21 Verdere Verkenningen


de passages tussen [..] zijn literatuurverwijzingen.

In het vorige deel kwam naar voren dat de gangbare macro-economische statistieken weinig houvast bieden voor steekhoudende conclusies over de technologische concurrentiekracht van een land, of het nu Nederland of Japan, Vlaanderen of Texas is. Dit betekent dat de meeste statistieken over R&D ook niet gebruikt kunnen worden als verklaring voor eventuele slechte economische prestaties. Als Nederland in economisch opzicht achterloopt bij andere hoog ontwikkelde landen, zijn er meer natuurlijke verklaringen te vinden dan de hoogte van de R&D. In dit hoofdstuk zoek ik enkele mogelijke oorzaken. De verschillende voorbeelden zijn niet bedoeld als bewijs; het feit dat er meer voor de hand liggende alternatieve verklaringen zijn, vormt de zoveelste illustratie van het beperkte, op de ene dimensie van de technologie gerichte blikveld van veel macro-economen alsmede van de beleidsmakers die in hun voetsporen treden.

21.1 nationale nering

De voorgaande hoofdstukken gaven voor Nederland bepaald geen zorgwekkend beeld over de economische toekomst. Nederlandse bedrijven investeren veel in het buitenland, hetgeen een teken is van vitaliteit en benutting van goede kansen. Dat geen sprake is van een algeheel vertrek uit Nederland blijkt uit de binnenkomende investeringen die relatief gezien tot de hoogste in Europa behoren. Hoe verhoudt dit beeld zich tot de in paragraaf 17.1 geciteerde stelling van het ministerie van Economische Zaken dat de groei van het inkomen per hoofd van de bevolking relatief laag is? Het eenvoudigste is de feitelijke juistheid van die stelling te ontkennen, hetgeen bijvoorbeeld mogelijk is op basis van gegevens van de Wereldbank [C-WB]: Nederland behoorde in de periode 1985-1993 tot de groep landen waar het BBP jaarlijks met gemiddeld 2 tot 3% groeide. Binnen de EU scoorden België en Luxemburg ook in dat gebied. Alleen de opkomende landen Spanje, Portugal en Ierland scoorden boven de 3%, terwijl in alle andere EU-landen de gemiddelde groei van het BBP tussen de 1 en 2% lag. Vrijwel alle landen met een jaarlijkse groei van meer dan 3% zijn in Azië te vinden, vanaf de westelijke grens van China en India. Wat betreft economische groei lijkt Nederland dus helemaal niet zo slecht te scoren, althans de laatste jaren lijkt die groei relatief hoog te zijn. Het inkomen per hoofd van de bevolking is naar Europese begrippen echter niet bijzonder hoog, hetgeen zou moeten impliceren dat in het verleden de groei van de Nederlandse economie bij vergelijkbare landen is achtergebleven.

Laten we gemakshalve aannemen dat uit cijfers blijkt dat Nederland op groei-achterstand is gezet. Maar ook als die groei niet zo laag is, zou de stelling van EZ staande kunnen blijven aangezien Nederland in de jaren tachtig van alle OESO-landen veruit de grootste groei van de werkgelegenheid liet zien. Tussen 1980 en 1990 groeide de nationale werkgelegenheid in Nederland met 26,1%, gevolgd door de VS met 18,5% en Zwitserland met 16,7%. Japan stond op de vijfde plaats met een werkgelegenheidsgroei van 10,5%, ruim voor Duitsland (6,7%), Frankrijk (3,7%), het Verenigd Koninkrijk (3,5%) en België (1,7%) [D-M4]. Gezien de groei van de werkgelegenheid zou je mogen verwachten dat het Nederlandse BBP sterker gestegen zou zijn. Houdt deze achterblijvende groei van het nationaal inkomen verband met het feit dat Nederland minder R&D doet, zoals in de aangehaalde EZ-nota wordt gesuggereerd? Dat zou kunnen, maar er zijn andere factoren die volgens mij eerder in aanmerking komen als verklaring voor het relatief lage inkomen per hoofd van de bevolking in Nederland.

