20 Sportieve Spiegel


de passages tussen [..] zijn literatuurverwijzingen.

"Van de 45 nieuwe Amerikaanse en Japanse R&D-labs in West-Europa wist Nederland er 5 binnen te halen; in termen van de daarmee verbonden R&D-werkgelegenheid was het Nederlandse aandeel nog geringer. Het aandeel in de nieuwe hoofdkantoren, distributiecentra en 'call centers' is veel hoger" [C-EZ4, p. 20]. Deze constatering uit de nota van Wijers sluit aan bij de analyse van de AWT over het vestigingsklimaat van Nederland voor buitenlandse investeerders [C-AWT3]; distributie is de kracht van Nederland en die sterkte trekt vaak ook andere activiteiten aan. In de nota van Wijers leidt de genoemde constatering echter tot een andere conclusie; het investeringsprofiel wordt gezien als een bevestiging van het relatief ongunstig R&D-klimaat in Nederland. In vergelijkbare toonzetting wees werkgeversvoorzitter Rinnooy Kan op het ondermaatse presteren bij het aantrekken van produktievestigingen.(60)

Aangezien het Nederlandse BBP ongeveer zes procent bedraagt van het totaal in de beschouwde Westeuropese landen, zou het bij een evenredig aandeel 3 van de 45 R&D-centra aan moeten trekken. Met 5 vestigingen is dus alles behalve sprake van een slechte score. Maar het is inderdaad minder dan bij de Europese hoofdkantoren en distributiecentra, waarin Nederland niet alleen relatief maar ook absoluut gezien tot de top behoort; van de laatste categorie had Nederland in de periode 1991-1992 met een marktaandeel van 60% zelfs meer nieuwe vestigingen dan alle andere Westeuropese landen samen! [C-Buck1] Dat is bijna een factor tien hoger dan het aandeel waar Nederland 'recht' op zou hebben gezien de relatieve omvang van het BBP. Gemeten over een langere periode ontstaat een vergelijkbaar beeld, zoals de grafieken op de volgende pagina laten zien. Ook gemeten naar de werkgelegenheid die met deze distributiecentra verbonden is, scoort Nederland hoog. De helft van de werkgelegenheid die Amerikaanse, Japanse en Scandinavische bedrijven in Noordwest-Europa bij de distributiecentra genereren, komt in Nederland terecht. Deze gegevens zijn onder andere te vinden in een artikel van de voorzitter van de vereniging Nederland Distributieland, ex-minister Andriessen [D-A3]. In deze nieuwe rol concludeert Andriessen: "Nederland is als distributieland goed gepositioneerd in de nieuwe dynamische wereldmarkt".

De schets van EZ over de ondervertegenwoordiging van R&D-centra van buitenlandse bedrijven valt niet op conto van wetenschappers te schrijven en valt daarmee in feite buiten de vraagstelling van dit boek. Toch is het door EZ geschetste beeld een nadere beschouwing waard. Het geeft nader kleur aan de fixatie op R&D, een fixatie waar ook veel onderzoekers last van hebben, zoals in de voorgaande hoofdstukken is gebleken.

Vanwaar die zorgwekkende geluiden? Op die vraag zal ik in dit hoofdstuk ingaan door de berichtgeving van beleidmakers over wetenschap en technologie te vergelijken met het beeld dat journalisten naar buiten brengen over de topsport. In het tweede deel van dit hoofdstuk zal ik nagaan of en welke lessen uit de topsport getrokken kunnen worden voor de inrichting van de kennisinfrastructuur.

20.1 kleinzielig kikkerland

De samenstelling van de internationale R&D-hitlijsten doet denken aan overzichten van sportieve prestaties. De score van Nederland op het gebied van de distributie vertoont overeenkomsten met de prestaties van de Nederlandse heren bij internationale schaatskampioenschappen en de score bij de Europese hoofdkantoren van Japanse en Amerikaanse moederbedrijven laat zich vergelijken met prestaties van de nationale teams bij volleybal en hockey. Het aandeel bij de Amerikaanse en Japanse R&D-centra valt te vergelijken met de successen van het Nederlandse voetbal; gemeten over een reeks van jaren loopt Nederland --zowel bij de clubs als op nationaal niveau-- achter bij de Duitsers en Italianen, en wellicht ook bij de Spanjaarden en Engelsen. Maar geldt dat ook voor een vergelijking met Beieren, Toscane, Catalonië of Greater London?

Waar EZ terneergeslagen reageert op het vermeende tekort bij nieuwe R&D-vestigingen, klagen sportverslaggevers als Nederlandse teams naast een overwinning grijpen. De klaagzang over het vermeende ondermaatse presteren beperkt zich niet tot het relatief prestigieuze voetbal; bij Olympische Spelen wordt even hard getreurd, ook als Nederland meer medailles in de wacht sleept dan 'rechtvaardig' is op grond van de omvang van het land. Waar potentiële kampioenen opstaan, zoals de nationale volleybalploeg bij de mannen en de beide nationale hockeyteams, moet het meteen olympisch goud zijn. En als het hoogste podium wordt bereikt, dreigen opnieuw alle proporties uit het oog te worden verloren door te wijzen op het feit dat een klein land zo hoog is gestegen. De grillige grens tussen overmoed en zelfvertrouwen werd zeer scherp onder woorden gebracht door de fietsende schaatsers of schaatsende wielrenster Ingrid Haringa. In een interview zei zij [D-L6]; "Als de Amerikanen zeggen dat ze een gouden plak willen winnen, dan hebben ze een sportkarakter. In Nederland lijd je aan hoogmoedswaanzin. Maar wanneer ik zeg dat ik streef naar een plek bij de eerste acht, dan heb ik geen zelfvertrouwen. Je doet het toch nooit goed". Met een zilveren en een bronzen medaille zou zij in Atlanta overigens voortreffelijk voor de dag komen.

