiden en om het belang dat onderzoekers een onbevangen oog hebben voor toevallige treffers.

Kuhn richt zich in mijn beleving vooral op de ontwikkeling van nieuwe, revolutionaire theorieën en de rol van onbevangen buitenstaanders. Vooral als bestaande theorieën onder druk komen te staan en waarnemingen niet zonder meer eenduidig zijn, zullen de aangedragen vernieuwingen op grote weerstand stuiten. Die typering geldt volgens mij bij uitstek voor de ontwikkeling van de chaostheorieën en voor de quantummechanica; in beide gevallen is veel baanbrekend werk verricht door jonge en/of relatieve buitenstaanders. Aan de hand van een artikel dat ik schreef voor de Volkskrant beschouw ik in de volgende paragraaf de rol van buitenstaanders op beide terreinen [D-S15].

13.3 revolutionaire randfiguren

"De keizer loopt in zijn blootje", roept een jongetje als een ijdele monarch zijn nieuwe kleren toont. De volwassenen verkeren in de waan dat zij dom zijn als zij de kleren niet zien. Een kind met een nog onbevangen kijk op de wereld laat de omstanders beseffen dat zij met verkeerde ogen naar de werkelijkheid kijken.

Ook in de wetenschap lopen naakte keizers rond, zoals blijkt uit Chaos, de derde wetenschappelijke revolutie [G-V1]. In dit boek beschrijft James Gleick de ontwikkeling van een nieuwe tak van wetenschap. De geestdriftige aanhangers van de chaostheorie zeggen dat ons nageslacht drie dingen zal herinneren van de wetenschap van deze eeuw: relativiteit, quantummechanica en chaos. Van die drie revoluties heeft alleen chaos betrekking op het heelal dat we zien en aanraken, op zaken van menselijke schaal. (In hoofdstuk negen zijn enkele aspecten van de chaostheorieën nader belicht).

Gleick constateert dat de ontdekkingen van chaos-verschijnselen in diverse wetenschapsgebieden vrijwel zonder uitzondering afkomstig zijn van onderzoekers die aan de rand van het betrokken vakgebied opereren: "Een nieuwe wetenschap rijst op uit een wetenschap die op een dood spoor terecht is gekomen. Vaak heeft zo'n revolutie een interdisciplinair karakter -- de belangrijkste ontdekkingen komen vaak van mensen die buiten de normale grenzen van hun specialisme bezig zijn" [G-V1, p. 40].

Gleick bespreekt de ontwikkeling van chaos binnen verschillende vakgebieden. Daarbij is bovenstaand citaat vrijwel steeds op een of andere manier van toepassing. Zo kwam Robert May tot de conclusie dat chaotisch lijkende verschijnselen soms beschreven worden door zeer eenvoudige wiskundige formules. Uitgezet in grafieken levert dat figuren op die lijken op de vertakkingen van een boom. Gleick schrijft: "Biologen hadden de vertakkingen op de weg naar chaos over het hoofd gezien, omdat ze de wiskundige deskundigheid misten en omdat ze niet waren gemotiveerd om wanordelijk gedrag te onderzoeken. Wiskundigen hadden de vertakkingen gezien, maar waren eraan voorbijgegaan. May, een man met een voet in beide werelden, begreep dat hij een terrein betrad dat verbazingwekkend diepzinnig was" [G-V1, p. 75].

De wiskundige Mitchell Feigenbaum ontdekte dat twee getallen de vertakkingen van Robert May beheersen. Diezelfde getallen duiken ook op in volstrekt andere situaties, van lekkende kranen tot hartkloppingen. Deze Feigenbaumgetallen lijken natuurconstanten die een fundamentele eigenschap weergegeven voor chaotische processen, zoals bijvoorbeeld het getal (pi) de wiskundige constante is van de meetkunde. Hoe baanbrekend het werk van Feigenbaum ook moge zijn, in het begin kon hij geen tijdschrift vinden dat zijn artikelen wilde publiceren. Volgens Gleick houdt de weerstand tegen de nieuwe ontwikkelingen verband met de "hersenspoeling door een zes- of zevenjarige klassieke natuurkundeopleiding" [G-V1, p. 226].

