19 Substantiële Sectoren


de passages tussen [..] zijn literatuurverwijzingen.

Kruiwagens vol regelgeving, overbodige regels of erger wel te verstaan. Om tot minder regels te komen, stelt voorzitter Kamminga van het Midden- en Kleinbedrijf voor om de invoering van elke nieuwe wet gepaard te laten gaan met de afschaffing van twee bestaande. Het is 24 maart 1994 en minister Andriessen is het glunderend middelpunt van het nationale economie debat. Met de verkiezingen binnen handbereik loopt industrieel Nederland voor het oog van tv-camera's te hoop tegen de hoge lasten en dichte regelgeving. Om internationaal te kunnen blijven concurreren, zouden de lasten (belastingen) omlaag en de lusten (technologiesteun) omhoog moeten. Als goede leerlingen van Van Kooten en De Bie wisten verschillende voordrachtskunstenaars beide boodschappen in één betoog te verenigen; geen gezijk, iedereen rijk.

Het leek een feest waar men dronken werd van luchtkastelen. Het paarse kabinet dat uit de verkiezingen zou rollen, bleek gevoelig voor de wens tot verdunning van de regelgeving. Als eerste grote aanzet daartoe kan de winkelsluitingswet worden gezien. Weg met de regels die ondernemers voorschrijven op welke tijd van de dag hun bedrijf mogen mag. Deze versoepeling van de regelgeving ondervond veel weerstand en Kamminga zou zich ontpoppen tot een van de belangrijkste woordvoerders ervan. Terugkerend in de nuchtere werkelijkheid bleek hij zijn benevelde betoog vergeten te zijn en de afschaffing van de winkelsluitingswet als een bedreiging voor de detailhandel te zien.

19.1 tere technologie

De statistieken leken ten tijde van het nationale economie-debat aan te tonen dat Nederland achterop raakt bij de internationale concurrentie. Het was de tijd waarin enkele in het oog springende technologische 'kroonjuwelen' op de rand van de afgrond balanceerden. In 1992 groeiden Fokker en DAF uit tot symbolen van het barre economische klimaat. Gevoegd bij de toen heersende problemen van Philips en Hoogovens leek de totale Nederlandse industrie ten dode opgeschreven.

Dat niet alleen de lobbyisten uit de industrie Nederland zien afdrijven naar de economische afgrond, wordt geïllustreerd door het reeds meermalen genoemde MERIT. Deze denktank van EZ vindt dat vooral in een tijdperk waarin de bedrijfs-R&D in toenemende mate onderhevig is aan globaliseringstendensen een goede nationale R&D-infrastructuur van belang is. Door die infrastructuur op peil te houden, zou de overheid bedrijfs-R&D kunnen aantrekken of behouden, en daarmee economische uitstralingseffecten creëren [C-MERIT2, p. 7]. Dit niets verhullende advies paren de onderzoekers aan de constatering dat tegenover de daling van de R&D-uitgaven van de grote 'vijf' in Nederland sinds 1987 (ongeveer 1 miljard tot en met 1993) tussen 1987 en 1989 een toename staat van hun R&D-uitgaven in het buitenland (ongeveer 0,7 miljard tot en met 1993). Volgens MERIT lijkt deze tendens van minder in Nederland en meer in het buitenland "een eerste indicatie te zijn dat de Nederlandse R&D-omgeving in ieder geval niet bijzonder stimulerend heeft gewerkt in vergelijking met het buitenland, waardoor multinationale ondernemingen geneigd zijn hun onderzoek te verplaatsen" [C-MERIT2, p. 41].

Het klinkt op het eerste gezicht tamelijk overtuigend. Het gaat slecht met de grote Nederlandse industriële bedrijven, zij doen steeds minder R&D en/of verplaatsen dit werk in toenemende mate naar het buitenland. Maar dat is slechts de halve waarheid, of zelfs dat nog niet. Dat ten tijde van het nationale economie-debat 'Nederlandse' bedrijven op grote schaal buitenlandse bedrijven overnamen en dat enkele grote buitenlandse investeerders voor Nederland kozen, ontsnapte aan de aandacht. Van de pers valt dat nog te begrijpen, de ontwikkelingen bij Fokker waren vanwege hun dramatiek -- alleen al het vertrek van de topmanagers-- interessanter dan een kille beslissing tot een nieuwe investering. De kroketten van cafetaria de Vrijbuiter kregen meer aandacht in de pers dan het voornemen van Eastman Kodak tot een miljardeninvestering bij Rotterdam. Maar iets minder zwartgalligheid had de Nederlandse journalistiek niet misstaan. Ik heb in elk geval in de landelijke pers het bericht gemist dat ik bij toeval op een regionaal radiostation hoorde; enkele maanden na de sluiting van DAF zou de meerderheid -- of zelfs twee derde -- van de ontslagen DAF-werknemers al weer werk gevonden hebben. Indirect werd dat gegeven op grotere schaal bekend toen het uit de as verrezen nieuwe DAF bekend maakte dat er onvoldoende werkloze ex-werknemers waren om te kunnen voorzien in de nieuwe vacatures.(53)

Dat de pers sterk gericht is op rampen --over de Derde Wereld horen we ook alleen maar over honger en geweld-- is nog tot daar aan toe, maar dat een minister het vuur onder die beeldvorming aanwakkert, is bedenkelijker. Goed, het ging slecht met een aantal bedrijven, maar gold dat voor de gehele economie?(54) Netto bleken en blijken Nederlandse ondernemingen meer buitenlandse bedrijven over te nemen dan er Nederlandse bedrijven in buitenlandse handen overgaan. Dat geldt zeker ook voor de economische waarde; de uitgaande directe buitenlandse investeringen zijn sinds jaar en dag groter dan de binnenkomende, een kapitaalvlucht die mede mogelijk wordt gemaakt door het kapitaaloverschot op de handelsbalans. Unilever, Heineken, Ahold, KPN en vele anderen zijn zeer actief in hun buitenlandse expansie.

