3 Wereldvreemde Wijsgeren


de passages tussen [..] zijn literatuurverwijzingen.

"Het niveau van het debat viel mij tegen. We hebben meer filosofen nodig". Met woorden van deze strekking gaf een Nijmeegse hoogleraar in de filosofie commentaar op het symposium ter gelegenheid van mijn afscheid van de Nijmeegse universiteit begin 1992 [F-SG2]. Het motto was a in b, ofwel het belang om binnen de b-wetenschappen rekening te houden met a-aspecten. Wie B zegt, moet ook A zeggen. De sprekers waren twee natuurwetenschappers met een oog voor aspecten die buiten hun vakgebied liggen: Henk Tennekes en Jan Hilgevoord. Het kan natuurlijk altijd beter, en dat gold volgens mij ook voor mijn afscheidssymposium. Of een verhoging van het aantal filosofen daartoe een bijdrage zou kunnen leveren, wil ik in dit hoofdstuk nader verkennen.

3.1 dromerige diepgang

In de voorgaande hoofdstukken is beschreven hoe de ontwikkelingen die zich in deze eeuw binnen de natuurkunde voltrokken, aanleiding gaven en geven tot bespiegelingen over ons wereldbeeld. Het feit dat in de quantummechanica waarnemer en waarneming niet te scheiden zijn, bleek koren op de molen van auteurs die hun eigen wereldbeeld laten steunen op oosterse religies. Gezien de belangstelling in bredere kring voor de interpretatie van de quantummechanica was het een goed initiatief om toonaangevende filosofen en fysici drie dagen bij elkaar op te sluiten tijdens hemelvaart 1992 [F-Eras2]. Dit initiatief werd genomen door de Praemium Erasmianum Foundation die bekend is vanwege de jaarlijkse uitreiking van de Erasmusprijs. Eerder had ik het door deze stichting georganiseerde symposium bijgewoond over de kruisbestuiving tussen drie wetenschappelijke culturen [F-Eras1]. Het feit dat een particuliere suikeroom symposia met internationaal vermaarde wetenschappers uit de verschillende wetenschappelijke culturen -- het drie culturen symposium werd onder andere opgeluisterd door Peter Gay en Sir Ernst Gombrich en tijdens het symposium over het natuurkundig wereldbeeld spraken onder andere Paul Feyerabend en John Barrow -- organiseert en financiert, illustreert hoe moeilijk discipline-overstijgende kruisbestuiving binnen de universitaire muren tot stand komt, maar dat terzijde.

De wetenschappelijke leiding van het symposium over het natuurkundige wereldbeeld lag in handen van Jan Hilgevoord. Hij verzorgde ook de redactie van het verslag [A-H3] dat beschouwd kan worden als een belangrijke aanvulling op de reeds bestaande literatuur. De kritiek van de Nijmeegse filosoof op de wijsgerige diepgang van het debat over natuurwetenschappelijke vraagstukken zal ongetwijfeld niet voor het symposiumverslag gelden, of in elk geval veel milder getint zijn dan zijn oordeel over het Nijmeegse debat. Ik waag echter te betwijfelen of het verslag een grote bijdrage levert aan een verkleining van de kloof tussen natuurkunde en filosofie. Tijdens de filosofische debatten sprak de lichaamstaal van de fysici John Barrow en Paul Davies -- en in mindere mate ook van Gerard 't Hooft -- wat dat betreft boekdelen. Het betreft hier auteurs van populair wetenschappelijke bestsellers over de hedendaagse natuurkunde die er in hun boeken niet voor schuwen om religieuze en filosofische zijpaden te bewandelen. Als zelfs zij verveeld zitten rond te kijken als vakfilosofen en theologen aan het woord zijn, wat zou de gemiddelde fysicus daar dan mee kunnen?

Paul Feyerabend sloot in feite nog het beste aan bij het werk van de fysici, in het bijzonder met zijn beschouwing over het werk van de natuurkundige Pauli die veel samenwerkte met de psychiater Jung. Pauli's dromen blijken een belangrijke rol gespeeld te hebben bij diens fysisch werk. Voor Feyerabend vormt de werkwijze van Pauli het zoveelste bewijs dat er geen wetenschappelijke methode bestaat, een stelling die veel aandacht krijgt in zijn boeken, zoals wordt geïllustreerd door de titel van zijn bekendste boek Against Method. Met deze stelling zullen de meeste fysici het niet eens zijn, maar de beschouwing over Pauli geeft natuurwetenschappers wel voldoende houvast om Feyerabends ideeën verder te verkennen, zoals ook gebeurde tijdens tafelgesprekken. Een fysicus die weinig met de ideeën van Feyerabend zei op te hebben, kwam na een discussie over Feyerabends schets van Pauli's dromen wel met de ontboezeming dat hij tijdens een droom de ingeving kreeg dat hij in een zeer belangrijk wetenschappelijk artikel een plus- in een minteken moest veranderen. Of omgekeerd, maar dat is in feite hetzelfde. Zulke discussies zullen niet snel tot nieuwe wetenschappelijke theorieën leiden, maar ze vormen wel een ankerpunt waar een debat tussen a- en b-wetenschappers op kan rusten.

3.2 filosofische frasen

Onder aanvoering van Bas van Fraassen en Ernan McMullin ontwikkelde het Erasmus-symposium zich tot een platform voor discussies tussen realisten en empiristen. Van Fraassen stelde dat volgens de empiristen theorieën niet (over de hele linie) waar hoeven te zijn om goed te zijn; ze moeten alleen nauwkeurig zijn bij de weergave van de beschouwde verschijnselen [A-H3]. Hoe deze verschijnselen worden geïnterpreteerd, is slechts van belang als aanvulling op het primaire, te weten de empirische bekwaamheid. Voor de wetenschappelijke realisten gaat wetenschap volgens Van Fraassen gepaard met waarheid: het doel is te voorzien in een volledig verhaal van hetgeen zich in werkelijkheid afspeelt, zowel op het toneel als achter de schermen.

Mensen als Einstein en 't Hooft kunnen volgens deze typering tot de realisten worden gerekend; zij willen bijvoorbeeld weten hoe een foton zich in het dubbele-spleet-experiment voortbeweegt. Bohr hoort daarentegen meer in het kamp van de empiristen thuis; hij neemt de empirische uitkomsten als uitgangspunt. De positie van Bohr is niet eenduidig, maar die ondubbelzinnigheid geldt wel voor mensen die zeggen dat het weinig zin heeft over al die interpretaties te filosoferen zolang er geen waarnemingen zijn die nieuw licht op de problematiek kunnen werpen; dat zijn de echte empiristen. Met dat beeld dacht ik de stromingen helder onderscheiden te hebben, maar naarmate het symposium vorderde, was een steeds sterker vergrootglas nodig om de tegenstelling tussen de realist Van Fraassen en de empirist McMullin nog te kunnen ontwaren. De overbrugging van de tegenstellingen leek het grote succes van het symposium, maar in het verslagboek [A-H3] valt daarvan hoogstens een deel terug te vinden.