Als de weerstand tegen een nieuwe theorie maatstaf is voor het revolutionaire gehalte, verdient de chaostheorie zeker het predikaat 'revolutionair'. De beschrijvingen die Gleick geeft van de ontdekkers van de chaostheorie roepen associaties op met de wegbereiders van de quantummechanica. Ook zij stonden vaak aan de rand van de wetenschap, bijvoorbeeld door de jeugdige leeftijd waarop de baanbrekende ontdekkingen plaatsvonden. Albert Einstein was 26 jaar toen hij in 1905 beweerde dat lichtgolven een deeltjeskarakter bezitten. Werner Heisenberg was zelfs nog jonger, 23 jaar, toen hij de basis legde voor de deeltjesbeschrijving van de quantummechanica.

Ook de vasthoudendheid waarmee nieuwe inzichten worden bestreden, kan een aanwijzing zijn voor het revolutionaire karakter van een theorie. Bij de quantummechanica richtte de weerstand zich aanvankelijk vooral op de samenhang tussen golven en deeltjes. Nadat Einstein in 1905 veronderstelde dat golven ook deeltjes zijn, beweerde Louis de Broglie in 1923 dat deeltjes ook golven zijn. Eenmaal geformuleerd, klinkt De Broglie's gedachte wellicht eenvoudig en voor de hand liggend. Wat is er immers logischer om na de veronderstelling dat golven deeltjes zijn, te beweren dat deeltjes golven zijn? Je kunt je zelfs afvragen waarom al die geleerden twintig jaar nodig hadden om deze simpele gedachte onder woorden te brengen. Voor natuurkundigen was dit idee echter niet simpel. Integendeel, het paste volstrekt niet binnen het gangbare wetenschappelijke gedachtenpatroon of paradigma. Dat juist De Broglie dit idee verkondigde, is wellicht mede het gevolg van zijn specifieke achtergrond; hij was van oorsprong historicus.

Ook Einstein was in 1905 een relatieve buitenstaander, niet alleen door zijn jeugdige leeftijd, maar vooral door het feit dat hij niet binnen de academische wereld werkte. Men kan de vraag stellen hoe iemand in zijn vrije tijd binnen een jaar een handvol baanbrekende artikelen kan publiceren. In Einsteins geval moet de vraag misschien worden omgedraaid. Zou hij hiertoe in staat geweest zijn als hij op een universiteit gewerkt zou hebben? Het kenmerkende van Einsteins publikaties is namelijk dat ze berusten op veronderstellingen die in beginsel zeer eenvoudig zijn, maar die de gangbare wetenschappelijke opvattingen tarten.

Doet leeftijd er niet toe als het gaat om wetenschappelijke vernieuwing en gaat het alleen om de kijk door een bril waarvan de glazen niet al te zeer door bestaande paradigma's zijn vertroebeld? Zo sterk zou ik het niet willen uitdrukken, want echte grijsaards zijn in het voorgaande niet als de baanbrekende vernieuwers naar voren gekomen. Een uitzondering zou De Broglie kunnen zijn, maar daar valt tegen in te brengen dat diens bijdrage niet veel verder is gegaan dan de geniale gedachte dat deeltjes een golfkarakter hebben. In de geschiedenis van de natuurkunde speelt hij verder geen grote rol, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Einstein die al zijn talenten en energie inzette om zijn gelijk verder uit te werken.

