16 Onderwijzende Onderzoekers


de passages tussen [..] zijn literatuurverwijzingen.

"De b-wetenschappen worden niet meer gegeven door wetenschappers die het vak in de praktijk hebben toegepast. (...) Je hebt leraren nodig die zelf dat niveau hebben beleefd, willen ze het kunnen doorgeven" [G-P1]. Met deze uitspraak zal de Twentse rector magnificus Popma de gevoelens van veel universitaire docenten hebben vertolkt over het belang van academisch geschoolde VWO-leraren. En van gevestigde organen als de KNAW die in een persbericht pleitte voor behoud van academisch gevormde leraren [E-KNAW]. Ik wil de betekenis van academisch gevormde leraren niet in twijfel trekken. Integendeel, ik zou een vergelijkbare conclusie willen trekken voor het universitaire onderwijs. Zoals in dit deel reeds is betoogd, hebben universiteiten weinig oog voor het feit dat afgestudeerden in zeer uiteenlopende functies terecht komen. Ze worden ontdekkers, uitvinders en ontwerpers op gebieden die in het verlengde van hun opleiding liggen of ze komen zelfs helemaal buiten het eigen vakgebied terecht. De universiteiten zijn, zeker binnen de b-wetenschappen, sterk gericht op een voorbereiding op de functie van ontdekker. Voor zover de afgestudeerden een universitaire loopbaan doorlopen, worden zij uitstekend op het arbeidsproces voorbereid; doordat verreweg de meeste docenten het overgrote deel van het arbeidzame leven binnen de universiteiten heeft doorgebracht, krijgen de studenten de academische cultuur als het ware door de poriën naar binnen. Het overdragen van een cultuur die hoort bij andere werkgevers levert problemen op; daarvoor is de uitwisseling van personeel tussen universiteit en relevante werkgevers te klein. Is een opleiding in de chemische technologie wel compleet zonder onderwijs genoten te hebben van iemand met een langdurige werkervaring in de chemische industrie? Zijn opleidingen in de humaniora wel compleet zonder een schrijver, choreograaf, kunstschilder, enzovoort aan het werk gezien te hebben?

16.1 oriëntatie op onderzoek

Universiteiten zijn tegenwoordig geneigd om hun resultaten uit te drukken in onderzoekprestaties. Het aantal publikaties per medewerker en het aantal citaties per publikatie zijn belangrijke graadmeters bij de beoordeling van de kwaliteit van een vakgroep. Omdat er verschillende aansprekende voorbeelden genoemd kunnen worden van wetenschappelijke doorbraken die tot grote technologische vernieuwingen hebben geleid, tellen de universitaire onderzoeksprestaties mee in de R&D-statistieken van een land. Dit heeft tot gevolg dat ook vanuit dat perspectief wordt gekeken naar de onderzoektaak van universiteiten.

In de optiek van veel universitaire wetenschappers is onderzoek iets heel unieks, iets dat zich niet laat sturen door het gangbare economische verkeer. Om dat te illustreren, wordt bijvoorbeeld gewezen op het verschil tussen de kosten van onderzoek en van kant en klare produkten, zoals de sterrenkundige Vincent Icke bijvoorbeeld deed in het tv-debat over kennis en geld [F-VARA]. Je weet zeker dat je voor ongeveer een gulden een liter melk in handen kunt krijgen, terwijl een investering van 200 miljoen in onderzoek per definitie een onzeker rendement oplevert. Maar kampte O.J. Simpson niet met dezelfde onzekerheid toen hij zijn advocaten inhuurde en hoe zeker is een voetbalploeg dat een miljoenen-aankoop zich in kampioenschappen vertaalt? Sterker nog, elke ondernemer kampt met de onzekerheid of een investering wel het beoogde rendement oplevert. Draait onze hele vrije markt economie in feite niet op die onzekerheid en zouden sportkampioenschappen nog zin hebben als prestaties volledig voor geld te koop zouden zijn?

