14 Soorten Speurders


de passages tussen [..] zijn literatuurverwijzingen.

In het voorgaande hoofdstuk is betoogd dat verplaatsing van onderzoekers over de vakinhoudelijke grenzen heen een bron van wetenschappelijke vernieuwing kan zijn. Die grenzen beperken zich niet alleen tot de afbakening tussen verschillende disciplines; ook binnen afzonderlijke disciplines bestaan grenzen die nauwelijks door personen worden overgestoken. Niet alleen vanwege de steeds verdergaande inhoudelijke specialisatie; een kernfysicus richt zich op een ander gebied van de natuurkunde dan een vaste-stoffysicus, maar ook naar de wijze waarop een bepaald vakgebied wordt bestudeerd. Binnen de natuurkunde worden bijvoorbeeld drie hoofdstromen onderscheiden: theoretische, experimentele en technische natuurkunde. Een theoretisch natuurkundige zal niet snel overstappen naar de experimentele fysica, laat staan naar de technische richting. De technische richtingen zijn in sommige landen, zoals Nederland, zelfs binnen aparte (technische) universiteiten ondergebracht. Behalve deze verschillen in oriëntatie zijn er ook zeer verschillende soorten organisaties voor onderzoek. Naast de universiteiten en de publieke onderzoekinstellingen als TNO hebben veel grote multinationals aparte afdelingen voor onderzoek. De vraag dringt zich op in hoeverre binnen deze verschillende soorten organisaties te spreken valt van moeilijk overbrugbare grenzen voor individuele onderzoekers; wat is het verschil tussen de universitaire experimentele natuurkunde en de experimentele fysica binnen bedrijfslaboratoria?

Om die vraag te verkennen, concentreer ik mij op de mogelijkheden van mensen om van werkterrein te veranderen. Waar dergelijke mobiliteit weinig optreedt, zou sprake kunnen zijn van andere kloven dan de door C.P. Snow beschouwde scheiding tussen a- en b-disciplines. Voor dit hoofdstuk put ik voor een belangrijk deel uit de ervaringen die ik opdeed bij de voorbereiding van het AWT-advies over de benutting van human resources binnen het onderzoeksysteem [C-AWT5].

14.1 buitenlandse bespiegelingen

Een belangrijke graadmeter voor de interactie tussen verschillende onderzoekinstellingen is de personeelsstroom tussen afzonderlijke organisaties. In Nederland blijken er betrekkelijk weinig universitaire onderzoekers te zijn met werkervaring in bedrijfslaboratoria. Anderzijds stappen ook weinig leden van de vaste wetenschappelijke staf over van universiteit naar een industrieel R&D-laboratorium. Om na te gaan of en in hoeverre in het buitenland sprake is van een grotere mobiliteit van onderzoekers, heb ik in zeven Europese landen Denemarken, Duitsland, Engeland, Frankrijk, Vlaanderen, Zweden en Zwitserland gesprekken gevoerd met leidende figuren binnen het overheidsapparaat en uit het industriële en universitaire onderzoek. Zonder uitzondering werd de mobiliteit tussen met name universitaire en industriële R&D-laboratoria als een belangrijk middel gezien ter verbetering van het onderzoek en vrijwel steeds bleek de omvang van die mobiliteit verwaarloosbaar klein te zijn. Overigens behoorde een deel van de gesprekspartners zelf tot de uiterst mobiele minderheid.(26) De vergelijking dringt zich op met de in het vorige hoofdstuk genoemde natuurwetenschappers die op latere leeftijd hun werkterrein verlegden naar geesteswetenschappelijk werk; het kan wel, maar het lijken uitzonderingen. Top-talent vindt zijn eigen weg wel en zoekt desnoods tegen de stroom in naar nieuwe uitdagingen, maar binnen de lagere regionen is nauwelijks sprake van wisselwerking. Per sector lijken verschillen te bestaan; de personeelsstroom van universiteiten naar de farmaceutische industrie (en omgekeerd) lijkt bijvoorbeeld groter dan die naar de elektronica/metaalindustrie.

Als verklaring voor de geringe mobiliteit werd opvallend vaak gewezen op de geringe neiging tot verhuizen. Zo vertelde een hoogleraar uit Stockholm dat hij met een groot deel van zijn groep naar Duitsland kon vertrekken maar dat niet deed omdat zijn medewerkers in Zweden wilden blijven werken. Ook binnen afzonderlijke landen zijn er drempels om te verhuizen, bijvoorbeeld van Parijs naar Bordeaux of omgekeerd. Toch kunnen de mogelijkheden tot geografische mobiliteit hoogstens als bijkomende factor in het geding zijn. Dat valt af te leiden uit de geringe mobiliteit binnen bijvoorbeeld Parijs en Stockholm, twee steden waar het merendeel van de R&D in dat land is geconcentreerd. Op die laatste constatering voortbordurend, kwam een Franse gesprekspartner tot de conclusie dat concentratie van R&D ook een nadeel kan zijn voor de wisselwerking. In een dorp genieten de notaris en de doktor algemeen aanzien, maar in de stad zijn ze anonieme burgers. Bordeaux is nog voldoende provinciaal om hoogleraren op een voetstuk te plaatsen terwijl ze in Parijs gewoon tot de middenklasse behoren. In Nederland lijkt de Universiteit Twente hechter in de lokale samenleving te staan dan de universiteiten in de Randstad. Op bijeenkomsten die de Twentse universiteit mede ten behoeve van de eigen regio belegt, zie ik in elk geval opvallend veel lokale ondernemers en bestuurders, meer dan op vergelijkbare activiteiten van de TU Delft. Tijdens een van de congressen in het kader van de 150e verjaardag van die universiteit werd zelfs vertwijfeld gevraagd waarom de samenwerking binnen de regio in Twente zoveel beter gaat.

