18 Technologisch Territorium


de passages tussen [..] zijn literatuurverwijzingen.

In de (wetenschappelijke) literatuur wordt bij vergelijkingen van R&D-cijfers nauwelijks rekening gehouden met verschillende omstandigheden in afzonderlijke landen. Als een correctie plaatsvindt, heeft die betrekking op de economische structuur. In dat geval kunnen landen met grote R&D-extensieve sectoren toch hoog scoren indien binnen die sector relatief veel in R&D wordt geïnvesteerd. Correcties naar bedrijfsstructuur, zoals het aandeel van top-500 bedrijven in een bepaalde sector, blijven achterwege, terwijl daar juist grote verschillen uit kunnen voortvloeien, zoals in het vorige hoofdstuk is betoogd.

Van de kleine landen wordt Nederland in de R&D-statistieken vaak vergeleken met Zweden en Zwitserland, twee landen die gezegend zijn met relatief veel grote bedrijven in R&D-intensieve sectoren. Dit maakt beide landen niet per definitie geschikt als referentiepunt voor de technologische kracht van Nederland. Je kunt ook andere landen als referentiepunt kiezen. Zo merkt het CPB op dat Nederland veel overeenkomsten heeft met Canada en Australië, twee hoogontwikkelde landen met relatief lage R&D-uitgaven [C-CPB]. Beide landen verschillen alleen al vanwege hun bevolkingsdichtheid zo sterk van Nederland, dat ook die geen ideale referentiepunten lijken.

18.1 mondialiserende multinationals

Bij vergelijkingen van de technologische concurrentiekracht zou de omvang van een land geen rol mogen spelen; R&D-uitgaven worden immers uitgedrukt in percentages van het bruto binnenlands produkt. In een Europa zonder grenzen zouden de kleine landen gemiddeld even hoog moeten scoren als de grote landen; Nederland zou dan echt vergelijkbaar moeten zijn met Andalusië, Noordrijn Westfalen, Lombardije, enzovoort. Maar het Europa zonder grenzen moet nog groeien. Veel bedrijven in het huidige Europa vertonen nog duidelijke sporen van de vroegere nationale opdeling. De Bundespost is groter dan de PTT en hetzelfde geldt voor de BBC vergeleken met de NOS, Air France met de KLM, enzovoort. Dit zijn allemaal bedrijven in sectoren die door de overheid werden, en in veel opzichten nog steeds worden, gedomineerd. Maar ook in de marktsector is de schaal van een land vaak belangrijk voor de bedrijfsgrootte, zoals bijvoorbeeld voor uitgeverijen en supermarktketens. Het feit dat in sommige sectoren grote stedelijke agglomeraties een natuurlijk vestigingsvoordeel vormden en vormen, kan ook ten nadele van kleine landen spelen. Fiat en Daimler Benz zouden in Nederland waarschijnlijk moeilijker tot wasdom gekomen zijn dan in de huidige moederlanden.

Aangezien R&D vooral een aangelegenheid is van grote bedrijven zoals in paragraaf 18.3 zal blijken, tekenen in Nederland, Zweden en Zwitserland een handvol grote bedrijven voor de meerderheid van de R&D in die landen lijkt schaalgrootte van bedrijven een belangrijke factor te spelen bij de omvang van de nationale R&D. Doordat Philips relatief vroeg de vleugels over de grenzen uitsloeg, kon het doorgroeien tot een bedrijf van wereldformaat. Zonder die internationalisering zou Nederland niet zoveel grote industriële concerns een thuishaven hebben kunnen geven; wereldwijd is de werkgelegenheid bij de industriële top-vijf met een (gedeeld) Nederlands hoofdkantoor vergelijkbaar met de totale werkgelegenheid in de Nederlandse industrie.

Als gevolg van de toenemende mondialisering van de bedrijvigheid zijn landen steeds minder te beschouwen als geïsoleerde eenheden. Binnen Europa wordt dat proces versterkt door het vervagen van de binnengrenzen. Om na te kunnen gaan of en hoe de grootte van een land een rol speelt bij de R&D-uitgaven, is het van belang te kijken naar situaties in een ver verleden, toen elk land nog een min of meer afgesloten eenheid vormde. Anderzijds is het belangrijk zo recent mogelijke cijfers te gebruiken omdat de wereld op technologisch gebied de laatste decennia sterk is veranderd. Vanuit beide invalshoeken vormt het midden van de jaren tachtig een goede vergelijkingsperiode. Tot die tijd hield de toename van de grensoverschrijdende investeringen gelijke tred met de groei van de wereldhandel en van het totale BBP van de OESO-landen. Sindsdien zijn het BBP en de wereldhandel iets sterker gegroeid dan in de tien jaar daarvoor, maar spectaculair is de stijging van de grensoverschrijdende investeringen; een verdrievoudiging in de tweede helft van de jaren tachtig [C-AWT3, p. 11].

Nederlandse bedrijven investeerden in het verleden relatief veel in het buitenland en Nederland wist relatief veel buitenlandse investeerders aan te trekken. In beide gevallen heeft het Nederlandse bedrijfsleven aansluiting gehouden bij de spectaculaire toename van de grensoverschrijdende investeringen. Het feit dat Nederland voorop loopt bij zowel de wereldhandel als de directe binnenkomende en uitgaande buitenlandse investeringen gebieden waar internationale concurrentie een dominante rol speelt impliceert dat Nederland en het Nederlandse bedrijfsleven gemiddeld niet slecht kunnen presteren. Indien sprake zou zijn van slechte competitieve omstandigheden zou de export immers moeten dalen ten koste van meer competitieve bedrijven en landen. Ook zouden buitenlandse bedrijven ons land mijden en 'Nederlandse' bedrijven zouden in dat geval onvoldoende middelen hebben voor buitenlandse investeringen.