19.2 koperen kroonjuwelen

"Eerst de textiel. Toen de scheepsbouw. Nu gaat het om onze vliegtuigindustrie. We hebben onze mond vol over hoogwaardige werkgelegenheid. We moeten het van onze kennis hebben... Fokker moet blijven. Fokker verdient steun. Het gaat om onze industrie. De kurk van onze welvaart". Deze tekst schoof minder dan twee jaar na het nationaal technologiedebat door de Nederlandse brievenbussen. Philips maakte inmiddels recordwinsten, DAF was in aangepaste vorm weer concurrerend, Hoogovens was op het pad van de overnames geslagen, NedCar kon de vraag niet aan. Van de noodlijdende bedrijven ten tijde van het economiedebat leek alleen Fokker het niet te redden. Door het Oranjegevoel te kietelen probeerde het Fokker-personeel in een gevleugelde actie de publieke opinie op de hand te krijgen. Hoeveel bedrijven hebben de gemoederen in Nederland zo lang en zo diepgaand beziggehouden als Fokker? De vliegtuigbouwer is uitgegroeid tot het symbool van de teloorgang van de Nederlandse industrie en daarmee van de gehele Nederlandse economie. Met de ondergang van Fokker dreigt de kurk van de welvaartsfles te springen en ontsnapt het spook dat de economische ondergang van de lage landen zal inluiden. Dalende R&D-uitgaven en het dalende inkomen per hoofd van de bevolking, het lijken allemaal ontwikkelingen die dat beeld bevestigen.

Wat is de overeenkomst tussen de in liquiditeitsproblemen verkerende bedrijven uit 1994? Dat is niet zozeer het Nederlandse hoofdkantoor alswel het profiel van de produktie. Als de bankrekening rood is gekleurd, zullen particulieren de aanschaf van een auto uitstellen en bedrijven zullen datzelfde doen met investeringen in nieuwe vrachtwagens en vliegtuigen. Dit betekent dat NedCar, DAF en Fokker als producenten van die goederen afzetproblemen krijgen, en datzelfde geldt voor toeleveranciers van dergelijke bedrijven, zoals Hoogovens. Na het aantrekken van de wereldeconomie klommen de meeste bedrijven uit het dal, met uitzondering van Fokker. Hoe het met Fokker staat op het moment dat u dit leest, valt bijna niet te voorspellen. Nadat het doek definitief gevallen leek te zijn, kwamen er serieuze kandidaten voor overname en nadat die afhaakten, gaf het Koreaanse Samsung weer hoop. Of Fokker blijft bestaan of niet is voor de betrokken werknemers van groot belang, maar vanuit nationale optiek is dat minder relevant. Zonder de ondergang en de daarmee verband houdende opkomst van bedrijven zou de dynamiek uit de economie verdwijnen. Zoals in het tweede deel is betoogd, vormt juist die dynamiek de motor die de economie op langere termijn draaiende moet houden.

19.3 verschuivende verdiensten

De toonzetting van veel discussies tijdens de stuiptrekkingen van Fokker in 1995 en 1996 maken veel duidelijk over de focus op de industrie, op zaken die op je tenen kunnen vallen. De daarmee verbonden produktie-activiteiten staan in Nederland, of beter in Europa, ontegenzeglijk onder druk. Er is sprake van een verschuiving van het industriële zwaartepunt naar opkomende industrielanden, met name naar Oost-Azië. Is die verschuiving wel een teken van zwakte voor de huidige industrielanden? Zouden we er nu economisch echt beter voor staan als de textielindustrie in de vroegere omvang was blijven bestaan? Als dat zo is, hadden dan ook de mijnen in Limburg open moeten blijven? En hoe staat het met de landbouw, de turfstekers? Algemener gezegd, is bij het verplaatsen van industrieën uit Europa wel sprake van verlies van hoogwaardige werkgelegenheid?

De wereldwijde tendens is dat het aandeel van de industrie in de werkgelegenheid in de westerse landen daalt en stijgt in opkomende industrielanden, zoals de afbeelding laat zien. Het is dus zeker geen typisch Nederlands verschijnsel dat industriële ondernemingen moeten afslanken of erger. Uit de figuur blijkt niet wat het profiel van de industrie in de verschillende landen is, dus ook niet hoe groot het aandeel is van groeiende industrietakken in de R&D-intensieve sectoren, zoals de elektronica. Maar R&D-intensiteit, kennis-intensief en winstgevendheid zijn zeker geen synoniemen. Dat valt duidelijk af te leiden uit het feit dat veel opkomende industrielanden vaak beginnen met het aantrekken van vestigingen voor de assemblage van tv's, computers en dergelijke. Dat geldt in elk geval voor Oost-Azië, zoals in paragraaf 18.6 is belicht onder de noemer van de Aziatische achtervolgers. Daarbij is ook geconstateerd dat dit 'high tech' profiel van opkomende industrielanden niet vreemd is, want er lijkt niets eenvoudiger te zijn dan het in elkaar solderen van stukken elektronica. De verschuiving van het zwaartepunt in de scheepsbouw doet vermoeden dat het met de kennisintensiteit in die sector ook wel meevalt, of beter gezegd tegenvalt. In grote delen van de industrie, met name de elektronica, blijken 'high tech' en 'low skills' hand in hand te gaan. Het omgekeerde komt ook veelvuldig voor, zoals bij een leerlooierij waar niet de R&D-uitgaven op de voorgrond treden maar de vakbekwaamheid van het personeel dat om moet kunnen gaan met het feit dat elke huid anders is. De constatering dat de elektronica nog steeds een groeisector is, betekent niet dat het zonder meer voordelig is dat Nederland veel produktie in die sector aantrekt. Om de huidige welvaart vast te houden, zal de nadruk moeten liggen op bedrijvigheid met een hoge toegevoegde waarde, zodat werknemers een goed belegde boterham kunnen krijgen, de overheid belastinginkomsten krijgt en de onderneming de aandeelhouders met een winstuitkering kan verrassen.

