17 Onderzoekende Ondernemingen


de passages tussen [..] zijn literatuurverwijzingen.

"Hoe kunt u beweren dat we te weinig aan technologie doen? We doen evenveel of even weinig als nodig is in verband met onze concurrentiepositie". Met deze reactie maakten drie medewerkers van AKZO hun ongenoegen kenbaar na afloop van een lezing van Winters over de zorgwekkende technologische concurrentiekracht van Nederland [G-W3]. Als ambtenaar vertolkte Winters de opvattingen van het ministerie van Economische Zaken over het belang van speur- en ontwikkelingswerk voor de economische ontwikkeling. In de nota's van dit ministerie wordt de positie op de internationale R&D-ranglijst gezien als een van de belangrijkste indicaties voor het innovatievermogen van een land en Winters had dit op een uitstekende wijze voor het voetlicht gebracht.(37)

Mede door de theatrale dramatiek is de aanvaring tussen de AKZO-medewerkers en Winters voor mij een herkenbaar symbool geworden van het spanningsveld tussen theoretische pleitbezorgers van R&D en degenen die daar dagelijks verantwoordelijkheid voor dragen. Bij mij komt de herinnering aan deze discussie vaak boven als ik mij verdiep in de functie van R&D voor de economie.

17.1 nationale nota's

Dat het bij de verschillen in standpunten niet om academische spijkers op laag water gaat, werd duidelijk uit de constatering van Winters dat het kabinet en het parlement op basis van de analyse van het ministerie van EZ bijkans in recordtijd een nieuwe belastingfaciliteit hadden vastgesteld. Het betreft de wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) die de uitvoering van R&D fiscaal voordeliger maakt.(38) Maar in plaats van applaus voor dit financiële douceurtje voor R&D-intensieve bedrijven viel Winters een emotioneel geladen afkeuring ten deel van medewerkers van R&D-gigant AKZO. Zij waren ongetwijfeld niet verontwaardigd over de financiële tegemoetkoming; de achterliggende motivering viel in slechte aarde. Sterker nog, zij leken het als een belediging te ervaren, als een aantasting van hun professionele eer; zij kunnen zich niet veroorloven te weinig R&D te doen omdat zoiets de doodsteek voor hun concern zou zijn.

Hoezeer het kabinet, en met name het ministerie van Economische Zaken, zich zorgen maakte over de dalende R&D-uitgaven en de economische concurrentiepositie blijkt uit de nota Concurreren met Kennis van voormalig EZ-minister Andriessen (nota Andriessen). Opgemerkt wordt dat in de periode 1970-1990 het nationale inkomen per hoofd van de bevolking ten opzichte van andere EU-landen is achtergebleven, terwijl de technologische positie van Nederland in diezelfde periode in vergelijkbare mate verslechterd zou zijn. In 1970 investeerden alleen de VS en Zwitserland een significant hoger aandeel van hun nationale inkomen in R&D terwijl Nederland twintig jaar later hooguit nog een negende plaats op deze wereldranglijst ten deel valt. [C-EZ2, p. 8] De conclusie dat het dalende inkomen per hoofd van de bevolking tenminste voor een belangrijk deel met de dalende R&D-uitgaven samenhangt, werd in de nota kracht bijgezet met de stelling dat op lange termijn de helft van de economische groei voortspruit uit technologische vooruitgang.(39)

De constatering dat de technologische positie van Nederland achterop raakt, is gebaseerd op statistieken die universitaire onderzoekers en internationale organisaties als de OESO verzamelen. Daarbij gaat het met name om de uitgaven voor R&D als percentage van het BBP. Een belangrijk deel van het onderzoek in opdracht van EZ wordt verricht door MERIT. In Stemming 2 constateerden deze Maastrichtse onderzoekers dat de Nederlandse economie langzamerhand minder kennis-intensief wordt ten opzichte van het buitenland [C-MERIT2]. Dit MERIT-rapport is hoofdzakelijk gericht op R&D, hetgeen impliceert dat kennis en R&D tot op grote hoogte als synoniemen worden opgevat. Dat MERIT voor EZ erg belangrijk is, blijkt uit de veelvuldige citaties in de nota Kennis in beweging die EZ minister Wijers uitbracht in samenwerking met zijn collega's van LNV en OCenW (nota Wijers) [C-EZ4]. Gegeven dat belang, nemen de analyses van MERIT in het onderhavige deel een prominente plaats in. Het gaat dus niet om de vraag of het werk van MERIT beter of slechter is dan dat van andere onderzoekers -- om die vraag te kunnen beantwoorden, zou op die vraag gericht onderzoek nodig zijn -- maar om het feit dat de bevindingen van MERIT relatief sterk in de beleidspraktijk doorklinken.