18.2 logaritmische logica

De positie van Zweden en Zwitserland met hun R&D-intensieve multinationals komt in de volgende paragraaf apart aan de orde. Deze twee landen buiten beschouwing latend, bestond de R&D top-5 in 1985 uit de grootste vijf industrielanden. Gemeten naar R&D-intensiteit was de volgorde: VS (2,9%), Duitsland (2,7%), Japan (2,6%), Frankrijk (2,3%) en het Verenigd Koninkrijk (2,3%) [C-OESO3].(46) Behalve de verwisseling van Duitsland en Japan komt deze ordening overeen met die van de omvang van het BBP. De onderlinge volgorde hangt enigszins af van het gekozen jaar in 1988 stond Duitsland voor de VS op de eerste plaats terwijl in 1981 het Verenigd Koninkrijk samen met Duitsland en de VS de lijst aanvoerde maar die verschillen kunnen ook illustreren dat de omvang van het BBP niet het enige criterium is voor de positie op de R&D-ranglijst. Het peloton volgende landen wordt aangevoerd door Nederland (2,1%), gevolgd door België (1,7%), Noorwegen, Finland (beide 1,6%), Canada (1,4%), Denemarken, Oostenrijk (beide 1,3%) en Italië (1,1%). Gezien de omvang zouden Canada en Italië twee G7-landen hoger moeten scoren. De extreem lage bevolkingsdichtheid zou Canada parten kunnen spelen; opvallend is in elk geval dat ook Australië zeer laag scoort op de R&D-ranglijst (ongeveer 1% in 1985). De uitzonderingspositie van Italië zou verband kunnen houden met het feit dat het maar voor de helft een industrieland is. Het zuiden hoort veeleer thuis in de rij Spanje, Portugal en Griekenland waar 0,3 tot 0,5% van het BBP in R&D is geïnvesteerd.

Er is dus iets voor te zeggen om naast Zweden en Zwitserland als uitschieters onder de kleine landen ook Canada en Italië buiten de vergelijking te houden. Dit betekent dat de vijf grootste industrielanden en de kleinere landen in West- en Noord-Europa overblijven voor een nadere vergelijking. Uit tabel 2 blijkt dat in de vijf grote landen in 1985 gemiddeld (gewogen) bijna 2,8% van het BBP aan R&D werd uitgegeven terwijl de vijf kleine landen op een gemiddelde van bijna 1,5% uitkwamen. In de grote landen zijn de relatieve R&D-uitgaven dus bijna tweemaal zo hoog als in de kleine. De positie van Nederland tussen deze twee groepen komt overeen met de omvang; het is een klein groot land en een groot klein land. Het feit dat binnen beide groepen de omvang van het BBP in hoge mate de plaats op de R&D-ranglijst bepaalt, is op zijn minst frappant. Deze relatie tussen BBP en R&D-intensiteit is zo frappant, dat ik een poging waagde tot een cijfermatige verkenning. Wat is in dergelijke gevallen logischer dan te beginnen met een logaritmische schaal?

Tabel 2: R&D en BBP (1985)

land % R&D BBP (*$109) log BBP (logBBP)/(%R&D)
VS 2,9 4000 3,6 1,24
Japan 2,8 1578 3,2 1,23
Duitsland 2,7 852 2,93 1,08
Frankrijk 2,3 710 2,85 1,23
VK 2,3 659 2,81 1,23
Nederland 2,1 175 2,24 1,07
België 1,7 117 2,07 1,21
Oostenrijk 1,3 92 196 1,51
Denemarken 1,3 65 1,81 1,39
Finland 1,6 58 1,76 1,1
Noorwegen 1,6 54 1,73 1,08

Bron: [C-OESO1]

Tot mijn stomme verbazing leverde die eerste poging een relatie op die in een eenvoudige formule is te vatten:
log(BBP) / (%R&D) = 1,15 0,1

waarbij het BBP in miljarden US-dollars is uitgedrukt. De marge van 0,1 is normaal gezien de nauwkeurigheid van de getallen, zelfs als geen rekening wordt gehouden met meetfouten. Alleen Oostenrijk en Denemarken vallen buiten deze marge; die landen deden iets te weinig R&D. De onderstaande afbeelding geeft de situatie grafisch weer.

Momenteel lijkt de gevonden formule veel minder te gelden. In de tweede helft van de jaren tachtig zijn de onderlinge verschillen kleiner geworden, waarbij enkele landen -- met name de Scandinavische -- zich tussen Nederland en het leidende vijftal wist te vestigen. Tegenover de sterke toename van de R&D in de kleine landen (van gemiddeld 1,5 in 1985 naar 1,7% in 1991) stond een lichte daling bij de grote (van 2,8 naar 2,7%). Rond 1990 daalde het R&D-percentage in de VS, Japan en vooral Duitsland.

Het feit dat de verschillen kleiner worden, zou kunnen betekenen dat de omvang van een land minder belangrijk wordt. Gezien de ontwikkelingen binnen Europa is dat geen onlogische veronderstelling. Maar belangrijker lijkt de mondialisering van de bedrijvigheid, en met name ook de spectaculair gestegen grensoverschrijdende investeringen. Naarmate bedrijven internationaler werken, zal het verband tussen bedrijvigheid en het BBP van het betrokken vestigingsland kleiner worden.

18.3 technologisch tweetal

In de vorige paragraaf zijn Zweden en Zwitserland buiten beschouwing gebleven. Nu wil ik deze landen nader beschouwen en vergelijken met Nederland. Uit Stemming 2 blijkt dat de bedrijfs-R&D in Nederland ongeveer gelijk is verdeeld over de 'grote vijf' en de rest van de bedrijven; 54% tegenover 46% [C-MERIT2]. Deze top-vijf verricht minder dan de helft van hun wereldwijde R&D in Nederland (38%). Tabel 1 in paragraaf 17.6 geeft een beeld van de investeringen van enkele grote multinationals.