19.4 verliesgevende vernieuwers

De vraag naar de relatie tussen R&D en winstgevendheid dringt zich ook op bij het aanschouwen van de winstgevendheid van de grootste R&D-investeerders. In 1992 telde de groep van tweehonderd grootste R&D-investeerders in de VS elf bedrijven die in dat jaar meer dan US$ twee miljard winst maakten terwijl drie ondernemingen meer dan US$ twee miljard verlies leden. Het opvallende is dat deze drie verlieslijdende ondernemingen allemaal tot de R&D-top behoorden; IBM, GM en Digital stonden respectievelijk 2e, 1e en 6e op de R&D ranglijst van dat jaar [E-BW1]. De niet-Amerikaanse R&D-intensieve bedrijven deden het in 1992 beter. Van de R&D-top-200 buiten de VS boekten twaalf bedrijven meer dan US$ 2 miljard winst en daartoe behoorden ook de grootste drie R&D-investeerders (Siemens, Hitachi en Matsushita). Als percentage van de omzet was de winst van dit drietal echter wel het laagste; het rekenkundig gemiddelde van de winst van dit drietal bedroeg 4,4% tegenover 13,9% voor de andere negen, waartoe onder andere Shell en Unilever behoorden.

Natuurlijk is dit een momentopname. Het verlies van GM behoort inmiddels tot het verleden; over 1995 werd zelfs een recordwinst van US$ 6,9 miljard gemeld. Maar daar staat tegenover dat andere bedrijven juist weer in de rode cijfers terechtkomen; over 1995 is dat bijvoorbeeld Daimler Benz, het grootste Duitse technologie-concern. En juist de meest R&D-intensieve tak van dit concern -- de vliegtuigbouw -- zorgde voor de recordverliezen, verliezen die Fokker de das hebben omgedaan.

Dat R&D-intensieve bedrijven niet altijd de meest winstgevende zijn, wordt ook geïllustreerd door de netto toegevoegde waarde per werknemer. Voor Fokker was dat volgens H.W. de Jong ongeveer 50.000,- [D-J6]. Met deze verdiensten is alleen een rendabele onderneming mogelijk in lage-lonen-landen. Wat is er hoogwaardig aan de bouw van vliegtuigen en grote zeeschepen, wat is zo essentieel voor onze concurrentiepositie als die bedrijfstakken alleen levensvatbaar zijn aan een jarenlang infuus van overheidssubsidie? Ook in andere R&D-intensieve sectoren laten bedrijven over een langjarig gemiddelde vaak meer roodkleurige dan rooskleurige cijfers zien. Hoeveel belasting heeft het Nederlandse kroonjuweel Philips de afgelopen decennia betaald?

Tegenover het zware weer dat Fokker en verschillende andere industriële bedrijven treft of heeft getroffen, staan ook bedrijven die zich kunnen koesteren in zonneschijn. Industriële bedrijven als Shell, Unilever, Heineken doen het, ook naar internationale maatstaven, zeer goed; dienstverlenende bedrijven als Reed Elsevier, Wolters Kluwer, Endemol en Baan doen het zo mogelijk nog beter.

Wat bedoelden MERIT-onderzoekers, EZ-ambtenaren en de klagers tijdens het nationale economie-debat? Moeten we R&D doen als doel op zich? Zou het vanuit nationale optiek beter zijn als de Nederlandse multinationals sterker R&D-gericht zouden zijn? Zou het beter zijn als we in plaats van Unilever Daimler Benz zouden hebben of in plaats van Elsevier en Wolters Kluwer zouden beschikken over Volvo en Saab-Scania? Voor de plaats op de R&D ranglijst wel, maar ook voor de bijdrage aan de welvaart? Waarschijnlijk niet, want beter dan nu kunnen ze bijna niet scoren. Uit een overzicht van Business Week [E-BW2] blijkt de winstgevendheid van Nederlandse bedrijven uit de wereldtop-1000 uitzonderlijk hoog te zijn. In de categorie return on equity scoren de gezamenlijke Nederlandse multinationals met 26% bijna tweemaal zo hoog als gemiddeld. Geen enkel ander moederland scoort zo goed. Maar die score is niet alleen afkomstig van de industriële bedrijven waar de R&D-cijfermeesters zich blind op staren.

19.5 stille sterkten

De commerciële dienstverlening is in Nederland ongeveer twee keer zo groot als de industrie, maar uit de kennisgerichte nota's blijkt die verhouding niet. In paragraaf 17.2 werd reeds opgemerkt dat in de nota Wijers wordt geconstateerd dat een deel van de dienstensector voortvloeit uit de industrie, zodat het economische belang van de industrie groter is dan de getalsverhouding doet vermoeden. Hier zit een kern van waarheid in; advocatenkantoren, banken, bewakingsdiensten, catering, enzovoort, allemaal halen ze een deel van de omzet uit opdrachten van de industrie. Maar zelfs met die correctie blijft de werkgelegenheid in die industrie achter bij de commerciële dienstverlening. Bovendien kan de gemaakte relativering over de omvang van de industrie ook worden omgedraaid aangezien veel fabrikanten een groot gedeelte van hun werk danken aan de dienstensector. Medewerkers van het CPB hebben getracht de wederzijdse dienstverlening te kwantificeren en komen daarbij tot de conclusie dat de industrie ongeveer anderhalf maal zoveel werkgelegenheid genereert als direct in de eigen sector werkzaam is [D-S24]. In absolute cijfers zou het om ruim anderhalf miljoen arbeidsplaatsen gaan, iets meer dan in de commerciële dienstensector. Met andere woorden, bij een correctie naar toelevering is de commerciële dienstensector voor de economie nog altijd even belangrijk als de industrie.

Er zijn delen van de commerciële dienstverlening waar de toegevoegde waarde per arbeidsplaats lager ligt dan in de R&D-intensieve vliegtuigbouw, maar dat zijn uitzonderingen. In de sectoren waar op wereldschaal concurrentie wordt gevoerd, is de toegevoegde waarde groot. Niet dat de totale verdiensten per werknemer een absolute maatstaf zijn --maar dat zijn de beschouwde R&D-statistieken nog veel minder-- voor een onderscheid tussen hoog- en laagwaardige werkgelegenheid. Om een indruk te krijgen van de concurrentiekracht van bedrijven binnen een bepaalde sector geven exportcijfers een indicatie. Bedrijven die zich in de internationale handel staande weten te houden, moeten wel competitief zijn. Export is vooral verplaatsing van goederen, en derhalve geeft de totale export een indruk van het concurrentievermogen in de industrie. In de dienstensector kun je nauwelijks exporteren; daar moet je de mensen verplaatsen die de prestaties leveren. Maar export is toch ook niet volledig afwezig, zodat een vergelijking van het aandeel van de export voor sommige dienstensectoren een indicatie kan geven van de relatieve concurrentiekracht.