De buitenlandse gesprekspartners maakten soms onderscheid tussen soorten onderzoek. Vooral in Zweden gebeurde dat. Daar werd vanuit het elektronica- en telecommunicatiebedrijf Ericsson gepleit voor meer samenwerking tussen de publieke en private onderzoeksorganisaties op het gebied van toepassingsgericht niet-competitief onderzoek. Dit idee was aangeslagen en NUTEK werkte aan de selectie van projecten en de toewijzing van de daarvoor beschikbare middelen. NUTEK heeft een positie in het Zweedse onderzoeksveld die wat betreft de werkwijze enigszins vergelijkbaar is met het Nederlandse NWO en wat betreft inhoudelijk gebied meer op TNO lijkt, zij het dat TNO sterker op de toepassingsmogelijkheden is gericht. Om een beeld te krijgen van het Zweedse project probeerde ik een parallel te maken met de werkwijze bij de Europese deeltjesversneller van CERN bij Genève. CERN heeft als missie de bouwstenen van de materie op te sporen, en voor dat doel moeten allerlei toeleverende bedrijven vaak tot het diepste van hun technologische kunnen gaan. Voor CERN vormt die toelevering een middel ter realisering van hun doel, de ontrafeling van de structuur der materie. Van dat middel zou echter ook het doel gemaakt kunnen worden. De betrokken bedrijven en onderzoeksinstituten, zoals bijvoorbeeld het Nederlandse NIKEF, zouden de opdracht kunnen krijgen om een dradenkamer, bellenvat, schakelaar etc. te ontwerpen die twee of tien keer beter werkt dan de bestaande. De betrokken bedrijven worden zodoende gestimuleerd nieuwe technologieën te ontwikkelen en toe te passen, maar de meewerkende bedrijven krijgen geen directe voorsprong in de markt. Immers, wie heeft naast CERN nog behoefte aan de ontwikkelde deeltjesdetector? Het is dus niet-competitief toepassingsgericht onderzoek dat de betrokken bedrijven kennis en kunde oplevert die benut kunnen worden bij de ontwikkeling van andere produkten. Effectuering van deze werkwijze zou ongetwijfeld invloed hebben op de positie van CERN, en de meeste wetenschappers zullen zich ongetwijfeld fel tegen zo'n verandering verzetten. Maar wat is er tegen om nadrukkelijk als eis te stellen dat de meeste technici na enkele jaren als 'technicus-in-opleiding' bij CERN doorstromen naar bedrijven? Het proces bij CERN is bijna net zo ingewikkeld als in een olieraffinaderij, en daarmee biedt CERN trainingsmogelijkheden waar weinig technische universiteiten aan kunnen tippen. Ik zie regelmatig aankondigingen van rondleidingen door de gewelven van CERN, maar dat zijn steeds op het onderzoeksgebied gerichte activiteiten. Hoeveel rondleidingen zijn er die de technische aspecten centraal stellen en hoogstens zijdelings ingaan op de daarmee verband houdende wetenschappelijke prestaties?

Het gaat mij hier echter niet om de missie van CERN uit te spitten, maar om de illustratie van het niet-competitief toepassingsgericht onderzoek dat NUTEK stimuleert om meer (kleine) bedrijven bij universitaire projecten te betrekken. Die samenwerking tussen bedrijven en onderzoekorganisaties zal wellicht leiden tot een grotere mobiliteit tussen onderzoekers uit private en publieke instellingen, zeker ook gezien het feit dat de samenwerkende partijen bij de NUTEK-projecten in de eerste plaats mensen leveren; Ericsson moet mensen afstaan aan het project waaraan het deelneemt in plaats van een som geld over te maken aan de uitvoerende onderzoeksinstituten. Als de NUTEK-projecten tot een grotere personele wisselwerking leiden of dat zo is, zal de toekomst moeten leren is hoogstens een oplossing gevonden voor het probleem, maar daarmee is nog geen inzicht gekregen in het probleem zelf.

14.2 eindeloze expertise

Waarom wordt u geen automonteur, en als u dat bent, waarom wordt u geen onderwijzer? Afgezien van aanleg en ambitie niet iedereen is overal even geschikt voor zal het antwoord zijn dat u het vak van automonteur en van onderwijzer nog van de grond af aan zou moeten leren. Naarmate u ouder bent, zal dat minder rendabel zijn aangezien de opleidingskosten in tijd en geld over een veel kortere periode moeten worden terugverdiend. Voor gebieden waar een langdurige ervaringsperiode nodig is, zal het voor oude beginners onmogelijk zijn de top te bereiken.

De sterke arbeidsdeling binnen onze maatschappij werkt immobiliteit in de hand. Huisartsen die steeds dezelfde praktijk houden, leraren die hun hele arbeidzame leven hetzelfde vak doceren aan dezelfde school, enzovoort. Deze immobiliteit kan door eenvoudige maatregelen worden verkleind -- bijvoorbeeld door leraren vaker van school te laten verkassen -- maar niet worden gedecimeerd; een tandarts gaat niet in een hart peuteren en een hersenchirurg verricht geen darmoperatie.

Waarom verkassen onderzoekers niet van organisatie? Het zou meer kunnen, bijvoorbeeld door vaker van universitaire werkgever te veranderen nu beperkt die verandering zich veelal tot benoemingen in een hogere rang, met name bij docenten die hoogleraar worden maar de mogelijkheden tot mobiliteit tussen verschillende soorten organisaties lijkt beperkt. Universiteiten, TNO en bedrijfslaboratoria verrichten allemaal onderzoek, maar dat betekent nog niet dat ze hetzelfde werk doen. Daarbij gaat het niet alleen om disciplines, zoals voetballers en volleyballers die niet van functie wisselen, maar ook om de aard van het werk. In veel takken van sport zal op latere leeftijd nauwelijks een overstap plaatsvindt; voetbalverdedigers worden geen aanvallers en omgekeerd. De inherente mogelijkheden tot mobiliteit verschillen binnen het onderzoek ook per discipline, zoals scherp naar voren komt in de Zwitserse situatie.

