22 Eendimensionale Economie


de passages tussen [..] zijn literatuurverwijzingen.

In dit deel zijn cijfers over R&D-uitgaven vanuit verschillende gezichtspunten onder de loep genomen. Daarbij werden de gepresenteerde cijfers op zich niet ter discussie gesteld. In dit hoofdstuk beschouw ik de betrouwbaarheid van de cijfers -- de meetgegevens -- zoals economen die vergaren. Maar eerst wil ik de ontwikkeling van de economie relateren aan de inzichten uit de chaostheorie zoals die in het tweede deel zijn gepresenteerd.

22.1 fractale faculteit

In het tweede deel hebben de chaostheorieën al de nodige aandacht gekregen. Dat chaos ook een rol speelt in de economie zou afgeleid kunnen worden uit de ontdekking van de Franse wiskundige Mandelbrot dat de ontwikkeling van katoenprijzen een fractale structuur heeft. Dit wil zeggen dat het patroon van de prijsontwikkeling er op elke schaalverdeling hetzelfde uitziet, zoals de vormen van een sneeuwvlok bij elke vergroting terugkeren. Mandelbrot vond het opvallend dat de fractale structuur als twee druppels water leek op de grafiek die hij daarvoor spelenderwijs vond over de verdeling tussen hoge en lage inkomens in de economie. Deze gelijkenis zou duiden op overeenkomsten in het onderliggende mechanisme, zoals de zogenoemde dimensie van de fractale aantrekker [A-G1, p. 80-82].

Om na te gaan hoe economen omspringen met chaos, zocht ik een econoom als spreker in de serie Chaos, het einde van de voorspelbaarheid die ik voor het Studium Generale van de Nijmeegse universiteit organiseerde [F-SG2]. Als eerste kandidaat had ik een wiskundige op mijn lijstje staan die in een afscheidsrede als hoogleraar aan een economische faculteit een uiteenzetting had gegeven over chaos en fractals. In de voordracht klonk de hoop en de verwachting door dat het faculteitsbestuur bij wijze van spreken al de volgende dag een crisiscommissie zou instellen om de toekomst van het vakgebied te overdenken. Maar in plaats daarvan werd de scheidende professor gefeliciteerd door een econoom die het interessant vond, maar niet van praktisch nut "omdat hij zelf alleen met lineaire modellen werkte". Daarmee was de kern van de boodschap aan deze toehoorder voorbijgegaan. Want het betoog was dat lineaire modellen in de economie van nul en generlei waarde zijn! En die consequentie wilde hij blijkbaar niet aanvaarden, en daarmee vertoonde hij grote overeenkomst met de in paragraaf 9.3 beschreven reactie van KNAW-voorzitter de Wied op een voordracht van Tennekes. Nobelprijswinnaar Tinbergen zou nog nooit van de aangesneden materie hebben gehoord. Op zich zou dat nog niet erg hoeven te zijn; het is de vraag of Tinbergen zijn baanbrekende lineaire arbeid op het gebied van de econometrie had kunnen voltooien als hij voortdurend de dynamische werkelijkheid over zijn schouder had laten meekijken. Maar de indruk dringt zich op dat de telgen van Tinbergen zich blindstaren op het werk van de grote voorganger; hoeveel onderzoekers van het CPB verbreden het werk van hun beroemde oprichter naar de meerdimensionale werkelijkheid?(68) Deze vraagstelling is des te klemmender in het licht van de eerder gesignaleerde afhoudende opstelling om met behulp van scenario's een op duurzaamheid gericht overheidsbeleid te ontwikkelen (vergelijk paragraaf 9.10).

De reacties van Tinbergen en de lineair werkende econoom heb ik niet uit de eerste hand, maar ze komen mij geloofwaardig over. Het feit dat ex-premier Lubbers in zijn inaugurale rede aan de Katholieke Universiteit Brabant zijn betoog eindigde met chaos en de kwade kansen, illustreert hoe groot onder economen de hang naar voorspelbare lineaire modellen is [G-L3]. En zoals zo vaak, lijkt ook hier de wens de vader van de gedachte. Dus men negeert het kwade en doet alsof er alleen lineaire goedheid is.

Dit tamelijk negatieve beeld had ik van de economie toen ik in 1992 overstapte van de Nijmeegse universiteit naar de AWT. Ik was nog niet binnen bij de AWT of ik mocht mij op economische statistieken werpen. Daarbij kreeg ik een beeld van de economie dat nog onthutsender was dan ik voordien had gekregen bij de voorbereidingen van het Studium Generale over chaos. Ik merkte dat de getrokken conclusies in veel gevallen de toets der kritiek niet kunnen doorstaan, ook niet vanuit een lineaire optiek. In dit deel is dat beeld al tot op grote hoogte naar voren gekomen. Via tamelijk rechtlijnige redeneringen werd aangetoond dat de conclusie van de betrokken wetenschappers vaak niet goed kunnen zijn. Gaandeweg kwam bij mij de vraag naar boven die je eigenlijk niet aan wetenschappers durft te stellen: hoe betrouwbaar zijn de data?

22.2 geheimzinnig gedoe

In de eerdere analyse van de relatie tussen BBP en R&D is aangenomen dat de cijfers over de R&D-uitgaven in afzonderlijke landen in grote lijnen kloppen. Het is ook mogelijk dat de grootte van een land een rol speelt in de betrouwbaarheid van de statistieken. In dat geval zou de logaritmische logica uit paragraaf 18.2 een indicatie vormen voor de betrouwbaarheid van de gebruikte statistieken.

In Nederland publiceert het CBS geen R&D-gegevens over de elektronica, maar voegt die groep samen met de metaal. Als dat niet gebeurde, zou uit de algemene statistiek eenvoudig het gedrag van Philips blijken. Dit soort keuzes leidt er toe dat van land tot land afwijkende indelingen gemaakt kunnen worden, zodat vooral vergelijkingen tussen kleine landen onbetrouwbaar kunnen zijn.

Dat R&D-cijfers vaak boterzacht zijn, blijkt uit getallen die in verschillende bronnen worden genoemd voor de Nederlandse vliegtuigindustrie.(69) Op mijn vraag naar de achtergrond van deze onderlinge verschillen antwoordde toenmalig topman Van Duinen dat Fokker liever geen exacte R&D-cijfers geeft omdat de concurrentie daar bijvoorbeeld uit kan afleiden wanneer er strategische beslissingen vallen over de bouw van een nieuw vliegtuig; in dat geval zullen de R&D-inspanningen namelijk sterk stijgen. Grote vliegtuigbouwers als Boeing lopen minder gevaar dat via deze indirecte weg vertrouwelijke bedrijfsinformatie weglekt; zij hebben altijd wel een nieuw vliegtuig op de tekentafels liggen. Om dezelfde reden als Fokker geheimzinnig over de R&D doet, zal Boeing de globale verdeling van de R&D over de verschillende divisies liever niet prijsgeven. Hoe belangrijk deze strategische R&D-informatie kan zijn voor de concurrent, wordt geïllustreerd door opmerkingen van voormalig researchcoördinator Beckers van Shell. Als de informatie legaal verkrijgbaar zou zijn, zou hij jaarlijks graag tientallen miljoenen guldens hebben neergeteld voor de inhoudsopgave van het R&D-projektenboek van concurrent Exxon.