Factoren die verband houden met de arbeidsparticipatie moeten in elk geval in beschouwing worden genomen bij het zoeken van verklaring voor een eventuele achterstand van het inkomen per hoofd van de bevolking. Als eerste valt daarbij op dat de arbeidsparticipatie van vrouwen in Nederland het laagste is van alle landen van de OESO. Dat was althans zo in 1977 (30%) en tien jaar later liet Nederland met een score van ruim 40% alleen Spanje en Ierland achter zich. Deze toename zou juist tot een stijging moeten leiden, ware het niet dat veel andere landen een vergelijkbare toename lieten zien. Maar de toename van de arbeidsparticipatie is voor Nederland wel zodanig dat hieruit geen relatieve achteruitgang van het inkomen per hoofd van de bevolking uit voort zou mogen vloeien. Die achteruitgang wordt echter wel plausibel als we ook rekening houden met het percentage deeltijdwerkers. Zowel bij de mannen als bij de vrouwen staat Nederland binnen de OESO op een onbedreigde eerste plaats met een score van 63% deeltijdwerkers bij de vrouwen en 13% bij de mannen. Noorwegen komt op de tweede plaats met 48 en 10%. Onze buurlanden staan op de 7de en 8ste plaats; Duitsland heeft 31% deeltijdwerkers bij de vrouwen en 2% bij de mannen terwijl België op 28 en 2% uitkomt [D-G2]. Kortom, als het inkomen per hoofd van de bevolking in Nederland minder snel is gestegen dan in de meeste andere landen, moet de oorzaak daarvan eerst en vooral worden gezocht in het feit dat de beschikbare loonruimte is besteed om vrije tijd te kopen; Nederland kent niet alleen het hoogste percentage deeltijdwerkers, zij werken gemiddeld ook nog het minste aantal uren per week. Wie er nog niet van overtuigd is dat deze ontwikkelingen veel relevanter zijn voor het inkomen per hoofd van de bevolking kan de cijfers vergaren over arbeidsparticipatie van ouderen. Geen land kent zo weinig vijftigers en zestigers die werkzaam zijn binnen het arbeidsproces. Via WAO, VUT en wat dies meer zij, worden -- of beter werden, gezien de pogingen het arbeidzame leven te verlengen -- velen aangemoedigd, of althans niet ontmoedigd, om het arbeidsproces te verlaten.

In het verlengde van deze beschouwing kun je vraagtekens zetten bij de pleidooien voor loonmatiging; die matiging leidt immers tot een druk op de groei van het BBP per hoofd van de bevolking. Je kunt nog verder gaan, zoals met name de Amsterdamse econoom Kleinknecht doet. Hij baarde opzien met zijn pleidooi voor een loongolf om de economie en de hoogwaardige technologie te stimuleren. In de pers kreeg deze stelling veel aandacht, zelfs zoveel dat minister Melkert van Sociale Zaken het nodig achtte publiekelijk te waarschuwen voor een loongolf. Voor de afdeling voorlichting van de VU kwam de overweldigende publieke belangstelling voor Kleinknecht als een volslagen verrassing. Die verbazing is niet vreemd aangezien Kleinknecht in een gepubliceerd onderzoek al had gewezen op de positieve uitwerking van hogere lonen op de economie [B-B5]. Kleinknechts boodschap was door het FEM goed begrepen; "Omhoog die lonen" kopte het in maart 1994, met als samenvattende binnenkomer "Waag het niet om het nut van loonmatiging in twijfel te trekken. Toch doet een Amsterdamse wetenschapper dat. In gevecht met het Laatste Taboe van Nederland" [D-J3]. Het grootste deel van de Nederlandse pers werd ruim een half jaar later pas door Kleinknecht uit de loonmatigingsslaap gewekt. Deze vertraagde reactie zou verband kunnen houden met de wijze van bekendmaking; het opgepikte pleidooi werd verwoord tijdens de rede ter gelegenheid van de aanvaarding van de functie van hoogleraar. En oraties blijken -- overigens net als sommige promoties -- voor de pers een nieuwswaarde op zich te hebben.(65)

Het gaat hier echter niet over de rol van de pers, maar om de reactie van overheidswege op het pleidooi van Kleinknecht. In zijn advisering komt Kleinknecht wereldvreemd over; ik ben het in elk geval in grote lijnen eens met zijn critici dat er rampen dreigen als zijn pleidooi morgen zou worden doorgevoerd. Maar in zijn analyse slaat Kleinknecht volgens mij de spijker beter op zijn kop. De politiek van loonmatiging schept ruimte voor bedrijven met relatief weinig toegevoegde waarde om te overleven en hun bestaan te rekken. Zolang die bedrijven blijven voortbestaan, is er voor de betrokken werknemers een rem om elders hoger betaald werk te zoeken. Vanuit nationale optiek is het goed dat bedrijven met een lage toegevoegde waarde failliet gaan, zoals reeds in hoofdstuk 19 is betoogd. Daar is die conclusie getrokken voor de 'koperen kroonjuwelen', maar in algemene termen kan de vraag worden gesteld wat het bestaansrecht is van bedrijven die alleen kunnen overleven via de inzet van busladingen mensen uit Polen omdat het minimumloon hier te hoog is. Zoals reeds is geconcludeerd, gaat een gezond economisch systeem gepaard met een dynamiek van komende en gaande bedrijven. Een overheid die te lang bedrijven met weinig toegevoegde waarde blijft steunen, schept de ideale randvoorwaarden voor een lage economische groei.(66)