Dany Jacobs heeft berekend dat Nederland verhoudingsgewijs de meeste exportwaarde genereert uit kennisintensieve diensten [D-J1]. Het is weliswaar slechts 4,8% van de totale exportwaarde, maar dat is meer dan de VS (4,3), het VK (2,6), Frankrijk (2,4) en Duitsland (1,4). De Nederlandse score op dit gebied is boven proportioneel; 9,5% van de export vanuit de EU komt voor rekening van Nederland. Jacobs betrekt in dit overzicht ook de waarde van patenten, hetgeen betekent dat de industrie in dit overzicht ook een rol speelt aangezien patenten hoofdzakelijk betrekking hebben op produkten en industriële processen. Blijft deze handel buiten beschouwing, dan komt het Nederlandse aandeel in de dienstenexport van de EU boven de 20% uit. Naast deze gebiedsinperking vormt ook de onbetrouwbaarheid van patentgegevens een reden deze categorie buiten beschouwing te laten.(55) Voor alle beschouwde dienstensectoren --reclame, zakelijke dienstverlening en film/tv-- is het aandeel binnen de totale exportwaarde voor Nederland het hoogst. Gemiddeld scoort Nederland met een aandeel 4,3% in de totale exportwaarde, ruim voor het Verenigd Koninkrijk (1,7%) en drie tot viermaal zo hoog als België (1,4%), Frankrijk (1,3%), de VS (1,3%), Duitsland (1,0%) en Italië (0,8%). Het feit dat de totale waarde van de Nederlandse export als percentage van het BBP zeer hoog is -- ook in vergelijking met de meeste kleinere landen -- versterkt het beeld van een relatief competitieve dienstensector.

Dat Nederland op het gebied van de industrie redelijk meekomt, maar geen hoogvlieger is, komt ook naar voren uit cijfers over buitenlandse investeringen. Diezelfde cijfers tonen echter ook een boven proportioneel sterke dienstensector. Die kracht blijkt ook uit buitenlandse investeringen; Nederland is bijvoorbeeld in absolute termen, dus zonder correctie naar de omvang, binnen West-Europa marktleider bij het aantrekken van distributiecentra en call centres, twee sterk dienstengerichte activiteiten. Dat zijn groeisectoren, dus is het beeld voor de toekomst alles behalve somber.



Tabel 6: BBP en opleidingsniveau voor een aantal sectoren

Sector % BBP % hoog opgeleiden %opleiding)/(%BBP)
landbouw 3,5 1,2 0,34
industrie 17,9 26 1,45
openbaar nut 4,7 1,4 0,29
bouw 5,9 4,2 0,71 `
financiële 18,1 29 1,6
overige diensten 28,8 7 0,24
niet 10,3 7 0,67
overheid 10,8 24,4 2,26

Bron: [C-EZ1] en [C-WRR, p. 80].

Uit gegevens van de WRR blijkt dat 26% van de hoger opgeleiden (universiteit en hogeschool) in de industrie werkzaam is (exclusief bouwnijverheid) [C-WRR, p. 80]. Aangezien de industrie maar voor ongeveer 18% van de toegevoegde waarde zorgt, kan worden geconcludeerd dat de industrie relatief veel hoger opgeleiden in dienst heeft. De commerciële dienstensector als geheel neemt relatief minder hoog opgeleiden aan, maar binnen die sector zijn de onderlinge verschillen zeer groot. In de handel, transport, persoonlijke verzorging en de service is relatief weinig behoefte aan mensen met een universitaire of HBO-opleiding, terwijl in de financiële en zakelijke dienstverlening (inclusief automatisering) juist relatief veel hoger opgeleiden werkzaam zijn. Deze sectoren zijn absoluut gezien even groot als de industrie, maar ze nemen iets meer hoog opgeleiden in dienst. Dat beeld wordt nog sterker bij een onderscheid tussen hogeschool en universiteit. In de genoemde dienstensectoren ligt de nadruk lichtelijk bij de groep van universitair geschoolden, terwijl de industrie relatief veel mensen uit het HBO aantrekt. Tabel 6 laat zien dat de overheid de grootste afnemer is van hoog opgeleide mensen.

19.6 tintelende toekomst

In de beschouwingen over de economische perspectieven van Nederland blijven de kennisintensieve diensten veelal buiten schot, terwijl daar juist de kracht ligt met betrekking tot de kennisintensieve werkgelegenheid. Dat is de belangrijkste groeisector. Niet alleen voor Nederland, zoals een beschouwing over de ontwikkeling in de VS laat zien. Overeenkomstig de ontwikkelingen in de meeste industrielanden is de Amerikaanse landbouwsector de afgelopen eeuw stelselmatig ingekrompen. De industrie en de traditionele dienstensectoren (handel en dergelijke) zijn na een periode van groei weer ingekrompen, terwijl de informatie-gerelateerde delen van de dienstensector een gestage groei laten zien. Tabel 7 laat deze ontwikkeling duidelijk zien, waarbij aangetekend moet worden dat de afbakening van de verschillende categorieën afwijkt van die in tabel 6.(56) De trend lijkt mij duidelijk; de groei moet niet primair worden gezocht in de industrie maar in de informatie-gerelateerde delen van de (commerciële) dienstverlening.



Tabel 7: Werkgelegenheidsontwikkeling in de VS

Sector 1880 1920 1955 1975 2000
landbouw 50% 28% 14% 4% 2%
industrie 36% 53% 37% 29% 22%
informatie 2% 9% 29% 50% 66%
overige diensten 12% 10% 20% 17% 10%

Bron: [D-P2].