In landen waar een of twee bedrijven een sector domineren, kunnen de betrokken bedrijven er baat bij hebben niet alle gegevens openbaar te maken, met alle invloed van dien op de nationale R&D-statistieken. Kleine landen hebben daar van nature meer last van dan grote landen, maar ook de bedrijfscultuur kan hierbij een rol spelen. Uit gesprekken in Zweden en Zwitserland is bij mij de indruk ontstaan dat de Zweden veel meer in de openheid willen werken dan de Zwitsers. Misschien past het roemruchte Zwitsers bankgeheim wel bij de volksaard. Het feit dat het eerder aangehaalde EZ-rapport over Zweden veel meer informatie bevat dan het rapport over Zwitserland, sluit aan bij die verschillen in openheid [C-IBB].

Nationale regelgeving kan ook van invloed zijn. Hoe dwingend zijn het CBS en de collega-instellingen in andere landen met het vragen van volledige gegevens aan bedrijven? Kleinknecht komt in een studie uit 1990 tot de conclusie dat de R&D-uitgaven voor kleine bedrijven vier maal zo hoog liggen als in de CBS-cijfers naar voren komt [B-K1]. Deze waarneming op zich maakt al duidelijk dat de geplaatste vraagtekens niet louter hypothetisch zijn. Verschillen, zoals door Kleinknecht zijn gesignaleerd, zouden ook in grote landen een rol kunnen spelen. Doen Amerikaanse bedrijven inderdaad meer aan R&D of worden ze nadrukkelijker gedwongen R&D-cijfers te publiceren omdat de beurs op Wallstreet die gegevens eist?

De geheimzinnigheid over R&D-cijfers kan er toe leiden dat men de R&D-uitgaven boekhoudkundig oppoetst, bijvoorbeeld bij bedrijven in sectoren waar R&D-uitgaven als een kengetal worden gezien voor de economische waarde. Dat is echter zeker niet in alle sectoren het geval. Integendeel. Uit een analyse naar aanleiding van een tuchtzaak over de gegevens die Wolters Kluwer in 1992 publiceerde, concludeerde het FEM dat de wetgever de ondernemingen alle mogelijkheden biedt om investeringen in onderzoek & ontwikkeling onder de tafel te houden [D-H4]. In het geval van Wolters Kluwer is dat volgens de procederende aandeelhouder ook daadwerkelijk gebeurd.

Het aangehaalde onderzoek van Kleinknecht illustreert dat de afbakening van R&D niet spijkerhard is. Vooral bij kleinere bedrijven wordt R&D vaak beschouwd als iets ingewikkelds, iets voor professoren en andere geleerden. Bij iets minder hoogdravende omschrijvingen zullen velen tot de conclusie komen dat zij wel degelijk aan produktontwikkeling doen. Daarnaast speelt de vraag welke motieven bedrijven hebben om de CBS-formulieren volledig in te vullen. Een ondernemer die geen R&D doet, is sneller door de papier-rompslomp heen dan zijn collega die wel opgeeft R&D te doen. Voor grote bedrijven -- met een eigen R&D-boekhouding -- maakt dat niet uit, maar voor kleine bedrijven ligt dat anders. Aangezien de overgang van R&D naar andere activiteiten vloeiend is, is er een groot gebied waarvoor de indeling in R&D arbitrair is.

22.3 papieren prestaties

De kans lijkt zeker aanwezig dat veel kleine bedrijven alsmede ondernemingen met motieven als Wolters Kluwer in de toekomst bij twijfel vaker een post onder de noemer R&D zullen rangschikken. Sinds kort bestaat daar namelijk een beloning voor; met de invoering van de WBSO krijgen bedrijven een deel van de belastingen terug die voor de betrokken R&D-medewerker is betaald. De R&D-administratie wordt dus lonend. Het zou mij niet verbazen als de WBSO er toe leidt dat Nederland weer stijgt op de internationale R&D-hitlijst, ook als in feite geen sprake is van hogere R&D-uitgaven.(70) Iets vergelijkbaars heeft zich reeds voorgedaan bij de statistieken over het ziekteverzuim. In Nederland is dat verzuim naar internationale maatstaven zeer hoog, maar dat wil niet zonder meer zeggen dat Nederlanders ook vaker wegens ziekte verstek laten gaan op hun werk. Nederland heeft de eigenaardige gewoonte zwangerschapsverlof als ziekteverzuim te registreren, hetgeen uiteraard een stuwende uitwerking heeft op de statistieken. Bovendien was het tot voor kort lonend om ziekte van een werknemer meteen bij de bedrijfsvereniging te melden omdat men voor een belangrijk deel schadeloos werd gesteld voor de gederfde loonkosten. Nu de eerste dagen niet meer worden gecompenseerd, zijn deze voordelen voor een belangrijk deel verdwenen. Sindsdien is het geregistreerde ziekteverzuim opvallend gedaald. Komt dat doordat het aantal 'baaldagen' is verminderd of doordat men zich minder snel ziek meldt -- of dat uiteindelijk tot een lager ziekteverzuim leidt is overigens twijfelachtig aangezien de kans groot is dat halfzieke medewerkers hun collega's infecteren -- of vloeit de daling voort uit het afnemende animo van werkgevers tot registratie? Of men nu daadwerkelijk minder verzuimt, of dat louter sprake is van een boekhoudkundige truc, lijkt zo vroeg na de invoering van de nieuwe regels moeilijk met een redelijke betrouwbaarheid vast te stellen. Wellicht spelen beide factoren een rol, en dat zou ook wel bij de WBSO kunnen gelden; het trekt wellicht een aantal bedrijven over de R&D-streep en het stimuleert activiteiten onder R&D te administreren die daar vroeger niet toe werden gerekend.

Op zich kunnen er goede redenen zijn om R&D beter zichtbaar te maken en te belonen via belastingwetgeving. De meeste geïndustrialiseerde landen stimuleren het speur- en ontwikkelingswerk veel meer langs fiscale weg, zodat het op grond van beleidsconcurrentie opportuun kan zijn die weg ook in Nederland te bewandelen. Maar dat zijn politieke overwegingen en geen wetenschappelijke. Mij gaat het hier om de vraag in hoeverre de door de wetenschappers gepresenteerde cijfers betrouwbaar zijn, en dat is toch de eerste eis die aan wetenschap gesteld mag worden.

Bij de bovengenoemde voorbeelden van camouflage van R&D-uitgaven en vertekening als gevolg van verschillen in belastingwetgeving, zou je misschien kunnen zeggen dat correcties noodzakelijk maar onmogelijk zijn. Die onmogelijkheid pleit betrokken wetenschappers echter niet vrij; zij zouden de gevonden cijfers in elk geval met iets meer voorzichtigheid moeten presenteren. Ingenieurs die zo te werk zouden gaan met toleranties, zullen zelden of nooit een werkend prototype op de markt brengen.