17.2 kennis en kunde

Het belang van R&D-uitgaven als succesfactor voor de economie werd medio 1994 sterk genuanceerd door de AWT, het hoogste adviesorgaan van de regering op het gebied van wetenschaps- en technologiebeleid [C-AWT4]. Het AWT-advies verscheen vlak voor de kabinetsformatie en Wijers heeft als nieuwe EZ-minister veel aanbevelingen overgenomen. De nota van Wijers onderschrijft bijvoorbeeld de relativering van de AWT over de hoogte van R&D-inspanningen: "Kennis is dus méér dan we kunnen meten met R&D-cijfers. Een veelheid van factoren is bepalend voor de economisch relevante kennisvoorraad in een land: investeringen in immateriële zaken (onderwijs, R&D, software, bedrijfsopleidingen) en in materiële zaken 'embodied technology'" [C-EZ4, p. 11].

Er bestaat een duidelijk verschil tussen het technologiebeleid van Wijers en dat van Andriessen, althans zoals dat in de praktijk gestalte krijgt. Dat verschil wordt ook geïllustreerd door de ondertitels: beleidsvisie technologie respectievelijk over kennis en kunde in de Nederlandse economie. De analyses die het gevoerde beleid moeten funderen, verschillen echter nauwelijks. Het zijn nog steeds dezelfde onderzoekers die worden geciteerd en nog steeds wordt hetzelfde soort conclusies getrokken over de technologische concurrentiepositie van Nederland. Dit betekent dat mijn kritiek op de analyse uit de nota Andriessen veelal ook geldt voor de nota Wijers en vice versa. Ik baseer mijn beschouwing van de EZ-nota's vooral op het werk dat ik in 1993 en 1994 voor de AWT deed. Dit betekent dat vooral statistieken uit die jaren zijn gebruikt. Recentere gegevens zijn uiteraard wel beschikbaar maar voor mijn betoog zijn ze niet nodig. Integendeel, waar ik mij richt op de nota Andriessen zou het methodologisch minder verantwoord zijn om gegevens te gebruiken waarover de betrokken auteurs toen niet beschikten.

De dienstensector komt in de nota Wijers in beeld via de constatering dat een groot deel daarvan afhankelijk is van de industrie. Het werkgelegenheidsbelang van de industrie is zodoende aanmerkelijk groter dan de directe cijfers over de werkgelegenheid laten zien [C-EZ4, p. 13]. Die constatering wordt -- althans in het analyserende deel, en daar gaat het mij hier om -- gebruikt om het belang van kennis voor de economie te concentreren op de kennisontwikkeling binnen de industrie, die vervolgens weer in hoge mate wordt ingeperkt tot R&D. Deze situatieschets van de dienstensector illustreert dat met betrekking tot de analyse van de situatie niet erg veel is veranderd sinds de nota van Andriessen verscheen. Sterker nog, in de laatste nota worden in feite verschillende nuanceringen van de AWT, zoals het feit dat R&D steeds meer een internationaal karakter krijgt, gepareerd met cijfers die er op zouden wijzen dat de achterstand nog groter is dan eerder werd verondersteld: "Wil Nederland tegen deze achtergrond zijn ambities waar kunnen maken, dan zal het nog meer dan voorheen de kaarten moeten zetten op concurreren met kennis. Recent onderzoek indiceert echter dat 'de Nederlandse economie langzamerhand steeds minder kennisintensief wordt'" [C-EZ4, p. 10]. De eerste zin verwijst naar het genoemde AWT-advies en het citaat in de tweede zin verwijst naar de publikatie van MERIT.

Wat betreft de sectorstructuur wordt geconstateerd dat Nederland juist zwak is in die sectoren waar de kennisintensiteit ligt opgeslagen in produkten; halfgeleiders, medische apparatuur, farmaceutica, enzovoort. De samenstelling van het industriële palet in Nederland zou een (te) zwakke basis bieden om bij een toenemende internationale concurrentie een blijvend sterke positie op de wereldmarkt te kunnen verwerven [C-EZ4, p. 15]. De AWT had in zijn advies gewezen op het belang van de mondialisering van de bedrijvigheid, ook bij de technologie-ontwikkeling. In het verlengde van die conclusie constateert de nota van Wijers dat de technologische betalingsbalans van Nederland een tekort vertoont van 0,3% van het BBP [C-EZ4, p. 18]. Het feit dat Nederlandse bedrijven relatief veel kennis in het buitenland kopen en relatief achterblijven bij de bestedingen in eigen land zou leiden tot een toenemende kennisafhankelijkheid van het buitenland. Die conclusie wordt nog versterkt door het feit dat het buitenlandse aandeel in de totale R&D-uitgaven in Nederland is gedaald van 8,2% in 1981 naar 2,4% in 1991, terwijl in diezelfde periode het aandeel van de buitenlandse R&D-uitgaven in de ons omringende landen is gestegen van ongeveer 5% naar bijna 8% [C-EZ4, p. 20]. Deze cijfers worden gezien als een indicatie voor een slecht R&D-klimaat in Nederland. De nota wijst op het belang van de samenwerking tussen bedrijven en de publieke kennisinfrastructuur. Een waardeoordeel over de intensiteit van deze samenwerking in internationaal perspectief blijft echter achterwege; universitaire bronnen indiceren dat in Nederland 4 à 5% van het universitaire onderzoek wordt gefinancierd door bedrijven, terwijl OESO-statistieken uitkomen op slechts 1,5%.