Om meer te presteren dan een gouden uitspraak is in de natuurkunde vaak een langdurige scholing nodig waarin de wiskundige taal wordt geleerd en is vervolgens intensieve training nodig om die taal te blijven beheersen. En met het voortschrijden der jaren wordt het steeds moeilijker om op wereldniveau te blijven presteren. Illustratief is de conclusie van Gerard 't Hooft, een van de meest begaafde Nederlandse fysici, dat hij te oud werd om zich door de wiskundige berg van de snarentheorieën heen te werken. Maar dat betekent niet dat deze bijna-Nobelprijswinnaar op veertigjarige leeftijd uitgerangeerd zou zijn.

13.4 wijze wrakken

Vaak wordt een negatieve relatie gelegd tussen prestatie en leeftijd en voor verschillende beroepsgroepen is die relatie ook evident, zoals veel topsporters die voor hun 35e jaar bejaard zijn en zich moeten voorbereiden op een andere maatschappelijke carrière, uiteenlopend van trainer tot sigarenwinkelier en van piloot tot staatssecretaris. Voor veel beroepsgroepen waar fysieke prestaties centraal staan, speelt leeftijd een belangrijke rol. Het menselijk lichaam is in fysiek opzicht onderhevig aan de tanden des tijds, maar ook los van deze inherente veroudering is de menselijke rug veelal niet berekend op veertig jaar zwaar lichamelijk werk. Aanbidding van de jeugd ligt op geestelijk gebied echter veel minder voor de hand; wijsheid komt tenslotte met de jaren. Dat leeftijd zeker geen absolute maat is voor creativiteit, illustreert de kunstenaar Matisse die aan het begin van deze eeuw het boegbeeld werd van het Franse expressionisme. Op zeer gevorderde leeftijd ontwikkelde hij, aan bed en rolstoel gekluisterd, een nieuwe stijl; hij knipte papiersnippers die op zijn aanwijzing van de juiste kleur werden voorzien en op de door hem bepaalde plaats in de compositie werden gedirigeerd. Dat hierbij geen sprake is van een uitgebluste kunstenaar blijkt uit het feit dat dit werk uit de nadagen van zijn loopbaan steeds meer wordt gezien als de artistieke doorbraak; volgens hemzelf vormt het in elk geval zijn artistieke hoogtepunt.

Dat ook wetenschappers tot op zeer hoge leeftijd kunnen bijdragen aan de grenzen van hun vakgebied, is ook in onze tijd op uiteenlopende terreinen bewezen, bijvoorbeeld door de theoloog Schillebeeckx, de econoom Tinbergen, de astronoom Oort en de wiskundige Struik. Hoewel een spraakmakende Nobelprijswinnaar als Einstein op jeugdige leeftijd de basis legde voor uitzonderlijke wetenschappelijke doorbraken, hebben veel anderen die onderscheiding te danken aan prestaties op hogere leeftijd. Voor toptalent lijkt geen eenvoudig causaal verband te bestaan tussen prestatie en leeftijd. Wel opvallend is dat velen niet levenslang op hetzelfde aambeeld hameren, ze verleggen het aandachtsgebied, zoals Matisse van stijl veranderde; hij ging met het stijgen der jaren niet slechter schilderen, maar anders. Het leeftijdsafhankelijke element in de exacte wetenschappen is onder woorden gebracht door de honderdjarige Struik, die in de jaren vijftig het zuiver wiskundig onderzoek liet voor wat het was en overstapte naar de geschiedenis van zijn vakgebied: "Dat bijna niemand dat (zuivere wiskunde) na een bepaalde leeftijd nog kan, heeft waarschijnlijk te maken met het vermogen je te concentreren... Na hun zestigste zie je mensen verslappen. Als ze nog iets doen, zijn ze eigenlijk zichzelf aan het herhalen. Maar aan de geschiedenis kan je wat doen zolang je wilt, heb ik ontdekt, als je tenminste niet helemaal afgetakeld bent..." [E-AN] De loopbaan van de bejaarde fysicus Pais wijst in dezelfde richting; na een glanzende carrière in de fysica ontwikkelde hij een nieuwe loopbaan als toonaangevend auteur van boeken over de geschiedenis van de natuurkunde in deze eeuw, waaronder maatgevende biografieën van Einstein [A-P2] en Bohr [A-P3].