Als de groei van het nationaal inkomen achterblijft bij andere industrielanden, moet de oorzaak daarvan eerder worden gezocht bij het beleid van de overheid, zoals de geleide loonpolitiek gericht op loonmatiging en op het stimuleren van deeltijdwerk en de vervroegde uittreding uit het arbeidsproces. Op individueel niveau kan dat allemaal goed zijn, zowel voor de uittredende oudere als voor de werkloze jongere die de vrijgekomen plaats inneemt, maar dat deze ontwikkeling macro-economisch tot een daling van het nationale inkomen leidt, lijkt mij evident. Niet dat dit erg is, daar gaat het mij niet om. Het gaat om de constatering dat men de schuld van die daling zonder veel nadere overdenking tenminste voor een groot deel op conto van achterblijvende R&D-uitgaven schrijft. Dat is zelfs geen eendimensionaal denken, dat is zoeken naar een mogelijk singulier punt, ofwel een nuldimensionale speurtocht naar spijkers op laag water.

21.2 nationale noties

De economisch getinte beschouwingen over wetenschap en technologie waren tot nu toe sterk op Nederland gericht. De vraag dringt zich wellicht op of en in hoeverre de geschetste situatie ook geldt voor andere landen. Zo gedetailleerd als in voorgaande hoofdstukken kan ik dat onmogelijk voor andere landen doen. Daarvoor is de gekozen methodiek -- door de bril van het ministerie van Economische Zaken naar onderzoek kijken -- te sterk op Nederland gericht. Het ontbreekt mij in elk geval aan de tijd om op vergelijkbare wijze naar de situatie in een ander land te kijken, laat staan naar meerdere landen binnen en buiten Europa. Op basis van de gevoerde gesprekken met leidende figuren uit de wereld van wetenschap, economie en technologie ontstaat echter wel een indruk van de verschillen.

Toen enkele in het oog springende grote industriële ondernemingen in Nederland zorgwekkende verliezen leden, typeerden we binnen de AWT-staf de Nederlandse situatie als het Fokker-probleem; we leken te weinig bedrijven van het formaat Fokker te hebben en er zouden bovendien te weinig nieuwe bedrijven van dat type naar voren treden. Waar blijven de nieuwe Fokkers, was de vraag die we ons aan het begin van de jaren negentig voorhielden. In plaats van Fokker hadden we ook andere bedrijven van 'nationale' allure kunnen nemen, zoals DAF, Hoogovens, Océ, enzovoort. Het voordeel van Fokker was dat het bedrijf ook in het buitenland relatief bekend was, en daarmee de achterliggende problematiek. In voorgaande hoofdstukken is de Fokker-vraag in feite al beantwoord; Nederland loopt helemaal niet achter  het feit dat Fokker inmiddels failliet is gegaan doet daar niets aan af  zodra je bijvoorbeeld de ogen opent voor de ontwikkelingen in de informatie-gerelateerde dienstensector, de snelst groeiende sector binnen de wereldeconomie. Onze vraag naar de nieuwe Fokkers was in feite een verwoording van het negatieve zelfbeeld; het typeert het Calimero-complex dat wij Nederlanders elkaar graag aanpraten.

In Zwitserland begreep men het probleem niet. Men wees ons op het feit dat Zwitserland geen vliegtuigen meer maakt, maar keukens levert voor de inwendige verzorging van de passagiers. Met die produktie veroverde Zwitserland een belangrijke positie op de wereldmarkt hetgeen resulteerde in veel grotere winsten dan met de bouw van vliegtuigen mogelijk zou zijn [B-L2].

Zwitserland had zeker in die tijd het voordeel dat veel industrie was geconcentreerd in delen die niet erg gevoelig zijn voor internationale recessies. Dat voordeel gold niet voor Zweden, waar de problemen destijds nog veel groter waren. Wat betreft de produktie binnen de transportmiddelensector leden in het begin van de jaren negentig DAF en Fokker grote verliezen, maar dat gold ook voor Volvo en Saab-Scania. Als de ondergang van de Nederlandse bedrijven een regionale ramp is, zou de ondergang van de beide Zweedse bedrijven een nationale ramp zijn. De Zweden begrepen het 'Fokker-probleem' dan ook zeer goed. Toch stelden zij zich die vraag niet. Om in termen van Ritzen te spreken; de vraag had geen probleem-eigenaar. Het werd in elk geval niet als de taak van de overheid gezien om naar specifieke oplossingen te zoeken, als er al een echt probleem zou zijn [B-H3].