De vergelijking tussen het pak melk en wetenschappelijk onderzoek laat de vraag bovenkomen wat eigenlijk het produkt is waarvoor de onderzoeker betaald zou moeten krijgen. Zijn dat de ontdekkingen van exotische hemellichamen, handgeschreven teksten van beroemde wijsgeren, stoffen die de Bose-Einstein-condensatie laten zien, ozonlaag vernietigende drijfgassen, enzovoort? Of is het primaire doel van de universiteiten het opleiden van mensen waar de maatschappij om staat te springen? In zijn reactie op de toekenning van de Nobelprijs voor chemie aan Paul Crutzen constateerde de Leidse bioloog prof. Schilperoort voor het journaal dat het (weer) een Nederlander betrof die in het buitenland werkt. Maar moet hij in Nederland werken om binnen de gesloten muren van een onderzoekslaboratorium met zijn talent een handvol collega's te verlichten, of moeten de vonken uit deze 'ideeënfabriek' uitstralen naar een zaal vol studenten?

De werkplek van toptalent is eerst en vooral van belang voor de opleiding van een nieuwe generatie onderzoekers. Sterker nog, het primaire belang van universitair onderzoek, althans voor zo ver gefinancierd uit de eerste geldstroom, is gelegen in de opleidingsfunctie van mensen. Dat betekent niet dat er geen geld nodig is voor specifiek onderzoek, zoals onderzoek naar een oude indianentaal, de correspondentie van Erasmus, enzovoort, maar een groot deel daarvan is mogelijk in het kader van de opleiding. Als dat niet zo is, is de tweede geldstroom het aangewezen instrument om het belang en de kwaliteit van het beoogde onderzoek te wegen. In verschillende buitenlandse universiteiten die ik bezocht, werd meer nadruk gelegd op de loopbaan van afgestudeerden dan ik in Nederland ooit hoorde. Zeer scherp kwam dat naar voren bij de ETH in Zürich die in totaal 19 Nobelprijswinnaars heeft voortgebracht.(31) Dit aantal kreeg ik te horen toen ik de vice-president voor research verslag deed van de manier waarop de AWT zich had laten inspireren door deze Zwitserse instelling. Het aantal is wel bekend, maar men loopt er niet mee te koop. Dat de wetenschappelijke topprestaties in Zürich niet op de voorgrond worden geplaatst, bleek ook bij een bezoek aan de chemie-afdeling waar het wetenschappelijk succes niet werd gerelateerd aan de aldaar werkende Nobelprijswinnaar. De kwaliteit werd gemotiveerd door te wijzen op het aantal gepromoveerden dat een post-doc kreeg aangeboden bij internationaal vermaarde universiteiten, zoals het Amerikaanse MIT. Dus niet de citation index maar de alumni index werd als graadmeter voor het succes gezien. Natuurlijk zouden ETH-alumni geen kans hebben bij het MIT indien sprake zou zijn van ondermaatse wetenschappelijke prestaties van de docenten. Goed onderzoek is nodig om goede mensen op te leiden, maar dat is ook niet het twistpunt. Het gaat om de bepaling van het primaire doel, en goed onderzoek zonder een goede opleiding heeft geen grote meerwaarde. Bij de vraag of universiteiten vanuit de optiek van de alumni index goed presteren, kan worden gekeken naar de arbeidsmarkt voor afgestudeerden en gepromoveerden.

16.2 werkloze wetenschappers

Bovenstaande vraag speelde een belangrijke rol bij de voorbereiding van het AWT-advies over human resources in onderzoek. De vraagstelling van de betrokken ministers was weliswaar primair gericht op de zittende onderzoekers, maar het leek de AWT noodzakelijk om ook de instroom van nieuwe mensen in het onderzoeksysteem te beschouwen, zeker ook tegen de achtergrond van de zorgwekkende geluiden vanuit sommige disciplines over een mogelijk tekort aan Nachwuchs. Dit betekent dat het van belang is om de relevante arbeidsmarkt voor de verschillende opleidingen te beschouwen.