Dat sporters de hoogste trede van het podium willen beklimmen, is volkomen terecht, maar dat sportverslaggevers meteen een negatieve toon aanslaan en naar verklaringen zoeken waarom het (weer) is misgegaan, is veel minder logisch. Bij dat 'weer' is het geheugen overigens vaak van korte duur. Zeer scherp merkte ik dat toen PSV voor de zoveelste keer landskampioen werd. De reporter klaagde over het ontbreken van aansprekende successen van Ajax, terwijl de Amsterdammers nog geen jaar daarvoor de Europacup 2 wonnen. Zelfs de geïnterviewde Ajaxied bracht dit wapenfeit niet naar voren. Gelukkig heeft Van Gaal zich niet door dergelijk defaitisme laten infecteren, anders zou Ajax niet zo snel daarna de ongeslagen status in de hoogste Europese voetbalcompetitie naar recordhoogte hebben gestuwd.

Zij zijn groot en ik is klein. En dat is niet eerlijk. Zijn wij de Calimero's van deze wereld? Het lijkt er vaak op. Vechtend voor rechtvaardigheid willen we als klein land op alle gebieden met de besten mee kunnen doen. En natuurlijk nog winnen ook. We willen Duitsers en Argentijnen verslaan bij het voetballen, Italianen en Cubanen bij het volleybal, Australiërs en Duitsers bij het hockey, Noren bij het schaatsen, Russen bij het schaken, Spanjaarden en Italianen bij het wielrennen, Amerikanen en Zweden bij het tennis, enzovoort. En laten we eerlijk zijn, een evenredig aandeel spreekt ook niet echt tot de verbeelding. Rekening houdend met de omvang als wielernatie zou bij de Tour de France gemiddeld hoogstens één Nederlander recht hebben op een etappe-overwinning. Toen die score zich in 1995 voordeed, overheerste zwartgalligheid over de prestaties van de Nederlanders. Het is natuurlijk ook matig vergeleken met vroegere glorietijden toen Nederlanders grossierden in etappe-overwinningen en in de voorste linies streden om de gele trui, de regenboogtrui, enzovoort. Twintig jaar geleden veroverden Nederlanders bijna alle wereldtitels. In 1995 was er weer een Nederlandse amateur die bij de wegrenners de regenboogtrui om zijn schouders mocht trekken. Maar hij was een uitzondering, zoals de commentatoren ons de volgende dag bij herhaling zouden inprenten.

20.2 succesrijke schaalgrootte

Er zijn nog twintig renners in de strijd in het Colombiaanse hooggebergte. Mart Smeets constateert dat 'we' niet mee tellen bij de wereldkampioenschappen wielrennen voor wegrenners bij de professionals, zoals 'we' ook onzichtbaar waren bij andere internationale wieler-evenementen. De afwezigheid van Nederlanders noemt Smeets een bevestiging van een bevestiging. Nu wil ik niet het tegendeel beweren, maar gezien de omvang van de Nederlandse wielersport had Nederland statistisch toch hoogstens recht op één vertegenwoordiger bij de laatste twintig. Veel andere kleine wielerlanden, zoals België, Duitsland en Engeland, wisten net als Nederland geen gebruik te maken van het statistische 'recht' op een vertegenwoordiger in de kopgroep. Van een echte oververtegenwoordiging was alleen sprake bij Zwitserland met drie renners in de top-tien. Van de grote wielerlanden scoren Spanje en Italië met vier renners in de top-twintig naar behoren, terwijl Frankrijk met één renner op de zesde plaats beneden zijn wielerstand presteerde.

Neem een groot land, dat 'recht' heeft op 25% van de prijzen en een kleiner land dat met 5% genoegen moet nemen. Dit betekent dat het grote land gemiddeld vijf vertegenwoordigers bij de top-twintig heeft en het kleine land één. Maar is de kans dat de vertegenwoordiger uit het kleine land wint dan ook vijf maal kleiner dan de kans dat iemand uit het grotere land wint? Wie de uitzending van het wereldkampioenschap in Colombia heeft gezien, moet tot de conclusie komen dat dit zeker niet zonder meer het geval is. De belangrijkste regisseur van de finale was de Spanjaard Indurain die in de wielersport al enkele jaren tot de buitencategorie behoorde, zoals dat eerder ook gold voor Merckx en Hinault; zulke talenten worden eens in de tien jaar geboren en hun prijzenkast vertekent de krachtsverhoudingen in het brede peloton. Indurain werd overigens geen kampioen, maar tweede achter landgenoot Olana. Geen slechte renner, anders word je geen kampioen, maar zou hij ook gewonnen hebben als de wielersport een puur individuele aangelegenheid was? Het is op zijn minst twijfelachtig of Olana kampioen zou zijn geworden bij afwezigheid van Indurain. De kans op winst zou zelfs zonder de twee in de achterhoede gefinishte landgenoten veel kleiner geweest zijn. Met andere woorden, Olana is mede kampioen geworden omdat Spanje over de sterkste ploeg bleek te beschikken. En de meeste tegenstand kregen de Spanjaarden van de Italianen, die ook met vier renners bij de eerste twintig eindigden.

Hoe groot is de kans dat kleine landen een evensterke ploeg kunnen samenstellen als grote landen? Het verschil is in elk geval veel groter dan de factor vijf die gold voor de boven gefingeerde landen voor puur individuele sportprestaties. De wielersport is nog voldoende individueel dat ook kleine landen een kans maken een wereldkampioen te leveren, zoals in Colombia werd bewezen door onze landgenoot Nelissen die de winnaar werd bij de amateurs, ondanks een sterk ploegenoverwicht van Italianen en Colombianen. Maar hoeveel winstkansen zijn er bij sporten waar de winstkans een optelsom is van individuele prestaties, zoals bij estafette in de atletiek en zwemsport? Voor teamsporten lijken weer andere factoren in het geding te zijn, althans die indruk ontstaat uit de prestaties tijdens de Olympische Spelen in Atlanta waar drie van de vier gouden 'Nederlandse' medailles op naam van teams staan.

