4 Deugdelijk Denken


de passages tussen [..] zijn literatuurverwijzingen.

Bij het schrijven van dit boek heb ik lange tijd geworsteld met de vraag hoe het komt dat veel wetenschappers eenzijdig nadruk leggen op het speuren in de diepte binnen de grenzen van het eigen specialisme. Er zijn weliswaar nieuwe disciplines ontstaan op raakvlakken van verschillende vakgebieden, maar dat zijn in feite opnieuw monodisciplines; biochemie, medische fysica, bedrijfskunde, enzovoort. Er zijn natuurlijk personen aan te wijzen die hun sporen in verschillende vakgebieden hebben verdiend -- in het derde deel ga ik daar nader op in -- maar dat beperkt zich tot een handvol grootheden, tot uitzonderingen die de regel bevestigen.

Een aanzet tot een antwoord op de vraag hoe het komt dat wetenschappers hun blik met een aan wetmatigheid grenzende vanzelfsprekendheid in de diepte richten, drong zich bij mij op tijdens de voorbereiding van het AWT-advies over de kennissamenwerking met Azië [C-AWT6]. Van bijzonder belang daarbij was Hofstedes boek over de invloed van culturen op het aggregatieniveau van landen [A-H8]. In dit hoofdstuk neem ik delen van de AWT-analyse vrijwel letterlijk over; bij verschillende paragrafen zijn alleen titels en de interne verwijzingen aangepast terwijl bij andere paragrafen passages zijn toegevoegd. Na dit 'plagiaat' ga ik na welke lessen getrokken kunnen worden met betrekking tot de opsluiting binnen de dimensies van het eigen vakgebied.

4.1 cruciale cultuur

In Europa bestaan grote verschillen tussen Italië en Zweden, tussen Griekenland en Oostenrijk, maar ook tussen Frankrijk en Duitsland, zelfs tussen Limburg en Friesland. Maar er zijn tevens sterke overeenkomsten die mede voortvloeien uit de gemeenschappelijke wortels. Europa is in belangrijke mate gevormd vanuit de Joods-Griekse cultuur. Renaissance en Verlichting hebben aan Europa tot op grote hoogte een eigen identiteit gegeven. De Katholieke Kerk vormt een gemeenschappelijke factor van betekenis. Via de reformatie is een belangrijke tweedeling aangebracht die ook voor de ontwikkeling van de economie gevolgen gehad lijkt te hebben. De Duitse socioloog en historicus Max Weber zag verband tussen de opkomst van het kapitalisme en de protestantse cultuur, zoals reeds duidelijk wordt uit de titel Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus. Volgens Francis Fukuyama zijn alle boeken over de invloed van cultuur en economie terug te voeren op dit uit 1905 daterende boek [A-F1]. Hij acht de beschrijving van Weber over de relatie tussen protestantisme en kapitalisme niet tot in detail houdbaar, maar de algehele observatie over het causale verband tussen protestantisme en kapitalisme is volgens Fukuyama zo duidelijk, dat bijna niemand durft te beweren dat die relatie niet bestaat [A-F1, p. 59].

Tegenwoordig worden vaak het Rijnlandse en het Angelsaksische ondernemingsmodel tegenover elkaar gezet. De Jong betrekt in die vergelijking ook het Latijnse model, waarbij de geografische scheidslijn tussen het Rijnlandse en Latijnse model samenvalt met de scheiding tussen katholieke en protestante landen [D-J7]. Die grens valt grotendeels samen met Germaans- en Romaanstalige bevolkingen. Anders gezegd, de invloedssfeer van de contra-reformatie valt min of meer samen met de vroegere grenzen van het Romeinse Rijk. In Noordwest-Europa zijn de Romeinen nooit doorgedrongen of ze zijn verdreven door 'barbaren'. Voor Groot-Brittannië geldt dat maar ten dele. Buiten Europa zijn katholieke bevolkingsgroepen vooral te vinden in landen die zijn gekoloniseerd vanuit Romaanstalige landen. Daar domineert de Latijnse bedrijfscultuur, zoals het Angelsaksische ondernemingsmodel hoogtij viert in de vroegere Britse koloniën. Dat Ierland katholiek is, zou te verklaren zijn uit de afkeer van de Britse overheersers; religie als bindmiddel tegenover de niet-katholieke vijand, zoals dat ook voor Polen lijkt te gelden. In bedrijfsvergelijkingen lijkt Ierland echter veel meer op de (protestantse) Angelsaksische landen dan op de (katholieke) Romaanse landen. Hieruit zou de conclusie getrokken kunnen worden dat de basis voor belangrijke cultuurverschillen binnen Europa tweeduizend jaar geleden is gelegd door het Romeinse Rijk.