17.3 betrouwbare belangenbehartigers

De analyses in de genoemde EZ-nota's over de betekenis van R&D-uitgaven zijn vanuit wetenschappelijke optiek interessant omdat ze voor een belangrijk deel op wetenschap betrekking hebben en gezien het feit dat de bevindingen gebaseerd worden op rapporten van wetenschappers. De relevantie voor de wetenschap wordt nog versterkt doordat de meeste relevante actoren met gelijksoortige beschouwingen aankomen.

Door werkgeversorganisaties zijn de OESO-cijfers over de relatief geringe samenwerking tussen Nederlandse universiteiten en het bedrijfsleven bijvoorbeeld aangegrepen om een intensievere samenwerking tussen universiteiten en bedrijfsleven te bepleiten. Algemener valt te constateren dat woordvoerders van werkgeversorganisaties het beeld van achterblijvende R&D-uitgaven in Nederland onderschrijven. Vaak kiezen zij daarvoor nog scherpere bewoordingen dan EZ-woordvoerders. Investeringen in R&D zijn bedreigend laag, was bijvoorbeeld de kop boven een artikel van Van Gelder, toenmalig secretaris technologiebeleid van het VNO [D-G1].Met deze opmerking zou Van Gelder zich ongetwijfeld ook het ongenoegen van de drie AKZO-medewerkers op de hals hebben gehaald. Dit zou een indicatie kunnen zijn dat werkgeversvertegenwoordigers niet de taal van de werkvloer spreken, een verwijt dat ook vakbondsvertegenwoordigers en politici naar het hoofd geslingerd krijgen. Of en in hoeverre hier sprake is van echte meningsverschillen er kan bijvoorbeeld een verborgen agenda zijn die VNO-ers er toe brengt om het belang van technologie te overtrekken om subsidies uit de overheidsruif los te weken zal ik hier niet verder uitpluizen. Mij gaat het uiteindelijk niet om de betrouwbaarheid van belangenbehartigers, maar om de geloofwaardigheid van geleerden. En van hun vertegenwoordigers. Die laatsten laten zich vaak in vergelijkbare bewoordingen over R&D uit als de EZ-ambtenaren en de VNO-belangenbehartigers. En NWO en TNO, zoals in hoofdstuk zes reeds is gememoreerd.

Binnen het totaal van R&D-uitgaven wordt vaak onderscheid gemaakt tussen het publieke en het private deel, tussen overheids- en bedrijfsuitgaven. Dit onderscheid lijkt eenvoudiger dan het is. Een belangrijk deel van de R&D-uitgaven heeft betrekking op de gezondheidszorg; in het ene land een private en in het andere land een publieke sector. Bij publiek-private samenwerking komen de uitgaven in een subsidiestelsel vaak terecht bij de publieke sector TNO krijgt geld voor samenwerkingsprojecten terwijl in een fiscaal systeem de uitgaven op conto van de private sector komen. In de hoofdstukken 18 en 19 zal ik veelal de totale R&D-uitgaven beschouwen. Een focus op de bedrijfsinvesteringen pas ik vooral toe voor afzonderlijke sectoren. Dan wordt R&D afgemeten aan de toegevoegde waarde binnen die sector en maakt het bijvoorbeeld niet uit of de gezondheidszorg een publieke of private opzet kent.

17.4 schaalverdeling speurwerk

"De schaalgrootte van bedrijven in Nederland is... geringer dan in Duitsland en Frankrijk. Nederlandse bedrijven lopen daardoor sneller tegen de grenzen van hun financiële draagkracht aan, om de kosten en risico's van technologische vernieuwing te kunnen dragen" [C-EZ2, p. 19]. Deze passage uit de nota van Andriessen zou vertaald kunnen worden als de constatering dat Nederland te weinig bedrijven van het formaat AKZO heeft om een gelijkwaardige toon in de internationale R&D-symfonie mee te kunnen spelen. De nota schuift de daling van de R&D-uitgaven in nationale statistieken vooral op conto van Philips; exclusief Philips zou sprake zijn van een stagnatie van de Nederlandse bedrijfs-R&D als percentage van het BBP. De dominante invloed van de ontwikkelingen bij Philips toont volgens de nota de kwetsbaarheid van de Nederlandse R&D-positie. Het zou de urgentie onderstrepen om de research-basis van het Nederlandse bedrijfsleven te vergroten [C-EZ2, p. 12]. Nederland was in de ogen van EZ teveel afhankelijk van een enkel bedrijf en bij terugval waren er te weinig bedrijven die het vaandel van de technologie zouden kunnen overnemen.