13.5 krasse knarren

Wat hebben de beschouwingen over leeftijd met het paradigma van Kuhn en de dimensies in de wetenschap van doen? Voorbeelden van Struik en Pais kunnen worden beschouwd vanuit het negatieve, dat ze de ontwikkelingen in de "echte" wetenschap niet meer kunnen bijbenen. De situatie kan echter ook vanuit het positieve worden geformuleerd; zouden zij zonder hun staat van dienst bij machte zijn geweest de boeken over de geschiedenis van hun vakgebied te schrijven? Nee, nee en nog eens nee. De geschiedschrijving van Pais is niet alleen doordrenkt van fysische kennis die je als relatieve leek niet zo snel opschrijft, maar veel bronnen blijken in het hoofd van de auteur te zitten. Het feit dat Pais intensief heeft samengewerkt met Einstein en Bohr stelt hem in staat zijn biografieën te schrijven. Met andere woorden, vergrijzing is voor sommige gebieden essentieel, en in het geval van Pais en Struik is overstijging van de a-b kloof pas mogelijk na een zeer langdurig verblijf aan de b-zijde. De voorbeelden van Pais en Struik lijken ook te suggereren dat het gevaar van uitgebluste talenten in de b-richting groter is dan in de a-disciplines. Binnen de b-wetenschappen neemt de behendigheid af op het gebied van de analytische wiskunde zoals bij de door 't Hooft genoemde snarentheorie maar in a-disciplines zijn het ook de jongeren die als eerste in aanmerking komen voor data-analyse terwijl de ervaren onderzoeker uitdaging zoekt in het integreren van deelaspecten. Een promovendus kan bijvoorbeeld onderzoek doen naar het taalgebruik van Vondel, of zelfs naar een aspect daarvan, terwijl het de begeleidende hoogleraar gaat om de plaats van Vondel in de toenmalige cultuur, enzovoort. Zoiets geldt ook voor 't Hooft, die promovendi de benodigde wiskunde kan laten bewerken. En het geldt ook voor Beckers die als AWT-voorzitter mij en andere stafleden op het goede spoor zet voor het schrijfwerk dat hijzelf ontgroeid is.

Wanneer we de leeftijdsschaal naast de discipline-indeling leggen, valt wel op dat er een stroom van b naar a optreedt, althans zeker wat betreft de natuurkunde, zoals valt af te leiden uit het aantal Nobelprijswinnaars in de fysica dat op latere leeftijd (geheel of gedeeltelijk) overstapt op de grondslagen en/of popularisering van de natuurkunde, zoals Bohr, Einstein, Heisenberg, Gell-Mann, Lederman en Weinberg. Er zijn echter ook verschillende fysici die al in een betrekkelijk vroeg stadium naar een andere discipline zijn overgestapt en daarin een grote reputatie hebben opgebouwd, tot de Nobelprijs voor de econoom Tinbergen aan toe.

De sterk discipline-gewijze afschotting binnen de universiteiten belemmert een grote stroom van wetenschappers over de grenzen van disciplines. Daarmee wordt verhinderd dat ervaren onderzoekers de naakte keizers uit andere vakgebieden ontmaskeren. Voor die ontmaskering is als regel het toptalent nodig dat in dit hoofdstuk centraal stond, maar ook voor onderzoekers met meer alledaagse talenten is verandering van vakgebied van belang. Die verandering kan ook van belang zijn om wetenschappers langer vitaal te houden. Net als voor het fysieke prestatievermogen is ook voor de geestelijke inspanningen training nodig; use it or lose it! Zonder voortdurende training verliest de mens capaciteiten die hij van nature bezit; ruimtevaarders kunnen na een langdurig verblijf in de ruimte bij terugkomst op aarde niet meer op beide benen staan. Een manier om onderzoekers tot geestelijke training te motiveren, is hen over te plaatsen naar andere disciplines. Als bezwaar daartegen zou aangevoerd kunnen worden dat deze overstap gepaard gaat met inwerktijd, en derhalve de produktiviteit verlaagt. Dat laatste lijkt alleen voor de korte termijn te gelden, bijvoorbeeld doordat men zich op een nieuw terrein moet inlezen. Na verloop van tijd wordt de produktiviteit zelfs positief beïnvloed door de overstap, niet vanwege een groter aantal publikaties maar door een grotere impact; het onderzoek van de 'overstappers' wordt vaker geciteerd dan dat van collega's die op de vertrouwde stoel bleven zitten. Deze conclusie trekt Arie van Heeringen uit zijn onderzoek naar het effect van de overstap van wetenschappers naar aanpalende richtingen binnen de economie, scheikunde en natuurkunde [B-H1].