Zwitserland is sterk in twee industrietakken die onderling behoorlijk verschillen; de farmaceutische sector met grote bedrijven als Ciba-Geigy, Sandoz en La Roche, en de elektronica/metaal met ABB en ASCOM als grootste vertegenwoordigers. Deze vijf bedrijven vormen Zwitserse R&D-top-vijf en zullen ongetwijfeld omgeven zijn door een groot aantal kleinere bedrijven in de betrokken sectoren. Het genoemde farmaceutische drietal selecteert veel academici die zijn gepromoveerd en bijvoorkeur ook nog een post-doc in het buitenland hebben verricht. De metaalbedrijven zien in de promotie geen meerwaarde en selecteren studenten na voltooiing van de 'gewone' opleiding. Universitaire onderzoekers werken betrekkelijk individueel aan projecten met een looptijd van jaren en aan problemen met een vaak nog langere tijdhorizon. Het verschil in tijdsdruk lijkt overigens maar van beperkte betekenis te zijn. Als het moet, blijken wetenschappers namelijk in staat tot grote tempoversnellingen. Sterker nog, in de wetenschap kan een vertraging van een dag het verschil betekenen tussen Nobelprijs en vergetelheid. Zilveren medailles bestaan niet, the winner takes it all. Hoezeer die jacht naar de hoogste eer binnen universiteiten tot een grootscheepse race tegen de klok kan leiden, blijkt uit de speurtocht naar legeringen die bij recordtemperaturen nog supergeleidend zijn.

Lange tijdconstantes, die normaal zijn voor het academische onderzoek, gelden ook voor de farmaceutische industrie terwijl in de elektronica/metaal nieuwe produkten vaak binnen enkele maanden worden ontwikkeld. De concurrent werkt aan hetzelfde of een vergelijkbaar produkt en een vertraging van maanden kan de ondergang betekenen in de concurrentiestrijd. Behalve snelheid gaat het daarbij vooral ook om teamwerk. Dit betekent dat metaalbedrijven mensen nodig hebben die zich staande weten te houden in een hectische omgeving en in teamverband kunnen werken met korte tijdconstantes, een combinatie van vaardigheden die tijdens een universitaire promotie eerder af dan aangeleerd wordt. Dit betekent dat een dissertatie voor de elektronica/metaal sector eerder een nadeel dan een voordeel oplevert. In hoofdstuk vier is gewezen op de individualistische westerse en de collectivistische oosterse cultuur. Vanuit die optiek is het niet vreemd dat juist in sectoren met grootschalige produktie en ontwikkelingswerk  zoals de automobiel- en elektronica-industrie  Aziatische bedrijven van zich doen spreken.

Vanuit de optiek van teamwerk kunnen veel verschillen op het gebied van de mobiliteit worden verklaard; ook het feit dat in sommige a- en g-gebieden een relatief hoge mobiliteit bestaat tussen universiteiten en andere werkgevers. Bijvoorbeeld rechters die hoogleraar worden in de juridische faculteit of omgekeerd. Beiden kennen elkaars praktijk, bijvoorbeeld doordat de jurisprudentie via rechterlijke uitspraken fungeert als onderzoeksmateriaal voor de juridische wetenschappers. Het feit dat wetenschappers uit praktijkgerichte vakgebieden relatief vaak tot het kabinet doordringen  Voorhoeve, Ritzen, Hirsch Ballin, Albeda illustreert dit verband.

De mogelijkheden tot functieruil lijken dus sterk per vakgebied te verschillen. Vergelijkbare verschillen zijn te bespeuren binnen de topsport. Dat in het voetbal verdedigers geen aanvallers worden en omgekeerd, is duidelijk. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, sterker nog, soms weet een doelverdediger zelfs een winnend doelpunt te scoren. Maar daarmee is de keeper nog geen aanvaller. Hoezeer de persoon van de voetballer samenhangt met de positie waarop hij speelt, blijkt regelmatig uit het commentaar van Hans Kraay die spreekt van rasechte aanvallers, pure verdedigers, enzovoort. En van spelers die niet tot hun recht komen sinds ze op een andere plaats spelen of die op een andere positie juist tot wasdom komen. In dat geval werden de ontwikkelingen geremd doordat de betrokken speler bijvoorbeeld van nature een verdedigende middenvelder is en tot dan toe op de voor hem verkeerde plaats heeft gespeeld. Er zijn blijkbaar eigenschappen die iemand van nature bezit en dat gaat verder dan louter en alleen voetbaltalent. Hoe past het onderzoek in deze vergelijking? Zijn er specialisaties die anders zijn dan verschillen in vakgebied?

14.3 geleerde gradaties

Een eerste antwoord werd ontwikkeld door Harry Beckers die als AWT-voorzitter in enkele lezingen de onderzoekscultuur vergeleek met de situatie in de bouwwereld [G-B1]. Hij maakte binnen de categorie van onderzoekers onderscheid tussen ontdekkers, uitvinders en ontwikkelaars, en vergeleek die driedeling met materiaalkundigen, architecten en aannemers. De drie groepen hebben elkaar nodig, moeten intensief samenwerken, enzovoort, maar job-rotation ligt niet voor de hand. Er zullen in elk geval niet veel ontdekkers van nieuwe materialen zijn die aannemer worden en aannemers zullen geen architect worden, althans niet op grote schaal.

Het belangrijkste is misschien wel dat het onderscheid niet is geconcentreerd op het soort onderzoek maar op het karakter van de onderzoeker; dus geen vergelijking tussen fundamenteel en toegepast onderzoek maar tussen ontdekker en uitvinder. In voetbaltermen; geen onderscheid naar aanval en verdediging maar naar aanvallers en verdedigers.

De genoemde driedeling is door de AWT als volgt uitgewerkt [C-AWT5, p. 16]:

wetenschappers, uitvoerders van basic research ofwel fundamenteel onderzoek, met als doel ontdekkingen op wetenschappelijk gebied;

uitvinders, uitvoerders van exploratory research ofwel verkennend onderzoek, met als doel uitvindingen van nieuwe produkten, processen of concepten;

ontwikkelaars, verantwoordelijk voor development ofwel ontwikkeling, met als doel concretisering (engineering) van uitvindingen.