Wie naar het onderzoeksysteem kijkt, zal de aandacht in eerste instantie laten uitgaan naar de specifieke onderzoekers-opleiding, de assistenten (AIO's) en onderzoekers (OIO's) in opleiding. Het verschil tussen beide groepen is overigens klein, de eerste groep is in dienst van universiteiten en de tweede staat bij NWO op de loonlijst. Zoals de aanduiding van deze groepen al zegt, gaat het om de opleiding tot onderzoeker. Aangezien het directe nut van het eigenlijke onderzoek voor Nederland betrekkelijk klein is, kunnen we stellen dat het betrokken onderzoek eerst en vooral een middel is om mensen op te leiden, zoals in hoofdstuk zes reeds is betoogd.

Voor functies buiten het onderzoeksysteem lijkt een onderzoekersopleiding niet erg relevant te zijn; sterker nog, voor veel functies blijkt de promotie een nadeel op te leveren.(32) De zeergeleerde schoolverlaters zijn ouder, zonder dat de extra opgedane kennis van praktische waarde is voor het betrokken bedrijf. Slechte perspectieven voor hoog opgeleiden op de arbeidsmarkt gelden niet alleen voor de Nederlandse doctors. In het Verenigd Koninkrijk spreken kranten van underemployed graduates met veelzeggende koppen als; "graduates forced into menial jobs" en "a degree of dismay" In Frankrijk leeft de vraag "y a-t-il trop de docteurs en sciences?" Deze vraagtekens slaan niet alleen op gepromoveerden, zoals blijkt uit een schets van Intermediair: "De vraag naar academici blijft in Frankrijk sterk achter bij het aanbod. Daardoor devalueert de universitaire titel. Hoog opgeleiden zijn gedwongen eenvoudig werk te doen tegen een slechte betaling" [D-Z1]. Als voorbeeld voerde Intermediair een bioloog op die een postdoctorale opleiding heeft gevolgd in Engeland, vloeiend Engels en redelijk Duits en Nederlands spreekt. Deze bioloog werkt als gids bij het in paragraaf 8.6 genoemde Futuroscope. Hij meent geluk gehad te hebben; veel studiegenoten hebben helemaal geen werk.

Vraagtekens bij de omvang en invulling van de universitaire opleiding en het promotiestelstel beperken zich ook niet tot Europa. Zo is in de VS sprake van een snelle stijging van de werkloosheid onder jonge graduates en wordt gesignaleerd dat binnen de fysica en de chemie tweemaal zoveel PhD's worden opgeleid als er banen zijn. Deze ont wikkeling leidde in het weekblad Science tot de conclusie: "The reality of discovering the negative economic value of the PhD is absolutly startling" [D-R1]. Dit betekent niet dat gepromoveerden op grote schaal werkloos worden, maar wel dat ze beneden hun opleidingsniveau werken. Indien ze wel op hun kennisniveau werkzaam zijn, sluit de opleiding inhoudelijk vaak niet meer aan: "PhD training must change to prepare students for the jobs they are likely to find" [D-G4](33) Naast vermindering van het aantal PhD's wordt in de VS ook gesproken over verkorting van de opleiding. Zo zei een voormalig vice-president van IBM: "Shortening the average duration of graduate study by a year to 18 months will lower the cost (...) and will put graduates at less of disadvantage with respect to their contemporaries" [D-A2].

Tot welke uitwassen de westerse promotiecultuur kan leiden, bleek mij tijdens een bezoek aan Bayer. Daar werd opgemerkt dat in de Bondsrepubliek jaarlijks 2500 chemici zullen promoveren, terwijl de industrie er maar 500 nodig heeft en ook in vroegere glorietijden niet meer dan 1000 aanstelde. Dat wil niet zeggen dat er voor gepromoveerde chemici helemaal geen werk meer is, maar het roept wel de vraag op of voor die functies de kostbare en zeer lange weg naar de promotie wel de meest effectieve is.