In Zweden en Zwitserland leunen de totale R&D-uitgaven nog sterker op de nationale top-vijf. In Zwitserland tekenen vier bedrijven voor twee derde van de totale Zwitserse R&D. In Zweden nemen slechts zes bedrijven 70% van de nationale R&D voor hun rekening. Ook in deze landen speelt internationalisering van de R&D een belangrijke rol, maar niet zo sterk als in Nederland. Zwitserse bedrijven verrichten 56% van de R&D in eigen land terwijl dat aandeel in Zweden boven de 80% ligt.(47) Uit Zweeds onderzoek blijkt dat het laatste percentage sinds het midden van de jaren zestig behoorlijk constant is. Het gelijkblijvende aandeel voor de research in het eigen moederland heeft tot gevolg dat de R&D-top-tien een steeds groter deel van de totale Zweedse R&D verricht; in 1985 bedroeg het aandeel van de R&D-top-tien ongeveer 55% van de industriële R&D in Zweden [D-H1].

De 'Nederlandse' multinationals verrichten een relatief groot deel van hun R&D in het buitenland; ruim 62% tegenover 44% voor de Zwitserse en 20% voor de Zweedse. Ook als rekening wordt gehouden met de bi-nationaliteit van Nederlandse MNO's blijft dat beeld bestaan. Is het een teken van zwakte dat 'onze' multinationals zoveel R&D in het buitenland doen? Het lijkt mij niet; misschien is de vroeg ingezette internationale oriëntatie van Nederlandse multinationals wel een voordeel waar we de lage R&D-score graag op de koop bij toe zouden moeten nemen. De internationale spreiding lijkt niet los gezien te kunnen worden van de sectoren waarin de betrokken bedrijven opereren. Die indruk vloeit onder andere voort uit de EZ-studie over Zweden, waar grote verschillen naar voren komen in de verhouding tussen Zweedse en buitenlandse R&D [C-Carta]. De automobielfabrikanten Volvo en Saab-Scania doen ruim 95% van de R&D in Zweden, elektronica-concern Ericsson verricht ongeveer een derde van de R&D buiten Zweden terwijl Electrolux minder dan 20% van de R&D in eigen land verricht. Het bedrijfsprofiel van Philips houdt het midden tussen Electrolux en Ericsson zodat het niet verwonderlijk is dat Philips veel R&D verricht buiten Nederland. In veel bedrijfstakken wordt het steeds belangrijker om het onderzoek op de markt af te stemmen, maar de mate waarin dat nodig is, verschilt per sector. Voor voedingsmiddelen is fysieke spreiding van onderzoek belangrijker dan bijvoorbeeld voor de farmaceutische industrie, waar een koffer groot genoeg is om het hele assortiment aan monsters wereldwijd te tonen. Vanuit de markt beschouwd, hebben de Zwitserse R&D-giganten minder reden tot internationale spreiding van R&D dan de producenten van consumentenelektronica.

Van de afzonderlijke nationale R&D-top-5 komen alle Nederlandse en vier van de vijf Zweedse en Zwitserse bedrijven voor in de wereldtop-1000 van Business Week. In tabel 3 zijn gegevens van deze bedrijven samengevat. Alle Zweedse en Zwitserse bedrijven investeren meer dan 6% van de omzet in R&D, behalve het Zweedse Volvo dat op 3,9% uitkomt. Dat de vier Zweedse bedrijven op een totaal van 5% blijven steken, wordt verder veroorzaakt doordat het Zweeds/Zwitserse ABB naar verhouding meer R&D in Zwitserland doet dan in Zweden. Nemen we beide landen samen, dan bedraagt het gemiddelde R&D-percentage 7,5%, ongeveer twee en half maal zo veel als het gemiddelde van de Nederlandse R&D-top. Maar voor Nederland behoort dan ook alleen Philips maar tot de R&D-intensieve sectoren.



Tabel 3: R&D-uitgaven door R&D-top in drie kleine landen

BBP (mld US$) omzet R&D-top (mld US$) totaal R&D (mld US$) R&D als %van omzet % R&D in moederland
Nederland 328 144 4,5 3,1 38
Zwitserland 260 61 5,8 9,5 56
Zweden 195 50 2,5 5 80

Bron: Nederland: [C-MERIT2]. Zweden: [C-Carta]. Zwitserland: [C-IBB].

18.4 regionale research

In grotere landen zullen in de regel meer bedrijven de R&D-statistieken beïnvloeden, maar relatief gezien lijkt daar hetzelfde effect op te treden. De 300 grootste bedrijven van de wereld besteden gemiddeld 4,4% van hun omzet aan R&D, meer dan twee maal zoveel als het gemiddelde van alle bedrijven [E-PW]. De Zweedse bedrijven in die top-300 geven gemiddeld het meeste aan R&D uit: 7,3% van de omzet. Zwitserland staat in dit overzicht op de tweede plaats (6,3%) gevolgd door Nederland (5,3%), Japan (4,9%), Duitsland (4,3%), de VS (4,2%) en Frankrijk (4,0%). Alleen de grote Britse bedrijven (1,7%) steken niet boven het landelijk gemiddelde uit.