Het grote nadeel van de filosofische discussie was echter dat ze steeds minder voeling hield met de fysische werkelijkheid, zoals ook afgeleid kon worden uit de gememoreerde verveling die van de gezichten van met name Davies en Barrow afdroop. En die verveling deelde ik zelf ook en nog steeds moet ik opzoeken wat het verschil tussen een realist en een empirist is. En als dat weer naast elkaar staat, weet ik niet wat mensen buiten de filosofie daar mee aan moeten. Het komt op mij over als het verschil tussen gereformeerden en hervormden in de ogen van een moslim.

Voor mij leverde Feyerabend de meeste aanknopingspunten. De titel van het portret dat de Scientific American aan hem wijdde -- The Worst Enemy of Science -- illustreert hoe Feyerabend door veel wetenschappers gezien wordt [D-H8]. Hermans heeft Feyerabend gekritiseerd omdat hij zich dadaïst noemt, maar "ondertussen blijkt Feyerabends kennis van het dadaïsme minimaal te zijn" [A-H2]. Maar een dadaïst toont zijn gedaante door zijn daden en niet door wetenschappelijke kennis van deze tegendraadse stroming. Feyerabend gedroeg zich tijdens het congres tot op zekere hoogte tegendraads. Uit anekdotes komt hij vaak naar voren als het enfant terrible van de wetenschapsfilosofie, zoals in het geval van een lezing waarin hij zei de uitnodiging voor het congres aanvaard te hebben omdat hij op kosten van de organisatie een zonovergoten conferentieoord kon bezoeken. Het ergste wat een dadaïst kan overkomen, is zelf op een voetstuk te worden geplaatst: Duchamp die zich tegen de toen heersende kunst verzette door een expositie op te fleuren met een fietswiel dat vervolgens zelf tot kunst werd verheven. Verzet dat tot establishment verwordt. Feyerabend had daar in principe ook last van, hij was tenslotte een van de belangrijkste wetenschapsfilosofen. Hij deed nauwelijks pogingen een taal te spreken die ook (andere) wetenschappers verstaan. Het aangehaalde voorbeeld over Pauli vormt een uitzondering die deze regel bevestigt. Om Feyerabend te kunnen volgen, moet de lezer zich door zijn analyses van Aristoteles en Plato heen worstelen, en dat is meer dan de modale wetenschapper kan verteren. En daarmee bevindt Feyerabend zich in gezelschap van veel filosofen. Jammer, jammer, driewerf jammer.

3.3 onvoltooide oudheid

Tijdens het symposium kregen de filosofen uit de oudheid volop aandacht, en zeker niet alleen van Feyerabend. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de index van het verslagboek [A-H3]; Aristoteles wordt op 13 pagina's genoemd, Thomas van Aquino op 9 en Plato komt op 6 pagina's voor. Daarmee scoren zij veel hoger dan meer eigentijdse filosofen, waarvan Putnam (5 pagina's) en Kuhn (4 pagina's) het vaakste worden genoemd, de sprekers buiten beschouwing latend. Zijn de antieke filosofen echt de belangrijkste denkers die licht kunnen werpen op de relatie tussen de natuurkunde en ons wereldbeeld? In de tijd van het illustere drietal bestond de natuurkunde in feite nog niet eens, laat staan dat rekening gehouden kon worden met de bizarre wereld van het quantum. Het aantal geciteerde natuurwetenschappers is groter, maar samen worden zij minder vaak genoemd dan het filosofische drietal. De natuurkunde top-drie bestaat uit Pauli, Einstein en Newton.

Wat betreft de filosofie wordt de ballast van denkers uit de Oudheid en de Middeleeuwen zelfs meegetorst door auteurs die over hedendaagse techniek schrijven, zoals blijkt uit De maat van de techniek, een boek dat filosofen van de Universiteit Twente schreven voor een brede lezersgroep [A-A1]. De besproken hedendaagse denkers buiten beschouwing latend, nemen ook in deze bundel de filosofen uit vervlogen tijden de meest prominente plaats in. Plato is topscorer en passeert op dertien pagina's de revue. Aristoteles deelt met een score van tien pagina's de vijfde plaats met de hedendaagse Van der Pot. Daartussen hebben zich Francis Bacon, Karl Marx en Langdon Winner genesteld met elf pagina's aandacht. Filosofen kunnen blijkbaar niet zonder antieke bagage, zelfs niet in beschouwingen over zoiets eigentijds als technologie en de invloed daarvan op ons leven en denken.

De aandacht voor het zeer verre verleden is in de Twentse techniekbundel minder sterk dan in het verslagboek van het Erasmus-symposium, maar toch. Hebben Aristoteles en Plato zo veel over techniek en technologie gezegd dat hun geest zo nadrukkelijk aanwezig moet zijn? De wet van Archimedes en de stelling van Pythagoras spelen in elk geval geen belangrijke rol in de ideeënwereld van de huidige generatie natuurwetenschappers. Waarom moet eigenlijk elke filosoof het werk van Plato en Aristoteles kennen? Hoeveel energie blijft er over om Hegel, Kant, Nietzsche, enzovoort grondig te bestuderen? En zijn Wittgenstein, Habermas, Foucault, enzovoort, enzovoort, niet veel essentiëler dan denkers uit vervlogen eeuwen? Als alle vakfilosofen die eeuwenoude kennis met zich mee moeten torsen, geldt dat dan ook voor iedereen die zich in een filosofisch dispuut wil mengen? Moet iedereen zich, om met Whitehead te spreken, persen in de Europese filosofische traditie van voetnoten bij het werk van Plato?(6) Als hiermee Plato te veel eer aangedaan wordt, zou ook Aristoteles genoemd kunnen worden die met Plato lijkt te strijden om de hoogste plaats op de citation index van de 'hedendaagse' filosofie. Ik weiger dat, althans systematisch. Net zoals ik niet systematisch kennis neem van de geschriften van Newton, Huygens, Einstein, enzovoort. Vakfilosofen kunnen mij voor de voeten werpen dat deze instelling afbreuk doet aan de theoretische diepgang van dit boek. Maar het maakt wel tijd en energie vrij om te kijken wat de praktische bruikbaarheid is van betogen van hedendaagse filosofen over technologie.