Velen zeggen dat ze de promotie niet graag hadden willen missen, ook als hen dat in de loopbaan geen aantoonbare voordelen opleverde; blijkbaar vormt het een verrijking van de persoonlijkheid. Maar dat geldt ook voor deelname aan sportkampioenschappen, een trektocht over de aardbol, toneelspelen, pianolessen, enzovoort. Het is dus moeilijk om de persoonlijke meerwaarde in kaart te brengen, en als dat al mogelijk is, rijst meteen de vraag waarom de samenleving aan die training meer geld moet spenderen dan aan andere vormen van persoonlijkheidsontwikkeling. De voorbereiding op het wereldkampioenschap wielrennen in Colombia waren relatief kostbaar, maar vallen met zes ton nog binnen het budget dat een gemiddelde promotie kost.(34) Zijn er veel gepromoveerden die door hun proefschrift een grotere innerlijke loutering hebben ondergaan dan Danny Nelissen met zijn wereldtitel bij de wieleramateurs?

16.3 afgestudeerde arbeidskrachten

Het geklaag over een overschot aan gepromoveerden is vooral een westerse aangelegenheid; in Japan wordt juist naar een sterke verhoging gestreefd. Daar wordt nu zeer weinig gepromoveerd. Dat de behoefte aan gepromoveerden in het westen daalt, betekent niet dat het bedrijfsleven geen behoefte heeft aan mensen die zich na hun afstuderen verder scholen. Vervolgscholing vindt echter voor een belangrijk deel in het bedrijf plaats; voor industriële bedrijven fungeren R&D-laboratoria (ook) als kweekvijvers waar mensen worden klaargestoomd voor vervolgfuncties buiten het speur- en ontwikkelingswerk. Ook buiten de industrie treedt het werkend leren vaak nadrukkelijk op de voorgrond, zij het dat daar de opleidingsfunctie niet onder de noemer van R&D valt vanwege het ontbreken van een R&D-traditie aldaar. Een jurist begint bijvoorbeeld als kandidaat-notaris bij een grote juridische dienstverlener; vaak ligt de eerste betrekking buiten het eigen specialisme, zodat het leereffect wordt uitgebuit en latere mogelijkheden om door te stromen zo groot mogelijk blijven. Deze notarissen-in-opleiding zouden we in het universitaire jargon NIO's kunnen noemen. In sommige bedrijfstakken is het opleidingskarakter geformaliseerd, zoals de rechterlijke assistenten in opleiding (RAIO's), of wordt zoiets bepleit, zoals door de commissie van Es ten aanzien van leraren (LIO's).

In hoofdstuk vijftien is opgemerkt dat buiten het eigen vakgebied ook behoefte bestaat aan afgestudeerden. Dit illustreert dat de academische opleiding (ook) in belangrijke mate een algemeen vormend karakter heeft, dit in tegenstelling tot de tweede fase, waar de meerwaarde van de opleiding buiten het eigen vakgebied gering is. Het verschil in vakgerichtheid van de eerste en tweede-fase-opleiding komt ook naar voren uit het reeds gememoreerde onderzoek naar de arbeidsmarkt voor afgestudeerde en gepromoveerde fysici [C-NNV]. Gepromoveerden komen voor het grootste deel in het onderzoek terecht terwijl de meeste niet-gepromoveerden juist buiten de natuurkunde werk vinden. Buiten de fysica bestaat dus veel vraag naar natuurkundigen, waarbij de vakinhoudelijke kennis die in de eerste fase wordt opgedaan voldoende blijkt te zijn. Die conclusie wordt nog versterkt door de behoefte die betrokkenen naar eigen zeggen hebben; de ondervraagde fysici missen vooral scholing op het gebied van bedrijfsorganisatie, informatica, economie en milieukunde. De promotie levert voor werk buiten het natuurkundig onderzoek geen aantoonbare meerwaarde op, hetgeen ook lijkt te gelden voor andere vakgebieden.