Op de Forumpagina's van de Volkskrant ontspon zich na afloop van de Spelen een discussie over de klassering van de verschillende landen. Dat de VS veel meer medailles in de wacht sleepte dan Nederland is niet verwonderlijk gezien het verschil in grootte. Twee Rotterdamse economen deelden het aantal medailles door het nationaal inkomen en concludeerden dat met de ene zilveren medaille het kleine Tonga de ranglijst zou moeten aanvoeren [D-K7]. Met een gouden medaille kwam Burundi op de tweede plaats en grootpresteerder Cuba zou met zijn 25 medailles op de derde plaats moeten komen. Nederland zou via deze rekenwijze op plaats 51 staan terwijl het op de vijftiende plaats stond in het officiële medailleklassement. Als alleen naar inwonertal wordt gecorrigeerd, zou Nederland ook op de vijftiende plaats staan. In dat geval zou Nieuw-Zeeland de lijst aanvoeren, voor Ierland, Cuba, Denemarken en Hongarije.

Op basis van een iets geavanceerder model rekenden de economen De Koning en Olieman voor dat Nederland op de 23ste of 26ste plaats zou moeten staan gezien de omvang van de bevolking, de welvaart en de participatiegraad van vrouwen [D-K9]. Het lijkt terecht om het ontwikkelingspeil van landen in beschouwing te nemen, maar zo sterk als deze economen dat doen, lijkt mij niet juist. Veel Afrikaanse atleten maken bijvoorbeeld gebruik van Europese en Amerikaanse sportvoorzieningen die in het armlastige vaderland onbetaalbaar zouden zijn. Daar staat tegenover dat velen van hen zich in het trainingsland laten naturaliseren en derhalve het potentieel van de westerse landen vergroten. De Koning en Olieman zien dat als reden om de BBP-relativering te versterken, maar mij lijkt dat ontwikkelingslanden hierdoor minder talent verliezen dan ze winnen door gebruik te maken van buitenlandse trainingsfaciliteiten. Zonder deelname aan de Europese voetbalcompetities zou Nigeria in 1996 naar alle waarschijnlijkheid (nog) geen olympisch voetbalgoud hebben gewonnen.

Mede als reactie op de 'BBP-relativering' kwamen verschillende Volkskrantlezers met alternatieve berekeningen. Het volleybalgoud is door een team veroverd en zou eigenlijk voor zes medailles moeten tellen [D-B4]. Als die correctie voor alle sporten wordt doorgevoerd, zou Nederland op de vijfde plaats staan, na de VS, Duitsland, Rusland en Australië. Bij correctie naar inwonertal zou Nederland zelfs derde staan, achter Denemarken, Cuba en voor Kroatië en Australië.

Het gaat mij niet om de vraag welke rekenmethode het beste is. Het belang van de exercities kan wel zijn dat het kan helpen bij het zoeken naar relevante succesfactoren. Moeten teamsporten zwaarder tellen dan individuele sporten? Of zijn ze niet met elkaar vergelijkbaar en moet je ze afzonderlijk beschouwen. Bij teamsporten moet je de individuele kwaliteiten in dienst stellen van de ploeg. Dat geldt niet zozeer voor de estafette en wellicht ook niet voor de Holland-acht bij het roeien, maar wel voor volleybal en hockey. En ook voor wegrenners; Indurain die zich opofferde voor Olana.

Nederland lijkt relatief goed te zijn in teamsporten, in samenwerking dus. Betekent dit dat samenwerking relatief diep is geworteld in de Nederlandse cultuur? En wordt die werkwijze afgeleerd via de in hoofdstuk vier beschreven focus op 'waarheid' die binnen de op individualiteit gerichte westerse wetenschappelijke traditie domineert? Als dat zo is, zou Nederland van de westerse landen in een relatief goede uitgangspositie verkeren om te profiteren van de oosterse voorsprong op het gebied van 'deugd'. Werkt de schaalgrootte van ons land dit in de hand? Het overzicht met de meervoudige telling voor teams zou in die richting kunnen wijzen; het zijn kleine landen die dat medailleoverzicht domineren en ze hebben die klassering allemaal te danken aan een of meer gouden medailles in een teamsport. Om dit soort vragen te kunnen beantwoorden, is een meer uitvoerige analyse nodig dan binnen het bestek van dit hoofdstuk mogelijk is. Vandaar dat ik van deze zijweg terugkeer naar de hoofdweg, naar de vraag over het belang van schaalgrootte.

De beschouwing over schaalgrootte kan tot op regionaal niveau worden doorgetrokken. Voetbal is een dermate grootschalige aangelegenheid, dat de meeste topclubs in grote steden zijn gevestigd; alleen daar zijn voldoende potentiële toeschouwers om de tribunes zodanig te kunnen vullen dat internationaal toptalent aangetrokken/behouden kan worden en is de toestroom van jeugdig talent voldoende groot voor een natuurlijke vervanging van 'pensionerende' spelers. Maar Sittard is groot genoeg om jarenlang de handbalcompetitie te kunnen domineren. Voor sommige takken van sport is Nederland te klein voor een levensvatbare competitie van internationaal niveau; uitwijken naar de Duitse competitie biedt voor individuen de mogelijkheid om toch de nodige competitie-ervaring op te doen.