In beide landen werd overigens vaak met een bewonderende ondertoon over Nederland gesproken. De sterke positie van enkele grote multinationals blijkt een belangrijke achtergrond voor die beoordeling, maar ook het bestaan van TNO wordt vaak met enige jaloezie bekeken. Dat beeld komt nog sterker naar voren bij een bezoek aan België, of beter aan Vlaanderen. Het is beschamend hoeveel Vlamingen van Nederland weten in verhouding tot de kennis die Nederlanders van Vlaanderen hebben. Als ze spreken over de tweedegeldstroom organisatie, spreken ze van 'het Vlaamse NWO'. Uit gesprekken met Vlamingen ontstaat de indruk dat Nederland in alle opzichten technologisch voorloopt; de grootste Belgische onderneming zou binnen de Benelux op de negende plaats in de top-10 staan en de Nederlandse universiteiten zouden de helft meer overheidsfinanciën krijgen dan de Vlaamse. Van de publieke kennisinstellingen buiten de universiteiten springen in Vlaanderen het IMEC en het VITO in het oog. Wat betreft de overheidsbijdrage zijn ze bijna even groot en vergelijkbaar met de grootste twee GTI's in Nederland, het ECN en het NLR. Echter, in Nederland krijgen DLO en TNO vijf resp. zeven maal zoveel overheidssteun als de grootste Vlaamse publieke onderzoeksinstellingen.(67)

Ondanks het feit dat België veel minder grote bedrijven heeft, minder steun aan de universiteiten verstrekt en veel minder en veel kleinere publiek gefinancierde onderzoeksinstituten heeft, is het de laatste jaren in de R&D-statistieken vrijwel op gelijke hoogte gekomen met Nederland. Hoe dit mogelijk is, is mij een raadsel. Ik ben geneigd meer waarde te hechten aan de situatieschets van de Vlamingen dan aan de R&D-statistieken. Dit zou moeten betekenen dat de statistieken niet alleen fout geïnterpreteerd worden, zoals in voorgaande hoofdstukken is betoogd, maar dat ook de gepresenteerde data niet geheel deugen. Op de ondeugdelijkheid van die data ga ik in het volgende hoofdstuk in. Hier gaat het mij om de beeldvorming over de technologische positie van Nederland.

21.3 koloniale kanjers

Uit het vorige hoofdstuk ontstaat de indruk dat Nederlanders weinig of geen rekening houden met de omvang van de verschillende landen. Uit de voorgaande paragraaf zou afgeleid kunnen worden dat dit niet overal in Europa zo is. Of dat in zijn algemeenheid zo geldt, betwijfel ik echter. In de buitenlandse politiek heeft Nederland zijn wijsvinger snel klaar om voor te schrijven hoe men elders met mensenrechten en dergelijke moet omspringen. Deze instelling lijkt sterker dan bij veel andere kleine Europese landen, hetgeen verband zou kunnen houden met het feit dat Holland in vroegere tijden een wereldmacht was. Het heeft er alle schijn van dat we de verloren machtspositie emotioneel moeilijk kunnen accepteren. Blijkbaar wil Nederland zich met de grootsten kunnen meten, zoals dat in bepaalde periodes van de geschiedenis ook daadwerkelijk mogelijk was.

Vanuit dat perspectief krijgt ook het in het vorige hoofdstuk gewraakte Calimero gedrag enig reliëf. Maar als dit effect een rol speelt, kan het niet alleen tot Nederland beperkt blijven. Met de dekolonisatie hebben Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk hun status van wereldmacht grotendeels verloren. Beide landen bezetten op basis van hun voormalige machtspositie nog een permanente zetel in de Veiligheidsraad, maar hoe lang is dat nog mogelijk? Op grond van de huidige verhoudingen zou het meer voor de hand liggen om Japan, India, Brazilië, enzovoort, enzovoort, op de Britse en Franse zetels te plaatsen. Alleen als Verenigd Europa is er op het wereldtoneel nog ruimte voor één stem. Wat betreft bevolkingsaantallen behoort geen enkel lid van de EU-15 tot de top-tien; naar het zich laat aanzien zal alleen Duitsland rond de eeuwwisseling nog in de top-20 voorkomen. Gemeten naar het aandeel op het economisch wereldtoneel spelen de Europese landen een grotere rol, maar het is slechts een kwestie van tijd voordat meerdere ontwikkelingslanden afzonderlijke Europese landen hebben overvleugeld op economisch gebied, op het terrein van R&D, enzovoort, enzovoort. Als het zover is, betekent dat niet dat de Europese naties slecht presteren als de prestaties worden gerelateerd aan de omvang van de landen. Als zij evenveel moeite hebben verschillende cijfers in relatief verband te zien als Nederland nu al laat blijken bij de prestaties met betrekking tot de buitenlandse R&D-vestigingen, staat ons nog veel Europese doemdenkerij te wachten.