3.4 technologische terreur

De traditie van voetnoten bij Plato en Aristoteles betekent niet dat eigentijdse filosofen uit de Twentse techniekbundel de moderne technologie negeren. Integendeel, volgens Günther Anders vormen Hiroshima en Nagasaki een breuk in de geschiedenis. "Het is tragisch te zeggen, maar de geschiedenis is pas wereldgeschiedenis geworden op het moment dat de wereld eens en voor altijd technisch vernietigd kan worden... De mens is antiquiert, achterhaald door zijn eigen geobjectiveerde technische vooruitgang" [D-D6]. Dit citaat is kenmerkend voor Anders, maar ook voor veel andere filosofen die in deze verzamelbundel aan bod komen. De traumatische ervaringen die zij tijdens de Tweede Wereldoorlog ondergingen, lijkt niet los gezien te kunnen worden van de sterke accentuering van het vernietigingsvermogen van de moderne techniek, in het bijzonder het gebruik van atoomwapens.

Ik las De maat van de techniek tijdens mijn vakantie in Andalusië, maar het waren niet de indrukken van de parels van de vroegere Moorse cultuur die zich vermengden met het geschreven woord. De externe impulsen kwamen van de uitzendingen van de Wereldomroep die melding maakte van de schrijnende Ruandese burgeroorlog. Zonder noemenswaardige technische hulpmiddelen werden daar met een ongekende voortvarendheid volledige volksstammen over de kling gejaagd. Met de waterstofbom vallen weliswaar meer en sneller slachtoffers te maken, maar niet zo 'doeltreffend', zo klinisch selectief. Met andere woorden, wat is er zo nieuw aan de technologische vernietigingskracht dat de mens hierdoor antiquiert zou zijn, zichzelf achterhaald, overleefd zou hebben? Ligt het niet veeleer opgesloten in de menselijke natuur om een deel van de soortgenoten te vernietigen als dat zo uitkomt? Technische hulpmiddelen kunnen daarbij van pas komen om een overwicht ten opzichte van de tegenstander te creëren, maar dat is niets nieuws. Frederik Hendrik wist de stad Den Bosch te bedwingen door met hulp van ingenieur Leeghwater de onder water gezette omgeving leeg te pompen. Is dat principieel anders dan het gebruik van voor radar onzichtbare vliegtuigen door het Amerikaanse leger?

Natuurlijk, de atoomwapens hebben een vernietigingskracht die elke vergelijking met het ons vertrouwde verleden te boven gaat, maar dat geldt nog sterker voor kometen die de Aarde kunnen treffen. Beïnvloedt de atoombewapening de mens werkelijk? Houden we in ons gedrag rekening met de mogelijkheid van massavernietiging? Hoogstens marginaal, bijvoorbeeld als verzet tegen de Franse atoomproeven. Hiermee wil ik niet zeggen dat het een onbelangrijk vraagstuk is, maar wel dat door ontwikkelingen in Ruanda en in het voormalige Joegoslavië het filosofisch doemdenken over de technologie antiquiert is.

De door Achterhuis c.s. besproken filosofen beperken zich niet tot atoombewapening. Maar ook bij de andere voorbeelden van technologische vooruitgang staat de potentiële vernietiging voorop en wordt een scheiding geconstrueerd tussen mens en techniek. In feite wordt een vijandbeeld gepropageerd waarbij de techniek als moordend kwaad wordt gezien. Dat geldt niet alleen voor de (atoom)bewapening, maar ook voor de auto met zijn verkeersslachtoffers en de biotechnologie die het menselijk ras onherstelbaar kan vervormen. Natuurlijk gaat het bij de verkeersdoden en het ingrijpen in menselijke genen om belangrijke vragen, maar het gaat om techniek in extreme situaties; het zijn de singuliere punten. Zou de wereld er nu veel anders uitzien zonder verkeersdoden en vervuilingsslachtoffers. Natuurlijk, er zou veel leed zijn bespaard, maar dat verandert de positie van de mens in deze wereld niet. En het gemanipuleer met menselijke genen?

De moderne technologie kan de plaats van de mens wellicht drastisch veranderen, maar is dat ook de feitelijke consequentie van de technologie zoals die tot nu toe is gebruikt? Door de nadruk te leggen op extreme situaties, wekken de in de Twentse bundel besproken filosofen wel die indruk. Die nadruk op het extreme komt zeer scherp naar voren in het essay van Achterhuis waarin Hans Jonas onder andere wordt opgevoerd als strijder tegen de Amerikaanse herdefinitie van de hersendood, waarbij een vlak elektroëncefalogram bij een irreversibel coma als diagnostisch teken van de dood zou moeten gaan gelden [A-A1, p. 162]. Het bezwaar van Jonas betrof niet zozeer de nieuwe definitie alswel het feit dat de verandering werd ingegeven door de wens om de technologie van de orgaantransplantatie mogelijk te maken en uit te breiden. In 1976, minder dan tien jaar nadat hij zijn bezwaren had opgevoerd, moest Jonas erkennen dat de technologische ontwikkeling zich niets van zijn argumentatie had aangetrokken en dat hij de spreekwoordelijke roepende was in de technologische woestijn. Onder de noemer 'dreigende degene(n)ratie' ga ik in paragraaf 11.4 nader op dit vraagstuk in.

3.5 doorgeschoten diepgang

Met hun techniekbundel, maar ook via columns, voordrachten, enzovoort, doen de Twentse filosofen relatief veel moeite om filosofische kennis en inzichten voor een breder publiek toegankelijk te maken, waaronder ook de voor hen relevante doelgroep van technici. Afgaande op geluiden van Twentse filosofen krijg ik de indruk dat zij veeleer een uitzondering vormen, een uitzondering die mede in de hand wordt gewerkt doordat toegankelijke teksten in het wetenschappelijk beoordelingssysteem niet zwaar tellen en dat publikaties in het Nederlands nauwelijks of geen gewicht in de schaal leggen. Om de brug naar andere disciplines te slaan, is het noodzakelijk om ook voor die vakgebieden begrijpelijk te blijven. Dat zoiets een bewuste keuze vraagt, komt tot uiting in het proefschrift van Willem van Genugten. De inmiddels hooggeleerde Van Genugten promoveerde in de juridische faculteit op een juridisch/filosofisch onderwerp. Hij had er bewust en mijns inziens terecht voor gekozen om de dissertatie aan te laten sluiten bij de praktijk, zoals hij ook aangeeft in de inleiding: "Tegelijkertijd echter stond voor mij vast dat het geen puur theoretisch-filosofische studie diende te worden. Deze gedachte vloeit voort uit de wijze waarop naar mijn overtuiging de rechtsfilosofie het beste kan worden beoefend, of althans de wijze waarop ik haar graag beoefen: in de nabijheid van het recht of de rechtspraktijk zelf" [B-G1, p. 1]. De keuze om de studie aan te laten sluiten bij de rechtspraktijk was ook belangrijk om de belangstelling van juristen te vangen. Om hen te blijven boeien, is het noodzakelijk filosofische uitwijdingen tot het minimum te beperken. Die inperking werd hem niet door alle filosofen in dank afgenomen, zoals ik tijdens de receptie na de promotie kon beluisteren. Uiteraard gebeurde dat onder het mom dat het boek meer diepgang zou moeten hebben. Maar in dat geval zouden de juristen ongetwijfeld hebben afgehaakt, zoals ook fysici afhaken bij de meeste filosofische teksten over hun vakgebied, ook die van fysici als Werner Heisenberg. Dat geldt in elk geval voor de Nederlandse Amerikaanse fysicus Abraham Pais die in een interview Heisenberg omschreef als iemand die onuitstaanbaar diepzinnig begon te doen [D-C1]. Dit is niet de weerzin van een gemiddelde fysicus, maar van de auteur van maatgevende biografieën over Einstein [A-P2] en Bohr [A-P3] en die daarbij blijk geeft van grote geschiedkundige gaven waarbij hij ook filosofisch gerelateerde aspecten belicht; tenslotte is het sterk filosofisch geladen Einstein-Bohr-debat een van de hoogtepunten uit de geschiedenis van de natuurkunde. Dat Pais niet de enige is die Heisenberg links laat liggen, kan ook afgeleid worden uit het feit dat het werk van deze fysicus-filosoof nauwelijks wordt aangehaald in het debat over de interpretatie van de quantummechanica.