In het R&D-debat wordt vaak jaloers naar Duitsland gekeken. Dat gebeurde zeker in de tijd van het nationale economie-debat. De vraag dringt zich echter op of de sterkte van de oosterburen op R&D-gebied en de daarmee verbandhoudende omvang van de industrie niet eerder een nadeel dan een voordeel is. Relatief gezien, is binnen de OESO de industriële sector in Duitsland veruit het grootste; alleen enkele opkomende industrielanden als Korea en Taiwan kunnen zich meten met de relatieve omvang van de Duitse industrietak, zoals de afbeelding op pag. 246 liet zien. In die Aziatische landen is de industriële sector reeds behoorlijk volgroeid terwijl de ontwikkeling van de informatie-gerelateerde dienstensector nog in een beginfase verkeert. Het feit dat vanuit deze landen de directe buitenlandse investeringen sterk toenemen, vooral in de eigen regio, doet vermoeden dat daar de afstoting van industrie naar lage-lonen-landen reeds gaande is. Duitsland is met die afstoting zeer laat begonnen, hetgeen mogelijk werd gemaakt door de geleverde kwaliteit. Made in Germany; een Mercedes maakte je niet buiten de Bondsrepubliek. Nu dit etiket niet meer afdoende is en duidelijk wordt dat de kwaliteit wel erg duur wordt betaald, slaan veel Duitse ondernemingen hun vleugels in snel tempo uit naar andere landen, waaronder die in Oost-Europa.(57) Deze zorgwekkende ontwikkelingen voor de werkgelegenheid in de Duitse industrie roept de vraag op of dit proces niet te laat is ingezet. Anders geformuleerd, het zou wel eens een zeer belangrijk concurrentievoordeel kunnen zijn dat vanuit Nederland opererende bedrijven in een relatief vroeg stadium hun vleugels naar het buitenland uitsloegen. Uiteraard waren zij hiertoe meer gedwongen dan Duitse bedrijven die over een veel groter nationaal achterland beschikken. In hoofdstuk 17 bleek dat Nederlandse industriële ondernemingen voorop lopen met de wereldwijde spreiding van de R&D. Zou dat ook van voorsprong kunnen getuigen?

Dat het zwaartepunt in de meest welvarende landen steeds meer van de industrie naar de dienstverlening verschuift, wordt geïllustreerd door termen als 'post-industriële samenleving' en 'verkantoring van de industrie'. Beide typeringen klinken enigszins anti-industrie; impliciet lijken ze te suggereren dat de industrie heeft afgedaan en plaatsmaakt voor dienstverlening, zoals in een eerdere fase het agrarische tijdperk is opgevolgd door het industriële. Maar dat is niet de implicatie. Waar het om gaat, is dat traditioneel fabriekswerk, zeg maar de lopende band, steeds meer uit onze samenleving verdwijnt (naar lage-lonen-landen) en dat hoofdarbeid daarvoor in de plaats komt (of werkloosheid). Rokende schoorstenen maken plaats voor glazen kantoorgebouwen en de blauwe overall wordt verdrongen door het witte overhemd. Bedrijven die hun takenpakket (te) weinig internationaal spreiden, worden in hun voortbestaan bedreigd door concurrenten uit lage lonen landen, inclusief het voormalige Oostblok. Philips-tv's zijn made in Taiwan; de produktie van elektronica is dus allang aan Aziatische bedrijven overgelaten, zoals Marcel Metze bepleitte naar aanleiding van de reorganisatie die Philips in 1996 aankondigde [D-M3]. De gevolgde weg is anders dan Metze voorstelt; Philips heeft niet de weg gevolgd van Amerikaanse bedrijven die zich uit die sector terugtrokken maar het zocht mogelijkheden om de vestigingsvoordelen die gelden voor verschillende delen van de wereld binnen het eigen concern te benutten. Door zo te mondialiseren, zijn ook voor Europa voordelen te behalen; door de industriële activiteiten elders te concentreren, ontstaat hier ruimte voor de ontwikkeling van de daarmee verband houdende diensten.

Illustratief voor de verschuiving binnen industriële ondernemingen zijn de ontwikkelingen binnen het Zweeds-Zwitserse ABB. In de jaren negentig zakte het Europese aandeel in de wereldwijde omzet van 42% naar 33% [G-S3]. Ondanks deze relatieve daling stegen de Europese activiteiten in absolute termen met ruim 40%. Juist dankzij de wereldwijde spreiding van de activiteiten kon de werkgelegenheid in Europa op peil blijven, zowel kwantitatief als kwalitatief. Wat dat laatste betreft, in sommige sectoren, zoals de bouw van energiecentrales, is de produktie vrijwel volledig uit Europa verdwenen, maar de hoogwaardige financiële regie is nog wel een Europese aangelegenheid.

19.7 krachtige kombinatie

Tussen industrie en dienstverlening is positieve wisselwerking mogelijk, zoals dat ook het geval is voor de landbouw en de voedingsmiddelenindustrie. Vanuit nationale optiek gaat het om de kracht van de totale economie, dus zowel om diensten als om industrie. Over de industriële sector zijn echter veel meer studies gedaan dan over de dienstensector; daar is zelfs een vergelijking tussen deelsectoren vaak moeilijk gezien het verschil in afbakening van de afzonderlijke deelterreinen. Dit heeft mede tot gevolg dat studies over de totale kracht van de economie dun zijn gezaaid. Een van de schaarse studies is een vergelijkend onderzoek van de Erasmusuniversiteit naar het vestigingsklimaat voor bedrijven in 42 Noordwesteuropese regio's [B-S1]. Op basis van gegevens over modernisering en internationalisering, afstand tot markten, leeftijdsopbouw van de bevolking en dergelijke is voor elke regio een berekening gemaakt van de structuur en de dynamiek. In de industriële sectoren scoren de beschouwde Nederlandse provincies (Gelderland, Utrecht, Noord- en Zuid-Holland, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg) middelmatig tot slecht, met uitzondering van Limburg dat in de top-10 staat. In de dienstensectoren scoren alle provincies zeer goed; alleen Zuid-Holland valt buiten de top-10. Indien beide scores worden gecombineerd, doen de Nederlandse provincies het ook goed, zoals de figuur hiernaast laat zien; hoe verder naar rechts en naar boven, hoe beter de totaalscore.