Om schaal-nadelen te compenseren, bepleitte Andriessen de vorming van clusters. Die cluster-gedachte werd een hoeksteen van zijn beleid. De technologie-leidende bedrijven in een bepaald cluster vonden bij de minister een gewillig oor bij voorkomende problemen. De steunoperaties van Andriessen voor Fokker de spin in het web van de lucht- en ruimtevaart industrie kunnen mede vanuit dit perspectief verklaard worden. De energie die de minister stak in de oprichting van het industriefonds vormt een andere indicatie, evenals de pogingen om Océ van der Grinten van dit fonds gebruik te laten maken. Met deze politiek gaf Andriessen in feite een nieuwe invulling aan het sinds het RSV-debâcle verguisde industriebeleid. Het werd alleen niet zo genoemd, maar verpakt als technologiebeleid. What's in a name?

Het clusterbeleid van Andriessen ligt tot op zekere hoogte in het verlengde van de studies van de Amerikaanse econoom Porter [A-P9] en die van de afdeling Beleidsstudies van TNO [A-J1]. In vele bedrijfstakken zijn voorbeelden te vinden van gelijksoortige bedrijven die elkaars nabijheid zoeken, van straten met goudsmeden en Griekse restaurants tot Nederlandse bloemboltelers en Zweedse autofabrikanten. Je moet op lokaal niveau leren concurreren om in de internationale competitie staande te blijven.

Voor veel industriële ondernemingen is een concentratie van toeleveranciers vaak een gunstige vestigingsvoorwaarde. De zuigkracht van Oost-Azië op de elektronica-industrie wordt geïllustreerd door het feit dat Philips inmiddels de grootste werkgever in Taiwan is. Als Philips nu van de grond af opgericht zou worden, zou het de hoofdvestiging ongetwijfeld in Azië neerzetten. Deze voorkeur wordt niet  althans niet alleen ingegeven door de lagere lonen, maar vooral vanwege de aldaar aanwezige concentratie van hoogwaardige toeleveranciers.

Het nieuwe van de nota-Andriessen was de relatie tussen schaalgrootte en R&D-uitgaven. Sterker nog, de gesignaleerde achteruitgang bij de R&D-uitgaven werd als kern van het probleem gezien en de clustervorming zou de oplossing zijn.

In de R&D-statistieken die wetenschappers verzamelen, gaat het om investeringen in landen, ook als bedrijfsinvesteringen worden vergeleken. De nationale statistieken zijn echter een optelsom van investeringen door afzonderlijke bedrijven, in het bijzonder grote ondernemingen met vestigingen in verschillende delen van de wereld. Wie plukt de vruchten van de R&D, het land waarin deze inspanningen plaatsvinden of het bedrijf dat de investeringen voor zijn rekening neemt? Met andere woorden, wat is het belang van de nationaliteit in het internationale bedrijfsleven? Die vraag wordt nog sterker als we in beschouwing nemen dat een relatief klein bedrijf via een netwerk van toeleveranciers een economische en technologische macht kan ontwikkelen die niet onderdoet voor die van een veel groter bedrijf. Zeer scherp komt dat naar voren bij Nintendo, dat het FEM opvoerde als voorbeeld van een bedrijf dat klein kan blijven en toch marktleider kan worden [D-B10]. Nintendo is een Japanse producent van computerspelletjes die met minder dan duizend eigen medewerkers in 1992 voor een omzet van 10 miljard en een winst van 1,4 miljard zorgde. In feite bemoeit het moederbedrijf zich alleen met de regie en laat het de ontwikkeling, produktie en marketing over aan derden die over de hele wereld verspreid zijn. Met 1500 personeelsleden werken bij dochter Nintendo of America meer mensen dan in het moederbedrijf.

17.5 coherente concurrentie

De vraag naar het belang van de nationaliteit kan ook worden gesteld voor sportieve prestaties in de internationale competitie. Vaak treedt nationaliteit sterk op de voorgrond, hetgeen niet verwonderlijk is gezien het belang van nationale competities en de nationale vertegenwoordiging in veel internationale krachtmetingen tot de Europese champions league worden nationale voetbalkampioenen toegelaten en vanwege de belangrijke positie van interlands. Bij het volleybal speelt Nederland in feite alleen een rol als nationaal team. Bij wielrennen en tennis speelt nationaliteit daarentegen een ondergeschikte rol. De wielercompetitie wordt gevoerd door fabrieksploegen die zijn samengesteld uit renners van uiteenlopende nationaliteit. De vraag van een verslaggever aan een renner ik geloof dat het Erik Breukink was naar de matige prestaties van Nederlanders werd beantwoord met de opmerking dat alleen zijn eigen presteren, en dat van zijn ploeg, voor hem van belang is en dat nationaliteit geen enkele rol speelt. Als Breukink er in zijn rol als meesterknecht in zou slagen zijn Franse en Zwitserse ploeggenoten naar de overwinning te loodsen, zou dan niet even veel of weinig sprake zijn van een Nederlands succes als in het geval buitenlandse teamgenoten Jeroen Blijlevens zouden helpen aan een etappe-overwinning in de Tour de France?(40) In hoofdstuk 20 ga ik uitgebreider in op enkelen aspecten van de sportwereld om lessen te trekken voor de situatie op het gebied van wetenschap en technologie.