Het aantal mensen dat buiten het eigen vakgebied werkt, is in verschillende andere disciplines nog groter. Zo meldt de WRR dat slechts 17% van de afgestudeerden in de letterenfaculteit een baan heeft waarvoor de eigen specialisatie nodig is, terwijl de helft werk verricht waarvoor geen academische opleiding vereist is [C-WRR]. Het grote aantal mensen dat meteen na het afstuderen buiten het eigen vakgebied terechtkomt, doet de vraag rijzen welke functie de universitaire opleiding eigenlijk heeft. Is dat niet het aanleren van de wetenschappelijke methodiek? Het zoeken van verbanden, het toetsen van feiten, enzovoort, is ook van belang buiten het academische onderzoek; zonder die werkwijze zouden detectives, advocaten, journalisten, enzovoort niet ver komen.

16.4 aansprekende alumni

De universiteiten richten zich op basiskennis en niet op basiskunde, zoals in het vorige hoofdstuk reeds is betoogd voor de natuurkunde. Dat het een veel algemenere kwaal is, wordt geïllustreerd door de schets die professor Adriaansens tijdens de discussie na een lezing gaf van een cursus argumentatie: "Enkele jaren geleden was er een op de praktijk gerichte training waarbij studenten leerden argumenteren. Deze goedlopende training was na enkele jaren geëvolueerd in een cursus argumentatietheorie" [G-A1].

Wat betreft de natuurkunde wordt de basiskunde bijvoorbeeld getraind tijdens het praktikum, niet zozeer door te leren om metingen te doen, alswel via de ontwikkeling van het besef dat metingen fout kunnen zijn doordat materialen niet zuiver zijn, apparaten kuren vertonen, enzovoort. Geholpen door krakkemikkige apparatuur ontwikkelt zich als het ware een natuurlijk wantrouwen tegen metingen. Je wordt zeer hardhandig afgestraft als je probeert de feiten naar je hand te zetten. Voor een reguliere praktikumproef geldt dat niet omdat de uitkomst bekend is, maar bij een vrij praktikum wordt duidelijk dat feiten geen manipulatie toelaten. Zodra er een spanning ontstaat tussen theorie en praktijk, tussen de metingen en de veronderstelde wetmatigheid, moet je omwegen zoeken om de resultaten te toetsen. Dit is wat romantisch voorgesteld, maar in de kern komt het daar volgens mij wel op neer. Het is in elk geval mijn perceptie van het belang van de natuurkunde voor mijn eigen loopbaan buiten de fysica. Wat ik bijvoorbeeld met cijfers over de leeftijdsverdeling in de chemie gedaan heb, is niets anders dan het toetsen van een aantal hypotheses; toetsingen die chemici op wetenschappelijk gebied gewend zijn te doen maar die ze blijkbaar vergeten als ze zich buiten het eigen vakgebied bewegen. Om de bruikbaarheid van de aangeleerde methodiek ook buiten het eigen vakgebied te leren toepassen, zou het wenselijk kunnen zijn meer op dat doel gerichte onderdelen in de opleiding te verwerken. Ik zeg met nadruk zou, omdat ik aarzel of het reguliere onderwijs de aangewezen plaats is om studenten deze vakinhoudelijke verbreding bij te brengen. Misschien leer je zoiets alleen in de praktijk, zoals je in feite ook het leidinggeven niet uit de boeken leert maar slechts door praktijkervaring in de vingers krijgt. Om de eigen ervaringen in een bredere context te plaatsen, zou wel gebruik gemaakt kunnen worden van postdoctorale onderwijsvormen, zoals in de VS al sinds jaar en dag gebeurt bij de businessschools.