Wetenschappers die een serieuze gesprekspartner willen zijn voor collega's uit andere vakgebieden, moeten zich 'verlagen' tot het begripsvermogen van goedwillende leken uit die andere disciplines. Daarnaast is die 'verlaging' nodig om het zicht op de werkelijkheid niet uit het oog te verliezen; dat geldt zeker ook voor de wijsbegeerte, omdat anders het gevaar ontstaat van filosofie met weinig realiteitsgehalte.

Afgezien van het gevaar van een eendimensionale opsluiting, kan de vraag worden gesteld waar we de vernieuwende denkers moeten zoeken, waar de inhoudelijke vernieuwing en verdieping van het vakgebied gestalte krijgen. In het voorwoord voor Staals eerder genoemde verzamelbundel noemt Harry Mulisch hem een filosoof en geen filosofoloog: "Hij schrijft niet over wat A schreef over wat B schreef over Wittgenstein, maar hij bedenkt zelf iets -- net als Wittgenstein" [A-S2, p. 10]. Welke denkers stellen zich kwetsbaar op door hun nek uit te steken? Ik ben geneigd daarbij eerder te zoeken bij columnisten dan bij filosofen.

Komen er Nederlandse filosofen voor in uw filosofen-wereldtop-tien of zelfs top-honderd? Waar zijn de evenknieën van Heidegger, Habermas, Foucault, Feyerabend, Derrida, Kuhn, Mumford, enzovoort, van de Nederlandse wijsbegeerte? Of anders gezegd, welke Nederlandse filosoof uit deze eeuw geniet het (internationale) aanzien van Tinbergen, 't Hooft, Oort, Buytendijk, Dijksterhuis, Romein, Hermans, Appel, Koolhaas, Haitink, enzovoort? Door de geografische en vakinhoudelijke afbakening te verruimen, kom ik uit bij de van oorsprong Belgische theoloog Schillebeeckx. Nederland lijkt sinds Spinoza geen filosoof van internationale allure voortgebracht te hebben. Hoewel voortgebracht, Spinoza was een Portugese jood. Eigenlijk is de titel van deze paragraaf niet goed; zonder verdieping is er immers geen diepgang die kan doorschieten.

Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de opsluiting in de eigen wijsgerige dimensie niet los staat van het gebrek aan filosofische diepgang en vernieuwing; die indruk geldt overigens niet alleen de filosofie. In de twee voorgaande hoofdstukken is betoogd dat fysici zichzelf en hun vakgebied tekort doen als zij zich massaal van de buitenwereld afsluiten. In dit hoofdstuk dringt een vergelijkbare conclusie zich op voor de filosofie. En gezien het werkterrein lijkt de opsluiting voor filosofen veel ernstiger dan voor fysici. Filosoferen doe je immers niet in het luchtledige, maar over iets dat (ook) tot het domein van andere disciplines behoort.

3.6 loden last

De filosofie maakt deel uit van de geesteswetenschappen. Over de toekomst van deze disciplines verscheen in 1995 het advies Men weegt Kaneel bij't lood van een commissie onder voorzitterschap van Vonhoff, de toenmalige Groningse commissaris van de Koningin [C-CV]. Afgaande op de verschillende reacties heeft deze 'kaneelnota' veel weerklank gevonden in a-kringen; eindelijk een commissie die het belang van de geesteswetenschappen inziet. De commissie toonde zich bezorgd over de ontwikkeling dat het wetenschappelijk onderzoek in toenemende mate door een marktvraag wordt gedreven; "voor beslissingen over de omstandigheden en de omvang waarin de geesteswetenschappen worden beoefend, ligt het primaat daarom bij de politiek, niet bij pseudo-marktmechanismen" [C-CV, p. 7]. Speciale aandacht voor de geesteswetenschappen lijkt mij verdedigbaar gezien bijvoorbeeld de veranderende verhouding tussen de verschillende geldstromen voor universitair onderzoek. Maar de gedachte dat a-wetenschappers minder mogelijkheden hebben voor externe financiering vraagt meer onderbouwing. Ik wil best geloven dat het nu in veel a-disciplines relatief moeilijk is om financieringsbronnen buiten de overheid aan te boren. Maar als dat zo is, wat is daarvan de oorzaak, de inhoud van het vakgebied of de eendimensionale oogkleppen? Afgaande op de eerder aangehaalde voorbeelden uit de filosofie beschouw ik vooralsnog de oogkleppen als de belangrijkste boosdoener.