Doemdenkerij lijkt in veel grote Europese landen een rol te spelen. De Europese Unie blaast daarin een behoorlijk deuntje mee. Vrij algemeen lijkt de indruk te heersen dat Europese ondernemingen onder de voet worden gelopen door Japanse bedrijven; het Japanse Mitsubishi zorgde voor behoud van de Nederlandse auto-industrie en het Koreaanse Samsung gaf de Nederlandse vliegtuigbouw weer hoop. In het Verenigd Koninkrijk domineren Japanse concerns de automobielindustrie. Kortom, de Europese industrie lijkt onder de voet gelopen te worden door Aziatische bedrijven. Dat geldt niet alleen voor Europa. In de VS exporteren de Japanse moederbedrijven Honda en Toyota samen meer auto's dan de Amerikaanse moederbedrijven. En om het hoofd boven het economische water te houden, wijken Europese bedrijven uit naar Azië. Zo geformuleerd, zouden de cijfers over de hoge binnenkomende en uitgaande investeringen kunnen kloppen.

Hebben Nederlandse en Europese bedrijven echter wel zoveel terrein aan Japan verloren? Natuurlijk, de opkomst van elk nieuw industrieland heeft per definitie tot gevolg dat het marktaandeel van de bestaande industrielanden afneemt. In dat opzicht moet Japan een marktaandeel van Europa hebben afgesnoept, zoals dat ook zal gebeuren door de landen die de Japanse weg volgen. Is dat erg? Dat kunnen we toch niet in rede vinden, anders kunnen we het ministerie van Pronk wel meteen sluiten.

Afgaande op de samenstelling van de grootste ondernemingen is er echter geen reden tot doemdenkerij. De laatste 25 jaar is het aantal Europese ondernemingen in de top-500 -- samen genereren die 40% van het bruto binnenlandse produkt van de VS, Europa en Japan -- zelfs licht gestegen en op gelijke hoogte gekomen met het aantal Amerikaanse bedrijven, zoals de afbeelding illustreert. Ook het investeringspatroon van Amerikaanse bedrijven wijst niet op een algehele achterstand van Europa ten opzichte van Japan; de Amerikaanse inversteringen in Europa zijn driemaal zo hoog als die in Azië [D-J4]. Een sectoriële vergelijking van H.W. de Jong geeft ook geen aanleiding tot specifieke zorg; het meest opvallend is de zeer sterke ondervertegenwoordiging in de computerindustrie en een oververtegenwoordiging in de chemie en de olie-industrie [D-J5]. De Jongs relatievering van de vermeende achterstand lijkt verloren te zijn gegaan in het verbale geweld waarmee de noodklok werd geluid. De achterstand van Europa ten opzicht van Aziatische landen geldt dus vooral de computerindustrie, terwijl ook in delen van de transportmiddelenindustrie sprake is van een sterke opkomst van Aziatische bedrijven. Dat juist in die sectoren een sterkte is ontstaan, zou verklaard kunnen worden uit de specifieke omstandigheden in Azië, zoals de grote bevolkingsdichtheid en de culturele factoren die met het confucianisme verband houden.

21.4 technologische tamtam

In combinatie met eerdere hoofdstukken leidt het voorgaande tot de conclusie dat er weinig betrouwbare statistieken zijn die gebruikt kunnen worden ter onderbouwing van een beeld over de slechte situatie op het gebied van wetenschap en technologie voor Europa in het algemeen en Nederland in het bijzonder. Hieruit mag niet worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een achterstand, maar slechts dat de (wetenschappelijke) bewijslast daarvoor volstrekt ontoereikend is. Als er al achterstand is, houdt dat veeleer verband met andere factoren, zoals de westerse oriëntatie op kennen en de Aziatische nadruk op kunnen. De oosterse deugd wint het op technologisch gebied van de westerse waarheid. Is dat zo? Daar wordt weinig onderzoek naar gedaan. En als dat zo is, hoe kan dan voorkomen worden dat we de komende decennia op achterstand worden gezet? In dit boek gaat het mij niet primair om die antwoorden te zoeken, maar om te bewijzen dat de wetenschappers door het veronachtzamen van die vragen zeer relevante dimensies over het hoofd zien.

In hoofdstuk vier is gewezen op verschil in cultuur tussen Aziatische en westerse landen. Wat betreft de technologie leek de Aziatische cultuur een betere voedingsbodem te bieden dan de westerse cultuur. Als illustratie werd in paragraaf 4.4 gebruik gemaakt van de door Weggeman gesignaleerde verschillen tussen Japanse ingenieurs die werkten aan een machine om brood te bakken en de Philips ingenieurs die een machine ontwikkelden om rijst te koken. Beide voorbeelden illustreren dat het belangrijk is dat ontwerpers voeling hebben met de beoogde gebruikersgroep. Die conclusie dringt zich ook op uit Duits ervaringen met onder mannelijke en vrouwelijke ontwerpers van huishoudelijke apparatuur: "Ingenieurs die zelf geen huishoudelijk werk doen, zijn ook niet in staat om perfecte huishoudelijke apparatuur te ontwikkelen" [G-T2].