In deze driedeling zijn de multinationale ondernemingen (MNO's) met een sterke R&D-oriëntatie over het gehele spectrum actief. Deze bedrijven verrichten meer dan 80% van de industriële R&D in Nederland en kunnen vanwege hun schaalgrootte binnen de eigen ondernemingen onderdak verschaffen aan elk van de drie genoemde type onderzoekers. Globaal gesproken verhouden de drie groepen zich getalsmatig tot elkaar als 1:3:9.(27) Kleinere bedrijven hebben minder mogelijkheden het totale R&D-spectrum te bestrijken; het MKB zal als regel niet veel uitvinders in dienst hebben, laat staan dat er ruimte bestaat voor fundamenteel onderzoek. Schematisch is de verdeling van onderzoekers door de AWT in de figuur samengevat.

Gezien de overlap zou er een substantiële mobiliteit mogelijk moeten zijn tussen bijvoorbeeld universiteiten en de grote bedrijfslaboratoria. Dat die mobiliteit toch niet op grote schaal optreedt, houdt mede verband met de opleidingsfunctie die de R&D-laboratoria vervullen. Na verloop van tijd zetten veel onderzoekers hun loopbaan elders in het bedrijf voort, waarmee tevens kennis door het bedrijf wordt verspreid. Gezien de functie van opleidingsinstituut ligt het niet voor de hand dat bedrijven voor de research op grote schaal oudere, ervaren onderzoekers van buiten aantrekken. Dit heeft uiteraard tot gevolg dat er maar zeer beperkte mogelijkheden zijn voor universitaire onderzoekers om naar bedrijven door te stromen.

De AWT richtte zijn advies op de mobiliteit binnen het onderzoeksysteem. Aangezien het privaat gefinancierde onderzoek vooral binnen de B-wetenschappen is geconcentreerd, resulteerde dit in een relatieve onderbelichting van de A-wetenschappen.(28) Om het onderscheid tussen de drie typen onderzoekers nader te verkennen, werd wel gezocht naar overeenkomstige typologieën in andere beroepsgroepen. Dit leidde uiteindelijk tot de zijdelingse conclusie dat kunstschilders, componisten, architecten en consultants vergelijkbaar zijn met uitvinders, terwijl conservators, musici, acteurs, aannemers, huisartsen en rechercheurs in de groep van ontwikkelaars zouden thuishoren. In de volgende paragrafen zal ik de driedeling nader verkennen. Het belang daarvan gaat verder dan een academische vingeroefening; de opleidingen voor een groot deel van de bovengenoemde beroepsgroepen worden door universiteiten verzorgd. Gaat daarbij voldoende aandacht uit naar de verschillen tussen de drie typen onderzoekers, of wordt de opleiding geconcentreerd op het type onderzoekers dat in het universitaire onderzoek terecht komt?

14.4 gouden gedachten

Om het verschil tussen a- en b-cultuur te relativeren, vergelijkt de Nederlandse fysicus Hendrik Casimir dit onderscheid met dat tussen jam en marmelade. Britten kunnen ontstemd raken als ze jam krijgen voorgeschoteld terwijl ze marmelade bestellen, terwijl de mensen van het vaste land het verschil niet eens zullen opmerken. Volgens Casimir is het door Snow geschetste verschil in hoge mate kunstmatig; we kennen het omdat we er verschillende woorden voor hebben. Hugo Brandt Corstius komt tot vergelijkbare conclusies door wetenschappers en kunstenaars op een lijn te plaatsen. Gevraagd naar het verschil tussen kunst en wetenschap antwoordt hij "Er Is Geen Enkel Verschil" [B-B4]. Deze karakterisering sluit aan bij de tweedeling die Mathieu Weggeman maakt binnen de groep van professionals; de improviserende en routinematige. Tot de categorie van de I-professionals rekent Weggeman naast onderzoekers vooral mensen in de artistieke sfeer, zoals, componisten, maar ook advocaten. De groep van R-professionals bestaat in de optiek van Weggeman uit violisten, chirurgen, rechters, enzovoort. Vergeleken met de driedeling ontdekker, uitvinder en ontwikkelaar lijken Weggeman en Brandt Corstius de eerste twee samen te voegen. Niet zozeer ter wille van de eenvoud, maar principieel; in de ogen van Brandt Corstius bestaat er immers geen verschil tussen kunst en wetenschap.

Bij een terugblik op kunst en wetenschap springen vooral baanbrekende prestaties in het oog. Copernicus die de Aarde door de Zon verving als middelpunt van het zonnestelsel, Kandinsky en Mondriaan die abstracte kunst creëerden, Einstein die licht opdeelde in deeltjes die in elk coördinatenstelsel dezelfde snelheid hebben. Om op een gouden idee te komen, hoef je lang niet altijd over een gedegen vakkennis te beschikken. Integendeel, vaak is een onbevangen blik essentieel om los te raken van oude gedachtenpatronen. In het vorige hoofdstuk kreeg dat aspect reeds aandacht; hier gaat het mij om de vraag of er een verschil zit in de geboorte van baanbrekende ontwikkelingen in kunst, wetenschap en technologie.

Wat betreft de technologie wordt een vergelijking bemoeilijkt doordat de uitvinders vaak naamloos zijn. Aan octrooien zijn weliswaar namen verbonden, maar een baanbrekende uitvinding valt vaak uiteen in vele octrooien en bovendien staan octrooien lang niet altijd op naam van de echte uitvinder, althans niet bij grote multinationale ondernemingen. STW directeur Cees le Pair ziet deze onzichtbaarheid als een nadeel [D-P1]. Wie heeft de CD uitgevonden? Op deze vraag van het Studium Generale van de TU-Twente moesten de aankomende Twentse ingenieurs het antwoord schuldig blijven. Het Studium Generale liet de uitvinder aan het woord, maar dat was een ander dan ik in mijn gedachten had. En misschien zijn er ook wel meerdere antwoorden mogelijk. Is de uitvinder de ingenieur die een werkend prototype maakt of is het degene die oppert muziek digitaal op te slaan? Ze zijn het wellicht samen, en is het daarom zo moeilijk één naam te verbinden aan veel hedendaagse uitvindingen. Vanuit mijn universitaire achtergrond ben ik geneigd om de geniale gedachte op conto te schrijven van degene die voorstelde om met behulp van de lasertechnologie muziek digitaal op te slaan. Le Pair lijkt ook vanuit die optiek naar de technologie ontwikkeling te kijken. Maar misschien zijn er gedurende het ontwikkelingsproces wel suggesties gedaan die uiteindelijk veel doorslaggevender zouden blijken. Is de wens om een naam aan een uitvinding te koppelen nog wel te rijmen met de huidige grootschalige industriële R&D? Wie is de uitvinder van de walkman? Iemand bij Philips die de technologie 'uitvond' of iemand bij Sony die de bestaande techniek in een draagbaar kastje goot? Of was het de directeur bij Sony die een medewerker met een grote recorder op de nek zag zeulen en dacht dat een draagbaar model toch veel handiger zou zijn? Is de uitvinder van de TGV een techneut of is het de Franse president die met zijn pourqois pas het groene licht gaf?