Wat betreft de economie doemt uit de voorgaande schets het beeld op dat de concurrentiestrijd tussen bedrijven meer overeenkomsten vertoont met de wielersport dan met de nog sterk nationaal gerichte voetbalsport. Dat geldt ook voor de uitgaven voor R&D; het gaat om een vergelijking met de naaste concurrenten en niet om de vraag of het betrokken vestigingsland op dat terrein wel voldoende aan zijn trekken komt. Ten behoeve van een vergadering van de AWT maakte de staf een overzicht van de R&D-uitgaven voor grote bedrijven, uitgesplitst naar bedrijfstak [B-E1]. In tabel 1 zijn gegevens over een viertal sectoren verwerkt.(41)

Het eerste dat opvalt, is de kleine onderlinge afwijkingen tussen sommige concurrenten. Total, Chevron, Texaco en Exxon gaven in 1992 binnen een afwijking van 0,01% allemaal 0,67% van de omzet uit aan R&D; Shell zat daar met 0,63% maar weinig onder. Duidelijk boven het gemiddelde bevinden zich de uitgaven van Elf (1,94%), ENI (1,22%) en BP (0,94%). De onderlinge verschillen kunnen verband houden met een andere verhouding tussen olie (weinig R&D) en chemie (veel R&D), maar minstens zo opvallend is dat de koplopers staatsbedrijven zijn. Met de staat als enige aandeelhouder worden bij die bedrijven de R&D-uitgaven in feite uit de staatskas gefinancierd. Omdat deze ondernemingen in open concurrentie staan met particuliere ondernemingen, kunnen R&D-uitgaven bij wijze van spreken niet hoog genoeg zijn; baat het niet, het schaadt ook niet, kan hun motto zijn . Die motieven gelden niet voor staatsbedrijven die op de markt een monopolie hebben, zoals het Spaanse Repsol. Waarom zouden zij geld aan R&D verspillen als zij toch al de volledige markt in handen hebben? De ontwikkelingen binnen Europa zorgen er voor dat de staatsbemoeienis met de olie-industrie terugloopt. Het is nog te vroeg om een cijfermatig oordeel te geven, maar in de directiekamers worden beslissingen genomen waardoor de R&D-uitgaven bij Elf en BP dalen en bij Repsol stijgen. De kans lijkt daardoor groot dat binnen afzienbare tijd de R&D-uitgaven van alle oliemaatschappijen zich binnen een kleine bandbreedte bevinden.

Op het eerste gezicht lijken de cijfers in de drie andere sectoren de stelling van de AKZO-medewekers te ontkrachten. Daar zijn immers zeer grote verschillen. In de sector elektronica voert Ericsson de lijst aan met 15,3%, gevolgd door Siemens met 10,8% en Motorola met 9,5%. Philips komt niet verder dan 6,8%. In deze sector bestaan echter grote verschillen tussen afzonderlijke deelgebieden. De eerste drie hebben hun activiteiten (voor een belangrijk deel) geconcentreerd op het terrein van de telecommunicatie, een gebied waar de ontwikkelingen elkaar snel opvolgen en geen bedrijf zich een technologische achterstand kan permitteren.



Tabel 1: R&D-uitgaven als percentage van de omzet (1992)

olie

elektronica

chemie

farmaceutica

Elf Aquitaine 1,94 Ericsson 15,28 Monsanto 7,08 Astra 16,71
Amocp 1,30 Siemens 10,81 Mitsui Petr. 6,84 Schering 15,16
ENI 1,22 Motorola 9,52 Rhône-Poul. 6,71 La Roche 15,08
BP 0,94 Thompson 8,67 Rohm Haas 6,60 Upjohn 14,33
Philips P. 0,80 AMP 8,56 Imperial Ch. 6,17 Wellcome 14,30
VEBA 0,71 Texas Instr. 7,77 Dow Chem. 6,16 Glaxo 13,98
Total 0,68 NEC 7,56 Hoechst 6,08 Eli L. 13,40
Chevron 0,67 ABB 7,24 AKZO 5,31 Merck 11,48
Texaco 0,67 Philips 6,79 Solvay 5,03 Ciba-Geigy 10,57
Exxon 0,66 Omron 6,46 DSM 4,55 Sandoz 9,30
Shell 0,63 Hitachi 6,34 BASF 4,42 enz....
Nippon Oil 0,57 Oki 6,20 enz..... Procordia 4,68
Mobil 0,56 Sharp 6,08 DuPont 3,36
enz...... enz.....
G.E. 2,33 Burmah C. 1,44

In paragraaf 18.3 vergelijk ik Nederland met Zweden en Zwitserland, vandaar de accentuering van Nederlandse, Zweedse en Zwitserse moederbedrijven.