In dit overzicht scoort Nederland helemaal niet laag, maar daarbij rijst meteen de vraag of de bi-nationale bedrijven als Shell en Unilever zijn meegenomen; afgaande op eerdere vergelijkingen in Business Week is dit niet het geval [E-BW1]. Als Shell en Unilever volgens de gebruikelijke sleutel over Nederland en het Verenigd Koninkrijk worden verdeeld, leidt dat voor Nederland bijna tot een halvering van het bovengenoemde R&D-percentage. Uiteraard heeft dat schuifwerk geen invloed op de feitelijke technologische concurrentiekracht, maar het laat wel zien hoezeer het R&D-profiel van een land afhankelijk is van enkele bedrijven. Voor de grote landen wordt geen onderscheid gemaakt naar afzonderlijke regio's, terwijl dat voor een vergelijking met kleinere landen eigenlijk wel beter zou zijn. Hoezeer het economisch profiel binnen afzonderlijke landen per regio kan verschillen, blijkt uit een overzicht van het inkomen per hoofd van de bevolking in de Duitse deelstaten. Dit verschil beperkt zich niet tot de 'oude' en de 'nieuwe' deelstaten, maar strekt zich ook uit tot de vroegere Westduitse Länder. Het inkomen per hoofd van de bevolking is in Hamburg ongeveer twee maal zo hoog als in Noordrijn Westfalen, Baden Würtenberg en Rijnland Paltz [E-DM].De verschillen binnen Duitsland  die ongetwijfeld ook binnen andere grote landen bestaan  zullen zich niet beperken tot de economische welvaart. Voor de R&D lijken die ook te gelden, zij het dat de volgorde wel eens heel anders kan zijn; Hamburg is bepaald geen koploper op R&D-gebied. Hoezeer R&D-cijfers per deelstaat kunnen verschillen, blijkt uit de situatie in de VS. Gerelateerd aan het Bruto Nationaal(Staat)-inkomen, zijn de R&D-uitgaven in koploper New Mexico (9,2%) ruim 35 maal zo hoog als in hekkesluiters South Dakota (0,25%).(48) Er komen onder de arme staten zowel hoge als lage R&D-percentages voor, zoals de genoemde koploper en hekkesluiter die resp. op de zevende en achtste plaats in de armoe-top-10 staan. Ook onder rijke staten komen we zowel staten tegen met relatief hoge als met relatief lage R&D-uitgaven. Kortom, uit de statistieken voor de Amerikaanse staten kan ik geen relatie tussen R&D-percentage en het inkomen per hoofd van de bevolking ontwaren.



Tabel 4 : R&D uitgaven in de tien armste Amerikaanse staten

Staat

inwoners in miljoenen

BBP/inwoner (*1000 US$) R&D als %BBP
Montana 0,8 16,3 7,7
Mississippi 2,6 16,3 0,7
Arkansas 2,4 17,7 0,5
Idaho 1,0 17,8 5,6
West Virginia 1,8 17,9 0,7
Oklahoma 3,2 18,1 1,1
South Dakota 0,7 18,3 0,3
New Mexico 1,5 18,5 9,2
Utah 1,7 18,6 2,1
Alabama 4,0 18,9 2,0



Tabel 5 : R&D uitgaven in de tien rijkste Amerikaanse staten

Staat inwoners in miljoenen BBP/inwoner (*1000 US$) R&D als %BBP
Alaska 6,0 40,4 0,7
New York 11,8 39,6 2,2
Connecticut 3,3 28,3 2,0
New Jersey 7,7 28,1 4,1
Wyoming 5,0 27,6 0,3
Nevada 1,2 27,5 0,8
Hawaï 1,1 27,0 0,5
Californië 29,7 25,8 3,7
Delaware 0,7 25,0 5,8
Massachusetts 6,0 24,5 5,9

18.5 voorlopend vijftal

De volgorde op de R&D-ladder wordt in hoge mate bepaald door de aanwezigheid van grote bedrijven en grote overheidslaboratoria. Dat geldt voor de kleinere Europese landen en het lijkt in nog sterkere mate voor de VS te gelden. Voor de VS als geheel lijken de lokale factoren niet zo'n grote rol te spelen als voor kleine landen en afzonderlijke regio's; als Los Alamos niet geschikt zou zijn geweest voor de aldaar gevestigde onderzoeksfaciliteiten zou ongetwijfeld gekozen zijn voor een andere staat dan New Mexico. Dit betekent dat verschillen tussen afzonderlijke regio's binnen grote landen vaker tegen elkaar wegvallen dan in kleine landen. De verschillen binnen de VS maken echter wel duidelijk hoe moeilijk het is om kleine en grote landen met elkaar te vergelijken op R&D-gebied. Toch wordt die moeilijkheid genegeerd. Dat geldt zeker voor de EZ-nota's waarin figuren zijn verwerkt van MERIT die voor de afzonderlijke industriële sectoren het verschil in R&D-intensiteit tussen Nederland en de vergelijkingslanden in kaart brengen. Alleen al de vormgeving van de figuur hiernaast illustreert de obsessie voor hoge R&D-uitgaven.Je kunt bij het aanschouwen van deze MERIT-figuur bijna niet anders dan concluderen dat Nederland achterstaat. Dat sprake is van lagere uitgaven in vergelijking met andere landen is duidelijk -- in het volgende hoofdstuk ga ik nader in op die achterstand -- maar zo scherp als de MERIT-figuur dat naar voren brengt, is het ook weer niet. Klik op figuur voor vergroting en toelichting

Het beeld wordt anders als we niet de absolute maar de relatieve verschillen weergeven; in de vliegtuigbouw heeft een verandering van 1% nauwelijks effect terwijl het in de voedingsmiddelensector een wereld van verschil uitmaakt. Hiermee leggen de MERIT-onderzoekers een zeer bijzondere vorm van eendimensionaal denken aan de dag; ze suggereren dat 11%-10% op hetzelfde neerkomt als 2%-1%. Het absolute verschil is inderdaad in beide gevallen gelijk, maar dat geldt niet voor de relatieve verschillen; bij de hoge score is het relatieve verschil 10% en bij de lage score is dat verschil 50%. De scores van 11% en 10% in een R&D-intensieve sector verhouden zich onderling zoals 1,1% en 1% in een R&D-extensieve sector. In de 'genormeerde' afbeelding op pagina 236 beschouw ik de relatieve R&D-intensiteit binnen Nederland en de vijf grote industrielanden.(49) Die beschouwing is per sector mogelijk, zoals ook in de MERIT-figuur gebeurt. Ter wille van de overzichtelijkheid heb ik de sectoren gegroepeerd naar R&D-intensiteit. Zo gepresenteerd, ontstaat een ander beeld.(50) Nederland geeft relatief weinig uit in de R&D-intensieve sectoren en relatief veel in de R&D-extensieve delen, zoals dat in nog sterkere mate geldt voor Japan.