20.3 geografische grenzen

Met welke tak van sport kunnen we de situatie op R&D-gebied vergelijken? Een blik op de industriële kaart van Europa laat zien dat de elektronica- en vooral de automobielindustrie vrijwel volledig zijn geconcentreerd in grote stedelijke agglomeraties, terwijl dat voor de chemie en de textielindustrie veel minder geldt. De produktie van auto's is grootschaliger dan de textielindustrie en vraagt derhalve relatief veel arbeidskrachten in de omgeving van de fabriek. In die omgeving zijn tevens bedrijven nodig als toeleveranciers, en een concentratie van toeleverende bedrijven biedt duidelijke vestigingsvoordelen voor de bouw van een nieuwe fabriek. Het belang van verstedelijking komt ook naar voren in analyses van ruimtelijke economen die concluderen dat de verstedelijkte centra een gunstiger economische ontwikkeling kennen dan de afgelegen streken in de periferie. Zuid-Limburg en Oost-Groningen behoorden in Nederland tot de achtergebleven regio's.

Voor R&D lijkt het zo mogelijk nog belangrijker dat grote populaties zijn te vinden binnen een relatief klein gebied. In Frankrijk is bijvoorbeeld de helft van de R&D geconcentreerd rond Parijs en staat het gebied rond Lyon afgetekend op de tweede plaats. Naast de concentratie van industrie rond grote steden, dragen ook de aldaar gevestigde universiteiten bij tot de concentratie van R&D. Ook in de voormalige Sovjet-Unie was de R&D oververtegenwoordigd in het grootste land en geconcentreerd in de grootste steden: tweederde van de R&D in de vroegere Sovjet-Unie werd uitgevoerd in Moskou en Sint-Petersburg. De Oekraïne, gemeten in BBP het tweede land, stond op de tweede plaats met een aandeel van 17% dat vooral gesitueerd was rond Kiev [E-ISR, p. 315].

Vanuit verstedelijkingsoptiek verschilt Nederland sterk van veel andere Europese landen, waar veel regio's in feite bestaan uit een grote kern met een relatief dunbevolkte omgeving. Dat geldt niet alleen voor Parijs en Lyon in Frankrijk, maar evenzeer voor Madrid en Milaan. Op regionaal niveau wordt dit doorgezet. Andalusië bestaat uit steden als Sevilla, Grenada en Cordoba die de hoofdsteden van de gelijknamige provincies zijn en in Toscane is het met Florence, Sienna en Pisa niet anders. In Nederland heeft alleen de provincie Groningen zo'n structuur, zoals ook afgeleid kan worden uit de aanduiding 'stad en ommeland'. Wat betreft bevolkingsaantal is de Randstad vergelijkbaar met steden als Parijs en Londen, maar dat geldt niet voor de ruimtelijke ordening. Het ontbreken van een Randstedelijke metro --de metro's van Amsterdam en Rotterdam zijn vanuit het perspectief van een metropool slechts verbindingen op wijkniveau-- maakt vervoer binnen de Randstad tot een tijdrovende bezigheid. Als de ruimtelijke structuur van grootstedelijke agglomeraties een aantrekkelijke vestigingsfactor vormt voor R&D en sommige takken van de industrie, biedt Nederland voor die activiteiten geen optimaal vestigingsklimaat. De vergelijking met de situatie op cultureel gebied dringt zich op, waarbij de Randstad minder op wereldniveau te bieden heeft dan bijvoorbeeld Londen en Parijs. En dat geldt ook voor het stedelijk versnipperde Ruhrgebied. Dit betekent niet dat het groene hart volgestort moet worden met beton --hoewel dat misschien beter is dan het bouwen tegen de duinen en andere unieke Randstedelijke natuurgebieden-- maar wel dat in becijferingen van de technologische infrastructuur (ook) rekening gehouden zou moeten worden met de ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 21 kom ik bij de verdere verkenningen nader op dit punt terug.

De geciteerde cijfers over nieuwe buitenlandse vestigingen laten zien dat Nederland niet apert slecht presteert; met vijf nieuwe R&D-centra van Amerikaanse en Japanse moederbedrijven is zeker geen sprake van grote aantallen, maar dat heeft te maken met de relatieve omvang van Nederland. Dat Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk als regel vier of vijfmaal zo hoog scoren, is een constatering die wij maar moeilijk kunnen verdragen, zoals ook afgeleid kan worden uit de Nederlandse sportverslaggeving. Je kunt natuurlijk de ambitie hebben om stelselmatig boven het gemiddelde te presteren, zoals op sportgebied bijvoorbeeld het geval was bij landen uit het voormalige Oostblok, in bijzonder de DDR. Dat vergt boven-proportionele investeringen, maar het is mogelijk daarvoor te kiezen. Als Nederland die keuze zou maken -- de wijze waarop EZ R&D-uitgaven presenteert, wijst er op dat die wens binnen het overheidsapparaat leeft -- is de vraag of de gemaakte vergelijking met de sport ook een indicatie geeft van de manier waarop zo'n stimuleringsbeleid vorm zou kunnen krijgen. Het minste wat van je geëist kan worden, is dat de investeringen rendement opleveren. De investeringen in de sport leidden tot ongekende sportprestaties door atleten uit de DDR. Welke mechanismen spelen een rol bij het aantrekken van wetenschappelijke en technologische kampioenen?

20.4 machtige metafoor

Uit de voorgaande paragrafen komen opmerkelijke overeenkomsten naar voren tussen de beeldvorming over sport en over technologie. Door de sportwereld als metafoor te gebruiken, kan een beter begrip ontstaan over de vertekende beeldvorming over de prestaties op wetenschap en technologie. De vraag is of de metafoor ook gebruikt kan worden in meer oplossende zin; kunnen overeenkomsten met de situaties in de sportwereld ons op het spoor van mogelijke oplossingen zetten voor problemen op het gebied van wetenschap en technologie? Vanuit die vraagstelling zal ik in de rest van dit hoofdstuk door de sportieve spiegel kijken.