22.4 slechte statistieken

Dat Philips in Nederland is gevestigd, wil niet zonder meer zeggen dat we een goed klimaat voor de elektrotechnische industrie hadden. De grondleggers kozen voor hun eigen land zoals ook nu de meeste startende ondernemers vanuit de eigen woonplaats beginnen. Als in een bepaalde sector veel bedrijven bestaande vestigingen uitbreiden, en vooral als zij relatief veel nieuwe vestigingen openen, vormt dat een indicatie voor een relatief goede kwaliteit van het huidige vestigingsklimaat voor de betrokken sector. Macro-economisch betekent dit dat vooral de stroom binnenkomende directe buitenlandse investeringen een indicatie geven voor het vestigingsklimaat van een land.

De meeste grensoverschrijdende intercontinentale investeringen naar Europa komen uit de VS en Japan. Een eerste indruk van het vestigingsklimaat kan worden verkregen uit een analyse van de bestemming van de investeringen uit die landen. Het Japanse ministerie MITI geeft op een presenteerblaadje hoe groot de investeringsstroom naar verschillende landen is. Van de geaccumuleerde Japanse investeringen -- stock investment -- in de EU is ruim 40% in het Verenigd Koninkrijk terechtgekomen en 20% in Nederland. Luxemburg volgt op de voet met ongeveer 17% en alle andere landen blijven beneden de 10% steken [C-Japan1]. Van de investeringen in 1989 ging zelfs bijna 40% naar Nederland, tegenover een derde naar het Verenigd Koninkrijk. Duitsland stond op de derde plaats met 9% en Frankrijk kwam met 8% op de vierde plaats. Luxemburg was met minder dan 4% uit de gratie. Met andere woorden, Nederland was aan het eind van de jaren tachtig binnen Europa veruit favoriet bij Japanse investeerders; het trok tweemaal zoveel investeringen als de totale Bondsrepubliek en die voorsprong groeide verder. In 1989 was de geldstroom vanuit Japan naar Nederland zelfs vier maal zo groot als die naar de oosterburen, een verhouding die overigens ook al gold voor de periode 1985-1988. Voor Japanners behoort Nederland dus allesbehalve tot de Duitse Länder maar vormt de Bondsrepubliek eerder een Nederlandse provincie.

Wie de positie van Nederland in brede zin wil beschouwen, kan natuurlijk niet uit de voeten met louter Japanse cijfers. Daarvoor moet je bij statistieken van organisaties als het IMF en de OESO zijn; die geven de grensoverschrijdende investeringscijfers tot op een of meer decimalen nauwkeurig. Het lastige is soms dat de cijfers in lokale valuta worden weergegeven. De wisselkoersen zijn niet altijd stabiel, hetgeen ongetwijfeld de reden is om de statistieken in de huidige vorm te presenteren. Deze 'zorgvuldigheid' vormt echter geen oplossing voor degenen die verschillende landen wil vergelijken. Wie dat wil doen, moet al het rekenwerk in feite overdoen. Als getraind fysicus doe je dat, maar je kunt vervolgens de ogen toch moeilijk droog houden als je ziet hoe tot in de meest gezaghebbende rapporten zonder verdere uitleg verschillende bronnen door elkaar worden gegooid. De OESO -- toch niet bepaald de minste organisatie zou je zeggen -- geeft in zijn jaarboeken aan dat de investeringen uit Japan naar Nederland hoger zijn dan de investeringen naar Nederland uit Japan. U denkt misschien dat dit hetzelfde is, en dat dacht ik ook; 1-1=0. Wellicht als amateur-econoom een rekenfout gemaakt bij het goochelen met wisselkoersen? Maar uiteindelijk blijkt dat volgens de OESO geldt: 1-1=5, want de investeringsstroom van Japan naar Nederland is in de Japanse tabellen zesmaal zo groot als in de Nederlandse tabellen. Dat het niet eenvoudig is eenduidige getallen te presenteren, wil ik graag aannemen, maar een waarschuwing dat er factoren van verschil zijn, zou toch wel het minste mogen zijn. Je moet bijna van tevoren gewaarschuwd zijn om niet in de valkuil van de getallenmisleiding te vallen. Normaal telt een gewaarschuwd man voor twee, maar in dit geval telt een niet-gewaarschuwde voor nul.

De Nederlandsche Bank publiceert ook gegevens over grensoverschrijdende investeringen en komt tot totaal andere getallen voor de binnenkomende investeringen uit Japan; niet zomaar een verschil, maar een zesvoud. Dus daar ligt de bron van de verschillen tussen de Nederlandse en Japanse tabellen in de OESO-publikaties. De achtergrond van deze verschillen blijkt in de methodiek te liggen; de Nederlandsche Bank kijkt niet alleen naar de geldstroom van Japan naar Nederland, maar ook naar het geld dat Japanners vanuit Nederland naar andere landen doorsluizen. Uit de onderlinge verschillen kan afgeleid worden dat de laatste stroom zeer aanzienlijk is. Het blijkt vaak aantrekkelijk om buitenlandse investeringen vanuit Nederland te doen, bijvoorbeeld vanwege het relatief gunstige belastingverdrag met de VS. Maar ook het milde belastingregime voor verdiensten in het buitenland maakt Nederland aantrekkelijk als vestigingsplaats; om die reden hebben de Rolling Stones hun hoofdkantoor in Nederland gevestigd. Ook het feit dat Nederland samen met België en Luxemburg in trek is als vestigingsplaats voor hoofdkantoren, kan grote herinvesteringen tot gevolg hebben. Het gaat mij echter niet om de verklaring van het verschil, maar om de rol die de cijfers in de statistieken spelen.

De methodiek van de Nederlandsche Bank lijkt mij een betere indicatie voor het vestigingsklimaat dan die van het Japanse MITI, maar in vrijwel alle overzichten prijken de gegevens van MITI. Om een vergelijking te maken tussen de investeringsstromen, zouden de gegevens van de afzonderlijke nationale banken genomen moeten worden. Maar ook daar blijken weer grote onderlinge verschillen te bestaan; niet zo groot als die tussen Nederland en Japan, maar wel aanzienlijk.(71) De hoogte van de totale directe investeringen van en naar afzonderlijke landen blijkt voor een zeer groot gedeelte af te hangen van de vraag of herinvesteringen van winsten wel of niet worden meegeteld in de totaaloverzichten. Voor België en Frankrijk blijven herinvesteringen buiten beschouwing; indien die categorie voor Nederland en het Verenigd Koninkrijk van de totale investeringen afgetrokken zou worden, zouden de binnenkomende investeringen voor deze landen voor de periode 1984-1991 met ruim een kwart dalen. Voor de Bondsrepubliek zou die correctie weinig uitmaken voor de binnenkomende investeringen; de uitgaande zouden wel met 15% afnemen.