Het feit dat de zo gevreesde Japanse high tech sector relatief weinig in R&D investeert, komt ook in de bedrijfsoverzichten tot uiting; er komen nagenoeg geen Japanse ondernemingen voor in de R&D-top-10 van de afzonderlijke R&D-intensieve sectoren. In de sectoren met relatief lage R&D-uitgaven voeren Japanse bedrijven daarentegen de hitlijsten aan. Zo bestaat de complete R&D-top-5 in de metaalsector uit Japanse bedrijven. In die sectoren kunnen Europese en Amerikaanse bedrijven van Japan afkijken, zoals Japanse bedrijven bij de westerse concurrenten hebben afgekeken in de R&D-intensieve sectoren.

In zijn advies over technologie en economische structuur opperde de AWT om gebruik te maken van de Japanse technologische voorsprong op het gebied van het ondergronds bouwen bij de verdere ontwikkeling van de infrastructuur [C-AWT4, p. 50]. Uit een latere reactie van staatssecretaris Tommel naar aanleiding van een bezoek aan Japan lijkt dat geen loze optie; als de in Japan ontwikkelde technologie beter bekend zou zijn geweest, zou het besluitvormingsproces over de Betuwelijn anders zijn verlopen. Volgens het Technisch Weekblad zou Tommel het mislopen van Japanse kennis van de boortechniek betreuren en zou met het afketsen van de Betuwetunnel een enorme kans zijn gemist [E-TW]. Tommel lijkt hiermee te betogen dat in plaats van hier zelf het wiel uit te vinden, besloten had kunnen worden tot een alliantie met Japanse bedrijven die bewezen hebben de benodigde technieken al onder de knie te hebben. Volgende keer beter?

In zijn advies over de kennisrelatie met Oost-Azië borduurt de AWT verder op de achtergronden van de technologische voorsprong van Japanse bedrijven in de bouwsector. Geconstateerd wordt dat de betrokken Nederlandse bedrijven wel degelijk op de hoogte zijn van de relevante Japanse technologie. Dat zij die zelf niet op een vergelijkbare manier in praktijk brengen, vloeit voort uit de organisatie van de bouwwereld. In Japan worden langdurige contracten afgesloten en zijn hoge marges gebruikelijk, terwijl in Nederland de ontwikkelingskosten op de (korte) projecten afgeschreven moet worden [C-AWT6, p. 54]. Ook bij deze nadere verkenning van de situatie in de bouwsector blijkt dat een technologische voorsprong verband houdt met de situatie in een bepaalde sector. Japanse aannemers zouden op termijn hun marktaandeel verliezen als ze hun uitgaven voor R&D zouden halveren terwijl de Nederlandse aannemers hun marges niet kunnen halen als ze de R&D zouden opschroeven.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grote bedrijven in Nederland op R&D-gebied niet achterlopen bij hun buitenlandse concurrenten; er is hoogstens sprake van een verschil in gekozen positie als technologieleider of -volger. Of die conclusie ook geldt voor kleinere, meer op de nationale markt gerichte bedrijven valt moeilijk uit algemene cijfers af te leiden. Daarvoor is het aandeel van deze groep bedrijven in de totale R&D-uitgaven te klein. Dat geldt temeer daar de R&D-cijfers van kleine bedrijven minder betrouwbaar lijken dan die van grote. In een enquête van Kleinknecht komen voor kleine bedrijven R&D-cijfers naar voren die viermaal zo hoog liggen als de officiële statistieken van het CBS [B-K1]. In hoofdstuk 22 ga ik nader in op mogelijke oorzaken van die verschillen.

In later onderzoek heeft Kleinknecht zijn eigen methodiek gebruikt voor een analyse in meerdere landen [B-K2]. Uitgesplitst naar bedrijfsgrootte en sector worden de R&D-inspanningen van bedrijven in zes landen vergeleken; Nederland, Noorwegen, Denemarken, Ierland, Oostenrijk en Duitsland. Kleinknecht komt tot de conclusie dat het Nederlandse MKB minder in R&D investeert, hetgeen er toe leidt dat Nederlandse bedrijven een achterstand hebben bij de invoering van echte innovaties (nieuw voor de bedrijfstak) en redelijk in de pas lopen bij het overnemen van elders ontwikkelde innovaties. Vergeleken met de omringende landen lijkt het Nederlandse MKB dus minder technologie-leidend en meer technologie-volgend te zijn.

Ik wil verder niet uitvoerig stil staan bij deze beschouwing, aangezien de R&D-inspanningen van het MKB weinig invloed hebben op de totale R&D-uitgaven in een land. Bovendien zitten nog zoveel open einden in het aangehaalde onderzoek, dat het eerder als een eerste verkenning dan als een definitieve conclusie beschouwd moet worden. In de eerste plaats wijkt de keuze van vergelijkingslanden af van de vaak gebruikte, zodat het moeilijk is de gegevens naast ander onderzoek te leggen. Bovendien ontbreekt voor twee landen (Oostenrijk en Ierland) in de helft van de gevallen het cijfermateriaal of zijn de gegevens volgens de auteur onbetrouwbaar.

18.6 aziatische achtervolgers

Veel grote R&D-investerende bedrijven zijn, mondiaal gezien, te vinden in de automobielsector en in de elektronica, twee sectoren waar de opkomende Aziatische industrielanden relatief sterk van zich doen gelden. Dat de Amerikaanse autofabrikanten terrein aan hun Japanse concurrenten hebben verloren, wordt in de VS mede in verband gebracht met de geslotenheid van de Japanse markt. Maar zolang de Amerikanen geen auto's maken voor links rijdende landen als het Verenigd Koninkrijk en Japan, mogen geen grote exportresultaten verwacht worden; General Motors heeft geen enkel model met een stuur aan de rechterzijde terwijl Ford en Chrysler dat maar in één model kunnen aanbieden [E-Econ1]. Dat de opkomst van Japanse autofabrikanten zeker niet alleen aan oneerlijke marktafscherming ligt, blijkt uit de prestaties van Amerikaanse dochters van Japanse automobielconcerns; deze dochters exporteren meer auto's uit de VS dan de Amerikaanse moederbedrijven [D-N1]. De opkomst van Japanse autofabrikanten is overigens ook in Europa zichtbaar, zij het nog niet zo sterk als in de VS. Voor Japan vormt het Verenigd Koninkrijk het belangrijkste produktieland binnen de EU en in 1993 passeerde de Britse dochter van Nissan het door BMW overgenomen Rover als grootste exporteur van auto's [D-G3].