Dat de filosofen binnen de geesteswetenschappen geen uitzondering vormen met hun eendimensionale opsluiting, werd mij duidelijk na een bezoek aan het International Institute for Asian Studies (IIAS) in Leiden. Dit Azië-instituut wordt rechtstreeks door de overheid gefinancierd. Gezien de stormachtige ontwikkelingen in Zuid- en Oost-Azië en het steeds zwaardere stempel dat deze regio op het economisch wereldtoneel drukt, valt het te begrijpen dat de overheid buiten de reguliere kanalen om middelen beschikbaar stelt; je zou kunnen zeggen dat de overheid hier het door de commissie Vonhoff bepleitte primaat van de politiek tot uiting brengt. Op mijn vraag of en hoe dit instituut bedrijven en andere instellingen behulpzaam is of kan zijn bij het ontplooien van activiteiten in Azië, kreeg ik als antwoord dat dit instituut geen applied mission heeft; het accent zou bij goede wetenschap liggen (in paragraaf 4.7 ga ik nog nader in op het IIAS). Op het terrein van Azië-studies liggen volgens mij zeer grote mogelijkheden voor derde-geldstroom-onderzoek --  uit verschillende gesprekken weet ik dat bedrijven graag bereid zijn mee te betalen aan verkennende studies in Azië -- maar de a-wetenschappers zijn daar blind voor. Of beter, ze willen zich tegen dit markt-virus inenten, en de commissie Vonhoff levert daarvoor het medicijn: "Dit brengt met zich mee dat de samenleving... hen (geesteswetenschappers; hs) actief vrijwaart van omgevingsfactoren die hun eigen kwaliteitsnormen corrumperen. Men moet onder meer voorkomen dat.... dienstbaarheid aan consument of belanghebbende belangrijker wordt gevonden dan het zoeken naar de waarheid en het overdragen van bevindingen naar andere generaties" [C-CV, p. 30 ]. Wat is het nut van kennis die voor de samenleving verborgen blijft en alleen bestemd is voor de nieuwe generatie ingewijden? De commissie Vonhoff wil geesteswetenschappers in staat stellen om wetenschap te bedrijven in overeenstemming met hun maatschappelijke opdracht, maar hoe is dat mogelijk als ze op voorhand zo van de maatschappij worden afgezonderd?

Mijn indruk is dat de 'kaneelnota' vooral een preek voor eigen parochie is; er is een gouden kans gemist om het belang van alfawetenschappen buiten het eigen vakgebied te belichten. Zeer scherp werd dat tijdens een Nijmeegs symposium verwoord door de Rotterdamse rector magnificus Akkermans [F-KUN2]. Het pleidooi van de commissie Vonhoff om de in de knel gekomen geesteswetenschappen eindelijk te beschermen, typeerde hij als hartverwarmend naïef. In het verslagboek [D-A1] ontbreekt de rechtstreekse vingerwijzing naar de commissie Vonhoff. In zijn voordracht legde hij dat verband wel en sprak van een stolp die over de geesteswetenschappen werd geplaatst. Voordien gebruikte ik een hek als kwalificatie, maar de stolp is misschien wel beter. Als men doorgaat op de weg van isolatie vormt de verstikkingsdood het afschrikwekkend perspectief. We kunnen het ons niet permitteren dat het zover komt, daarvoor zijn de geesteswetenschappen te belangrijk voor het hele wetenschappelijke en technologische bolwerk, en niet alleen daarvoor. Het wordt dus tijd om het hek om de geesteswetenschappen te slopen. Wie twijfel bij die conclusie heeft, zou ik willen verwijzen naar de gelijkenis van de talenten/ponden van Jezus.(7) Drie slaven krijgen talenten uitgereikt, de ene vijf, de ander twee en de derde een. De derde slaaf stopt zijn talent in de grond terwijl de beide andere zaken doen en hun talenten verdubbelen. Bij terugkomst is de heer ontstemd over de derde slaaf en neemt hem zijn talent af en geeft dat aan hem die tien talenten heeft.

3.7 verre vriendschap

Tot nu toe heb ik mij sterk gericht op de natuurwetenschappen en de geesteswetenschappen. Het is mijn ervaring dat ook binnen de gedrags- en maatschappijwetenschappen de meetlat van de eigen discipline vaak als eerste tevoorschijn wordt gehaald. Zeer scherp komt dat in mijn herinnering naar voren tijdens een lustrumviering van Katholieke Universiteit Nijmegen in 1993 [F-KUN1]. Ik was toen al geruime tijd werkzaam bij de AWT, maar het thema sprak mij aan. Bovendien wilde ik Alain Aspect wel eens horen over zijn experiment met betrekking tot de in hoofdstuk 1 besproken EPR-paradox. In mijn geheugen is de bijdrage van de Franse experimentator weggedrukt door twee Nijmeegse psychologen die hun woede op mij afreageerden over een voordracht van Paul Churchland, hoogleraar wijsbegeerte en cognitiewetenschap aan de universiteit van Californië [G-C1]. Deze voordracht zou beneden de maat zijn; inhoudelijk zo oud als een verdroogde koek. De emotionele geladenheid van hun reactie verbaasde mij sterk. Mijn verbazing nam nog toe nadat Dennis Dieks -- de eerder genoemde opvolger van Hilgevoord als Utrechtse hoogleraar in de grondslagen van de natuurkunde -- zijn waardering uitsprak over de voordracht van Churchland; eindelijk iemand die iets vertelde over bewustzijn dat aanknopingspunten bood voor zijn eigen werk. Wat voor de ene oude koek is, is voor de ander een verhelderende vernieuwing. Dit verschil in waardering zal vaak optreden op het grensvlak van verschillende wetenschapsgebieden. Wie andere culturen bezoekt, valt vaak van de ene verbazing in de andere, terwijl het voor de betrokken inwoners allemaal de gewoonste zaken van de wereld zijn.

Universiteiten zijn uiteraard niet blind voor het belang van verbreding van het wetenschappelijke blikveld. Die blindheid geldt ook niet voor de wetgever, die nadruk legt op het belang van inzicht in de samenhang der wetenschappen. Maar zodra pogingen worden ondernomen om die samenhang handen en voeten te geven, worden ook de eendimensionale meetlatten tevoorschijn gehaald; het moet natuurlijk wel 'wetenschappelijk verantwoord' zijn. In geval van samenwerking tussen verschillende disciplines leidt de focus op het eigen vakgebied er toe dat bij samenwerking de voorkeur zeer sterk gericht lijkt te zijn op samenwerking met aanpalende disciplines. Over het algemeen geldt wellicht dat een goede buur beter is dan een verre vriend, maar zonder die verre vrienden verliest het leven toch ook zijn glans. Dat geldt zeker ook voor wetenschap.

De conclusie dat verre vriendschap in wetenschap moeilijk is, wordt in mijn optiek bevestigd door het onderzoeksvoorstel voor een sociaal-wetenschappelijke ontwerpmethodologie dat werd ingediend voor het universitaire onderzoekstimuleringsfonds van de Universiteit Twente [C-UT]. Het is voor een technische universiteit zeker gewenst dat vanuit de g-wetenschappen naar het ontwerpproces wordt gekeken. Als we de concurrentiepositie van de Europese industrie vergelijken met de Japanse -- in het vierde deel ga ik nader op die concurrentiepositie in -- lijkt de betere score die Japanse bedrijven in sommige sectoren boeken vooral verband te houden met de inrichting van het ontwerpproces. Ze lijken meer oog te hebben voor de behoefte van de consumenten terwijl we in Europa sterk kijken of keken naar de technologische mogelijkheid. De noodzaak om het ontwerp- en ontwikkelingsproces anders in te richten, wordt steeds duidelijker en er wordt ook dienovereenkomstig gehandeld. De operatie Centurion van Philips past in dit beeld. Bij bezoeken aan bedrijven hoor ik regelmatig klachten over de kwaliteit van de Nederlandse ingenieurs; ze zijn te eenzijdig op techniek georiënteerd. Deze klacht, in combinatie met het feit dat het veel bedrijven zeer veel moeite kost om de methode van ontwerpen bij te stellen, biedt een basis voor samenwerking tussen g- en b-disciplines. Gezien de samenstelling van disciplines heeft de Universiteit Twente een goede uitgangspositie voor dergelijke kloof-overstijgende activiteiten. Maar in plaats daarvan lijken de g-wetenschappers de ontwerpdiscussie in de b-gebieden aan te grijpen voor een bezinning over de ontwerpmethodologie in de eigen vakgebieden. Op zich is daar niets op tegen, maar de vraag dringt zich op of een technische universiteit daarvoor de meest geschikte plaats is, althans in Nederland waar de toegepaste a- en g-disciplines vooral bij de algemene universiteiten zijn ondergebracht.