De bijdrage aan het wereldwijde wetenschappelijk onderzoek bedraagt ongeveer 1%, hetgeen zou betekenen dat Nederland ook 1% van de Nobelprijswinnaars zou moeten voortbrengen.(61) Gemeten over een reeks van jaren is sprake van een bevredigende score, althans gerekend naar het aantal laureaten dat in Nederland is geboren. Indien wordt gekeken naar het land waar de betrokkenen werken, lijkt de score voor Nederland lager uit te vallen. Paul Crutzen werkt in Duitsland en alleen zijn uitspraak maakt al duidelijk dat hij het grootste deel van zijn leven in het buitenland heeft vertoefd. Hoeveel toptalent weet Nederland in eigen land vast te houden en hoeveel buitenlandse toppers vestigen zich hier? Anders gezegd, biedt Nederland een aantrekkelijk werkklimaat voor de wetenschappelijke Overmarsen en Litmanens?

Nederland biedt plaats voor topvoetballers omdat er een grote differentiatie bestaat tussen teams.(62) Kan Nederland internationale aantrekkingskracht op wetenschappelijk talent uitoefenen via dertien gelijkwaardige universiteiten? Voor de VS wordt het al moeilijk een dozijn te noemen dat zich kan meten met de buitenlandse Ajaxen in de universitaire wereld; de opsomming van Amerikaanse topinstellingen bevat meestal universiteiten in Californië en Massachusetts. Massachusetts heeft gezien de omvang (6 miljoen inwoners) een opmerkelijke concentratie met twee van de allerbeste universiteiten ter wereld (MIT en Harvard), maar de 80 andere universiteiten en seniorcolleges spreken internationaal minder tot de verbeelding.

De concentratie van technologie-gedreven bedrijven in Massachusetts (Route 128) en in Californië (Silicon Valley) wordt vaak in verband gebracht met de nabij gelegen universiteiten, waarmee tevens het economisch belang van wetenschappelijke topinstellingen wordt benadrukt. Het is echter de vraag of de concentratie van technologie-gedreven bedrijven het gevolg is van de rook van top-universiteiten; veel bedrijven langs de Route 128 eten uit de ruif van de overheid, in het bijzonder van het Pentagon. Als sprake is van een substantiële aantrekkingskracht, hebben we het over bedrijvigheid rond de echte top-instellingen, zoals in hoofdstuk zes reeds is geconstateerd. Binnen Europa heeft vooral het Verenigd Koninkrijk een traditie met een gedifferentieerd stelsel van hoger onderwijs. In Engeland lijkt sprake van een concentrering van bedrijfs-R&D nabij gerenommeerde universiteiten. Zo kiezen opvallend veel Japanse bedrijven Cambridge als vestigingsplaats voor hun Europese R&D-centrum. Om een indruk te geven van het wetenschappelijk prestige van top-universiteiten; het Britse Cambridge heeft in totaal zestig Nobelprijzen in de wacht gesleept. Hoe sterk de concentratie van kwaliteit is, blijkt als de omvang van sommige universiteiten in acht wordt genomen. De Universiteit Twente is ongeveer even groot als het Amerikaanse Caltech dat kan prijken met 22 Nobelprijswinnaars. Ter vergelijking, de Nobelprijs die Paul Crutzen in 1995 kreeg, was de 13de die Nederland tot nu toe in totaal kreeg. Zoals gezegd is dat geen slechte score gezien de omvang van Nederland. En de score op natuurwetenschappelijk gebied is zeker niet slecht te noemen (zes voor natuurkunde, drie voor scheikunde en twee voor geneeskunde; de twee resterende waren voor de economie en de vrede).

20.5 talentrijke toppers

Gezien de omvang van het Verenigd Koninkrijk kan Cambridge uit een groot reservoir putten voor de selectie van toptalent en kan zodoende meer Nobelprijzen verzamelen dan voor de meest uitmuntende Nederlandse universiteit ooit haalbaar zal zijn. Het moet echter wel mogelijk zijn een evenwicht te realiseren tussen toptalent dat naar het buitenland vertrekt en buitenlands talent dat zich in Nederland vestigt. Nu lijkt die balans vaak niet te bestaan. Het is weliswaar niet zo dat alle wetenschappelijke sterren (volledig) vertrekken, maar het lijkt er wel op dat een substantieel deel dat wel doet. Die conclusie dringt zich bijvoorbeeld op bij de beschouwing van de top-vijftig van de Nederlandse economen; in de top-tien komen acht mensen voor die in het buitenland werken terwijl dat bij de overige veertig maar voor vier geldt, waarvan één bij het IMF werkzaam is en één gedeeltelijk voor de RUG werkt. Bij de samenstelling van hitlijsten zijn wetenschappers in Angelsaksische landen vaak in het voordeel omdat zij van nature in Engelstalige tijdschriften publiceren, maar het verschil tussen de top en de rest lijkt toch te groot om daarmee het verschil te kunnen verklaren. De twee 'niet-Amerikaanse' economen zijn de inmiddels overleden Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen en de emeritus hoogleraar Geert Hofstede, die in hoofdstuk vier reeds uitvoerig ter sprake kwam.

De conclusie dat vooral toptalent naar het buitenland vertrekt, dringt zich ook op uit de door Jan Van Pelt gebundelde gesprekken met wetenschappers die Vlaanderen hebben verlaten; bijna de helft (acht van de achttien) is werkzaam aan Amerikaanse universiteiten waar weinig Europese universiteiten zich mee kunnen meten [A-P4].(63)