Dat de opkomst in de R&D-intensieve sectoren van de industrie Azië-breed lijkt te zijn, zou afgeleid kunnen worden uit de exportcijfers in de elektronica-sector. In 1988 bedroeg de exportwaarde van elektronica voor de Newly Industrialised Countries (de NIC's, dit zijn Hongkong, Zuid-Korea, Singapore en Taiwan) meer dan US$ vijftig miljard, waarmee ze de totale exportwaarde van de VS al overtroffen [A-H4]. Gerelateerd aan de totale exportwaarde van industriële goederen springt de elektronica ook in het oog; voor de NIC's, maar ook voor Japan, lag het aandeel van de elektronica boven de 20%, terwijl dat aandeel voor de VS en de Europese G7-landen beneden de 20% lag.(51) De opkomende landen in Zuidoost-Azië volgen dat beeld; voor Maleisië heeft bijna 50% van de exportwaarde van industriële produkten betrekking op elektronica en voor de Filipijnen is dat 30%. De aangehaalde cijfers zijn betrekkelijk oud, maar het beeld dat ze weerspiegelen, houdt ook voor latere jaren stand. De ontwikkeling van de elektronica-export laat voor Zuid-Korea van 1970 tot 1990 een gestage groei zien, zowel absoluut (van US$ 29 miljoen in 1970 via US$ 2 miljard in 1980 naar US$ 20 miljard in 1991) als relatief (van 3,5% van de totale Zuidkoreaanse export in 1970 via 11% in 1980 naar 28% in 1991).

Uit deze cijfers mag overigens niet worden geconcludeerd dat het in de betrokken landen zonder meer om hoogwaardige werkgelegenheid gaat. Vaak betreft het produktie van componenten of assemblage van produkten, waarbij de mogelijkheden van 'lage-lonen-landen' maximaal worden benut. Na verloop van tijd kan het aandeel in hoogwaardige produkten evenwel toenemen, zoals de ontwikkeling van Japan, maar ook van Zuid-Korea, leert. Deze ontwikkeling komt ook tot uiting in de toename van de R&D-uitgaven; in de periode 1981-1990 kende Taiwan bijna een verdubbeling van die uitgaven als percentage van het BBP, van 0,93 naar 1,65%, en Korea liet in die tijd zelfs een verdrievoudiging zien, van 0,64 naar 1,91%. In Singapore was bijna van een verviervoudiging sprake, van 0,3 naar 1,1% [D-O1].

Deze uitgaven komen echter voor een deel voor rekening van Europese, Amerikaanse en Japanse bedrijven. Dat geldt met name voor Singapore, waar bijna 80% van de industriële omzet en tweederde van de R&D-uitgaven afkomstig zijn van dochters van buitenlandse moederbedrijven. In de elektronica nemen de buitenlandse bedrijven zelfs 92% van de omzet en 70% van de R&D voor hun rekening [C-SIN]. In Zuid-Korea spelen buitenlandse bedrijven een relatief kleine rol, terwijl Taiwan in dit opzicht min of meer een middenpositie inneemt. Binnen de Taiwanese elektronicasector is Philips met 5300 arbeidsplaatsen de grootste particuliere onderneming. Op de derde plaats komt het Japanse Sanyo (3400 lokale medewerkers) gevolgd door het Amerikaanse RCA (2600 lokale medewerkers). Het Taiwanese ACER staat hiertussen op de tweede plaats. Dit bedrijf is in 1976 gestart met 11 ingenieurs en tegen het eind van de jaren tachtig was het uitgegroeid tot een onderneming met 4000 medewerkers.

De verschillen tussen Singapore, Taiwan en Zuid-Korea met betrekking tot de verhouding tussen nationale en buitenlandse bedrijven geven ook een verklaring voor de posities op R&D-gebied. Uit de genoemde R&D-cijfers voor de NIC's blijkt dat Zuid-Korea thans het hoogste R&D-percentage heeft, dat Taiwan een middenpositie inneemt en dat Singapore onderaan staat. Deze afwijkingen vloeien niet voort uit het verschil in omvang of structuur van de industrie, en ook niet uit het verschil in ontwikkelingsfase; Singapore heeft van dit drietal namelijk veruit het hoogste inkomen per hoofd van de bevolking. De verschillen vormen veeleer een illustratie van het feit dat R&D als regel niet voorop loopt bij grensoverschrijdende activiteiten; ACER verricht de meeste R&D in Taiwan terwijl Philips-Taiwan voor onderzoek nog relatief sterk leunt op laboratoria buiten Taiwan [A-H4]. Voor Singapore is het aandeel van buitenlandse bedrijven in de industrie nog groter, en daarmee de omvang van de R&D-uitgaven kleiner. Naarmate een lokale vestiging zich ontwikkelt en groeit, zal ook de behoefte aan lokale R&D toenemen. In de Aziatische Philipsvestigingen werken nu al meer mensen dan in Nederland, en verwacht mag worden dat het relatieve belang van Nederland en Europa voor Philips steeds kleiner wordt. De hoge groeicijfers van het Aziatische deel van Philips wijzen in die richting. Dit betekent dat de kans groot is dat westerse bedrijven na de produktie ook een deel van de toekomstige behoefte aan R&D in Oost-Azië zullen verrichten. Bij Philips lijkt die ontwikkeling nu al gaande te zijn; een week nadat NRC meldde dat Philips de kennisbasis in Singapore versterkte [E-NRC1], volgde de aankondiging dat Philips de omvang van het NatLab in Eindhoven zal inkrimpen [E-NRC2].