3.8 onbegrijpelijke onderzoekers

Of een meer op de natuurwetenschappen gerichte invulling van de sociaal-wetenschappelijke verkenning van het ontwerpproces succes zou hebben, is overigens niet zonder meer gezegd. Daarvoor lijkt het jargon van veel sociale wetenschappers -- ook in teksten die de (natuur)wetenschappen tot object hebben -- te weinig toegankelijk voor de meeste natuurwetenschappers. De onbegrijpelijkheid lijkt soms zo groot dat zelfs vakgenoten de zin en onzin niet van elkaar kunnen scheiden. Die indruk krijg ik in elk geval van de perikelen rond een artikel van de Amerikaanse natuurkundige Sokal in een sociologisch tijdschrift [D-S19]. Sokal heeft de gewoonte van sociologen om zich in onbegrijpelijke en nietszeggende begrippen uit te drukken, nageaapt in een gefantaseerd artikel. Nadat hij de onzin van zijn publikatie bekend maakte [D-S20], ontstond veel commotie, zoals blijkt uit een overzichtsartikel in NRC Handelsblad [D-D4]. Kort samengevat lijkt in de fysische wereld sprake te zijn van hilariteit en leedvermaak, terwijl onder sociologen verontwaardiging de boventoon voert. Beide reacties zijn volgens mij tenminste gedeeltelijk misplaatst. Met Lagendijk [D-L2] meen ik dat bij Sokal sprake is van wetenschappelijk wangedrag doordat hij niet voldeed aan de eis van integriteit. Het is dus terecht dat sociologen verontwaardigd zijn over de werkwijze van de fysicus. De hilariteit van fysici is ook om andere redenen niet terecht; sociologen zijn namelijk niet de enige wetenschappers die zich via jargon van andere wetenschappen en van de samenleving isoleren.

De verontwaardiging van sociologen is vanuit deze optiek terecht. Maar zij zouden toch eerst en vooral moeten nagaan waarom een artikel als dat van Sokal opgenomen kon worden. Als een redactie van een tijdschrift het niet begrijpt -- en zij moeten het niet begrepen hebben anders hadden ze het niet geplaatst -- hoe kan men dan verwachten dat de (gemiddelde) lezer er iets van op zal steken?(8) Ik kan mij voorstellen dat Sokal een voor de redactie interessante invalshoek belichtte en dat zij een gedeelte niet konden begrijpen --  Sokal baseerde zich op inzichten in de fysica waarvan je niet mag verwachten dat elke buitenstaander meteen de zin en onzin uit elkaar kan halen (fysici konden dat wel, vandaar de hilariteit) -- maar zij zouden toch moeten vragen om verduidelijking? De artikelen die ik voor de Volkskrant schreef, zijn vaak aangepast doordat de 'leken'redactie vroeg wat ik eigenlijk bedoelde. Die vraag was voor mij voldoende; als zij het niet begrepen, zou de vluchtige lezer er over struikelen of er over heen lezen.

Ik wil Sokal in bescherming nemen. Ook de zwaarste misdadigers hebben recht op een advocaat. Maar is hij wel zo'n misdager? Dat mag ik toch vragen als advocaat (van de duivel)? Sokal heeft zich gericht op sociologen die zich bij uitstek zouden moeten toeleggen op toegankelijk taalgebruik. Het is niet voor niets dat in het aangehaalde NRC-artikel onderzoekers op het gebied van de wetenschapsdynamica op de voorgrond treden. Dit is het vakgebied waarin studie wordt gemaakt van de ontwikkeling van de wetenschap waar (ook) wetenschappers uit andere vakgebieden hun voordeel mee zouden moeten doen. Het zijn onderzoekers die zich als geen ander de taak zouden moeten stellen om de kloof tussen verschillende wetenschappelijke culturen te overbruggen. Echter, als de betrokken onderzoekers zich uitdrukken in onbegrijpelijk jargon, dan is dat echter per definitie onmogelijk. Sokal heeft wellicht even weinig van hen begrepen als de redactie van Sokals plaagstoten.

Lagendijk gebruikt zijn reactie op Sokals bedrog om voor de zoveelste keer de vloer aan te vegen met Bruno Latour, een van de beroemdste hedendaagse wetenschappers over wetenschap: "Latour tettert al tijden rond dat wetenschappelijke objectiviteit niet bestaat en dat alle wetenschappelijke kennis berust op afspraak tussen mensen. Mijn mening hierover geef ik meestal in de vorm van een grapje: als je denkt dat de werking van de atoombom op Hiroshima berust op afspraak tussen wetenschappers, dan ben je of gek of een socioloog uit Parijs". Latour verwierf bekendheid met zijn boek over wetenschap in actie [A-L1], maar ook latere werken trokken aandacht. Dat Latour de wetenschappelijke objectiviteit inderdaad in twijfel trekt, wordt geïllustreerd door de titel van een interview: 'Wetenschappers zijn knutselaars, geen waarheidszoekers' [D-M1]. Met deze kenschets van de wetenschap sluit Latour in menig opzicht aan bij de in het eerste hoofdstuk gememoreerde conclusie van Schrödinger dat de wetenschap zich slechts bezig houdt met modellen en niet met de werkelijkheid zelf. Gezien dit verband en ook vanwege Latours rol binnen de wetenschapsfilosofie en -sociologie, zal ik kort bij Latour stilstaan. In dit boek ben ik op zoek naar kloven en bruggen in de wetenschap en vanuit die optiek wil ik ook naar het werk van Latour kijken. Overbrugt hij een kloof; hoe wordt aan de B-kant van de kloof naar zijn A-werk gekeken? Ik zal daarbij vooral door de bril van Latour naar Lagendijk kijken.