Zoals gezegd, wordt in Nederland en andere 'industrie'landen de handenarbeid steeds meer verdrongen door hoofdarbeid. Dat kenmerkt juist onze post-industriële samenleving. Waar het 'eenvoudige handwerk' naar de achtergrond verdwijnt, treden drie zaken op de voorgrond:

- ontwerpen van nieuwe produkten en diensten (R&D)

- het verkopen (marketing)

- ketenbeheersing (logistiek)

Het voorbeeld van ABB liet zien dat het mogelijk is om in Europa juist dit regisserende type werkgelegenheid te behouden of zelfs te versterken. Die regie wordt overigens niet altijd binnen de industriële sector uitgevoerd. De tijd dat de aanbieder van produkten alleen bepaalde wat er in de schappen van de winkels ligt, behoort steeds meer tot het verleden. De aansturing van produkt-innovaties verschuift in toenemende mate naar de dienstverlening; Ahold en Vendex bepalen steeds meer welke nieuwe produkten op de markt komen.

Op het raakvlak van industrie en dienstverlening ontstaat een nieuw type werkgelegenheid, door de belangenvereniging Nederland Distributieland tot industributie gedoopt. De gangbare internationale term is value-added logistics; dus niet (alleen) het herstapelen van dozen die in het buitenland zijn gevuld, maar (ook) het zelf vullen van de dozen waarvoor uit alle delen van de wereld de ingrediënten worden aangeleverd. Dat distributie voor een deel uit laaggeschoolde arbeid bestaat, valt af te leiden uit de werkzaamheden op bijvoorbeeld een distributiecentrum van een grootwinkelbedrijf. Voor een groot gedeelte van de werknemers is het voldoende dat ze kunnen lezen en bestaat de interne bedrijfsscholing uit het leren tillen van kratten. Maar die laaggeschoolde arbeid wordt steeds verder teruggedrongen, en zelfs als dat niet zo zou zijn, is het werk waar niemand zich voor hoeft te schamen. Er hoeven geen busladingen werknemers van buiten de EU te worden aangesleept omdat de beloning niet concurrerend meer te maken is, zoals bijvoorbeeld bij aspergestekers het geval lijkt te zijn. Juist in de distributie-sector genereert hoogwaardige kennis -- want dat is het ontwerpen van logistieke systemen -- veel werkgelegenheid voor lager geschoolde arbeidskrachten.

Dat over het geheel genomen de logistieke activiteiten niet voor de produktie onderdoen, illustreert Digital. Deze Amerikaanse computerfabrikant had binnen Europa een produktievestiging in Ierland opgezet vanwege de aldaar geldende belastingfaciliteiten en andere financiële voordelen. Inmiddels is de produktie verhuisd naar Schotland, waar de werkloosheid zo hoog is dat ook de vakbonden instemden met een zodanige verslechtering van de arbeidsvoorwaarden dat de produktie daar goedkoper is dan in Ierland. Hoeveel onrust deze verplaatsing van werkgelegenheid kan geven, blijkt uit de sluiting van bijvoorbeeld MB in Ter Apel, maar ook uit de ontwikkelingen bij Fokker en DAF.

Digital heeft binnen Europa ook een vestiging in Nijmegen, waar reparaties worden verricht voor de Europese markt. De keuze viel op Nederland vanwege de snelheid waarmee goederen vanuit en naar andere delen van Europa getransporteerd kunnen worden, een factor die essentieel is voor de betrokken activiteiten. Toen Digital, net als veel andere bedrijven, de lokale distributiecentra op Europese schaal wilde bundelen, viel de keuze op Nederland om dezelfde reden en vanwege het feit dat in Nijmegen al van een belangrijke Europese distributiefunctie sprake was. Die distributie stelt nieuwe uitdagingen. De ontwikkelingen in Oost-Europa resulteren in een vraag naar computers die in West-Europa zijn afgedankt; er ontstaat dus behoefte aan een retourstroom. Die behoefte wordt nog groter vanwege de milieu-eisen; Duitsland loopt voorop met de eis dat afgedankte computers worden gerecycled. Bedrijven die eenmaal zijn ingesteld op de verwerking van schroot uit de grote Duitse markt zullen die werkwijze ongetwijfeld ook in andere landen toepassen, al was het alleen maar voor het opbouwen van een milieuvriendelijk imago. Nederland lijkt vanwege zijn sterke positie in de distributie een goede uitgangspositie te hebben om een substantieel deel van deze markt aan te trekken. Die werkzaamheden zullen minder snel worden verplaatst, ze zijn minder footlose dan de pure produktie. Niet alleen vanwege de verbondenheid met de geografische factoren, maar ook omdat meer vakbekwame mensen nodig zijn; de skills geven hier de doorslag.

19.8 verdienstelijk vaderland

Wat is nu het algemene beeld dat tot nu toe uit de analyse opdoemt. Er is sprake van een grote mate van doemdenken. Na de afstoting van Fokker door Daimler Benz werd vertwijfeld de vraag gesteld of Nederland na het verlies van de vliegtuigindustrie alleen nog maar ruimte zou bieden voor het verbouwen van bloemkolen. Deze beschouwingswijze doet geen recht aan de totale Nederlandse industrie; de economische prestaties van Shell, Unilever en Heineken worden sinds mensenheugenis in het zwart gedrukt. Ook de veerkracht van bedrijven die een tijdlang in de rode cijfers verkeren, zoals Philips, DAF en Hoogovens, laat zien dat de Nederlandse industrie niet op sterven na dood was of is. Natuurlijk, in al deze sectoren neemt het aandeel van de werkgelegenheid in Nederland af. Maar dat past in de mondiale ontwikkeling waarbij de werkgelegenheid in de huidige 'industrielanden' naar de dienstverlening verschuift. Gezien de ontwikkelingen in het verleden valt te verwachten dat die tendens zich doorzet, zodanig dat binnen afzienbare tijd de kennisintensieve dienstverlening de industrie in omvang ver overvleugelt.