Bij Philips ligt het accent sterk op consumentenelektronica, een terrein waar volstaan kan worden met minder R&D. Vergeleken met de meest directe Japanse concurrenten zijn de verschillen volgens de Financial Times miniem; als percentage van de verkoop gaven Hitachi en Toshiba in 1992 6,7% aan R&D uit terwijl Philips en Sony daar met 6,3% zeer dicht bij in de buurt bleven [E-FT1]. In de automobielindustrie ligt het niet veel anders; General Motors (4,5), Toyota (4,4) en Ford (4,3) doen nauwelijks voor elkaar onder en zetten Nissan (3,7) en VW (3,5) maar op geringe achterstand. Binnen deze sector vormde Daimler Benz met een score van 9,5% de enige echte uitschieter binnen de R&D-wereldtop-20, maar dat is met zijn aandeel in de R&D-intensieve vliegtuigbouw ook geen puur automobielconcern. Bovendien is het gelet op de Deutsche Bank als grootste aandeelhouder ook niet als een echt particulier bedrijf te beschouwen; de bank bezit volgens Business Week een kwart van de aandelen en controleert 80% van de stemmen [D-T1]. Dit zijn twee handen op de buik van de Duitse industriepolitiek en daarmee lijkt de situatie sterk op die bij de genationaliseerde bedrijven die ook meer aan R&D doen dan binnen een vrije markt verstandig is. De vorige zin hoort voor een deel in de verleden tijd gewijzigd te worden want de Deutsche Bank wil zijn spaarders meer aan hun trekken laten komen met als gevolg dat meer wordt gelet op het dividend. Die gewijzigde houding van de bank brengen redacteuren van Business Week in verband met veranderingen binnen de concernleiding en de inkrimping van verliesgevende R&D-intensieve delen van het bedrijf.

Afgezien van deze en dergelijke 'marktverstorende' factoren valt uit de onderlinge verschillen in R&D-percentages tot op grote hoogte af te leiden op welk deelsegment van de betrokken sector afzonderlijke bedrijven zich richten. Soms wordt dat ook nadrukkelijk zo gesteld, zoals door Kodak, dat stelt dat de eigen score van 6,3% ruwweg overeenkomt met het R&D-percentage van andere internationale spelers op het gebied van de fotografie, zoals Fuji, Agfa en Polaroid [D-F1]. Binnen een bepaald deelsegment kunnen onderlinge verschillen een indruk geven van de positie die een bedrijf wil innemen; een technologie-leidend bedrijf zal hogere R&D-uitgaven kennen dan een technologie-volgend bedrijf. Philips loopt in de pas met de technologische koplopers op het gebied van de elektronica, en de positie als technologie-leidend bedrijf werd ook naar buiten toe uitgedragen, bijvoorbeeld met de vroegere slogan Philips invents for you. Met de huidige leuze Lets make things better wordt het pionierswerk iets minder op de voorgrond geplaatst, en ook dat strookt met de veranderende positie; vroeger lag het R&D-percentage van Philips hoger.

17.6 passend portfolio

Hoezeer bedrijven bij elkaar in de R&D-pas lopen, blijkt uit een nadere analyse van het R&D-profiel van AKZO, dat uitgesplitst kan worden naar vier divisies met zeer grote onderlinge verschillen in R&D-intensiteit.(42) In de farmaceutica besteedde AKZO 12,9% van de omzet aan R&D, hetgeen vergelijkbaar is met de farmaceutische concerns uit tabel 1.Op het gebied van de vezels werd 3,3% van de verkoop in R&D gestoken, waarmee AKZO zich op gelijke hoogte bevindt met vezelspecialist Dupont. Het totale R&D-percentage wordt bij AKZO bepaald door de toevallige omvang van de afzonderlijke divisies en geeft derhalve geen enkele indicatie over de technologische concurrentiepositie.