De voorbeelden van Weggeman sluiten aan bij het begrip technologie-arsenaal management dat de AWT in Nederland heeft geïntroduceerd [C-AWT4]. Elders kennis weghalen, zoals bij de broodmachine gebeurde, zal vaak voordeliger zijn dan meteen alles in eigen huis bedenken, zoals bij de rijstmachine het geval was. Kwalitatief kan deze gedachte goed worden ontwikkeld, maar hoe verhoudt zich dat tot een meer kwantitatieve analyse. Levert de Japanse methode ook daadwerkelijk voordelen?

In het ontwikkelproces zijn verschillende fasen te onderscheiden, zoals het bedenken van het ontwerp, het ontwikkelen daarvan, het toetsen van het prototype, het bijstellen van het ontwerp en de uiteindelijke afwerking. Voor elke fase kun je in kaart brengen hoeveel tijd en geld daarmee gemoeid is. Een poging tot kwantificering werd tijdens een seminar gepresenteerd door Troost, oud-directeur van ASM-Lithography [G-T2]. Uit de afbeelding hiernaast komt naar voren dat in Japan maar liefst tweederde van de ontwikkeltijd is gemoeid met de produktdefinitie. In Amerika en Europa kunnen ingenieurs niet zoveel geduld opbrengen; zij besteden maar eenzesde van de tijd aan deze fase van het ontwerpproces. De langere voorbereiding lijkt de Japanners op het eerste oog niet eens zoveel tijdsbesparing op te leveren; zij besteden een kwart van de tijd aan het ontwerpen, tegenover eenderde bij hun westerse collega's. Het grote verschil is te vinden in het herontwerpen; de redesign vergt in Europa en de VS de helft van de ontwikkeltijd, tegenover eentiende van de tijd in Japan. Het meest opvallende verschil is echter dat het totale ontwikkeltraject in Japan veel minder tijd kost, en dus goedkoper is dan in het westen, zoals bovenstaande afbeelding illustreert.

Aan deze afbeelding zou ik niet zonder meer de kwantitatieve conclusies verbinden die uit de verhoudingen naar voren lijken te komen; daarvoor lijkt mij de empirische basis te zwak. Hiermee wordt het geschetste beeld geen onzin. Integendeel, het biedt wetenschappers de mogelijkheid de empirie te zoeken die bij de figuur hoort. Kunnen de economen van de innovatie zich niet in deze richting omscholen?

21.5 spiekende speurders

Het feit dat grensoverschrijdende investeringen in kennis onbetrouwbaar zijn, kan ook invloed hebben op de nationale statistieken. Voor sommige landen is de omvang van de geregistreerde betalingen van substantiële betekenis voor de nationale statistieken. Dat geldt met name voor België waar ongeveer 1,7% van het BBP aan R&D wordt uitgegeven. Gezien de omvang van de verkoop van technologische kennis naar het buitenland is tweederde van de in België ontwikkelde technologische kennis bestemd voor buitenlandse bedrijven; de verkoop van kennis bedraagt ongeveer 1% van het BBP [C-OESO5]. België importeert overigens nog meer kennis; 1,4% van het BBP. Voor Nederland liggen deze percentages lager; de verkoop omvat 0,25% en de inkoop beslaat 0,6% van het BBP. Deze cijfers kunnen van jaar tot jaar iets verschillen, maar dat verandert het beeld niet. Het gaat mij echter niet om de exacte hoogte van de cijfers, maar om de vraag welke betekenis we aan de kennishandel zouden moeten toekennen. Laten we dus gemakshalve aannemen dat de cijfers kloppen. Tot welke conclusie moet dat dan leiden?

Voor de R&D-statistieken is het goed dat veel kennis wordt geëxporteerd en weinig wordt geïmporteerd, maar voor de benutting van kennis kan import net zo belangrijk zijn als het zelf verrichten van R&D. Wat is het voordeel van een R&D-laboratorium dat uitsluitend voor buitenlandse bedrijven werkt? Het is hoogwaardige werkgelegenheid, en derhalve een welkome bijdrage aan het nationale inkomen. Maar is dat ook zo als er een tekort bestaat aan ingenieurs? Een ingenieur die voor zo'n op het buitenland gericht R&D-laboratorium werkt, is verloren voor de 'nationale' bedrijven, met als gevolg dat het mogelijke vermenigvuldigingseffect voor de werkgelegenheid -- de ontwikkeling van een goede uitvinding kan vele ontwikkelaars, produktiemedewerkers, marketeers, enzovoort werk bieden -- voor de nationale economie ontbreekt. De vraag dringt zich zodoende op wat het voordeel is van kennis die alleen voor de export wordt ontwikkeld.