3.9 fantasierijke feitenbouwers

Bij eerste lezing van Science in Action was ik niet bepaald enthousiast; weer zo'n wereldvreemde socioloog of filosoof die met zelfverzonnen jargon de lezers van een meer zinvolle tijdsbesteding afhoudt. Deze aanvankelijke afkeer was echter niet alleen een kwestie van taal. Latour gooit ontdekkers, uitvinders en ontwikkelaars bewust op een hoop hetgeen volgens mij volstrekt onverantwoord is; in het derde deel ga ik uitgebreid in op de wezenlijke verschillen tussen die verschillende categorieën. Als de fundamenten niet deugen, kan ook het bouwwerk niet solide zijn. Dit betekent dat Latours stelling dat wetenschappers in wezen feitenbouwers zijn van te weinig bewijslast wordt voorzien; Lagendijk heeft het zodoende wel erg gemakkelijk als hij Latours ontkenning van wetenschappelijke objectiviteit op de korrel neemt.

Ik herlas Latour nadat ik mijn eigen waarnemingen over wetenschappers in actie op een rij had gezet en kwam daarbij tot de conclusie dat er in de praktijk veel sterkere voorbeelden zijn dan Latour geeft. Een van de fraaiste bevestigingen van Latours stelling dat wetenschappers feitenbouwers zijn, geeft Lagendijk zelf in zijn tweewekelijkse column in de Volkskrant. Zeer scherp komt dat naar voren in zijn tirade tegen de AWT en zijn voorzitter [D-L4]. Om zijn weerzin tegen Harry Einstein te onderstrepen tetterde Lagendijk zijn eigen verzinsels als feiten de wereld in. Zo beweerde hij dat de AWT nog nooit iets over internet had gezegd en zelfs geen homepage op internet zou hebben. Rond die 'feiten' bouwde Lagendijk de conclusie dat de AWT twintig jaar achter loopt, en gezien die wereldvreemdheid hoefde Lagendijks zijn afkeer tegen een AWT-advies over Europees technologiebeleid niet nader te motiveren. Elk van de door Lagendijk genoemde 'feiten' kan echter eenvoudig door waarnemingen worden gefalsifieerd; het meest evident is dat het geval bij de homepage van de AWT. Deze internet-site heeft het meest voor de hand liggende adres, zodat het eenvoudig te vinden moet zijn. Wij hebben Lagendijk gewezen op zijn fouten, maar dat maande hem blijkbaar niet tot meer zorgvuldigheid; twee weken later moest minister Ritzen het ontgelden [D-L5]. Lagendijk verwijt Ritzen en zijn ministerie verkeerde inschattingen van uitgaven, zoals bij de OV-jaarkaart en de wachtgelden. Dat is dom, want "Buiten Zoetermeer zag iedereen de vloedgolf aan wachtgelduitkeringen van afgebrande leraren aankomen". Je kunt Ritzen veel verwijten maken, maar niet dat van onderschatting van de wachtgeldproblematiek aangezien die uitgavenpost sinds zijn intrede tenminste ten dele onder controle is gebracht.

Lagendijk ontpopt zich in zijn column als feitenbouwer op terreinen waar hij weinig verstand van heeft. Hij wekt daarbij de indruk dat hij zijn eigen veronderstellingen tot de vader van de gepresenteerde feiten maakt. Als deze werkwijze hem zo gemakkelijk afgaat, dringt de vraag zich op of hij binnen de natuurkunde niet evenzeer als feitenbouwer te werk gaat. Je kunt tegenwerpen dat de natuurkundigen daarvoor geen kans krijgen omdat ze door de fysische werkelijkheid tot de orde worden geroepen. Geldt dat ook voor de hedendaagse natuurkunde die vaak ver af staat van de dagelijkse beleving en waarbij alleen iets te zien valt als je er op de juiste manier naar kijkt? Onder de noemer van geleerde grootsprekers ga ik in hoofdstuk zeven nader in op de vraag of en in hoeverre de pretenties van de grensverleggende natuurkundige onderzoekers houdbaar zijn. Latour richt zich ook voor een belangrijk deel op dergelijke gebieden van de wetenschap. Voor een verkenning van eventuele uitwassen van het feitenbouwen zijn dat echter niet de meest relevante gebieden. Er zijn andere gebieden die de stellingen van Latour veel meer relief geven, zoals het onderzoek naar het broeikaseffect (zie hoofdstuk 9) en het onderzoek van macro-economen die zich richten op innovatie (zie het vierde deel, in het bijzonder hoofdstuk 22).

Dat Latour niet het gehele veld van wetenschap en technologie overziet en mede daardoor ontdekken, uitvinden en ontwerpen op een hoop gooit, hoeft op zich niet zo erg te zijn. Als mensen die in zijn voetspoor treden die gebreken maar herstellen. Echter, de discussies over Latour vinden vooral binnen een kring van wetenschappers plaats die even weinig lijken te weten van de betrokken gebieden. Het gevaar dreigt dat een nieuw vakgebied ontstaat en dat Latours kritiek wordt opgesloten binnen de daarbij horende dimensie en onschadelijk wordt voor vakgebieden waar de boodschap eigenlijk gehoord zou moeten worden.

3.10 akelige academisering

Dat de zuigende werking van de eendimensionale academisering groot is, heb ik zelf ondervonden aan de KU Nijmegen bij mijn werk als universitair secretaris op het gebied van wetenschap en Samenleving (W&S). Ik kreeg die functie in 1979 toen de eerste fase al was ingevuld; het ging om een universitaire pool voor projecten die tot doel hadden een bepaald maatschappelijk thema wetenschappelijk te onderzoeken. Over het geheel genomen waren het interessante projecten die uitmondden in relatief veel proefschriften. Maar dat rechtvaardigt niet zonder meer de gekozen doelstelling; is het overige universitair onderzoek niet maatschappelijk relevant? Gedurende de eerste fase werd een tweede fase uitgewerkt die in 1984 van start ging. De doelstelling werd veranderd; de W&S-projecten waren niet langer doel maar middel. Doel was studenten te confronteren met vraagstukken op het raakvlak van wetenschap en samenleving [D-S4]. Om die onderwijsdoelstelling waar te kunnen maken, moest uiteraard ook onderzoek worden gedaan. Bij dat onderzoek werd vaak samengewerkt met maatschappelijke instanties, zoals de milieu- en vakbeweging. Het onderzoek werd voor een belangrijk deel door studenten uitgevoerd, onder andere in samenwerking met de wetenschapswinkel.