Gezien de rol van Japan in de wereldeconomie kunnen de binnenkomende investeringen uit dat land worden gezien als een teken van competitieve sterkte voor het ontvangende land. Maar wat zegt het als men daarbij de Japanse cijfers gebruikt die nu juist niets zeggen, aangezien die geen onderscheid maken tussen investeringen van Canon die in Nederland blijven en de investeringen die het Europese hoofdkantoor meteen doorsluist naar dochtervestigingen in andere landen. Dat de cijfers klakkeloos worden overgenomen, blijkt uit statistieken van het World Economic Forum en het Institute for Management Development die tot voor kort gezamenlijk The World Competitiveness Report uitbrachten, rapporten die veel bedrijven betrekken bij de afweging van grensoverschrijdende investeringen. Op basis van een groot aantal afzonderlijke statistieken stellen deze befaamde instituten een lijst samen van de meest competitieve landen. Een van de statistieken heeft betrekking op de uitgaande investeringen van Japan volgens de MITI-gegevens. Wie zo te werk gaat, wint niet aan geloofwaardigheid. In 1996 hebben ze dat ook zelf aangegeven. Beide organisaties zijn met aparte lijsten gekomen omdat men het onderling niet over modellen en dergelijke eens kon worden. Op 28 mei 1996 meldde het in Genève gevestigde Institute for Management Development dat Nederland op de wereldranglijst was gestegen naar een zevende plaats, achter de VS, Singapore, Hongkong, Japan, Denemarken en Noorwegen. Die weelde duurde maar kort, drie dagen later zette het in Lausanne gevestigde World Economic Forum Nederland tien plaatsen lager, achter Maleisië, Thailand en het Verenigd Koninkrijk. Voor verschillende andere landen waren vergelijkbare dalingen en stijgingen te zien. Duitsland bezette bijvoorbeeld de plaatsen 10 en 22. De verschillende klasseringen houden verband met verschillen in methoden en met het aantal variabelen dat in beschouwing wordt genomen; in Genève rekent men met 225 verschillende criteria terwijl men in Lausanne het aantal heeft opgeschoond tot 155 verschillende factoren. Wat zegt het aantal verschillende dimensies als de cijfermeesters al moeite hebben om binnen één enkele dimensie tot betrouwbare berekeningen te komen, zoals het geval bleek te zijn bij de directe buitenlandse investeringen. Afgezien van de vraag naar de meest geëigende methode, kunnen vraagtekens worden gezet bij het nut van statistieken die al binnen een periode van enkele jaren grote verschuivingen laten zien. Bent u met geen van de lijsten tevreden? Geen probleem. Neem een andere lijst.(72)

Dat de gebruikte data op zich niet kloppen, zullen de beide Zwitserse organisaties wel onvermeld laten. Men lijkt het niet te beseffen, zoals dat ook geldt voor allerlei organisaties die gericht op een bepaald doel investeringsoverzichten maken. Het Britse ministerie van industrie legt de nadruk op de geaccumuleerde investeringen en constateert dat het Verenigd Koninkrijk de afgelopen veertig jaar meer succes heeft geboekt bij Japanse investeringen dan welk ander Europees land ook [C-DTI]. Gerelateerd naar de omvang van het BBP zouden de Britten Nederland overigens op de eerste plaats moeten zetten aangezien Nederland in absolute termen slechts de helft lager scoort. Indien gelet zou worden op het marktaandeel dat Nederland in de jaren negentig naar zich toe wist te trekken, zou men beide landen op gelijke hoogte moeten stellen, zoals gebeurt in een omvangrijk investeringsoverzicht van de Ostasiatischer Verein in Duitsland [C-OVV]. Uit dit overzicht blijkt dat Japanse bedrijven in 1993 meer dan driemaal zoveel in Nederland investeerden als in Duitsland. Ten opzichte van Frankrijk was sprake van een viervoud en vergeleken met Zwitserland een vijfvoud. Ook opvallend is dat de investeringen uit Japan naar Nederland betrekkelijk stabiel zijn, terwijl voor alle andere beschouwde Europese landen sinds 1990 sprake is van een sterke dalingen. Althans dat beeld komt naar voren als men de Japanse cijfers voor zoete koek aanneemt.

22.5 stuntelige steekproeven

Economische analisten kunnen bij de vaststelling van de omvang van grensoverschrijdende investeringen natuurlijk rekening houden met onderlinge verschillen in rekenmethoden, maar dat blijkt slechts op beperkte schaal te gebeuren. Het is zeer lastig, zo niet onmogelijk, om een betrouwbare -- methodiek onafhankelijke -- vergelijking tussen landen te maken. Ik krijg sterk de indruk dat de analisten ook weinig moeite doen om tot een eensluidende methodiek te komen. De genoemde landenstudies van EZ laten grote onderlinge verschillen zien; in Zwitserland wordt naar de wereldwijde R&D gekeken van de grootste 25 bedrijven met een (gedeeld) Zwitsers hoofdkantoor [C-IBB] -- Nestlé, het grootste bedrijf met een Zwitsers hoofdkantoor, komt overigens niet in het overzicht voor -- terwijl de Zweedse rapportage zich richt op de grootste 25 R&D-investeerders in Zweden [C-Carta]. De Nederlandse rapportage bevat daarentegen geen enkel bedrijfsoverzicht [C-CS]. Hier kan natuurlijk sprake zijn van een gebrekkige regie, maar daar waar die regie wel aanwezig is, blijkt eenvormigheid ook moeilijk te realiseren. Die conclusie dringt zich althans op uit de gang van zaken rond een onderzoek naar de ontwikkeling van buitenlandse vestigingen in een vijftal Europese landen (Nederland, Denemarken, Noordrijn Westfalen, Zweden en Zwitserland) [B-B3]. Dit onderzoek werd uitgevoerd door het EIM en was bedoeld als onderbouwing voor het AWT-advies Nederland Vestigingsland [C-AWT3].

Om de levensloop enigszins te kunnen schetsen, werd gekozen voor een steekproef van twintig vestigingen die twintig jaar geleden in de betrokken landen waren opgezet. Per land hadden de onderzoekers echter aanvullende criteria gesteld. Voor Nederland koos men voor een gevarieerde groep; veel verschillende nationaliteiten en veel verschillen in grootte. Voor Noordrijn Westfalen koos men een veel ruimere vestigingsperiode, zodat de Japanse vestigingen rond Düsseldorf relatief sterk vertegenwoordigd konden zijn. De verruiming van de vestigingsperiode houdt wellicht verband met het feit dat de directe buitenlandse investeringen naar Duitsland relatief laag zijn waardoor er misschien niet voldoende vestigingen te vinden waren die binnen het gekozen tijdvak waren opgericht. Ik kan mij echter niet aan de indruk onttrekken dat het tijdvak ook is aangepast uit PR-overwegingen. Dat wordt ook expliciet zo gemeld door de Deense onderzoekers, die relatief veel sterk gegroeide bedrijven hebben geselecteerd. Hierdoor konden zij Deense vestigingen van farmaceutische industrieën meenemen en hoefden zij zich niet te beperken tot louter verkoopkantoren, zoals de Zweedse onderzoekers deden die zich wel aan de opdracht hielden. Voor Zwitserland werden zoveel problemen gesignaleerd bij de verzameling van gegevens, dat de vraag rijst wat de betrouwbaarheid is van de gepresenteerde gegevens. Daar kunnen de betrokken onderzoekers waarschijnlijk niet veel aan doen; het ligt eerder aan de typische situatie in de Zwitserse economie. Maar dat maakt een verantwoorde vergelijking tussen landen er niet eenvoudiger op.