Als Nederland hoger wil scoren op de internationale R&D-hitlijst, en vooral sterker naar voren wil komen bij het aantrekken van buitenlandse R&D-vestigingen, lijkt het noodzakelijk dat de wetenschappelijke en technologische zichtbaarheid toeneemt. In internationaal perspectief betekent dit dat Nederland zou moeten opteren voor het Massachusetts van Europa. Dat betekent differentiatie tussen universiteiten, en met name ook differentiatie wat betreft arbeidsvoorwaarden voor het personeel en wat betreft toelatingseisen van studenten. In het Britse Cambridge heb ik horen zeggen dat zij hun toppositie te danken hebben aan de mogelijkheid om studenten te selecteren. Het is misschien niet helemaal een gedwongen wetmatigheid, zoals afgeleid kan worden uit het feit dat de ETH-Zürich een zeer grote internationale reputatie heeft hoewel het geen mogelijkheid heeft om via eigen selectiecriteria de instroom van studenten te reguleren. Vice-president Hütter vertrouwde mij echter wel toe dat de ETH het selectiemechanisme aan het begin van de poort node mist. Dat deze universiteit toch tot de internationale top behoort, kan volgens mij niet los worden gezien van het feit dat sprake is van een voorkeursbehandeling door de overheid; het is een van de twee universiteiten die door de federale overheid wordt gefinancierd. Binnen de Nederlandse verhoudingen lijkt deze constructie nog moeilijker realiseerbaar dan het toelaten van selectie aan de poort; ik zie de reacties al voor mij als de regering zou besluiten om de TU Delft en de RU Leiden centraal te financieren en de middelen voor de andere universiteiten aan de provincies over te laten.

Het gaat mij hier overigens niet primair om de vraag of Nederland een keuze moet maken voor een sterke differentiatie binnen het universitaire systeem, maar om de conclusie dat het weinig zin heeft om over topinstituten, versterking van kruisbestuiving, enzovoort te spreken, zonder daarbij de noodzaak tot differentiatie in beschouwing te nemen.

Vroeger ging maar een zeer klein deel naar het hoger onderwijs. Volgens de volkstelling uit 1960 had 4,4% van de beroepsbevolking toen een voltooide opleiding aan universiteit of hogeschool genoten. In 1983 was dat aandeel al gestegen tot bijna 15% en nu heeft 24% van de beroepsbevolking een voltooide hogere opleiding genoten. Beperken we ons tot de universiteiten, dan blijkt dat thans 7,5% van de beroepsbevolking een academische opleiding heeft genoten; in 1980 was dat minder dan 3,5% [C-NOWT]. Het percentage hoger opgeleiden zal de komende jaren ongetwijfeld stijgen. Op basis van CBS gegevens komt de WRR tot de conclusie dat bijna de helft van de 18 en 19 jarigen zich inschrijft voor het hoger onderwijs; 31% kiest voor het HBO en 17% voor een universiteit [C-WRR].

Voor veel richtingen vervaagt het onderscheid tussen HBO en WO. De afgestudeerden uit het WO zijn niet zozeer beter alswel anders; de HBO-er is meer op de praktijk gericht terwijl de WO-er sterker theoretisch is geschoold. Om ook de zwakke helft van de instroom kans van slagen te geven, moet een opleiding worden afgestemd op mensen met een intelligentie die beneden het gemiddelde van de betrokken groep ligt. Dat geldt zeker als intelligentie volgens de gangbare (Gauss)-verdeling over de instroom is gespreid. Als de helft van een bepaalde leeftijdsgroep naar het hoger onderwijs doorstroomt, betekent dit dus dat het opleidingsniveau afgestemd moet zijn op mensen met een intelligentie die beneden het gemiddelde van de bevolking ligt.(64) Althans dat geldt als voor elke instelling dezelfde eisen omtrent instroom en uitstroom gelden, dat wil zeggen als iedereen met een VWO-diploma aan alle universiteiten en hogescholen moet kunnen studeren.

Vaak wordt beweerd dat het middelbaar onderwijs in de VS slecht is, maar hoe is het dan mogelijk dat zij toch relatief veel van de beste universiteiten hebben? Dat kan volgens mij niet los gezien worden van het feit dat er selectieregels zijn die goede studenten en minder goede studenten van elkaar scheidt. Californië telt met Berkeley en Stanford universiteiten die tot de absolute wereldtop worden gerekend. Maar niet elke aspirant student kan tot die instellingen doordringen. Wettelijk is vastgelegd dat alle middelbare scholieren recht hebben op hoger onderwijs, maar niet aan elke instelling; de beste 12% kan terecht bij een van de negen topinstellingen van de University of California, de beste 33% kan terecht bij een van de twintig California State Universities en de rest mag naar een van de 107 Community Colleges [D-V3]. Deze getallen laten zich niet automatisch naar Nederland vertalen, daarvoor zijn de verschillen in de opzet van het middelbaar en hoger onderwijs te groot. Maar het idee dat niet iedereen met een geschikte vooropleiding tot elke instelling van hoger onderwijs wordt toegelaten, valt wel te vertalen.

Op mijn wandelingen door de duinen kom ik regelmatig joggers tegen. Laten we aannemen dat zij tot het kwart meest getalenteerde hardlopers behoren; zeg maar tot de VWO-ers onder de wandelaars. Zouden zij allemaal geschikt zijn voor een opleiding tot wedstrijdloper? Als we vergelijkbare criteria zouden toepassen als bij de toelating tot de universiteiten, zouden we hen wel allemaal tot de hoogste categorie atletiekscholen moeten toelaten. En daarbij ook nog de verwachting koesteren dat af en toe een olympisch kampioen opstaat.

Er worden veel bezwaren uitgesproken tegen selectie in het hoger onderwijs. Stel je voor dat een talent ten onrechte zou worden uitgeselecteerd (iets wat bij loting blijkbaar geen bezwaar is). Dat zou zonde zijn, maar als het echt talent is, dan verloochent zich dat niet. Zoals in hoofdstuk twaalf bleek, kan het voor talenten als Einstein al moeilijk zijn om langs de ogenschijnlijk selectie-arme weg naar het hoger onderwijs door te stromen. Dat hij tot de top wist door te dringen, zou een aanduiding kunnen zijn dat talent altijd boven komt drijven. Zo ver zou ik niet willen gaan. Maar je kunt wel de vraag stellen of het voor de maatschappij een ramp was geweest als hij buiten de natuurkunde terecht was gekomen. Misschien waren zijn talenten op andere terreinen nog wel veel meer waard geweest. Maar de gedachte dat iemand ook op andere terreinen zou kunnen uitblinken, lijkt niet snel bij ons op te komen. En als die optie uit beeld verdwijnt, is het inderdaad zonde om potentieel talent de deur te wijzen. De constatering van een journalist dat Anton Geesink zijn maatschappelijke carrière aan het judo te danken had, werd door de olympisch kampioen gepareerd met de opmerking dat hij er van overtuigd was dat hij ook langs andere weg de top bereikt zou hebben, bijvoorbeeld als hoogleraar.