Tot zover is sprake van een verbreding, dus zou dit een voorbeeld zijn dat het ook anders, meerdimensionaler, kan. Maar het lukte maar gedeeltelijk om de projecten uit de fuik van de academisering te houden. Zo hielden de uitvoerders van het milieuproject zich afzijdig van de publieke discussie naar aanleiding van het eerste milieubeleidsplan, hoewel de in dit project onderzochte cases konden bijdragen aan een dieper inzicht in het spanningsveld tussen wetenschap, beleid en maatschappelijke problemen. Om toch een bijdrage aan de maatschappelijke discussie te leveren, schreef ik zelf de bepleite artikelen, een voor het Nederlandse [D-S13] en twee voor het Belgische Intermediair [D-S9; D-S10]. De Belgische hoofdredacteur merkte op dat de artikelen voor België een nog onontgonnen terrein bestreken. De betrokken projectmedewerkers reageerden ook positief, maar niet met een ondertoon van spijt over een door hen gemiste kans.

Bij de evaluatie van de tweede W&S-fase werd door verschillende bij de projecten betrokken personen gepleit voor meer onderlinge samenhang. De ervaringen van de individuele projecten met multi- of interdisciplinair onderzoek zouden gebundeld kunnen worden; voor elk afzonderlijk project zouden de ervaringen als regel niet leiden tot een betere kijk op het discipline-overstijgende spanningsveld, maar de gezamenlijke indrukken zouden wellicht wel tot een meerwaarde kunnen leiden. En om die meerwaarde in kaart te kunnen brengen, zou een project tussen de projecten nodig zijn.

Dat klinkt goed, maar in feite ben ik met dit meerdimensionale doel in de eendimensionale valkuil getrapt. Het natuurlijke gevolg van de grote onderlinge samenhang was een versterking van de rol van wijsgerige vakgebieden. De keerzijde van deze op wijsgerige reflectie gerichte integratie was dat de blik minder naar de eigen (vak)faculteit werd gericht, zodat projecten minder kans kregen in de eigen faculteit wortel te schieten. En alsof de inherente academic drift nog niet groot genoeg was, werd in de universiteitsraad opgemerkt dat de toekomstige W&S-projecten meer publikaties in internationale tijdschriften zouden moeten voortbrengen. En daarmee werd niet gedoeld op artikelen zoals ik in het Belgische Intermediair schreef.

Ten tijde van de start van de derde fase maakte ik de overstap naar de AWT, zodat ik niet van binnenuit kan schetsen hoe W&S zich in Nijmegen verder heeft ontwikkeld. Mijn indruk als buitenstaander is evenwel dat de op interne samenhang gerichte oriëntatie W&S (meer) heeft vervreemd van de wetenschappers in de faculteiten; vakwetenschappers bleken hun belangstelling voor de universitaire W&S-taakgroep al snel te verliezen.

Nijmegen is met deze academisering geen uitzondering. Elders is W&S uitgemond in een nieuwe discipline, zoals de in de vorige paragraaf beschouwde onderzoekers op het gebied van de wetenschapsdynamica. Of in een vakgroep die zich richt op een specifiek probleem, zoals de energievoorziening. Kortom, weg brug.

3.11 slechte systeemfuik

Ondanks de vele pogingen om de door Snow gedefinieerde kloof over te steken, worden wetenschappelijke activiteiten op het raakvlak met andere disciplines eerst en vooral beschouwd langs de meetlat van het eigen vakgebied. De commissie Vonhoff isoleert de geesteswetenschappen, fysici sluiten zich af van geesteswetenschappen bij de discussie over de grondslagen van het eigen vakgebied, enzovoort. Zolang de lengte in het eigen vakgebied op de voorgrond staat en de breedte op andere terreinen hoogstens als aanvulling wordt gezien, is de voedingsbodem voor meerdimensionale wetenschap per definitie beperkt; de splinter in het op het eigen vakgebied gerichte oog lijkt zwaarder te tellen dan de balk in het oog dat andere disciplines beschouwt.

Met deze schets wil ik niet stellen dat wetenschap geen enkele eendimensionale activiteit mag bevatten. Integendeel, diepgravende analyses zijn onontbeerlijk en kunnen wat mij betreft best de boventoon voeren. Maar zonder meerdimensionale ondertonen verliest de wetenschap zijn glans. Zonder die ondertonen blijven de afzonderlijke wetenschappelijke disciplines lineair. Aangezien de oppervlakte van een lijn zeer klein is, lijkt dat een groot bezwaar.

In het voorgaande heb ik mijn betoog opgebouwd aan de hand van de opstelling en opvatting van individuen. Ik heb daarbij geenszins de betrokken personen in een slecht daglicht willen stellen, en mede om die reden heb ik in veel gevallen de namen verzwegen. Dat was mede van belang om de privacy te beschermen, maar ik koos die methode ook omdat het niet zozeer de personen zijn die verantwoordelijk zijn voor een eendimensionale opsluiting; het is eerst en vooral een kenmerk van het westerse wetenschapssysteem.

De zuigende werking van deze systeemfuik heb ik zelf ondervonden bij het werk voor W&S. Als ik niet buiten de universiteit terecht was gekomen, zou ik dat waarschijnlijk niet opgemerkt hebben, althans niet zo duidelijk als in het voorgaande naar voren is gekomen. Om die verheldering van de eigen positie te krijgen, lijkt het dus nuttig om van tijd tot tijd iets anders te gaan doen. Het belang van die andere blik valt tegenwoordig ook regelmatig te constateren bij de ontboezemingen van mensen die vroeger een leidinggevende rol binnen de communistische beweging speelden. In een interview geeft André Roelofs, een vroegere redacteur van de Waarheid, aan dat hij verschillende misstanden binnen het communisme niet zag [D-T3]. Die blindheid lijkt oprecht. Zijn (vroegere) blindheid voor delen van de werkelijkheid kunnen we als naïef afdoen, maar de vraag dringt zich op of we niet allemaal even blind zijn. De analyses die juist spijtoptanten weten te geven, maken duidelijk hoe belangrijk het is om af en toe vanuit een andere optiek te kijken. In het volgende hoofdstuk zal ik dat proberen te doen door de situatie in oosterse culturen nader te beschouwen.

Noten

6. Geciteerd in Poeh en de filosofen van John Tyerman Williams [A-T3].

7. Mattheus 25:14-30 en Lucas 19:11-27.

8. Op internet is de discussie volledig te volgen. Een van de meest interessante is misschien wel die van de redactie van het gewraakte tijdschrift (URL:http://www.nyu.edu/pubs/socialtext/sokal.html). De reactie betreurt het achteraf het artikel geplaatst te hebben. Bij de beslissing over plaatsing zouden ook verschillende leden van de redactie vraagtekens hebben gezet bij het artikel, bijvoorbeeld omdat het artikel van Sokal vanuit sociaal wetenschappelijke optiek volstrekt niet nieuw was. Dat toch tot plaatsing werd overgegaan houdt verband met het feit dat het een natuurwetenschapper was op die oude thematiek reageerde. De redactie zag het als een oprechte poging van een professionele natuurwetenschapper om vanuit de postmodernistische filosofie enige vorm van bevestiging te zoeken voor ontwikkelingen op zijn eigen vakgebied.