14.5 scheppende speurders

Wat zijn de kenmerken van ontdekkers en uitvinders? Een ontdekker verkent de bestaande werkelijkheid, zoekt wetmatigheden, enzovoort, en een uitvinder zet de werkelijkheid naar zijn hand.(29) De ontdekker is een beschrijvende speurder en een uitvinder is een scheppende onderzoeker. Die laatste omschrijving past ook de kunstenaar; we spreken niet voor niets van scheppende kunstenaars. Natuurlijk moet een kunstenaar kennis van zaken hebben, en de geschiedenis van de kunst kan gezien worden als een ontdekkingstocht, zoals Gombrich laat zien in Art and Illusion [A-G2]. Maar het feit dat beeldende kunstenaars het perspectief ontdekten, doet hen als categorie nog niet belanden in de groep van wetenschappers. In de aan hem gewijde overzichtstentoonstelling kwam Mondriaan naar voren als een speurder naar nieuwe vormen, zoals wetenschappers wetmatigheden zoeken. Toch is er een verschil tussen Mondriaan en de wetenschapper; Mondriaan verkent de werkelijkheid door pen en penseel ter hand te nemen, zoals de uitvinder met schroeven zit de knutselen.

Mondriaan lijkt overigens niet volledig te voldoen aan deze typering. Hij was ook duidelijk theoretisch bezig en schreef over de beeldende kunst. Daarmee illustreert hij dat de praktijk gecompliceerder is dan de tweedeling ontdekker-uitvinder. Ook het feit dat er mensen zijn die duidelijk in beide categorieën thuishoren -- zoals Joseph Buys, Umberto Eco en Eric de Kuyper -- maakt duidelijk dat het model niet alles zegt. Maar het feit dat sommige voetballers zowel verdedigend als aanvallend goed presteren, betekent niet dat er geen verschil is tussen aanvallers en verdedigers. En zo bestaat er ook een duidelijk onderscheid tussen wetenschappers en kunstenaars, tussen de kunsthistoricus Ernst Gombrich en de kunstenaar Pablo Picasso, tussen de muziekwetenschapper Marius Flothuis en de componist Louis Andriessen, enzovoort. En misschien bestaat er ook wel een verschil tussen de literator en de semioticus Eco en de regisseur en de filmwetenschapper De Kuyper.

Hiervoor werden de drie typen onderzoekers zodanig ten opzichte van elkaar geplaatst, dat de uitvinders tussen de ontwikkelaars en de ontdekkers staan. Gegeven het grote onderscheid tussen ontdekkers en uitvinders zou dat impliceren dat wetenschappers nooit ontwikkelaars zouden kunnen worden. Maar die conclusie is niet juist, sterker nog, die is volstrekt fout. De indeling klopt echter wel als gelet wordt op de volgtijdelijkheid; eerst werd het principe van de laser ontdekt, daarna werd uitgevonden hoe dit principe in de praktijk toegepast zou kunnen worden en vervolgens duurde het nog een hele tijd voordat ook een laser voor de markt beschikbaar kwam. Maar deze volgtijdelijkheid wil niet zeggen dat wetenschappelijk werk dichter bij het uitvinden dan bij het ontwikkelen staat. Buiten de B-wetenschappen lijkt dat nog veel sterker te gelden. Het samenstellen van een expositie zou ik tot het ontwikkelingswerk willen rekenen. De meeste wetenschappers zullen met meer rendement betrokken kunnen worden bij de inrichting van een tentoonstelling dan bij het scheppen van een kunstwerk. En omgekeerd zal een museumdirecteur eerder wetenschappers dan kunstenaars inschakelen voor de inhoudelijke samenstelling van de tentoonstelling. Het feit dat catalogi van tentoonstellingen soms halve of hele wetenschappelijke publikaties zijn, illustreert dat de scheiding tussen ontdekkers en ontwikkelaars niet scherp te trekken is.

Ook bezien vanuit managementsoptiek vallen overeenkomsten op tussen het ontwikkelingswerk en het wetenschappelijk onderzoek. Veel ontwikkelingswerk is planmatig, waarbij weinig aan het toeval wordt overgelaten, zoals duidelijk zichtbaar is bij de ontwikkeling van computerchips. De verschillende generaties volgen elkaar op met zeer grote regelmaat waarbij de prestaties van de ontwikkelde componenten exponentieel toenemen. Ook de ontwikkeling van software vertoont die regelmaat; echte verrassingen blijven uit. Dat Windows95 op de markt zou komen stond al lang vast; alleen over het tijdstip van de introductie bestond onzekerheid.

Ook grote delen van het wetenschappelijk onderzoek kenmerken zich door een zeer planmatige ontwikkeling waarbij echte verrassingen uitblijven. Dat geldt zeer expliciet voor het onderzoek in de hoge-energiefysica. De geschiedenis van de speurtocht naar de W- en Z-bosonen laat zich lezen als een fabrieksmatig proces, waarbij het tijdstip van de ontdekking al was ingecalculeerd. Het verschil met de introductie van Windows95 was dat de ontdekking van de gezochte deeltjes vóór de geplande datum plaatsvond. Dat was overigens niet zozeer de verdienste van de wetenschappelijke speurders alswel van de bouwmeesters. Hoe groot dit project was, blijkt uit het reeds gememoreerde feit dat ten tijde van de bouw van de LEP-versneller sprake was van het grootste civieltechnische project in Europa. Het feit dat men aan het geplande tijdschema wist te voldoen, geeft wellicht aanleiding tot bewondering, maar dat betekent niet dat er meer improvisatie bij kwam kijken dan bij de sterk vertraagde en kostenramingen overstijgende bouw van de Kanaaltunnel. Zo beschouwd rijst de vraag of de registraties van elementaire deeltjes nog wel ontdekkingen genoemd kunnen worden. En dat geldt in vergelijkbare zin ook voor het wetenschappelijk onderzoek met behulp van allerlei telescopen.