Als de totale R&D-uitgaven bij AKZO al geen indicatie geven over de totale technologische concurrentiekracht, hoe kunnen R&D-percentages voor landen dan inzicht geven in de technologische concurrentiepositie? Zelfs binnen één sector zijn vergelijkingen al moeilijk gezien de grote onderlinge verschillen in R&D-intensiteit van afzonderlijke deelsectoren. In Nederland ligt binnen de chemie de nadruk bijvoorbeeld op de relatief R&D-extensieve produktie van zogenoemde bulkgoederen terwijl de R&D-intensieve farmaceutische sector met een aandeel van 12,6% van de verkoop een relatief bescheiden rol speelt binnen de Nederlandse chemie. In de VS en Japan ligt het aandeel van de farmaceutische industrie op een kwart terwijl Duitsland met 20% ook veel hoger scoort dan Nederland [C-CS]. In Zwitserland neemt de farmaceutische industrie een nog veel prominentere plaats in met een aandeel van ruim 42% [C-SSC].(43) In Zwitserland ligt de nadruk op de farmaceutische sector en in Nederland op de produktie van bulkchemie, profielen die evenzeer geografisch zijn bepaald als het feit dat Nederlanders schaatsen en Zwitsers skiën. Nederland met zijn havens en ligging aan zee was (en is) bij uitstek geschikt voor de petrochemische bulkgoederen. Voor Zwitserland golden (en gelden) die geografische voordelen niet en ontbreken ook de nodige grondstoffen voor de chemische industrie. Om de natuurlijke achterstand tot een minimum te beperken, lijken de Zwitsers zich als vanzelfsprekend toegelegd te hebben op produkten waarvoor de geografische nadelen klein zijn. Dus kwam de nadruk te liggen op de produktie van materialen met een hoge toegevoegde waarde per volume, dus specialisatie op geneesmiddelen, bestrijdingsmiddelen, maar ook op horloges. Als gevolg van de geografische verschillen wordt nu in Zwitserland meer aan R&D uitgeven dan in Nederland en als dat omgekeerd zou zijn, zouden in beide landen veel bedrijven failliet gaan.(44) DSM, AKZO, enzovoort, kunnen zich niet veroorloven om concernbreed 10% van de omzet aan R&D te besteden en Sandoz en La Roche zouden hun marktaandeel terug zien vallen als ze hun R&D-uitgaven zouden halveren tot het niveau van DSM; zij zouden minder nieuwe produkten op de markt kunnen brengen en daardoor hun marktaandeel zienderogen zien slinken.

Tabel 1 is gerangschikt naar R&D-intensiteit, hetgeen betekent dat ook relatief kleine R&D-investeerders in de lijst voorkomen. In het overzicht van de dertig farmaceutische bedrijven die het meest aan R&D uitgeven, komt Astra niet voor terwijl Schering AG op plaats 27 prijkt [E-STR]. Maar een andere selectiemethode leidt niet tot een ander beeld, zodat de conclusie dat bedrijven (ongeveer) evenveel aan R&D uitgeven als hun concurrenten staande blijft, althans voor de R&D-intensieve farmaceutische sector. Deze conclusie gaat echter ook op voor minder R&D-intensieve sectoren, zoals de voedingsmiddelenindustrie. Unilever besteedde in 1994 1,5 miljard gulden aan R&D, 1,8% van de omzet. De helft (52%) van de omzet heeft betrekking op voedingsmiddelen, een sector waar iets minder dan 0,9% van de omzet in R&D wordt geïnvesteerd. Dit betekent dat in de andere sectoren (wasmiddelen, toiletartikelen en dergelijke) gemiddeld 2,8% van de omzet aan R&D wordt uitgegeven, ofwel driemaal zoveel als bij de voedingsmiddelen. Researchdirecteur Nieuwenhuis verklaart deze onderlinge verschillen met de constatering dat R&D een wapen is in de concurrentiestrijd [G-N1]. Teveel R&D zorgt voor een kostenpost die de produkten extra duur maakt en derhalve de concurrentiepositie verzwakt. Te weinig R&D kan nog veel schadelijker zijn doordat de boot op nieuwe markten wordt gemist. Het zonder meer verhogen van de R&D-uitgaven, zoals in EZ-nota's wordt voorgesteld, wijst Nieuwenhuis met klem van de hand; zo eenvoudig steekt de wereld niet in elkaar. Met die uitleg zouden de AKZO-medewerkers op het Twentse symposium ongetwijfeld instemmen.

17.7 meelopende multinationals

Shell doet evenveel R&D als zijn naaste concurrenten, en dat geldt ook voor de verschillende divisies van AKZO-Nobel. Philips deed in het verleden eerder te veel dan te weinig R&D vergeleken met de concurrenten, en loopt nu in de pas met de belangrijkste concurrenten. Ook voor DSM en Unilever kan niet gesteld worden dat ze te weinig R&D doen in vergelijking met hun concurrenten. Kortom, op cijfermatige gronden kan niet worden volgehouden dat de grote multinationals met een Nederlands hoofdkantoor achterlopen op R&D-gebied. En daarmee is al een uitspraak gedaan over meer dan de helft van de R&D die in Nederland wordt uitgevoerd.

Verwacht mag worden dat ook andere bedrijven in de wereldtop-500 zich bij hun R&D-uitgaven door de internationale concurrentie zullen laten leiden. Bedrijven uit de Nederlandse R&D-top-40 behoren in grote meerderheid tot de wereldtop-500 of zijn daar een dochter van.(45) Geen van deze bedrijven kan het zich veroorloven te veel uit de R&D-pas te lopen. Dit betekent dat tenminste driekwart van de totale bedrijfs-R&D in Nederland wordt uitgevoerd door bedrijven die niet voor of achter lopen met hun R&D-uitgaven; als zij meer of minder doen dan het gemiddelde in hun sector, houdt dat verband met de deelsectoren waarin ze opereren en/of met de strategie van de betrokken bedrijven als technologievolger of -leider.