Het EIM-onderzoek zou waardeloos geweest zijn als bij toeval geen nevenprodukt werd ontdekt. Uit gesprekken die ik voerde met een aantal Nederlandse dochters van buitenlandse moederbedrijven bleek de keuze van Nederland als vestigingsplaats vooral ingegeven te zijn door de relatief goede dienstverlening van Schiphol, de breed verspreide talenkennis, de internationale oriëntatie alsmede de zeer goede distributiemogelijkheden. Nederland werd letterlijk als de Europoort gezien. In meerdere gevallen bleek men gestart te zijn met een distributiecentrum, waarna produktie en soms zelfs R&D volgden, zoals bijvoorbeeld het geval is bij Medtronic, de Amerikaanse marktleider op het gebied van pacemakers en andere medische apparatuur. Soms ook was die volgtijdelijkheid minder scherp, zoals bij Fuji. Om de Europese markt beter te kunnen bedienen, zag de Japanse fabrikant van fotomateriaal voordelen voor een produktievestiging in Europa. Voor een snelle bediening van de markt zijn snelle en betrouwbare distributiekanalen van groot belang, zodat de keuze voor Nederland niet vreemd is. Bijkomend voordeel is natuurlijk dat Nederland een geschikt vestigingsland blijkt te zijn voor chemische industrie. Het feit dat het Taiwanese Giant Nederland heeft gekozen als vestigingsplaats voor een Europese fietsenfabriek, past in het beeld dat bedrijven kiezen voor landen met een goed vestigingsklimaat in de eigen sector; Nederland is voor de internationale concurrentie het belangrijkste fietsen-producerende land in Europa. Uiteraard zullen voor Giant -- net als voor Fuji -- de snelle distributiemogelijkheden vanuit Nederland ook een belangrijke rol hebben gespeeld.

Als vestigingen van buitenlandse bedrijven in Nederland zich inderdaad ontwikkelen langs de lijn distributie-produktie-ontwikkeling, zou dat ook afgelezen moeten kunnen worden uit de genoemde landenvergelijking van het EIM. En inderdaad, acht van de twintig Nederlandse vestigingen zijn begonnen met verkoop/distributie en de helft daarvan heeft een taakverbreding ondergaan. In de andere beschouwde landen is de taakverbreding veel minder sterk aanwezig, zodat voor Nederland naar verhouding sterk lijkt te gelden 'van het een komt het ander'. Deze conclusie trok de AWT in zijn vestigingsadvies; alleen op basis van het onderzoek zou dat niet verantwoord zijn, maar in combinatie met de uitvoerige gespreksronde was de gevolgtrekking niet misplaatst. Juist het feit dat de EIM-rapporten niet vanuit deze optiek waren opgezet, zodat het verzamelde materiaal niet door vooringenomen onderzoekers was verminkt, gaf een extra rechtvaardiging voor de getrokken conclusie. Toch is de conclusie voorzichtig; het lijkt te gelden dat de gesignaleerde ontwikkeling in Nederland relatief vaak optreedt [C-AWT3, p. 25].(73)

22.6 globaal gecijfer

Een aspect dat ik tot nu toe weinig aandacht heb geschonken, betreft de constatering van MERIT dat de technologische betalingsbalans voor Nederland verslechtert. Nederlandse bedrijven zouden steeds meer onderzoek in het buitenland doen terwijl buitenlandse bedrijven de R&D-uitgaven in Nederland terugschroeven. Ik heb dat aspect tot nu toe genegeerd omdat mij geen enkele economisch relevante statistiek op dat punt bekend is. MERIT maakt weliswaar vergelijkingen van patenten, maar stelt daarbij niet de vraag hoe patenten tot stand komen. De nationaliteit van de uitvinder zegt vaak weinig of niets aangezien bedrijfseconomische overwegingen in de regel de doorslag geven. Vanuit welk land kan een uitvinding het voordeligst worden gelanceerd gezien bijvoorbeeld het fiscale klimaat? En ook de omvang van de geldstromen die met de uitwisseling van octrooien gemoeid gaan, zegt weinig. Het kan bijvoorbeeld financieel aantrekkelijk zijn om de waarde van de uitgewisselde technologische kennis op te voeren. Voor economisch onderzoekers zijn deze verborgen strategieën moeilijk te achterhalen. Maar ook zonder kennis van de verborgen bedrijfsagenda's zijn de nodige kanttekeningen te plaatsen bij statistieken van grensoverschrijdend kennisverkeer.

De meermalen geciteerde onderzoekers van MERIT komen tot de conclusie dat 2,5% van de R&D in Nederland afkomstig is van buitenlandse bedrijven; een percentage dat vergelijkbaar is met dat van Duitsland en Zwitserland; alleen Zweden (2%) en Japan (nagenoeg 0%) scoren lager. Deze cijfers ontleent MERIT aan de OESO-databank en deze organisatie vermeldt de gegevens ook in eigen publikaties [C-OESO4]. MERIT en de OESO signaleren veel hogere percentages voor Noorwegen (8%), de VS (8%), Frankrijk (12%) en het Verenigd Koninkrijk (15%). In de periode 1981-1991 steeg voor de EU het gemiddelde percentage buitenlands gefinancierd onderzoek van 4,8 naar 7,8% terwijl MERIT voor Nederland over die periode juist een sterke daling constateert. Die observatie is meer dan een neutrale opmerking; het is een constatering die in samenhang met de dalende R&D-inspanningen van de grote 'Nederlandse' multinationals in Nederland leidt tot de conclusie dat het slecht is gesteld met de nationale kennisinfrastructuur. Kortweg zou men kunnen zeggen, wie niet met handen en voeten aan Nederland is gebonden, laat het benodigde onderzoek elders uitvoeren.

De cijfers van de OESO -- en daarmee de conclusies van MERIT -- roepen veel vragen op; het feit dat de helft van de Nederlandse R&D-top-40 uit dochters van buitenlandse ondernemingen bestaat, valt bijvoorbeeld moelijk te rijmen met de conclusie dat het R&D-klimaat zo bar is als uit de aangehaalde cijfers naar voren komt. Dat deze R&D-inbreng niet alleen verband houdt met teren op oude roem, blijkt uit het feit dat Nederland niet uit de pas loopt bij het aantrekken van nieuwe R&D-vestigingen van buitenlandse moederbedrijven. Alleen al uit de omvang van die investeringen valt af te leiden dat de gepresenteerde cijfers niet kunnen kloppen.