Ik wil hiermee geen conclusie trekken, doch slechts een vraag opwerpen die duidelijk maakt dat export van kennis wat anders is dan export van tomaten. In de beschouwing over de technologische betalingsbalans wordt dat helaas te vaak vergeten. Binnen het gehanteerde model klopt het allemaal, maar het gaat mij om de relatie met de economische realiteit. Vanuit dat perspectief gezien ligt het exporteren van kennis helemaal niet zo voor de hand. Kennis is een wapen in de concurrentiestrijd; wie het exporteren van kennis als doel op zich ziet en niet primair ten eigen bate aanwendt om te concurreren met produkten die hun toegevoegde waarde aan die kennis ontlenen, zal het onderspit delven. Deze strategie lijkt op het verkopen van wapens aan de vijand, en dan ook nog onder de feitelijke kostprijs. Niet het verkopen maar het inkopen van kennis is een voordelige strategie, het is een kunst die vooral in Aziatische landen wordt beheerst. Opkomende industrielanden sturen mensen naar het westen die hier de kennis komen afkijken. Als dat geen oplossing biedt, worden hier mensen weggekocht. Aziatische landen trekken momenteel veel Europese industriële ontwerpers aan om ook op het gebied van design de concurrentie aan te kunnen; alleen al Taiwan zou voor dit doel jaarlijks US$ 125 miljoen uittrekken [D-G5].

Zo beschouwd zouden we de verkoop van kennis moeten aftrekken van de R&D-uitgaven in eigen land terwijl inkoop tot een hogere R&D-score moet leiden. Met die rekensom zou Nederland op precies dezelfde hoogte komen als de VS die een grote exporteur van kennis zijn. Is dat een goede manier om de benutting van technologische kennis te vergelijken? Misschien niet, maar is de gangbare weg, die kennishandel buiten beschouwing laat, veel beter? Dat betwijfel ik zeer, zodat de vraag zich opdringt waarom we nog zoveel geld en energie steken in het verzamelen van karrevrachten vol gegevens als de cijfers zachter zijn dan boter in de zomerzon?

21.6 matige modellen

Uit de vorige paragrafen zou afgeleid kunnen worden dat macro-economen geen goed beeld van innovatie hebben. Dat betekent niet dat er binnen de economie geen goede modellen bestaan. Echter, die zijn veelal kwalitatief en daar lijken de rekenmeesters niet goed mee uit de voeten te kunnen. Dat economen moeite hebben om kwalitatieve en kwantitatieve aspecten met elkaar te verbinden, wordt geïllustreerd door de achtergrondstudie die Groningse economen voor de AWT hebben uitgevoerd naar de technologische ontwikkeling binnen Nederlandse regio's [B-W1].

Bij de bestudering van regionale verschillen speelt verstedelijking een belangrijke rol. Daarbij gaat het niet alleen om de verstedelijking binnen een bepaalde regio, maar ook om die binnen omliggende gebieden. Het gaat om de combinatie van de eigen en van de omliggende regio's. Kwantitatief leidt dit bijvoorbeeld tot een model waarbij de bevolkingsdichtheid van nabijgelegen regio's wordt gedeeld door de afstand.

Dat verstedelijking een belangrijke factor is voor technologie, lijkt een redelijke veronderstelling, zoals reeds is geconstateerd in paragraaf 20.3. De Groningse onderzoekers constateren dat de verschillen verdwijnen tussen de Randstad en de periferie. Dat geldt met name voor het Zuiden en Oosten, en minder voor het Noorden. De achtergrond van de verdwijnende verschillen wordt echter niet belicht, terwijl dat vanuit wetenschappelijke optiek juist van belang lijkt te zijn. Voldoet het model niet meer -- is het gefalsifieerd, zou Popper vragen -- of spelen andere factoren een rol? Ik wil een mogelijke factor aandragen.

Tot enkele decennia geleden was Zuid-Limburg een perifeer gebied, maar het kan nu worden beschouwd als centrum van een verstedelijkte regio binnen Europa, met Aken en Luik als grote steden in de directe omgeving. Vanuit dat perspectief zou de bereikbaarheid met de omliggende regio's verbeterd moeten worden; dus bijvoorbeeld betere spoorverbindingen tussen Maastricht, Aken en Luik, zoals een aansluiting op het daar te vestigen TGV-station. Sinds de opening van de A73 ligt Nijmegen precies tussen Keulen en Amsterdam, waardoor de perifere ligging sterk verminderde. Hetzelfde effect geldt voor Twente sinds de A1 is doorgetrokken naar Duitsland.