Toch moet het ook binnen de reguliere opleiding mogelijk zijn om nadrukkelijker te letten op de relevante beroepspraktijk van afgestudeerden. Waarom alleen colloquia van vakgenoten en niet van mensen die elders terecht zijn gekomen. Hoe kunnen de loopbaanperspectieven van fysici beter worden gedemonstreerd dan door Winsemius, Ritzen, Beckers, Van Raan, enzovoort een uiteenzetting te laten geven over de fysicus buiten de natuurkunde? Waarom doen middelbare scholieren er goed aan om wiskunde te kiezen? Niet omdat ze later relatief veel kans hebben op een baan -- zouden afgestudeerde wiskundigen minder kans hebben gehad op een baan als ze een ander vak gekozen zouden hebben? -- maar omdat ze later alle kanten op kunnen. De opleiders moeten die kanten natuurlijk wel kennen, en dat lijkt niet het geval, althans niet in voldoende mate.

Wat zijn de consequenties als het openingscitaat van Popma wordt vertaald naar de universiteiten? Het zou kunnen impliceren dat meer docenten aangetrokken zouden moeten worden met werkervaring buiten het eigen academische onderzoeksmilieu. Het zou ook moeten betekenen dat de wensen van klanten buiten het eigen vakgebied doorklinken bij de inrichting van de studie. Als universitaire wetenschappers invloed willen hebben op de inhoud van het VWO, moeten daarbij dan de specialisten of de buitenstaanders de doorslag geven? Zou de afweging tussen biofysica, elementaire deeltjes, enzovoort niet in handen gelegd moeten worden van wetenschappers uit vakgebieden waar veel VWO-studenten met natuurkunde terechtkomen? Ik ben geneigd die vraag bevestigend te beantwoorden, hetgeen voor de natuurkunde zou betekenen dat fysici hun gezag moeten delen met medici, biologen, geografen, enzovoort. Uiteraard is die methodiek ook van toepassing op de invulling van geschiedenisonderwijs, Engels, enzovoort.

Vertaald naar het universitaire onderwijs, zou een grotere interactie tussen universiteit en de relevante arbeidsmarkt tot veranderingen in het onderwijs kunnen leiden. Wat dat betreft zou de voorgestelde driejarige basis en een tweejarig vervolg mogelijkheden kunnen bieden. Nu wordt dat vervolg vaak alleen maar in het verlengde van de basis gezien, als een kroon zonder welke de opleiding eigenlijk niet voltooid is. Waarom kan dat vervolg geen kopstudie zijn, zoals bij de wijsbegeerte al langer traditie is? Pardon, was, want deze 'omweg' wordt steeds minder bewandeld, met als gevaar dat de toekomstige filosofen zich nog verder van wetenschap en samenleving vervreemden dan ze nu al zijn. In de 3+2 variant zouden studenten na een driejarige studie geneeskunde toch verschillende wegen op moeten kunnen gaan. Een twee jarige managementopleiding, zou dat geen geschikte voorbereiding zijn voor managementfuncties in de gezondheidszorg? Of twee jaar milieukunde om meer toxicologische kennis in dat gebied te brengen. Zou rechten geen goede invulling zijn van die tweejarige kopstudie? Wie na drie jaar natuurkundestudie de universiteit verlaat, lijkt inderdaad waardeloos voor een loopbaan als fysicus, maar geldt dat ook voor functies buiten de natuurkunde? En als drie jaar te weinig is om op academisch niveau te presteren, wat is er dan tegen een twee jarig vervolg op een aanpalend gebied? Wat vindt McKinsey, die fysici aanneemt voor werk dat inhoudelijk ver van de natuurkunde afligt? Deze vragen worden niet gesteld binnen de universiteiten omdat wetenschappers te lineair denken vanuit het eigen (onderzoeks)perspectief. Van basisschool tot Nobelprijs, zoals is geconstateerd in hoofdstuk vijftien bij de beschouwing over de onderwijsvisitatie natuurkunde.