Op basis van een telling van Minne kom ik tot de conclusie dat in 1990 minstens 10% van de R&D in Nederland werd uitgevoerd door dochters van buitenlandse ondernemingen [B-M3]. Dit soort buitenlandse R&D nemen MERIT en de OESO blijkbaar niet mee; zij beschouwen alleen R&D uit buitenlandse fondsen en geen onderzoek dat wordt gefinancierd uit de eigen cash-flow. R&D door buitenlandse dochters die ten behoeve van de eigen vestiging onderzoek doen, valt hiermee af. Daar valt iets voor te zeggen, maar dat leidt alleen maar tot een grotere correctie van de MERIT-cijfers. De grote laboratoria van de grote Nederlandse multinationals worden steeds nadrukkelijker gefinancierd vanuit andere bedrijfsonderdelen; de customer/contractor relatie beperkt zich niet langer tot transacties tussen bedrijven. Dit betekent dat een zeer groot deel van de R&D die Unilever, Shell en Philips in Nederland verrichten, wordt gefinancierd uit buitenlandse fondsen.(74) Volgens bestuursvoorzitter Tabaksblat komt bij Unilever een kwart van de 1,5 miljard aan R&D-uitgaven in Nederland terecht terwijl daar slechts 4% van de omzet tegenover staat [E-FD. Dit betekent dat Unilever het grootste deel van de research in Nederland in feite vanuit het buitenland betaalt. Dit wil niet zeggen dat die uitwisseling van kennis ook in die verhouding op de betalingsbalans verschijnt. Zoals opgemerkt, kan het voordelig zijn om debet- en creditzijde van de boekhouding met dezelfde bedragen te verhogen of te verlagen. Het is bijvoorbeeld voordelig om R&D daar te boeken, waar de belastingvoordelen het grootste zijn. Wellicht houden de hoge import en export van kennis voor België daar verband mee. België heeft namelijk via de zogenoemde coördinatiecentra gunstige belastingregels voor onderzoek. Als dat een verklaring zou zijn, zou dat ook een ander licht kunnen werpen op de dalende R&D-uitgaven in eigen land. Nederlandse multinationals werken namelijk ook met de Belgische coördinatiecentra. Maar dat terzijde.

Zelfs als de hier gevestigde dochters van buitenlandse bedrijven buiten de statistieken blijven en geen rekening wordt gehouden met de financieringsstromen binnen de Nederlandse multinationals, komen de MERIT-cijfers ongeloofwaardig over. MERIT telt  111 miljoen aan buitenlandse R&D-uitgaven in Nederland, zonder ook maar een spoor van twijfel door te laten klinken. En die twijfel zou toch moeten opdoemen op basis van gegevens van enkele afzonderlijke onderzoekinstellingen. Van de opdrachtfinanciering van TNO is bijna een kwart afkomstig uit het buitenland. De opdrachtfinanciering omvat ongeveer 55% van de totale omzet van TNO [B-D1]; bij een totale omzet van ongeveer driekwart miljard haalt TNO ongeveer 100 miljoen uit het buitenland, al bijna evenveel als de door MERIT getelde inkomsten. Verder moeten de totale R&D-uitgaven van SKF (ca. 40 miljoen) binnen de omschrijving van MERIT vallen; deze dochter van het Zweedse moederbedrijf kan namelijk uitsluitend in opdracht van buitenlandse geldschieters werken aangezien SKF nagenoeg geen produktiefaciliteiten in Nederland heeft. TNO en SKF lijken samen al tweemaal zoveel inkomsten uit het buiteland te genereren als MERIT telt. De door MERIT gewenste verdubbeling -- en daarmee terugkeer naar een evenwichtig aandeel binnen de EU -- lijkt dus eenvoudig gevonden te zijn. Als we het vanuit het buitenland gefinancierde onderzoek van de 'Nederlandse' multinationals ook meenemen, komen we snel op miljarden uit.

MERIT geeft overigens aan dat de statistieken op verschillende punten niet optimaal zijn. Zo wordt geput uit R&D-data op bedrijfsniveau, hetgeen zou impliceren dat de R&D-definitie niet onderworpen is aan strenge normen en dat de onderlinge vergelijking met CBS-data moeilijk is. Andere, veel ingrijpender tekortkomingen worden niet gemeld, en naar het lijkt ook niet gezien. Maar goed, iets is beter dan niets, en de vermaning tot voorzichtigheid bij de interpretatie van de tabellen schept hoop. Maar de eerlijkheid is hier maar van korte duur, want de auteurs nemen die terughoudendheid zelf niet in acht; "in ieder geval wordt de teruggang in het marktaandeel van het Nederlandse R&D-systeem tekenend geacht voor de algehele malaise waarin de Nederlandse bedrijfs-R&D verkeert" [C-MERIT2, p. 45]. Je moet maar durven.

22.7 granieten grot

Uit de voorgaande paragrafen komt het beeld naar voren dat economen veelvuldig zondigen tegen de wetten van wetenschappelijke zorgvuldigheid, met als gevolg dat hun data niet altijd -- of wellicht beter, altijd niet -- betrouwbaar zijn. Dat economen het moeilijk hebben om de data op te schonen, geloof ik graag. Het reeds gememoreerde feit dat elk land een verschillende definitie hanteert voor directe buitenlandse investeringen, illustreert die problemen afdoende. Zeker gezien de grote mate van onbetrouwbaarheid van macro-economische statistieken is het van belang om naar andere informatiebronnen te zoeken.

Om te kunnen bepalen waarom buitenlandse bedrijven in Nederland een dochtervestiging hebben, bestookte ik hen met twee vragen: waarom hebben jullie voor Nederland gekozen en waar zou de voorkeur nu naar uitgaan als die keuze thans gemaakt zou moeten worden? Ik had in mijn achterhoofd dat goede universiteiten en andere kennisinstellingen belangrijk zouden zijn, maar dat werd er snel uitgepraat. De keuze werd bepaald door de goede distributiekanalen, de internationale oriëntatie van de bevolking en dergelijke. Als een geïnterviewde wel met de boodschap kwam dat de kennisinfrastructuur van belang was, moest deze bij doorvragen erkennen dat het overwegingen van de tweede of de derde orde waren. Waarom komt dat beeld niet naar voren in de analyses van wetenschappers die EZ soufleren? Voor een deel houdt dat wellicht verband met de lobby van belangenbehartigers. Aangezien werkgevers zich in die lobby allesbehalve onbetuigd laten, ontstaat toch het beeld dat omvangrijke R&D-uitgaven van nationaal belang zijn. En waar mensen uit de R&D aan het woord zijn, zullen zij vaak ook naar eer en geweten zo'n visie geven; er is tenslotte niets vreemds aan als mensen het belang van het eigen werk uitvergroten. Maar onder vier ogen moet men vaak toch toegeven dat R&D slechts een van de factoren in de concurrentiestrijd is. En wellicht wordt ook toegegeven dat extra faciliteiten van overheidswege niet automatisch hoeven te leiden tot meer R&D maar ook benut kunnen worden voor verbetering van het ondernemingsresultaat.

Hoe vaak komen de innovatie-economen bij bedrijven over de vloer en hoe open zijn hun ogen? Zelfs als zij daar niet komen, valt veel te leren van toevallig congresbezoek, zoals in het geval van de AKZO-medewerkers die furieus werden bij het verwijt dat bedrijven te weinig R&D doen.