Het verplaatsen van mensen over disciplinaire grenzen heen kan dus zowel positief uitwerken voor het onderzoek als voor de onderzoeker. Er zijn echter ook allerlei belemmeringen die de discipline overstijgende mobiliteit in de weg staan. Gezien de wettelijk vastgelegde bevoegdheden zijn faculteiten enigszins te vergelijken met dochterondernemingen van een bedrijf. Het is vaak moeilijk om mensen tussen zelfstandige eenheden te verplaatsen. Zelf heb ik dat meermalen ondervonden tijdens het vakbondswerk binnen de KU Nijmegen. Vroeger was deze universiteit verdeeld in drie directoraten onder leiding van een directeur die door het college van bestuur van ruime bevoegdheden was voorzien. Elk directoraat had een eigen personeelsdienst. Bij herplaatsing van mensen bleek het veel moeilijker om mensen over de grenzen van een directoraat heen te verplaatsen dan daarbinnen. Die moeilijkheid gold ook voor mensen die breed inzetbaar zijn, zoals secretaresses en portiers. In de nieuwe wet voor de universitaire bestuursstructuur zijn vergaande bevoegdheden vastgelegd voor de decanen; die hebben in veel opzichten de mogelijkheid eigen koninkrijkjes te vormen die vergelijkbaar zijn met de grotere keizerrijken van de vroegere Nijmeegse directoraten. Met deze in de wet vastgelegde decentrale machtscentra ontbreekt het klimaat om tot een gezaghebbende regisseur te komen.

Dat universiteiten niet per definitie opgedeeld moeten zijn in facultaire blokken, blijkt uit voorbeelden uit het buitenland. Aan de technische universiteit van het Franse Compiègne wordt gewerkt met een projectenstructuur die dwars door de facultaire grenzen heen loopt. Van tijd tot tijd worden oude projecten afgerond en nieuwe opgezet, hetgeen betekent dat de betrokken medewerkers over de disciplinaire grenzen bewegen, zoals dat ook in de industrie gebeurt. Aan de technische universiteit in Zürich is het benoemingsbeleid van hoogleraren een centrale aangelegenheid. Als faculteiten al bestaan, hebben de besturen, decanen, of wie de scepter ook zwaaien, geen moer te vertellen over deze benoemingen. Uiteraard wordt wel naar goede adviezen geluisterd, zoals dat ook in het bedrijfsleven door goede managers wordt gedaan.