14.6 onvermijdelijke ontdekkingen

In de astrofysica worden met enige regelmaat nieuwe (soorten) hemellichamen ontdekt, maar dat neemt het fabrieksmatige van het proces niet zondermeer weg. Een voorbeeld, geïnspireerd op de Verloren Paradigma's van Amerikaans-Oostenrijkse wetenschapper John Casli [A-C4]. Op de omslag van dit boek krijgt Robert Shapiro in de mond gelegd dat het boek handelt over de kwellendste onopgeloste problemen waar de wetenschap van vandaag mee wordt geconfronteerd. Casli noemt de ontdekking van de pulsars één van de belangrijkste verhalen uit de wetenschap van de jaren zestig.

Casli begint zijn verhaal in 1965, bij het besluit van Jocelyn Bell om te promoveren op het toenmalig nieuwe gebied van de radio-astronomie. Bell werkte eerst mee aan de bouw van een nieuwe radiotelescoop en na voltooiing van de bouw begon ze met metingen aan quasars. Bij het doorwerken van ruim honderd meter aan grafieken ontwaardde ze tussen alle ruis een signaal dat sterk leek op een patroon dat nog vaag in haar geheugen lag opgeslagen. De bron bleek te pulseren met een regelmaat van 1 seconde. Als het signaal daadwerkelijk van een ster kwam, moest dat betekenen dat die ster in iets meer dan 1 seconde om de eigen as roteerde. Onwaarschijnlijk snel, dus het duurde nog een hele tijd voordat men voldoende overtuigd was dat het geen onzin betrof. Volgens Casli was Jocelyn Bell er van overtuigd dat het een echt signaal uit de ruimte betrof terwijl projectleider Anthony Hewish de signalen afdeed als van mensen afkomstig. Hewish liet zich uiteindelijk overtuigen van de ruimtelijke herkomst van het signaal en schreef een artikel over de vondst nadat hij Bell weer aan haar promotiewerk had gezet. Hewish en zijn medewerker Martin Ryle kregen in 1974 de Nobelprijs wegens hun 'doorslaggevende werk aan de ontdekking van pulsars'. Dit tot groot ongenoegen van Casli, die de jonge Bell had willen eren.

Welke rol speelt creativiteit eigenlijk bij deze voor de astronomie zo belangrijke ontdekking? En in hoeverre speelt persoonlijke genialiteit een rol? In de beschrijving van Casli komt Bell over als een vasthoudende vrouw met een scherp observatievermogen, maar creativiteit treedt niet op de voorgrond. Die conclusie dringt zich ook op bij beschouwing van het tijdstip van de ontdekking, ongeveer drie maanden na de ingebruikname van de telescoop. Als een ander in plaats van Bell op het promotieonderzoek was gezet, hoe groot zou dan de kans op ontdekking zijn geweest? Dus toch terecht dat zij de Nobelprijs niet heeft gekregen? En wat was de prestatie -- en vooral de rol van creativiteit -- van haar begeleiders? Als Bell de resultaten aan een ander ervaren onderzoeker zou hebben doorgespeeld, zou die dan niet met een artikel van Nobel-kwaliteit zijn gekomen?

De Nobelprijs voor de ontdekking van de pulsars is niet de enige onderscheiding die aan de verkeerde persoon toegekend lijkt te zijn. De ontdekking van de DNA-structuur staat op naam van Crick en Watson, maar (een van) de meest doorslaggevende opmerkingen schijnt gemaakt te zijn door een laborante. Dit zou betekenen dat een deel van de meest fundamentele ontdekkingen op naam van ontwikkelaars, technici, gezet zouden moeten worden. Die conclusie lijkt bijvoorbeeld te gelden voor de ontdekking van het verschijnsel supergeleiding. De opstelling waarmee supergeleiding werd ontdekt, was ontworpen door Gilles Holst, de man met de gouden handjes die later directeur van het Philipslaboratorium zou worden. Holst constateerde als eerste dat kwik beneden een bepaalde temperatuur de elektrische weerstand verloor. Hij dacht aanvankelijk aan kortsluiting. Nadat zijn hulp in slaap viel en vergat de opstelling met helium af te koelen, constateerde Holst dat het kwik plotseling weer weerstand bood aan een elektrische stroom, zodat geen sprake kon zijn van kortsluiting. Een meer toegewijde hulp had deze toevalstreffer niet aan het licht gebracht, maar het is toch in de eerste plaats de opmerkingsgave van Holst die leidde tot de ontdekking van het verschijnsel supergeleiding. In de geschiedenis boeken staat de ontdekking echter op naam van de baas van Holst, de Nederlandse natuurkundige Kamerlingh Onnes die hiervoor in 1913 de Nobelprijs kreeg. Holst werd slechts geëerd vanwege zijn 'toewijding' en 'zorgvuldigheid'. Dit is de weergave van NRC-Handelsblad op basis van een artikel in Physics Today [D-D5]. In iets mildere bewoording doet Casimir verslag van de ontdekking van supergeleiding [A-C3, p. 194/195]. Kamerlingh Onnes zorgde er volgens Casimir voor dat bij heliumtemperatuur gemeten kon worden; daar had Holst niet toe bijgedragen. Volgens nu geldende normen zou Holst naar mening Casimir wel mede auteur moeten zijn. De gang van zaken rond de ontdekking van de pulsars en de DNA-structuur roepen echter de vraag op of de situatie nu daadwerkelijk zo veel beter is. Opmerkelijk is ook dat het nog steeds moeilijk is om de toedracht rond de ontdekking van supergeleiding te achterhalen. Ter voorbereiding op een artikel over de ontdekking van de supergeleiding kon de Amerikaans-Nederlandse natuurkundige Meijer het boekje niet vinden waarin het doorslaggevende experiment beschreven staat [D-M2]. Dat dit experiment door Gilles Holst werd uitgevoerd, wist hij alleen omdat Casimir zijn herinneringen op papier had gezet.