Overigens valt uit het geschetste portret van Einstein op dat juist de mazen in het selectiesysteem hem naar de top brachten. Het ontbreken van die mazen zouden wel eens een belangrijke drempel kunnen zijn in de ontwikkeling van top-talent. In 1996 lijkt de aspirant student Meike Vernooy hiervan de dupe van te zijn met haar uitloting voor de studie geneeskunde. Of beter, de Nederlandse samenleving lijkt hier de dupe te worden. De schade zou beperkt blijven als Nederland een gesloten systeem zou zijn; als zij inderdaad een talent is, komt dat ook via andere studiewegen wel tot uiting. Maar Nederland is geen eiland. Als zij zo speciaal gemotiveerd is voor de geneeskunde, kan zij met een VWO-lijst van louter negens en tienen bij elke buitenlandse top-universiteit terecht. Met als kans dat Nederland haar voorgoed kwijt is. En hoe reageren we als haar talent zich zo ver zou ontwikkelen dat zij ooit de Nobelprijs zou winnen? Net zoals bij de toekenning van de Nobelprijs aan Paul Crutzen? In de statistieken wordt die prijs aan Nederland toegewezen. Zoals gezegd, blijkt reeds uit zijn uitspraak dat Crutzen al zeer lang in het buitenland woont. Dit lijkt echter niet alleen verband te houden met het feit dat Nederland geen instituut zou hebben waar Nobelkwaliteit zich in thuis voelt. Het begon bij de afwijzing van Crutzen voor een Nederlandse universiteit omdat hij buiten de regels viel, in dit geval de regels voor beurzen. Het werd daarom de MTS en na deze opleiding kwam hij in Zweden terecht. Daar werd zijn talent opgemerkt en de ruimte geschapen voor de daarbij behorende opleiding. Vanaf dat moment kon zijn wetenschappelijke loopbaan beginnen. In mijn optiek moet de Nobelprijs van Crutzen op conto van Zweden worden geschreven.

20.6 slimme selectie

In de Nederlandse discussie over selectie is sprake van zwart-wit redeneringen. Cijfers zeggen niet alles over iemands kwaliteiten. Dus: "Selectie van een goede student is lastig", zoals professor Drenth het met de titel van de Duijkerlezing 1995 uitdrukte. Volgens Drenth is de gewogen loting nog het beste compromis tussen het zogenoemde rechtvaardigheidsmodel en het rendementsmodel, een conclusie die (hernieuwd) de aandacht trok nadat Meike Vernooy de dupe van dit compromis was geworden [D-H2]. Drenth is een gezaghebbend persoon in de wetenschappelijke wereld  ten tijde van de Duijkerlezing was hij voorzitter van de KNAW  die pleit tegen selectie op basis van examencijfers. Van Kemenade mengde zich publiekelijk in de selectiestrijd ten tijde van de comotie over de toelating/afwijzing van Meike Vernooy; "Voor loting bestaat geen beter alternatief" betoogde de oud-minister in de Volkskrant [D-K4].

Maar zo eendimensionaal hoeven we deze problematiek toch niet aan te pakken. Als selectie mag, betekent dat toch niet dat elke universiteit voor elke studierichting eigen criteria moet ontwikkelen. En wie zegt dat op examencijfers geselecteerd moet worden? Een Amerikaanse top-universiteit die de toelatingseisen veranderde door alleen op cijfers te selecteren, kwam daar snel op terug nadat de prestaties in de sportcompetities terugliepen. Men vroeg zich af wat de missie van de universiteit was, en kwam tot de conclusie dat die niet lag bij het opleiden van de slimsten maar bij het afleveren van de besten, van de toekomstige leiders. Doorzettingsvermogen in de sport kan daarbij belangrijker zijn dan een cijferlijst die uit negens in plaats van uit zevens bestaat. Dus laat de universiteiten vrij in het vaststellen van de eigen criteria.

Selectie op maat zou gepaard moeten gaan met intake-gesprekken waar universiteiten de mogelijkheden niet voor zouden hebben. Maar als dergelijke gesprekken als middel gebruikt mogen worden, betekent dat toch niet dat ze ook gevoerd moeten worden, en dan ook nog met alle aspirant studenten. Je zou de gesprekken bijvoorbeeld kunnen beperken tot de uitzonderingen, bijvoorbeeld tot mensen met uitzonderlijke prestaties buiten de opleiding; sportkampioenen, amateur astronomen, organisatoren van schoolfeesten, enzovoort. Bedrijven letten bij de selectie vaak op dat soort nevenactiviteiten, dus waarom zouden universiteiten dat niet kunnen bij aankomende studenten?

Wie zegt overigens dat intake-gesprekken niet voor alle studenten mogelijk zijn? Bij de sollicitatieprocedures die ik heb meegemaakt -- zowel aan werknemers- als aan werkgeverszijde -- moesten twee of drie mensen vaak honderden brieven doorlezen om vervolgens met een tiental mensen een gesprek te voeren. Daar bleven twee of drie mensen van over voor een tweede ronde die bestond uit gesprekken waar vaak ook de toekomstige collega's aan deelnamen. Soms volgde ook nog een derde ronde, bijvoorbeeld een psychologisch onderzoek. In totaal kost deze selectie aan werkgeverszijde ruwweg een werkweek. Als een geworven personeelslid gemiddeld vier jaar blijft en jaarlijks voor een ton op de loonlijst staat, kost een nieuw personeelslid de organisatie over de gehele toekomstige dienstperiode gemiddeld vier ton. Met andere woorden, gemiddeld is één uur selectie nodig om voor tienduizend gulden aan nieuwe arbeid te genereren. Er is geen enkele studierichting die studenten voor tienduizend gulden naar de bul voert. Waarom zou een selectiegesprek van een uur dan niet binnen de mogelijkheden van de universiteiten liggen?