13.6 helpende hoeden

Gouden ingevingen zijn sterk aan een persoon gebonden; je bent een ideeënfabriek of je bent het niet en daar verandert geen structuur iets aan. Er valt echter wel een klimaat te scheppen waarbinnen geniale ideeën goed kunnen gedijen. Niet meteen alle ogenschijnlijk onzinnige voorstellen afkappen. Sterker nog, aanmoedigen dat mensen met dat soort voorstellen komen, zoals Edward de Bono bepleit. Hij werkt met zes verschillend gekleurde (denkbeeldige) hoofddeksels, waarbij in dit verband vooral de groene van belang is. Daarbij staat creatief denken centraal: "opzettelijk ideeën die onlogisch zijn, naar voren brengen, bij wijze van provocatie..... creativiteit is een proces waarin provocatie, exploratie en risico's een rol spelen" [A-B3, p. 148/149]. Interessant is het omkeringsprincipe. Vaak levert dat weinig bruikbare suggesties op, zoals auto's met vierkante wielen en vliegtuigen die ondersteboven moeten kunnen landen. Maar de suggestie om een vervuilende industrie stroomafwaarts van zich zelf te plaatsen, leidde tot de uitwerking dat fabrieken hun benodigde water moeten betrekken van een punt dat stroomafwaarts ligt ten opzichte van de fabriek. Zodoende ondervindt de fabriek als eerste de nadelen van de zelf veroorzaakte verontreiniging [A-B3, p. 162]. De suggestie van Einstein dat licht uit deeltjes is opgebouwd en die van De Broglie dat elektronen een golfkarakter hebben, kunnen tot dit omkeringsprincipe gerekend worden.

Elke leek kan dit principe toepassen op problemen. Er moet een miljoen woningen komen. Bouw die in een weiland. Is het beter om in het groene hart een miljoenenstad te bouwen dan het uitbreiden van meer dan een dozijn bestaande steden? Is het beter om ter hoogte van Elst een miljoenenstad uit het niets op te bouwen dan het uitbouwen van Arnhem en Nijmegen wat leidt tot een stedelijk knooppunt met twee centra in de excentrisch gelegen brandpunten? Amsterdam, Den Haag en Rotterdam willen allemaal een TGV-station in het stadscentrum. Laat ze allemaal afvallen en plaats een of twee stations buiten de stad. Misschien stations onder Schiphol en het Kleinpolderplein, om van daaruit snel met een regionaal spoor- en metronet of met de auto naar de gewenste plaats in de noordelijke of zuidelijke Randstad door te reizen?

Toen ik regelmatig in de pen klom voor artikelen over hedendaagse ontwikkelingen in de natuurkunde kreeg ik vele tientallen suggesties die tot de oplossing van wetenschappelijke problemen zouden leiden. Als regel was het klinkklare onzin, althans in mijn ogen, maar die kunnen blind zijn voor de gouden gedachte die buiten het gangbare paradigma treedt. Maar ik denk toch dat tenminste 99% van de suggesties inderdaad onzin is. En zo kunnen ook mijn gedachtenspinsels over een nieuwe (zo mogelijk autoluwe) miljoenenstad en TGV-stations buiten de stadscentra op drijfzand rusten.(25) Het gaat niet alleen om het bedenken van onconventionele oplossingen, maar ook om daarna het kaf van het koren te scheiden. Om te voorkomen dat financiële luchtkastelen worden gebouwd, komt op een gegeven moment de witte denkhoed aan bod die gericht is op cijfers. En zo heeft De Bono een rode denkhoed waarbij het gevoel en de intuïtie kunnen spreken en een zwarte denkhoed die de advocaat van de duivel speelt. Uiteindelijk legt De Bono de regie bij de blauwe denkhoed, die wordt gekenmerkt door afstandelijkheid en controle.

13.7 lerende letters

Bij het schrijven van dit boek heb ik mij in zekere zin door de Bono's suggesties laten inspireren bij het bedenken van de kopjes voor de verschillende hoofdstukken. Voor een deel is het Spielerei, maar die speelse werkwijze heeft op verschillende plaatsen wel tot een aanscherping van de beeldvorming geleid; foppende fotonen, loden last, geleerde grootsprekers, enzovoort, zijn aanduidingen die de lading dekken in een scherpte die ik zonder die speelse dwang niet gevonden zou hebben. De inspiratie voor de titels heb ik overigens opgedaan in het Land van Laaf dat ondergebracht is in de Efteling. Bij de Laven beginnen alle belangrijke woorden met een L; een school is een leerhuis. Waar mensen koffie drinken met appelgebak lurken Laven leut met lariekoek. Met die letter L is een geheel eigen wereld geschapen die wordt gedomineerd door lol en luim; Laven zijn leuke lachende lui. Met veel letters valt op die wijze een eigen wereld te scheppen, vaak met zeer uiteenlopende sferen; de natie van de narren, het volk van de vloekers, de streek van de slimmen, de regio van de rechtvaardigen, of, om bij de L te blijven, het land van de Lorren; lastige lieden waar Linke Loetje laffe listen levert, Lamlendige Lien laakbare lectuur leest, Luie Leo levenloos lijkt te liggen, Luide Loes met lawaai langskomt en Listige Leo de lakens uitdeelt door luguber te liegen.