14.7 scherpzinnige schepping

De gememoreerde volgtijdelijkheid tussen ontdekking, uitvinding en ontwikkeling geldt niet voor grote delen van de A-wetenschappen. Eerst komt de scheppende kunst de uitvinding en daarna kan de kunsthistoricus aan het werk. Wat is kunstgeschiedenis zonder kunstenaars, literatuurwetenschap zonder schrijvers? Beeldende kunst is echter niet alleen een kwestie van techniek, maar ook een poging om iets te verbeelden, iets te zeggen. Zowel theologen als kunstschilders hebben zich bezig gehouden met religieuze vraagstukken. En sommige kunstenaars slagen er in een beeld te scheppen dat meer zegt dan boeken vol godsienstige verhandelingen. Met de plafondschildering in de Sixtijnse Kapel toont Michelangelo een welhaast volmaakte beheersing van de schilderkunst. Maar is de schepping van Adam niet evenzeer een theologisch hoogstandje? Het is geen representatie die zonder meer voortvloeit uit het scheppingsverhaal in Genesis; het is eerder een uitbeelding die in de pas kan lopen met de moderne evolutietheorie, hetgeen naar de letter van de tekst niet geldt voor Genesis. Want wat laat de Michelangelo zien? Adam die op de Aarde zit en God die vanuit de hoogte afdaalt en met uiterste inspanning probeert de vingertoppen van Adam te raken. Dus Adam bestaat fysiek en moet alleen nog de geest krijgen? Indien we ons op het standpunt stellen dat de geestelijke vermogens het echte onderscheid vormen tussen mens en dier, is de schepping van de mens dan niet een feit zodra hij de geest krijgt?

Een kenmerk van een uitvinder in de B-wetenschappen is dat hij op basis van zijn intuïtie aan het prutsen gaat. Proberen waar het schip strandt. Is dat niet vergelijkbaar met beeldende kunstenaars. Dit betekent niet dat een uitvinder met minder inhoudelijke kennis toe kan, en zeker niet dat het werk betreft dat minderwaardig is aan dat van de ontdekker. Binnen het domein van de A-wetenschappen staan kunstenaars veelal in hoger aanzien dan de wetenschappers en ook binnen de B-wetenschappen is er geen enkele reden om wetenschappers hoger te waarderen omdat zij bijvoorbeeld de meeste Nobelprijzen in de wacht slepen. Een van de weinige misschien wel de enige uitvinders die een Nobelprijs voor natuurkunde kreeg, is de Nederlander Simon van der Meer. Hij ontving de prijs samen met de Italiaan Carlo Rubbia voor de registratie van de W- en Z-bosonen. Rubbia was de leider van het onderzoeksteam terwijl Van der Meer een leidende rol had bij het technische ontwerp. Uit het gesprek dat ik met hem had en uit hetgeen andere betrokkenen vertelden, krijg ik de indruk dat de bijdrage van de verschillende wetenschappers indrukwekkend is, maar dat iedereen in principe vervangbaar zou zijn geweest door een ander. Als Rubbia een stempel op het project heeft gedrukt, dan is dat eerder als manager dan als wetenschapper, dus eerder als ontwikkelaar dan als ontdekker. De essentiële persoonlijke bijdrage kwam, zo is althans mijn stellige indruk, van Simon van der Meer die uitvond hoe bundels deeltjes van een kleine (opslag)ring in een grote versnellersbaan gebracht kunnen worden zonder dat ze uit de baan zwiepen of te ver van elkaar verwijderd raken waardoor de bundel de noodzakelijke dichtheid zou verliezen. Om zelfs maar op het idee te komen om die zogenoemde stochastische koeling in de praktijk te brengen, is een zeer grondige kennis van de natuurkunde nodig.

14.8 onderscheiden onderzoek

Wetenschap en kunst, ontdekkers en uitvinders; er is geen verschil. Althans niet gemeten naar creativiteit. En ook niet gemeten naar de inhoudelijke vakkennis die nodig is voor de uitoefening van het werk. Maar er is wel een drastisch onderscheid in de wijze van werken. De ontdekker, de wetenschapper, die probeert zijn ingeving in theorie uit te werken, die vellen papier volschrijft om een bewijs te leveren, die minutieus computeruitdraaien analyseert om die ene onregelmatigheid op te sporen. De uitvinder, de kunstenaar, die probeert een ingeving in de praktijk uit te werken, die knutselt en kloddert om te bewijzen dat iets werkt en die minutieus allerlei variaties kan uitwerken om de perfecte toepassing op te sporen. Ontdekkingen staan het hoogste aangeschreven binnen de monodisciplinaire en reductionistische westerse wetenschappelijke cultuur, met de Nobelprijs als lonkend perspectief. Uitvindingen worden meer op handen gedragen binnen de multidisciplinaire en holistische Japanse cultuur.

Er bestaan belangrijke verschillen tussen ontdekkers, uitvinders en ontwikkelaars. Om in Snows termen te spreken; er is een scheiding tussen de culturen van ontdekkers, uitvinders en ontwikkelaars. Doordat het bestaan van die afzonderlijke culturen niet wordt onderkend, worden mensen in de opleiding daar ook niet afdoende op voorbereid. Ze worden voorbereid op de dimensie van de wetenschapsbeoefening in het eigen vakgebied. Dat is een kwaal die in het westen  zeker in Europa en Nederland  sterker op de voorgrond treedt dan in Azië waar de mensen meer gericht zijn op het werken in teamverband. Dat betekent niet noodzakelijkerwijs dat elke Aziaat een meerdimensionale praktijk in zich draagt. Het is zeer goed mogelijk dat mensen deskundig zijn in één dimensie en geleerd hebben samen te werken met mensen die in een andere dimensie zijn getraind. Door samen te werken, kan een team een meerdimensionale ruimte opspannen.