Kortom, de AKZO-medewerkers hebben gelijk. Maar daarmee hebben degenen die pleiten voor hogere R&D-uitgaven nog niet ongelijk. Het is immers mogelijk dat bedrijven te weinig onderzoek in Nederland uitvoeren, bijvoorbeeld door te veel onderzoek naar het buitenland te verplaatsen. Ook is het mogelijk dat kleinere, meer op de nationale markt opererende bedrijven achterblijven op R&D-gebied. Deze beide aspecten worden in de hoofdstukken 18 en 19 nader beschouwd. Maar ook als daaruit zou blijken dat de R&D-uitgaven in Nederland zorgwekkend laag zijn, leidt de beschouwing in dit hoofdstuk tot de conclusie dat de pleitbezorgers van hogere R&D-uitgaven ernstig tekort schieten in hun analyses; ze laten de doorslaggevende betekenis van onderlinge concurrentie buiten hun beschouwingen. Zonder die nuancering is de kans groot dat een verkeerd medicijn wordt toegediend om de R&D-kwaal te verhelpen. Net als in de gezondheidszorg kan dit een vergiftigende werking op de patiënt hebben. Zou het goed geweest zijn als de overheid haar R&D-uitgaven verhoogd zou hebben door Philips extra steun te geven? Zou Timmer dan in eigen huis voldoende draagvlak voor veranderingen hebben gevonden? Mijn indruk is dat de buikriem van Centurion de positie van Philips heeft versterkt. En daarmee wellicht een verdere daling van Nederland op de R&D-ladder heeft voorkomen of vertraagd.

Noten

36. Tegenwoordig vindt de Nederlandse uitdrukking speur- en ontwikkelingswerk steeds meer ingang, maar de daarbij horende afkorting S&O vind ik minder herkenbaar; hiervoor zal ik het Engelse R&D (Research and Development) gebruiken.

37. De eenzijdige focus op R&D gold in elk geval voor de regeringsnota's tot medio 1996. In het Wetenschapsbudget 1997 is het belang van R&D sterk gerelativeerd [C-OCW, p. 10]] "De R&D-uitgaven zijn internationaal de meest gebruikte indicator voor investeringen in kennis. Deze indicator voldoet echter steeds minder, omdat de uitgaven binnen een kennisintensieve samenleving beschreven kunnen worden aan de hand van drie gebieden; onderwijs (het aanleren van kennis), kennisontwikkeling of kennisaankoop, en kennisoverdracht." In de nota wordt overigens nog weinig met die conclusie gedaan aangezien over het totaal van immateriële investeringen binnen de OESO nog geen overeenstemming bestaat over een eenduidige definitie. Een becijfering voor Nederland leert dat de R&D-uitgaven momenteel iets minder dan eenvijfde van de totale immateriële investeringen beslaan.

38. Per 1 januari 1996 bestaat de WBSO formeel niet meer. De regeling is sindsdien opgenomen in de Wet afdrachtvermindering loonbelasting en premie voor de Volksverzekeringen. In de praktijk blijft de naam WBSO echter voortbestaan.

39. In het Wetenschapsbudget 1997 wordt opgemerkt dat investeringen in wetenschappelijk onderzoek een gemiddelde economische 'rate of return' hebben van 20 tot 30% [C-OCW, p.45].

40. Deze passage schreef ik na de editie 1995 van de Tour de France. In 1996 slaan de commentatoren een andere toon aan na drie Nederlandse etappe-overwinningen en nog meer andere podiumplaatsen. Raar toch; één etappe-overwinning is slecht, drie is luxe.

41. De gegevens in tabel 1 zijn ontleend aan The 1992 UK R&D Scoreboard [C-CR] aangevuld met gegevens van Business Week, 28 juni 1993.

42. Gegevens ontleend aan de bijdrage van dr. F.I.M. van Haaren, toenmalig R&D-directeur van AKZO. Opgenomen in collegedictaat van Beckers [B-B1].

43. Bij de Zwitserse cijfers gaat het om de waarde van de export, maar aangezien 80% van de produktie wordt geëxporteerd, kunnen de verschillen met de andere cijfers niet groot zijn.

44. Misschien hebben we wel de pech gezegend te zijn met een relatief gunstige geografische ligging en een grote aardgasbel. Die voordelen kunnen aanleiding geven tot luiheid, zelfgenoegzaamheid en dergelijke. Het feit dat het grondstof-arme Tunesië het economisch beter lijkt te doen dan de met aardgas en -olie gezegende buurlanden, zou daar ook een indicatie voor kunnen zijn. Maar met relatieve hoogte van R&D-uitgaven heeft die beschouwing weinig raakvlakken.

45. De helft van de Nederlandse R&D-top-40 wordt bezet door dochters van moederbedrijven met een buitenlands hoofdkantoor; Philips/AT&T (6e), Duhpar/Solvay (7), HSA/Thomson (12), Dow Chemical (17), Ericsson (19 en 25), SKF (20), enzovoort. Gegevens zijn ontleend aan Bert Minne [B-M3.; overzicht is ook opgenomen in [B-D1] en [C-AWT3].