Bovengenoemde voorbeelden zijn anders ingevuld dan het initiatief dat onder leiding van prof. Adriaansen in Utrecht gestalte krijgt. In de volksmond wordt gesproken van Oxbridge waarmee het Angelsaksische karakter van de opzet wordt geïllustreerd, alsmede het streven naar internationale topkwaliteit. Het lijkt mij prima dat iets anders wordt geprobeerd binnen de Nederlandse eenheidsworst, maar persoonlijk zou ik niet beginnen met een breedte studie van drie jaar en een eventueel vakspecialistisch vervolg van twee jaar. Het lijkt mij beter eerst een vak te leren, en daarna die vakkennis met mensen uit andere disciplines te leren verbreden. Na Oxbridge lijkt er mij ruimte te bestaan voor een Holland Institute of Technology, een kopstudie van twee jaar voor mensen met een driejarige basisopleiding. Dit HIT zou best een hit kunnen worden, maar een verdere uitwijding daarover zou te ver voeren in de richting van een synthese en ons daarmee te ver afvoeren van de analytische taak.

16.5 deeltijd docenten

Het tekort aan docenten met ervaring buiten de academische subcultuur wordt in de praktijk deels opgevangen door deeltijdhoogleraren aan te trekken. In statistieken over de wisselwerking tussen universiteiten en bedrijven komt deze vorm van samenwerking niet tot uiting, hoewel ze in de praktijk veel nuttiger lijkt dan het verrichten van contractonderzoek, zeker voor de opleiding van studenten.

Tijdens de rondgang langs verschillende grote technologiegedreven bedrijven en universiteiten in Europa ontstond bij mij de overtuiging dat het systeem van deeltijdhoogleraren in Nederland relatief goed is ontwikkeld, zowel kwalitatief als kwantitatief. Met dat laatste doel ik vooral op de eisen die aan de hoogleraar-van-buiten worden gesteld. Een voorbeeld. Harry Beckers is naast voorzitter van de AWT aan de TU Delft verbonden als buitengewoon hoogleraar in management van onderzoek en ontwikkeling in de natuurkunde. Hij is een gepromoveerde fysicus, maar die prestatie heeft weinig van doen met zijn leeropdracht. Op dat gebied heeft hij geen wetenschappelijk erkende expertise opgedaan, maar hij beschikt op grond van jarenlange ervaring als researchcoördinator bij Shell wel over een onschatbare hoeveelheid praktijkervaring. Toen ik Beckers als voorbeeld van een Nederlandse visiting professor noemde, stelde de rector van de technische universiteit in Kopenhagen dat zo'n benoeming in Denemarken uitgesloten was. Op vergelijkbare gronden zou daar Lubbers zijn professoraat onthouden worden, hij is niet gepromoveerd op het terrein van zijn leeropdracht. Toch kunnen zijn colleges van onschatbare waarde zijn voor de Tilburgse studenten die niet alleen theoretisch maar ook praktisch in de keuken van de zich internationaliserende economie willen kijken.

Niet voor alle bijzondere en buitengewone hoogleraren geldt overigens dat ze een hoofdfunctie buiten het academische milieu hebben of hadden. Gemiddeld geldt dat voor driekwart van hen; in de economie is dat zelfs 95% en in de technische richtingen ongeveer 85%. Alleen in de alfa-disciplines (letteren, theologie, filosofie) heeft minder dan 50% van de buitengewone en bijzondere hoogleraren een functie buiten de universiteit. In de praktijk betekent dit dat veel U(H)D's  van de eigen instelling of van een andere universiteit met de professorstitel worden beloond. Het nadeel van deze intern gerichte rekrutering is dat de voordelen van het binnenhalen van expertise van buiten onbenut blijven. Vaak lijkt dat een bewuste keuze doordat de werving expliciet is gericht op academische expertise; niet de praktijkervaring maar de academische graad en de publikatielijst treden op de voorgrond in de profielschets. Weg mogelijkheid om de vernieuwende vreemdelingen aan te trekken die zich bevinden aan de rafelrand van de universitaire wetenschap. Uiteraard, mensen buiten het eigen vakgebied missen de gedetailleerde literatuurkennis, maar zorgen daar de gewone hoogleraren niet voor?