De geschetste driedeling is herkenbaar in de b-disciplines, maar in veel g- en vooral a-gebieden is de indeling moeilijker herkenbaar. Dat heeft voor een deel te maken met de inhoud van het vakgebied, maar toch dringt de vraag zich op of deze driedeling niet meer op de voorgrond zou moeten treden. Binnen de universitaire natuurwetenschappen wil iedereen graag een Einstein of Darwin worden, maar relatief gezien zijn maar weinig van dergelijke ontdekkers nodig. De behoefte aan uitvinders en ontwikkelaars bedraagt een veelvoud; als alle fysici de kwaliteiten van Einstein zou hebben, zouden we ons als maatschappij tekort doen door hen allemaal als ontdekker in dienst te nemen. We moeten ook (deugdelijke) produkten maken. Bij mij komt het beeld op dat binnen de a- en g-wetenschappen iedereen als ontdekker aan zijn trekken wil komen. De ontdekker Kuhn gaf aanleiding tot een geheel nieuw vakgebied waar wetenschappers hem proberen te overtreffen of aan te vullen; iedereen blijft steken in de dimensie van het fundamentele onderzoek. Had de inspanning niet veeleer gericht moeten worden op de vraag hoe de theorie van Kuhn praktisch handen en voeten gegeven kan worden? Had men de inspanningen niet moeten richten op het ontwikkelen en het empirisch toetsen van de theorie over wetenschappelijke feitenbouwers van de ontdekker Latour? Zo bezien is de eerder gewraakte poging tot een sociaal-wetenschappelijke ontwerpmethodologie (paragraaf 3.7) misschien toch zo gek nog niet. Maar of een onderzoeksproject van  2 miljoen daarvoor de goede strategie is, blijf ik betwijfelen. En die twijfel blijft ook van toepassing op de locatie; een TU zou wellicht een goed onderdak kunnen bieden als het een Toegepaste Universiteit zou zijn met evenwichtige peilers in zowel de a- en g-disciplines als de b-gebieden.

Bovenstaande bespiegelingen zouden repercussies kunnen hebben voor de inrichting van het wetenschappelijk onderwijs dat vooral op de ontdekkers is gericht en veel minder op uitvinders en ontwikkelaars. Gezien die mogelijke consequenties lijkt dit hoofdstuk niet afdoende onderbouwd; daarvoor is het teveel een essay. Ik zal ook geen poging doen om de materie systematisch te analyseren; dat zou buiten de doelstelling van dit boek vallen. Ik heb aannemelijk willen maken dat de onderzoekspraktijk meer dimensies heeft dan die van (universitair) ontdekker.

In plaats van een systematische doordenking van de typen onderzoeker en de daarvoor benodigde vakkennis zal ik mijn eigen ervaringen voor het voetlicht brengen. In de inleiding is opgemerkt dat dit boek een autobiografisch karakter heeft doordat de lezer deelgenoot wordt van de ervaringen die ik de afgelopen twintig jaar met wetenschap heb opgedaan. In het volgende hoofdstuk treedt het autobiografische nog veel sterker op de voorgrond; u kijkt niet alleen door de ogen van de auteur maar u kijkt ook naar hem. Een zelfportret dus. Dat hoofdstuk is nadrukkelijk niet bedoeld om een algemeen beeld te geven, daarvoor zijn mijn ervaringen te specifiek. Het mag echter wel worden gezien als onderstreping van de stelling dat op voorhand niet gesteld kan worden dat wetenschap (steeds) de meest inhoudelijke tak van het onderzoeksveld is.

Noten

26. In Frankrijk gold dat voor Yves Farge, werkzaam bij Pichiney en voorzitter van de IRDAC (Industrial R&D Advisory Comittee of the EU) die lang in het universitaire onderzoek heeft gewerkt en voorzitter was van de CNRS, het Franse NWO. In Zwitserland was de wetenschappelijke en industriële achtergrond te vinden bij Hansjürg Mey, als hoogleraar naar ASCOM vetrokken en nu weer deeltijdhoogleraar aan de universiteit van Bern. In Denemarken gold dat voor Ulrik Lassen, gepensioneerd vice-president R&D van Novo Nordisk A.S. en voordien hoogleraar. De omgekeerde weg was in Duitsland bewandeld door Wilfried König, vanuit de industrie benoemd als een van de vier hoogleraar-directeuren van de afdeling werktuig- en machinebouw van de technische universiteit in Aken.

27. Dit is een vuistregel, die niet als wetmatigheid is bedoeld. Dus was het niet vreemd dat tijdens een werkbezoek aan Océ van der Grinten een lichtelijk afwijkende verhouding naar voren kwam vanwege het iets lagere aantal ontwikkelaars. Daarop doorgevraagd bleek een gedeelte van de ontwikkelaars buiten Océ te werken; als die werden meegeteld bleek de 'formule' precies te kloppen. Volgens de vuistregel zou ongeveer 7,5% aan basic research besteed worden, hetgeen opmerkelijk dicht licht bij het officieel gehanteerde aandeel van 6% voor de VS.[E-OSP]

28. De hier gebuikte terminologie is ontleend aan de CBS-indeling; de A-wetenschappen omvatten globaal genomen de a- en g-disciplines.

29. Interessant is de omschrijving die de astrofysicus en aankomend kunstenaar Vincent Icke geeft van het verschil tussen kunstenaar en wetenschapper [D-I1]. "Voor mij is juist het verschil tussen kunst en wetenschap mijn drijfveer. In het werk dat ik als aankomend kunstenaar probeer te maken gaat het dan over het enorme verschil tussen wat ik weet en wat ik voel. Ik heb hier een bak warm water staan. Ik weet vrij veel over thermodynamica en dergelijke, dus ik kan uitrekenen wat er allemaal gebeurt met de moleculen. En toch, als ik mijn hand in dat water steek is de gewaarwording een heel andere dan wat er in mijn hoofd gebeurt als ik denk aan de Boltzmann-vergelijking. Dat kon contrast is voor mij een heel fundamenteel emotioneel contrast. En daar probeer ik mee in het reine te komen. Mijns inziens hebben kunst en wetenschap dus niet zo heel veel gemeen".