18.7 vergeten verschillen

Zoals is opgemerkt, scoort Nederland lager op de R&D-ranglijst dan Zwitserland en Zweden. Deze 'achterstand' heeft twee belangrijke achtergronden; de grootste 'Nederlandse' industriële ondernemingen bevinden zich in minder R&D-intensieve sectoren en ze spreiden de R&D meer over de wereld. Als ze in deze opzichten niet zouden verschillen, zouden ook de R&D-statistieken niet meer afwijken. Indien de Nederlandse top-5 in even R&D-intensieve sectoren zou voorkomen als de Zwitserse en Zweedse, zou het R&D-percentage in Nederland namelijk met 0,5% toenemen. En als ze even 'trouw' zouden zijn aan het moederland als de Zweedse bedrijven, zou de bedrijfs-R&D in Nederland 60% hoger liggen. En als beide factoren zouden optreden, zou de bedrijfs-R&D boven de 2,4% van het BBP liggen. Aan als heb je niets, maar het gaat mij ook niet om het schetsen van een ideaal, maar om de vraag of de betrokken bedrijven dan beter zouden presteren.

Dat nauwelijks of geen rekening wordt gehouden met de specifieke bedrijfsstructuur van landen  dat geldt in het bijzonder voor kleinere landen, zoals uit de beschouwing over Zweden en Zwitserland blijkt  acht ik een grote tekortkoming van de samenstellers van R&D-statistieken. Die omissie is vooral ernstig omdat deze 'wetenschappelijke' statistieken als basis dienen voor conclusies over de technologische en economische concurrentiepositie van landen. En die conclusies vormen weer een belangrijk fundament voor het overheidsbeleid.

Ook het feit dat in de R&D-statistieken geen rekening wordt gehouden met de omvang van landen  de grootte van het BBP lijkt een zeer belangrijk kengetal voor de relatieve omvang van R&D-uitgaven van het betrokken land  is niet bepaald een teken van sterkte. Uit de constatering dat er in het midden van de jaren tachtig voor de meeste landen een tamelijk rechtlijnig verband bestond tussen BBP en R&D-uitgaven wil ik niet concluderen dat hiermee een formule is gevonden waarmee de positie op de R&D-ranglijst berekend kan worden. Maar op basis van de gevonden relatie kan wel sterk worden getwijfeld aan de waarde van de R&D-statistieken voor het technologie-beleid.

Ook het negeren van verschil in mondialisering van de R&D is een grote tekortkoming van nationale R&D-statistieken. Die mondialisering neemt wereldwijd grote vormen aan. In 1982 voerden Amerikaanse bedrijven in de industriële wereldtop 26% van de produktie in het buitenland uit terwijl slechts 9% van de R&D-uitgaven in het buitenland terechtkwam. Van de leidende Europese multinationals lagen die percentages dichter bij elkaar; 37% voor de produktie en 23% voor de R&D [D-D9]. Sindsdien is de omvang van de 'buitenlandse' R&D relatief sterk toegenomen. De National Science Foundation heeft het uitgavenpatroon van 23.000 Amerikaanse bedrijven in kaart gebracht. Geconcludeerd wordt dat de binnenlandse R&D-uitgaven in de periode 1985-1991 stagneerden terwijl de R&D-uitgaven in het buitenland zouden zijn vernegenvoudigd [D-S1]. Deze groeiende stroom van overzeese R&D-uitgaven komt grotendeels in de geïndustrialiseerde wereld terecht. Ook in Europa. In België zou het R&D-percentage voor Amerikaanse dochters zelfs boven dat van Belgische moederbedrijven liggen [D-D9]. De toenemende internationalisering van de R&D speelt ook een rol bij multinationals uit de grote Europese landen. Het Duitse chemieconcern Hoechst verrichtte in 1970 nog 95% van de R&D in de Bondsrepubliek, een percentage dat sindsdien gestaag daalde tot ongeveer 60% aan het eind van de jaren tachtig [D-S22]. Absoluut gezien zijn de R&D-uitgaven in de Bondsrepubliek nog wel gestegen, maar vanaf 1985 is voor de binnenlandse R&D sprake van een daling als percentage van het BBP, zoals in paragraaf 18.2 reeds is opgemerkt. Die daling wordt veroorzaakt door een afname van de bedrijfs-R&D, van 2,07% in 1989 naar 1,5% in 1995 [E-WWP1]. Het Duitse aandeel van de R&D is bij Hoechst inmiddels teruggelopen tot ongeveer de helft en ook bij Siemens, de grootste Europese R&D-investeerder, verschuift het zwaartepunt in toenemende mate naar het buitenland; de buitenlandse R&D is in de periode 1989-1993 met 60% toegenomen. De mondialisering is nog lang niet zo ver als bij Philips, maar dat zou een kwestie van tijd kunnen zijn, want "het hart van Siemens klopt steeds minder Duits" zoals een Vlaamse journalist opmerkte [D-L9]. Deze ontwikkeling moet gevolgen hebben voor de buitenlandse R&D, zoals dat ook het geval is voor Hoechst en de Amerikaanse bedrijven. Maar die ontwikkeling blijft voor de statistieken verborgen, ook al omdat voor de VS de groei van uitgaande R&D-uitgaven wordt geneutraliseerd door de groei van binnenkomende buitenlandse R&D-uitgaven [D-B8]. Maar het feit dat de som voor de VS nul is, betekent niet dat grensoverschrijdende R&D-uitgaven buiten beschouwing kunnen blijven. Dat geldt zeker voor kleinere landen in Europa, zoals uit de vergelijking tussen Nederland en het technologisch tweetal bleek. Hiermee is niet gezegd dat Nederland geen gevaar heeft te duchten van de internationalisering -- het feit dat Nederland de teruggang in R&D bij 'haar' multinationals niet weet te compenseren terwijl de VS en naar het lijkt ook Duitsland daar wel in slagen, zou best een teken van zwakte kunnen zijn -- maar wel dat de huidige statistieken daarover geen uitsluitsel geven doordat ze die ontwikkeling niet of hoogstens primitief in kaart brengen.