Vroeger werd over wetenschap gesproken als het werken in een ivoren toren. Die kenschets had een negatieve bijklank, en niet onterecht. Er is geen enkele reden om wetenschap op een voetstuk te plaatsen en boven andere activiteiten verheven te verklaren. Het voordeel van een toren is wel dat je de buitenwereld kunt overzien. Echter, aan dat beeld van de realiteit ontbreekt het de economen nu juist; uit het voorgaande ontstaat het beeld dat de ivoren toren plaats heeft gemaakt voor de granieten grot. Veel economen werken op een wijze die doet denken aan de grotbewoners uit de metafoor van Plato die reeds in het eerste hoofdstuk ter sprake kwamen. Het verschil is dat veel economen tegenwoordig uitgaan van een wereld die tamelijk lineair is, terwijl de grotbewoners veronderstelden dat de werkelijkheid wordt bepaald door zeer complexe mathematische processen. Persoonlijk heb ik liever van doen met de opstelling van Schrödinger die de wiskundige formules als een versimpeld aftreksel van de werkelijkheid opvatte.

In tegenstelling tot Schrödinger lijken economen zich niet bijzonder te interesseren voor de wereld zoals die zich buiten hun modellen afspeelt. Die indruk ontstaat op basis van de analyse van het werk van Nederlandse economen die zich met het technologiebeleid bezighouden. Dat het in andere landen niet veel beter lijkt te zijn, zou afgeleid kunnen worden uit de in dit hoofdstuk gewraakte cijfers van bijvoorbeeld de OESO. Ook het feit dat overheden in andere landen zich vaak in vergelijkbare zorgwekkende bewoordingen over de nationale R&D-statistieken uitlaten, wijst in de richting dat de wetenschappers in die landen evenmin oog hebben voor het complexe karakter van de economische werkelijkheid. De speurtocht naar simpele lineaire verbanden komt ook tot uiting in een recente nota van de Europese Commissie die spreekt van een paradox [C-EC1]: "ondanks wetenschappelijke prestaties van zeer hoog niveau, is de situatie van de Europese Unie op het gebied van de innovatie niet bevredigend", kortom veel en goede wetenschap met weinig uitvindingen. In een bijeenkomst waar het Nederlandse standpunt over dit Groenboek werd voorbereid, sprak toenmalig werkgeversvoorzitter Rinnooy Kan van een gerechtvaardige zorg [G-R2]. In de discussies werden echter ook veel andere geluiden gehoord. Als kennis niet wordt benut, is geen sprake van goede wetenschap. Vanuit die stellingname valt ook de door de Europese Commissie bepleitte verhoging van de R&D-uitgaven te bestrijden. Dit geluid was (helaas) niet afkomstig van innovatie-economen maar van voorzitter De Voogd van het college van bestuur van de TU Delft. Zoveel zelfkritiek en nuanceringsvermogen valt helaas weinig te beluisteren bij de wetenschappers wier vak het eigenlijk zou moeten zijn met dergelijke kritische geluiden naar voren te treden. En zoveel kritiek wilden de organisatoren van de Nederlandse conferentie ook niet naar buiten brengen, hoewel De Voogd namens de deelnemers sprak van het door hem geleide seminar. Organisator EG-Liason concludeerde in de Engelstalige samenvatting dat veel publikaties niet automatisch betekent dat sprake is van goed gerichte wetenschap van hoge kwaliteit; meer R&D en meer wetenschap leidt niet automatisch tot meer innovatie [C-IRC]. De scherpte is er af, en daardoor wordt minder nadruk gelegd op de noodzaak om macro-economische cijfers over R&D en innovatie te nuanceren.

Het beeld dat het niet alleen de macro-economen van de innovatie zijn die zich van de wispelturige wereld afkeren, doemt sterk op uit een analyse van de opvattingen onder aankomende economische wetenschappers. In een interview somt de Rotterdamse econoom Van Sinderen een aantal opmerkelijk feiten op [D-V1]. Volgens tellingen van de Amerikaanse econoom Morgan zou de helft van de artikelen in de American Economic Review gebaseerd zijn op modellen zonder empirische toepassing. Uit een enquête van Colander en Klamer onder Amerikaanse promovendi blijkt 98% het belangrijk te vinden dat men goed is in wiskunde. Die hoge score is natuurlijk prima, maar niet in contrast met het gegeven dat maar liefst 68% van de ondervraagden een brede kennis van de economische realiteit irrelevant acht. Klamer heeft samen met Van Dalen voorgesteld om in Nederland helemaal geen fundamenteel economisch onderzoek meer te doen omdat op dit gebied in kwalitatief opzicht niet te concurreren zou zijn met Amerikaanse economen [D-D1]. Deze suggestie is fel van de hand gewezen door de Tilburgse econoom Eric van Damme. Van Damme concludeerde in navolging van de Amerikaanse econoom Bernstein dat "de moderne financiële markten met al hun exotische produkten zich ontwikkelden uit een paar simpele, fundamentele ideeën die wiskundige economen in hun ivoren torens hadden uitgebroed" [D-D2]. Uiteraard zullen de modellenbouwers in de ivoren toren af en toe met iets komen dat bruikbaar blijkt te zijn voor praktijkgerichte economen. Maar in de woordkeuze van Van Damme valt de meest onzinnige wetenschap te rechtvaardigen; wie veel zegt zal ook wel eens een nuttige uitspraak doen. Of het werk van Bernstein bijvoorbeeld zo'n nuttig neveneffect is, zou ik nog wel nader onderbouwd willen zien. In het licht van de in hoofdstuk tien beschouwing over chaotische systemen lijkt het mij vooralsnog twijfelachtig of de ontwikkeling van financiële markten afdoende bekend kan zijn.

De neiging van veel economische onderzoekers om zich van de werkelijkheid af te zonderen, lijkt gepaard te gaan met een neerbuigende houding ten opzichte van beleidsgericht werk. Dat is in elk geval de observatie van de Leidse econoom Groot [D-G6]: "Nederlandse economen hebben doorgaans weinig belangstelling voor actuele maatschappelijke vraagstukken. Dat gaat vaak gepaard met een arrogante en neerbuigende houding ten opzichte van collega's die wel beleidsgericht onderzoek doen". Deze typering lijkt overigens niet uniek voor de economie; geven de fysici die beweren de theory of everything te zoeken, geen blijk van een vergelijkbare arrogantie? Het nadeel voor de economie lijkt te zijn dat ook veel beleidsgerichte onderzoekers weinig moeite doen de economische realiteit te doorgronden. Die conclusie dringt zich op voor wat betreft de macro-economen die zich bezighouden met de innovatie in het bedrijfsleven.