Ik wil niet zeggen dat de verwevenheid van de Nederlandse infrastructuur de oorzaak is van het verdwijnende verschil tussen centrum en periferie, maar als dat wel zo is -- en empirisch moet dat goed te onderzoeken zijn -- wordt het gehanteerde wetenschappelijke model juist versterkt in plaats van gefalsifieerd. Welke beleidsmatige conclusies daaruit getrokken moeten worden, is niet de taak van de onderzoeker. Of bijvoorbeeld de TGV vanuit Brussel beter via Utrecht en Groningen naar Hamburg en Kopenhagen kan worden doorgetrokken in plaats van Amsterdam als eindstation te kiezen, valt op basis van dit model niet te beslissen. Natuurlijk, Groningen en zelfs de Randstad, zouden vanuit Europees perspectief minder tot de periferie behoren, maar het kan ook gewenst zijn dat Nederland de rustgevende streken in de periferie behoudt.

Ter verdediging van de genoemde Groningse economen valt aan te dragen dat zij zich -- conform hun opdracht -- ten doel stelden om de bestaande literatuur over economie en regio in kaart te brengen. Zo beschouwd, kan hun studie worden opgevat als een illustratie dat de regionale economen (te) weinig rekening houden met geografische omstandigheden. Die conclusie valt ook te trekken uit een Duits onderzoek naar het vestigingsklimaat in een groot aantal Europese regio's [D-C3]. In Nederland trok dit onderzoek vooral aandacht omdat Gelderland de eerste plaats kreeg toebedeeld, een gegeven dat de betrokken provincie met de nodige publiciteit onder de aandacht bracht. Ik zou dat wellicht ook zo doen, maar dat betekent niet dat het onderzoek inhoudelijk waarde heeft. Normaal ben je geneigd te zeggen dat een goede score in elk geval indiceert dat geen sprake kan zijn van slechte prestaties, maar zelfs die conclusie zou ik hier niet durven trekken. Een voorbeeld. Een van de vestigingsfactoren uit het onderzoek betreft de huur van kantoorruimte; hoe hoger de huur, hoe slechter het vestigingsklimaat. Logisch, zal de eerste indruk zijn. Maar onderzoekers moeten juist verder gaan dan die eerste indruk en de vraag stellen waarom bedrijven bereid zijn op sommige plaatsen hoge huren te betalen. Is dat niet vanwege relatief gunstige vestigingsfactoren? De huurprijs was niet de enige factor, zodat Gelderland bij een meer realistische benadering van vestigingsfactoren niet helemaal onderaan zou komen te staan. Op welke plaats het wel zou komen, is hier niet van belang, evenmin als de vraag welke de andere vestigingsfactoren waren. Het gaat om de conclusie dat, voor zover er modellen zijn in de economie -- zoals over de verhouding tussen centrum en periferie -- veel onderzoekers daar geen rekening mee houden. Modellenbouwers en cijfermeesters lijken in twee verschillende werelden te leven.

Noten

65. Zo geschetst, dringt de overeenkomst zich op met de rede waarmee C.P. Snow opzien baarde. De inhoud van zijn boodschap was ook al door anderen verkondigd, maar op het juiste moment bracht Snow dat nog eens in een prestigieuze lezing onder woorden. Dat de pers op voordrachten afkomt, kan ook verband houden met het feit dat je in een voordracht sneller afziet van nuanceringen dan in geschreven teksten.

66. Kleinknecht is na zijn oratie blijven hameren op de negatieve uitwerking van loonmatiging. Zo zou de groei van de toegevoegde waarde per arbeidsjaar de laatste tien jaar in Nederland sterk zijn achtergebleven bij het Europees gemiddelde, een achterstand die hij in verband brengt met achterblijvende investeringen in de toepassing van nieuwe procestechnologie. Potverteren met loonmatiging en flexibilisering, luidde de kop boven het ESB-artikel [D-K5]. Dany Jacobs bestreed onder de kop Creatief vandalisme de relatie tussen beide factoren [D-J2] terwijl Jan Koeman de constatering over de achterblijvende produktiviteit bestreed; gerekend naar het BBP per gewerkt uur zou Nederland ver boven het Europese gemiddelde zitten [D-K6].

67. In 1993 bedroeg de overheidstoelage voor het IMEC 890,1 miloen Bfr en voor het VITO 923,2 miljoen Bfr. In guldens uitgedrukt krijgen ze elk ongeveer 45 miljoen [C-VRWB]. TNO krijgt 332 miljoen aan basis- en doelsubsidie, DLO 235 miloen. De toelage voor de GTI's bedraagt 62 miljoen voor het ECN, 43 miloen voor het NLR, 10 miljoen voor het WL, 5 miloen voor het Marin en 4 miloen voor GD [C-NOWT, p. 216-218].