In de meeste statistieken worden de R&D-uitgaven vergeleken met de omzet. Maar je kunt ook een vergelijking maken met de toegevoegde waarde. In de procesindustrie gaat het om gigantische omzetten en een klein percentage daarvan impliceert veel geld. Een van de sporadische vergelijkingen op basis van toegevoegde waarde laat zien dat Nederland gedurende de jaren zeventig en tachtig binnen de OESO steeds op de derde of vierde plaats stond, als regel achter de VS en Zweden en steeds voor Duitsland en Japan [C-OESO2].

In de sectorvergelijkingen betrof het R&D-uitgaven in de private sector; het ging om de R&D-uitgaven in de betrokken sector als percentage van de produktiewaarde in die sector. In dit geval lijken de private R&D-uitgaven inderdaad het meest geschikte vergelijkingspunt. Voor een volledig beeld moet echter ook rekening worden gehouden met het aandeel in de publieke sector. Voor Nederland is dat vooral TNO, dat mede met steun van de overheid onderzoek doet dat in andere landen wellicht volledig voor rekening van de bedrijven komt. Hierdoor kunnen van land tot land verschillen ontstaan. Die verschillen lijken moeilijk kwantificeerbaar, zodat ik er begrip voor heb dat ze in de vergelijkingen niet meegenomen zijn. Bovendien verwacht ik dat de hiermee verband houdende aanpassingen in het niet vallen bij de correcties die voortvloeien uit de verschillen in strategieën van de grote multinationals bij de mondialisering.

Door de (toevallige?) aanwezigheid van enkele multinationals die de maat van het moederland zijn ontgroeid, kunnen Zweden, Zwitserland en in mindere mate ook Nederland zich (enigszins) meten met de grote landen wat betreft het aantal grote bedrijven en de daarmee verband houdende R&D-intensiteit. Denemarken, België, Oostenrijk, Noorwegen missen dat geluk en worden daardoor 'gestraft' met een laag R&D-cijfer. Niet dat het hun economisch nadeel berokkent; Denemarken baarde in 1993 bijvoorbeeld opzien met een derde plaats op de concurrentie-ranglijst van de OESO-landen. Misschien doen kleinere Deense bedrijven wel relatief veel aan R&D doordat er geen grote ondernemingen zijn die de ingenieurs voor hun neus wegsnoepen. Hoe hoog zijn de R&D-uitgaven in de kleine landen als de R&D-top-vijf steeds buiten beschouwing blijft? Met andere woorden, wat is de R&D-intensiteit van het middelgrote en kleinbedrijf ? Niet dat dit relevante vragen zijn voor de bepaling van de concurrentiekracht, maar ze kunnen eigenlijk niet onbeantwoord blijven bij de beschouwing van R&D-statistieken van landen.(52) Het is toch op zijn minst zorgwekkend dat deze vragen niet of nauwelijks doorklinken in beleidsmatige en wetenschappelijke analyses, terwijl uit de gemaakte analyses wel wordt geconcludeerd dat sprake is van een zorgwekkende achterstand op technologisch gebied. Kan het eendimensionaler?

Noten

46. De gegevens hebben betrekking op 1992 en zijn ontleend aan de STIU database van mei 1994. De percentages zijn inclusief uitgaven voor defensie.

47. Gegevens over de R&D-uitgaven zijn ontleend aan de EZ-studies over de R&D-top in Zwitserland en Zweden; Corporate R&D, Switserland Report [C-IBB] en Corporate R&D in Sweden [C-Carta]. De cijfers over Nederland zijn ontleend aan Stemming 2 [C-MERIT2].

48. Voor de helft van de Amerikaanse staten ligt het R&D-percentage boven 2%. Van de staten met een 'BBP' boven 200 miljard US dollar hebben Californië (3,7%) en Pennsylvania (3,1%) relatief hoge R&D-uitgaven terwijl Texas (1,7%) en Florida (1,5%) relatief laag scoren op de R&D-ladder. Massachusetts (5,8%), Maryland (5,5%) en Michigan (4,7%) zijn middelgrote staten ('BBP" van 100-200 miljard US dollar) met hoge R&D-percentages terwijl Georgia (1%) Tennessee (1,1%) en Wisconsin (1,5%) relatief laag scoren. [C-NSF, p. 339].

49. Figuur is ontleend aan AWT-advies nr. 16 [C-AWT4, p. 50). De gegevens over de relatieve omvang van sectoren zijn ontleend aan Stemming 1 [C-MERIT1].

50. In Stemming 3 is MERIT overigens ook overgestapt op een relatieve schaal [C- MERIT3]. Daarbij worden meer factoren dan alleen R&D meegenomen. Ook in deze schets overheerst de achterstand doordat er relatief veel sectoren zijn waarin de R&D in Nederland beneden het gemiddelde in die sector ligt. De weinige sectoren waarin Nederland relatief veel aan R&D doet, zijn overigens wel de grootste. Ze omvatten de helft van de Nederlandse industrie. Met andere woorden, in de helft van de industrie doen Nederlandse bedrijven relatief veel aan R&D en in de andere helft wordt relatief weinig aan R&D uitgegeven.

51. Singapore 45%, Japan 28%, Hongkong en Zuid-Korea 24%, Taiwan 21%, VS 19%, het Verenigd Koninkrijk 15%, Duitsland 9% en Italië 6%.

52. Het eerder aangehaalde onderzoek van Kleinknecht vormt een eerste poging aan deze omissie tegemoet te komen [B-K2]. In dit onderzoek ontbreekt overigens de relatie tussen innovatie en winstgevendheid, zodat het geen geschikt materiaal is voor een analyse over de werkelijke betekenis van R&D en innovatie voor het MKB..