22.8 slechte spiegel

In de eerste twee delen stond de eendimensionale oriëntatie binnen de wetenschap centraal; door zich af te sluiten van andere disciplines en van de maatschappelijke realiteit doen veel wetenschappers afbreuk aan de mogelijkheden hun eigen vakgebied verder te ontwikkelen. De beschouwing was daarbij vooral gericht op de natuurkunde en de filosofie. De analyse in dit deel, en vooral ook in dit hoofdstuk, laat zien dat ook veel economen zich beperken door een eendimensionale opsluiting. Zelfs deze op de praktijk gerichte cijferaars lijken weinig of geen moeite te doen om hun data in overeenstemming met de praktijk te brengen. In feite zijn veel economen niet één- en zelfs niet nul-dimensionaal; ze kunnen immers niet goed met losse data --punten-- omgaan. Ze voldoen uiteraard niet allemaal aan dit beeld, zoals afgeleid kan worden uit de 'tegendraadse' analyse van sommige economen, zoals H.W. de Jong, die heeft laten zien dat Europese bedrijven helemaal niet op algemene achterstand zijn gezet in vergelijking met Japanse en Amerikaanse ondernemingen..Maar dit zijn in mijn beleving uitzonderingen die de regel veeleer bevestigen dan bestrijden.

Bovenstaande schets van economen kan sterk gekleurd zijn doordat gekeken is door de bril van beleidsmakers op het ministerie van Economische Zaken. Economen die zich kritisch over hun vakgebeid uitlaten, komen evenwel tot vergelijkbare conclusies. "Economen zien nooit een bedrijf van binnen" heeft de Volkskrant als titel meegegeven aan een artikel waarin de NWO-pionier Gerard Pfann werd geportretteerd [D-D3]. Macrocijfers en de bijbehorende (Planbureau)modellen zouden Pfann niet kunnen bekoren; "We moeten kunnen begrijpen hoe mensen reageren, dát is belangrijk. Hoe reageert een ondernemer die onverwacht een groot aantal orders binnenkrijgt, hoe reageert een bedrijf op een innovatie van een concurrent?" Dat het erg met de huidige generatie macro-economen gesteld is, is ook de conclusie van Frans Doorman [D-D7]. Deze Wageningse ontwikkelingssocioloog meent dat er in de economie meerdere originele en kritische denkers rondlopen en -liepen -- Keynes, Galbraith, Ormerod -- maar hij heeft weinig vertouwen in de huidige generatie economen om hier goed mee om te gaan, getuige zijn afsluitende conclusie "Maar misschien zou het gewoon beter zijn de orthodoxe meerderheid van de huidige generatie economen af te schrijven en met een schone lei, een nieuwe lichting economiestudenten, te beginnen".

"Sorry, de economische wetenschap is dood" zette de Volkskrant boven het betoog van Doorman. Helaas kan ik die stelling op basis van mijn analyse niet tegenspreken. Integendeel, ik zou die stelling moeten bevestigen, althans wat betreft de macro-economische cijfermeesters. Waarom leiden we deze 'wetenschappers' nog op? Vanwege de hoop op een nieuwe generatie die het beter zou moeten kunnen? Omdat macro-economen duidelijk maken dat fysici en filosofen het misschien toch nog niet zo slecht doen met hun eendimensionale wetenschap? Dat zou zo kunnen zijn, maar als dat het enige zou zijn, zouden we wel erg veel geld voor een spiegel uitgeven.

In dit hoofdstuk heb ik mij geconcentreerd op de waarde van het economisch onderzoek. De belangrijkste taak van universitaire wetenschappers is echter het opleiden van mensen, het liefst van mensen waar de arbeidsmarkt behoefte aan heeft. Die taak lijken de economen uitstekend te vervullen. Vanaf het begin van de jaren tachtig is de toeloop van studenten naar de economische faculteiten stormachtig gegroeid. Ondanks deze stormloop vinden afgestudeerde economen relatief gemakkelijk een baan. Aangezien het betrekkelijk goedkoop is om studenten naar de doktoraalbul economie te brengen, zou het een economische ramp zijn als de economie-opleidingen gedecimeerd zouden worden. Deze constatering staat niet haaks op het betoog in dit deel. Voor de opleiding van studenten gaat het eerst en vooral om de training van vaardigheden en niet om specifieke inhoudelijke kennis. Vanuit dat perspectief lijkt het uitermate belangrijk om ook hier fundamenteel economisch onderzoek te doen; niet om de Amerikanen naar de kroon te steken maar om mensen op te leiden die weten te werken met modellen.

Noten

68. Deze vraag heeft slechts betrekking op het tamelijk naïeve wereldbeeld van Tinbergen over de lineair maakbare werkelijkheid. Zijn vermogen om grote en brede vraagstukken tot de essentie terug te brengen, lijkt minder navolging te vinden binnen het CPB. [D-D1]. Met zijn bijdrage aan nieuwe lineaire modellen en het reduceren tot de essentie toonde Tinbergen zich een goede leerling van zijn leermeester, de natuurkundige Paul Ehrenfest. Het CPB lijkt daarmee voort te bouwen op de kant van Tinbergen die zich in confrontatie met de economische werkelijkheid het minste staande weet te houden.

69. Voor 1989 becijferde het CPB de R&D-uitgaven van Fokker op 4,46% van de omzet. Het FEM kwam voor 1990 op 1,55% en voor 1991 op 0,98%. Navraag bij Fokker resulteerde voor 1991 in 6,9%. MERIT komt voor de totale Nederlandse vliegtuigbouw op 3,44% voor de periode 1981-1991.

70. De statistieken laten daadwerkelijk een stijging van de R&D-uitgaven zien; volgens het CBS zijn die uitgaven in 1994 gestegen tot 2,04% van het BBP, hetgeen 0,1% boven het Europese gemiddelde ligt. In 1994 --  het eerste 'WBSO-jaar' -- zouden 12% meer mensen voor R&D zijn ingezet als in 1993 [C-CBS].

71. Gegevens zijn ontleend aan Balance of Payments Statistics Yearbook, 1992 van het IMF [C-IMF]. De uitgave van 1992 geeft cijfers over de periode 1984-1991. Het bedrag aan directe buitenlandse investeringen is bijvoorbeeld samengesteld uit de rubrieken equity capital, reinvestments of earnings, other long-term capital en short-term capital. De Franse statistieken laten de tweede kolom open, de Nederlandse de derde, de Britse en Zweedse de eerste en vierde, de Belgische de tweede en vierde terwijl de Duitse statistieken alle vier deelgroepen omvatten.

72. Bijvoorbeeld die van Euromoney, door het FEM getypeerd als een gezaghebbend financieel vakblad. Volgens 24 top-economen zal Nederland in 1996 en 1997 na Singapore, Luxemburg en Zwitserland de sterkste economie hebben.

73. Opvallend is dat juist deze passage aandacht trok van het CBIN (Commissariaat voor Buitenlandse Investeringen in Nederland; de organisatie die buitenlandse bedrijven werft voor een investeringen) en van René Buck, directeur van het bedrijf dat ondernemingen adviseert met betrekking tot vestigingsplaatsen en dat vergelijkend onderzoek uitvoert naar vestigingsfactoren.

74. Deze constatering betekent overigens ook dat de belastingvoordelen voor de R&D-verrichtende multinationals mede ten goede komen aan de dochters in het buitenland; Nederlandse Shell-laboratoria verrekenen de voordelen in hun tarieven voor bijvoorbeeld Shell-Duitsland.