In Nederland lijkt de afkalving van de industrie alles behalve als een voordeel gezien te worden, en dat geldt zeker voor het gros van de wetenschappers die de bedrijvigheid bestuderen. Zij zijn gericht op R&D en aangezien onder die noemer niet veel binnen de dienstensector is te vinden, wordt dat gedeelte van de economie over het hoofd gezien. Wie vanuit de Fokker-vestiging op Schiphol in het rond kijkt, ziet Aalsmeer liggen met het imperium van Joop van der Ende, een van de belangrijkste spelers in de Europese amusementswereld. Van der Ende lijkt de Antonie Fokker van deze tijd, maar dat schijnen we maar moeilijk te willen beseffen. In de VS, dat net als Nederland een relatief omvangrijke dienstensector heeft, lijkt dat anders te zijn. Daar zijn velen dit 'minderwaardigheidsgevoel' ontgroeid. Voor hen is het niet erg dat Japanse bedrijven toonaangevend zijn in bijvoorbeeld de consumentenelektronica (hardware) zolang Amerikaanse bedrijven een veelvoud verdienen met de benodigde software. De (culturele) innovaties van popsterren als Madonna en Michael Jackson en regisseurs als Steven Spielberg leiden tot hogere winsten dan de technologische innovaties van Sony of Canon. Dit komt ook tot uiting in cijfers over bijvoorbeeld de beurswaarde van industriële en dienstverlenende bedrijven. Dochter Polygram is op de beurs maar een derde minder waard dan moeder Philips waar meer dan twintig keer zoveel mensen werken. De beurswaarde van Microsoft overstijgt die van IBM dat bijna twaalf maal zoveel mensen in dienst heeft [E-FT2]. De meeste toegevoegde waarde lijkt te vinden te zijn in produkten waarin de menselijke fantasie op de voorgrond treedt; dat geldt niet alleen voor films en muziek, maar ook voor design.

Beschouwd vanuit het perspectief van een veranderende verhouding tussen industrie en informatie-gerelateerde diensten krijgen de R&D-statistieken ook enige inkleuring. Zuid-Korea en Taiwan zijn in die statistieken op gelijke hoogte gekomen met Nederland en andere Europese landen. Die Aziatische landen zijn (nog) sterk op de industrie gericht, en daarbinnen op de elektronica en de produktie van auto's, de twee sectoren waarin wereldwijd de grootste R&D-investeerders zijn te vinden. Wereldwijd is sprake van een sterke toename in de informatie-gerelateerde dienstverlening en de recent geïndustrialiseerde landen in Oost-Azië moeten op dat gebied de aansluiting met de kopgroep nog maken. Het feit dat in Oost-Azië veel landen zich verdringen op het pad van de industriële ontwikkeling, schept voor Europese landen mogelijkheden voor een versnelde doorgroei op het gebied van de informatie-gerelateerde dienstverlening. De grote prijsdruk binnen de elektronica-sector, en met name binnen de computerbranche, werpt de vraag op hoe profijtelijk een groot marktaandeel in die sector is. In de loop van 1996 lijkt de prijzenslag in deze sector verder toegenomen te zijn. Zo waren geheugenchips medio 1996 ongeveer tienmaal goedkoper dan een jaar daarvoor. Aangezien Oostaziatische economieën relatief sterk leunen op de produktie van elektronica, moet dit negatief uitwerken voor de Aziatische Wondereconomieën. Voor Singapore, dat bijna de helft van alle harde schijven voor de PC's produceert, is dat goed zichtbaar. In het eerste kwartaal van 1996 groeide de economie van Singapore op jaarbasis met bijna elf procent terwijl in het tweede kwartaal een groei van 'slechts' zeven procent werd gemeten. Voor het derde kwartaal wordt rekening gehouden met een groei van ruim vier procent [D-V2].

Wie jaloers naar onze oosterburen met zijn grote industrie kijkt  vanwege de recente economische ontwikkelingen lijkt de jaloezie afgenomen te zijn  en de prestaties van de eigen dienstensector negeert, zou wel eens bedrogen kunnen uitkomen. Of beter gezegd, aangenaam verrast kunnen worden. Gezien de mondiale tendens zou het namelijk wel eens een groot nadeel kunnen zijn dat de industriële sector in Duitsland zo groot is, net zoals Japan nadeel lijkt te hebben van de voor een ontwikkeld land ongekend grote landbouwsector.(58) De vereniging Nederland Distributieland voorspelt dat in de nabije toekomst wereldwijd vijf tot tien procent van de totale toegevoegde waarde van produkten met distributie verband houdt. Of beter, met de combinatie van industrie en distributie. Gezien de zeer sterke positie van Nederland in de Europese distributie, biedt dit kansen; als het huidige marktaandeel voor de distributie ook voor industributie gehaald zou worden, zou dit zelfs het overgrote deel van het toekomstige BBP kunnen genereren.

19.9 levenslang leren

Het gaat mij niet om de vraag of industributie de voorspelde groei waarmaakt. Het gaat om het punt dat de pleitbezorgers van technologie deze ontwikkelingen vrijwel negeren, terwijl daar vanuit de optiek van kennisintensiteit juist grote kansen liggen, ook al is weinig of geen R&D nodig om de potentiële werkgelegenheid te benutten. Toen ik de ontwikkelingen bij Digital voorhield aan leidinggevende mensen binnen de logistieke wereld, werd geconcludeerd dat Nederland geen mensen opleidt die de regie over de gehele logistieke keten ter hand kunnen nemen. In andere landen worden dergelijke regisseurs ook niet opgeleid, zodat voorlopig geen marktaandeel hoeft weg te lekken. Door het voortouw te nemen, zou Nederland op dit gebied de huidige voorsprong kunnen veilig stellen of zelfs kunnen versterken. Dit vereist misschien niet zulke hoge R&D-uitgaven als thans gebruikelijk is bij de grote industriële bedrijven, maar daar staat tegenover dat scholing wel eens veel belangrijker zou kunnen zijn, een aspect dat in de internationale vergelijkingen over technologische concurrentiekracht nauwelijks aandacht krijgt.