Een land dat op de toekomstige kenniskaart van de wereld zichtbaar wil zijn, kan naar mijn overtuiging niet volstaan met een universitaire eenheidsworst. Voor Nederland betekent dit dat meer differentiatie en dynamiek binnen het hoger onderwijs moet worden toegestaan. Wat de gevolgen van de nieuwe vrijheidsgraden zullen zijn, valt niet te zeggen. Immers, in meerdimensionale dynamische systemen zijn de mogelijkheden tot voorspellen beperkt, zoals in de hoofdstukken 9, 10 en 11 is betoogd. Maar zonder de kracht van het zelfregulerend vermogen van een dynamisch systeem lopen we vroeger of later vast. En waar regulering te lang de boventoon blijft voeren, kunnen rampzalige situaties ontstaan als de centrale regie echt onhoudbaar wordt. De politieke ontwikkelingen in Oost-Europa sinds het neerhalen van de Berlijnse Muur illustreren dat.

20.7 europese elite

Selectie en differentiatie zijn binnen het universitair systeem noodzakelijk, maar lijken niet voldoende om kleinere landen als Nederland zich internationaal goed te laten profileren. Niet alleen omdat Nederland relatief weinig universiteiten telt, maar vooral ook omdat voor een klein land relatief weinig mogelijkheden bestaan zoveel toptalent te rekruteren dat daar een volledige universiteit mee is te vullen. Nederland is te klein voor één instelling ter grootte van het Britse Cambridge. En de grote Europese landen zijn te klein om een tiental van die instellingen binnen de eigen grenzen te herbergen, zoals dat voor de VS wel mogelijk blijkt te zijn. De onderlinge concurrentie tussen de Amerikaanse top-universiteiten zal de kwaliteit daar ten goede komen. Vanuit dat perspectief is het niet verwonderlijk dat de VS een grote aantrekkingskracht uitoefent op internationaal wetenschappelijk talent. Gezien de aantrekkingskracht van top-universiteiten op R&D-centra zal dit alles ongetwijfeld een positief effect hebben op de totale R&D-inspanningen in grote landen. Kortom, voor een internationaal competitieve infrastructuur moet de ontwikkeling van universiteiten op Europese schaal worden gestimuleerd.

Voor de zoveelste keer heeft een beschouwing over de situatie op het gebied van wetenschap en technologie ons doen belanden bij het onderwijssysteem. Voor goed onderzoek is goed onderwijs nodig. Het wederzijdse belang wordt echter meestal in de omgekeerde volgorde uitgedrukt; voor goed onderwijs heb je goed onderzoek nodig. Op zich zijn beide invalshoeken correct, maar de vraag is waar het goede aangrijpingspunt voor beleid ligt. Vrijwel zonder uitzondering wordt die in de praktijk bij het onderzoek gelegd, dus bij mensen die al het hele onderwijssysteem hebben doorlopen. Dat is een end of pipe aanpak die mij bepaald onlogisch voorkomt. In Nederland wordt momenteel veelvuldig gediscussieerd over technologische topinstituten. Voor zover ik kan zien, gaat het daarbij in de meeste voorstellen eerst en vooral om onderzoek. Wie in eigen land een of meer topinstellingen wil, zou volgens mij moeten nagaan op welke gebieden de kracht ligt. Voor Nederland is dat met name de distributiefunctie. Zoals eerder is geconstateerd, worden binnen Europa nergens de logistieke regisseurs van de toekomst opgeleid. Wat ligt er meer voor de hand dan om op dat terrein de speerpunten te kiezen? Vanuit de opleidingsbehoefte zou zo'n instituut gestalte kunnen krijgen. De werkwijze die binnen het Nederlandse volleybal is gekozen, zou daarbij tot inspiratie kunnen dienen; geen kleinzielig geklaag in eigen land dat de buitenwereld zo groot is, maar geloven in eigen kracht.

Noten

60. Zowel Rinnooy Kan als de EZ-nota ontlenen hun gegeven aan gegevens van Buck Consultants International uit 1995 [C-Buck2]. In eerdere publicaties van Buck komt een zelfde profiel van buitenlandse investeringen naar voren.

61. In feite is de Nederlandse bijdrage nog minder. Volgens het World Science Report 1993 waren er in 1990 wereldwijd tussen de 4 en 5 miljoen mensen in de R&D werkzaam [C-UP, p. 140]; voor Nederland bedroeg dat aantal 26.680 [C-UP, p. 45].

62. Deze differentiatie kan onder druk komen te staan als de inkomsten uit sportuitzendingen gelijkmatig over de verschillende teams wordt verdeeld.

63. Acht geïnterviewden aan Amerikaanse universiteiten zijn verbonden aan Caltech, Stanford, Berkeley, Harvard, MIT (2x), Yale en Pennsylvania. De andere tien zijn werkzaam bij Amerikaanse bedrijven en Canadese universiteiten.

64. Ik gebruik hier bewust termen als slimheid en intelligentie door elkaar, om te vermijden dat de lezer meteen in hokjes gaat denken. Het gaat mij hier niet om de vraag of I.Q. gedefinieerd kan worden, maar wel om de veronderstelling dat niet iedereen even geschikt is voor elke opleiding. Het feit dat het moeilijk is om de begaafdheid te meten, versterkt alleen maar dit betoog; als gevolg van de moeilijke meetmethode is de spreiding in begaafdheid/intelligentie/slimheid/enzovoort nog groter.