Bij het formuleren van de kopjes heb ik gezocht naar een vlag die de lading kon dekken. Om de kracht van de vrije associatie volledig te benutten, zou ook in omgekeerde richting kunnen worden gewerkt; formuleer een vlag waar je vervolgens een lading bij kunt zoeken. Om niet tot in het oneindige door te gaan, beperk ik mij tot een allitererende vlag voor elke letter van het alfabet. Om niet te blijven steken in termen die zonder nadere uitleg onbegrijpelijk blijven, heb ik enige zelfcensuur moeten toepassen door niet altijd de eerste ingeving op te schrijven.

Waar zou u primair het accent binnen de wetenschap willen leggen, bij

- aantallen artikelen gericht op het antieke allesweten of aantallen alumni met artistieke aanleg voor alleskunnen?

- begrijpen, beschouwen of berekenen?

- chaotische creativiteit of centralistische censuur?

Hoe verhoudt de disciplinaire opsluiting zich tot

- de dwang van de wetgever om decanen aan te stellen?

- zullen zij hun expertise en ervaring benutten voor hun eigen eilanden, de

- funeste faculteiten? Deze lijken fataal omdat binnen

- elk van deze gebieden gevochten wordt voor een gelijkwaardig deel van het geld.

- Hoeveel andere heilige huisjes zijn er om op te heffen,

- teneinde een integrerende instelling te kunnen inrichten? (d.w.z. één universiteit in plaats van een verzameling monoversiteiten)?

Om de wetenschap minder op te sluiten binnen het eigen domein, kunnen

- journalistieke juwelen van nut zijn.

- Zou de beoordeling naar kwaliteit en kwantiteit van het kennen en kunnen niet aan kracht winnen als (in navolging van STW)

- listige leken bij de beoordeling worden betrokken om laffe, luie en lineaire inteelt

- moeilijker te maken? Door medewerkers tot mobiliteit te motiveren, kan

- de nationale nivellering binnen het

- onderwijs en onderzoek worden ondermijnd. Zou de wisselwerking ook kunnen toenemen door minder onderzoekers in opleiding te laten

- promoveren en meer prikkels te richten op perifere promoties?

Waar moeten prestaties van wetenschappers primair op worden beoordeeld,

- op kennis die getest kan worden in quasi quizzen of op querulante qualiteit,

- op rationale rekenkunde of op retorische redeneerkunst?

Wat moet binnen de wetenschap primair worden gestimuleerd,

- sabbatsverlof of seizoensverlof;

- theorie of toepassing,

- uitwisseling van kennisdragers of uitdieping van kennis;

- versnelling of vertraging van veranderingen;

- weerbaarheid of weerloosheid?

Teksten worden toegankelijker als ze worden samengevat, bijvoorbeeld in tien korte puntige zinnen, ofwel in

- X xeniën

Als de Tien Geboden in essentie in twee zijn verwoord, moet dat ook hier mogelijk zijn.

- Om lering te trekken uit andere culturen, moeten we vooral afkijken in het land van de yankee en de yen.

- De wetenschap zou er mee gediend zijn als de zielige zelfcensuur wordt vervangen door zalige zelfsturing.