Sinds de jaren 50 is het aantal gewone hoogleraren gestaag toegenomen en tot het midden van de jaren zestig hield het aantal bijzondere en buitengewone hoogleraren daarmee gelijke tred. Daarna stagneerde de groei van deeltijd hoogleraren en in het midden van de jaren zeventig daalde dat aantal zelfs absoluut; het aandeel parttime hoogleraren daalde van ongeveer 25% naar 15% [B-S4].

Momenteel vervaagt het onderscheid tussen de verschillende categorieën hoogleraren; gewone hoogleraren worden tegenwoordig soms in deeltijd aangesteld en vervullen ook andere functies, zoals adviseur van bedrijven. Wat is het onderscheid tussen deze hoogleraren met nevenfuncties in bedrijven en de buitengewone en bijzondere hoogleraren met een hoofdfunctie in het bedrijfsleven? Het vervagende onderscheid maakt het moeilijk om het huidige percentage gewone hoogleraren te vergelijken met dat uit het verleden, mede ook vanwege het feit dat geen uniforme termen meer worden gebruikt voor buitengewone en bijzondere hoogleraren. Voor zover nu een algemeen beeld te maken valt, lijkt het aandeel van de niet-gewone hoogleraren de laatste tijd sterk gegroeid te zijn, tot boven de 30%.(35) Dit betekent overigens niet zonder meer dat universiteiten de budgetten voor niet-gewone hoogleraren hebben vergroot. In veel gevallen is namelijk sprake van zogenoemde nul-aanstellingen, waarbij in ruil voor de professorstitel gratis onderwijs wordt verzorgd.

Momenteel maken vooral de technische universiteiten op grote schaal gebruik van niet-gewone hoogleraren; van elke vijf hoogleraren zijn er twee parttime professor. Als regel zijn de gewone hoogleraren in de meerderheid, met als opvallende uitzondering bouwkunde, waar vier van de vijf hoogleraren parttime zijn. Bij deze extreme situatie rijst de vraag of de gewone hoogleraren niet te sterk in de minderheid komen; alle bestuurlijke werkzaamheden en andere algemene taken zullen bij die groep worden geconcentreerd.

Noten

31. Het aantal Nobelprijswinnaars dat een instelling claimt, lijkt overigens niet eenduidig vast te stellen. Mag de ETH-Zürich de Nobelprijs van Einstein op haar eigen erelijst zetten? Dan mogen dat ook nog enkele andere instellingen, en dergelijke meervoudige claims zijn bij meerdere laureaten mogelijk.

32. Voor een nadere argumentatie verwijs ik naar het eerder genoemde AWT-advies [C-AWT5]. De conclusie over de meerwaarde van de promotie is mede ontleend aan De meerwaarde van een promotie [B-N1].

33. In dit artikel wordt verder geconstateerd: "In short, PhD.s are finding jobs, but they are finding nonacademic jobs more easily than they are finding academic research positions. Graduate students who anticipate traditional academic-style research jobs find themselves in positions for wich they have not been prepared. Many are feeling the pain of unmet expectations".

34. Er van uitgaande dat het onderzoeksbudget dat de universiteiten uit de eerste geldstroom ontvangen primair bestemd is voor de opleiding van mensen, kost een promotie gemiddeld zo'n miljoen gulden [C-AWT1].

35. Eigen berekening op basis van Adreslijst Universiteiten 1994.