Een van de weinige vergelijkingen van bedrijfsscholing is uitgevoerd door Kleinknecht. Op basis van gegevens van Eurostat becijfert Kleinknecht dat het percentage werknemers dat in Nederland aan scholing deelneemt ongeveer driemaal zo hoog is als gemiddeld in de EU [B-K3, p. 20]. Geen enkel Europees land kan zich in dit opzicht met Nederland meten. Globaal genomen ligt de deelname aan scholing in elk van de drie hoofdsectoren -- landbouw, industrie en dienstverlening -- voor Nederland steeds een factor drie boven het Europees gemiddelde. Alleen in de dienstensector voert Denemarken de lijst aan met 19,8% van de werknemers die aan scholing deelneemt. Nederland volgt hier op de voet met 18,9% gevolgd door het Verenigd Koninkrijk met 15,8%. Duitsland staat op grote afstand met 6%. Voor de andere beschouwde landen ligt de deelname aan scholing tussen 3 en 4%.

Als internationale vergelijkingen worden gemaakt, zou de totale kennispositie in beschouwing moeten worden genomen; naast R&D is dat vooral scholing. Het CBS begroot de uitgaven voor bedrijfsscholing in Nederland op 3,5 miljard voor bedrijven met meer dan 5 werknemers [C-CBS, p. 91]. Dit betekent dat tenminste 0,7% van het BBP aan bedrijfsscholing wordt uitgegeven; samen met de R&D komt dat neer op 1,7% van het BBP. Uit de genoemde studie van Kleinknecht komt naar voren dat in Nederland naar verhouding ongeveer viermaal zoveel aan bedrijfsscholing wordt uitgegeven als in Duitsland, hetgeen zou betekenen dat de oosterburen 0,2% van het BBP in bedrijfsscholing steken. Het Duitse bedrijfsleven geeft 1,6% van het BBP aan R&D uit; de totale uitgaven voor bedrijfsscholing en -R&D zouden in Duitsland derhalve op ongeveer 1,8% van het BBP uitkomen, vergelijkbaar met de Nederlandse uitgaven. Ook vergeleken met andere grote Europese landen verdwijnt voor Nederland in de gecombineerde beschouwing de achterstand die uit R&D-statistieken spreekt. In het wetenschapsbudget wordt die conclusie niet getrokken. De cijfermatige vergelijking van uitgaven voor onderwijs en andere kennisgerelateerde uitgaven blijft zelfs achterwege omdat er in internationaal verband nog geen overeenstemming zou bestaan over eenduidige definitie.(59)

Noten

53. In 1996 deed zich een vergelijkbare situatie voor bij Fokker. Hier maakte de pers overigens wel melding van de onverwacht snelle herplaatsing van een groot deel van het ontslagen personeel.

54. In 1996 zijn de zwartgallige geluiden over de economie verstomd. Hiervoor in de plaats trokken optimistische beschouwingen de aandacht, ook in internationale tijdschriften. The Dutch make it look easy kopte Business Week vlak na de presentatie van de miljoenennota door het paarse kabinet [E-BW3]. Deze positieve wending is vooral een verrassing voor degenen die met een sterk vooringenomen R&D-blik naar de Nederlandse economie keken.

55. Veel studies maken vergelijkingen van de prestaties van afzonderlijke landen op het gebied van patenten. De betrouwbaarheid daarvan is echter zeer beperkt omdat veel bedrijven de nationaliteit van de aanvrager bepalen op grond van strategische overwegingen. Dit heeft tot gevolg dat het betrokken patent dikwijls niet op naam van de werkelijke uitvinder staat. Bij de betalingsbalans voor kennisuitwisseling lijkt de betrouwbaarheid van de statistieken nog kleiner; in de kennishandel is het verschil vaak belangrijker dan de opgevoerde waarde; het kan voordelig zijn om de waarde aan beide zijden met een bepaald bedrag te verhogen of te verlagen, zolang de werkelijke betalingen maar niet veranderen (11-10 = 1011-1010). Vergelijk ook paragraaf 22.6.

56. De industrie omvat ook de bouwnijverheid, zodat de omvang redelijk overeenkomt met die in Nederland. Het aantal verschillen in de afbakening tussen verschillende dienstensectoren lijkt soms even groot als het aantal studies over de dienstensector. Dit maakt een onderlinge vergelijking tussen de situatie in verschillende landen tot een hachelijke onderneming. Een deel van het probleem wordt overigens veroorzaakt door de mate waarin deze sector is geprivatiseerd, zoals het onderwijs en de gezondheidszorg. Een groot gedeelte van de niet-commerciële dienstverlening uit het Nederlandse overzicht is in de Amerikaanse tabel opgenomen in de informatie-gerelateerde diensten.

57. Het in paragraaf 18.4 gememoreerde verschil tussen de Duitse deelstaten wat betreft het inkomen per hoofd van de bevolking roept de vraag op in hoeverre Duitsland nog baat heeft bij een relatief grote industrie. Van de Westduitse staten voeren de twee 'havenstaten' Hamburg en Bremen de lijst aan en zijn de 'industriestaten' de hekkesluiters; in Hamburg is de economische welvaart ongeveer twee maal zo hoog als in Noordrijn Westfalen, Baden Würtenberg en Rijnland Paltz.

58. In de Japanse landbouw werkt ruim 9% van de beroepsbevolking terwijl deze sector nauwelijks 1% van de toegevoegde waarde genereert. De verhouding werkgelegenheid-toegevoegde waarde is 8,4. Voor België is die verhouding 7,5, voor Duitsland 5,9. Voor Nederland bedraagt die verhouding 3,8 en voor de VS is dat 3.1. Gegevens ontleend aan [D-K10].

59. In het wetenschapsbudget 1997 wordt aangekondigd dat Nederland wil proberen dat de OESO in de toekomst bij de internationale vergelijkingen met meer factoren rekening houdt dan alleen de R&D. [C-OCW, p. 10]. Vergelijk paragraaf 17.1.