In zekere zin vormt deze alfabetische verkenning een samenvatting van grote delen uit dit boek, maar daar gaat het hier niet om. Als u vanuit dezelfde methodiek probeert een beeld te schetsen, ontstaat een proces dat kan bijdragen tot creatieve vernieuwing. In plaats van het gehele terrein van de wetenschap te nemen, zou ook een gedeelte van een vakgebied gekozen kunnen worden. Schrijf een scriptie over de geschiedenis van de filosofie aan de hand van filosofen waarvan de naam met een L begint. Voor deze tijd kom je met Latour en Lacan een heel eind. Maar met Leibniz en Locke valt ook veel over de Verlichting te vertellen. De feitenkennis van elk individu zou langs deze weg kunnen afnemen, maar de kundigheid om zelf een beeld te scheppen, neemt toe. Als de verschillende deelverhalen met elkaar worden geconfronteerd, zou dat zelfs bij kunnen dragen tot verdieping van de kennis en het inzicht. Het K-verhaal zal over de Verlichting ongetwijfeld over Kant gaan, terwijl het M-verhaal wellicht zal ingaan op Montesquieu. Laat de K,L, en M-groepen maar in conclaaf gaan en overeenkomsten en verschillen in kaart brengen. Dat heeft als voordeel dat men in teams leert werken waarbij iedereen verschillende deskundigheden bezit.

Op deze wijze kunnen wellicht ook mensen uit andere vakgebieden aanschuiven. Natuurkundigen krijgen de letter N en kunnen de Verlichting vanuit de positie van Newton beschouwen. Of laat mensen vanuit verschillende vakgebieden een beschrijving geven van dezelfde personen. Kunsthistorici en technici zouden een scriptie over Leonardo da Vinci kunnen schrijven. Als de kunsthistoricus nadruk zou leggen op de uitvinder en de technicus op de kunstenaar, moet dat toch een aardige dynamiek geven.

Ongetwijfeld kunnen mensen met meer verstand van onderwijs betere suggesties doen. Het gaat mij echter niet om de vraag hoe de wisselwerking tussen onderzoekers uit verschillende gebieden verbeterd kan worden, maar om de conclusie dat die wisselwerking verbeterd kan worden. Noodzakelijk daarbij lijkt wel dat de eenzijdige op vermeerdering van kennis binnen de eigen discipline gerichte houding wordt vervangen door een instelling gericht op vergroting van de creatieve vaardigheid. Als velen daarbij over de grenzen van het eigen vakgebied heen werken, kan de ontwikkeling van de wetenschap onverwachte impulsen krijgen, veel vernieuwingen komen immers van relatieve buitenstaanders.

Noten

22. De in paragraaf 10.6 aangehaalde sterke retorica van Latour bouwt in veel opzichten voort op het paradigma van Kuhn. Bij Kuhn is het een min of meer neutrale observatie, terwijl bij Latour een beschuldigende ondertoon te beluisteren valt; het zijn de feitenbouwers en niet waarheidzoekers die werken aan de sterke retorica. In tegenstelling tot Latour richt Kuhn zijn beschouwingen niet op de technologie, zodat hij ook niet in de val trapt om ontdekkende, uitvindende en ontwikkelende onderzoekers op een hoop te gooien.

23. Dit citaat wijkt enigszins af van de vertaling in de Nederlandse editie die ik hier minder gelukkig vind.

24. Een vergelijkbaar pleidooi valt vanuit grote industriële ondernemingen te beluisteren die wijzen op het belang van fundamenteel onderzoek aan de universiteiten. Dat belang vloeit echter niet alleen voort uit de behoefte aan nieuwe wetenschappelijke inzichten die op langere termijn een basis kunnen leggen voor nieuwe economische activiteiten; fundamenteel onderzoek is vooral van belang met het oog op de kwaliteit van afgestudeerden.

25. Deze tekst werd geschreven voordat in de Haagse regio het idee werd ontwikkeld voor een TGV -- inmiddels HSL gedoopt -- station onder het Prins Clausplein.