Max Weber wordt vaak bekritiseerd omdat hij beweerde dat landen die door het confucianisme zijn beïnvloed, zoals Japan en China, geen succesvolle kapitalistische landen zouden kunnen worden. Fukuyama neemt Weber in bescherming; Weber zou benadrukt hebben dat natuurwetenschap en de rationele beheersing van de natuur hun oorsprong vonden in het protestantse deel van Europa en niet in het traditionele China, Japan, Korea of India [A-F1, p. 401]. En daarmee heeft hij volgens Fukuyama volledig gelijk; er waren aspecten van de traditionele Aziatische cultuur die vijandig stonden tegenover de moderne economie. Pas toen deze economie van buitenaf werd geïntroduceerd, begon de kapitalistische ontwikkeling.

4.2 vier verschillen

Met die huidige economische ontwikkeling spreken Aziatische landen tot de verbeelding, en de vraag rijst in hoeverre daarbij ook nu nog sprake is van culturele invloeden. Een poging tot een antwoord op de vraag naar de invloed van culturen op het aggregatieniveau van landen is gedaan door Geert Hofstede [A-H8]. Hofstede baseert zich in hoge mate op een uitgebreide enquête die IBM voor eigen doeleinden heeft gehouden onder het personeel in hun wereldwijde vestigingen. Het aantal enquêtes is voldoende groot en de groep van geënquêteerden voldoende homogeen om generieke conclusies te kunnen trekken over cultuurverschillen tussen landen; het enige verschil tussen de groepen is het land van vestiging.

Hofstede onderscheidt vier dimensies uit de westerse sociologische literatuur waarlangs hij in eerste instantie de cultuurverschillen tussen landen rubriceert:

- machtsafstand (de mate waarin minder machtige leden van instituties of organisaties in een land verwachten en accepteren dat de macht ongelijk verdeeld is);

- masculien-feminien (assertief, hard en gericht op materieel succes tegenover tederheid en nadruk op de kwaliteit van het bestaan);

- onzekerheidsvermijding (de mate waarin leden van een cultuur zich bedreigd voelen door onzekere en onbekende situaties);

- individualisme-collectivisme (iedereen zorgt voor zichzelf en de naaste familie tegenover door geboorte bepaalde lidmaatschappen van groepen die levenslange bescherming bieden in ruil voor onvoorwaardelijke loyaliteit).

Landen met een grote machtsafstand zijn met name de Romaanstalige en islamitische landen. Landen met een kleine machtsafstand zijn vooral de Noordeuropese en Angelsaksische landen. Kortom, wat machtsafstand betreft, zijn de verschillen binnen Europa groter dan de verschillen tussen Europa en Oost-Azië. Die conclusie geldt nog sterker voor de tweede en derde dimensies. Oostenrijk, Italië en Zwitserland behoren met Japan tot de meest masculiene landen, terwijl Nederland met de Noordeuropese landen uitgesproken feminien is. In Griekenland, Portugal, België en Japan is de onzekerheidsvermijding zeer groot, terwijl Zweden, Denemarken en Singapore tot de landen behoren waar de bevolking zich het minst bedreigd voelt door onzekerheden.

Het feit dat op drie van de vier dimensies de verschillen binnen Europa, met name tussen Romaanse en niet-Romaanse landen, veelal groter zijn dan de afwijkingen tussen Europese en Aziatische landen, zou kunnen leiden tot de conclusie dat culturele factoren voor (kennis)relaties niet belangrijk zijn, althans niet belangrijker dan ze binnen Europa zijn. Die conclusie is echter niet gerechtvaardigd gezien de grote verschillen op de vierde dimensie: de individualiteitsindex.

4.3 confucianistische cultuur

Veel Aziatische studenten die in het Westen gaan studeren, komen voor het eerst in een situatie terecht waarin zij alléén op een kamer wonen of werken. Westerlingen die uit Azië terugkeren, kunnen vertellen over de beklemmende ervaring dat ze zich nooit alleen op een kamer konden terugtrekken. Het samen delen van een kamer is zeker niet alleen te wijten aan het feit dat Aziaten veel meer met de ruimte moeten woekeren dan Europeanen. Het is een kenmerk van de veel collectivistischer ingestelde cultuur; het woord 'ik' komt niet voor in het Chinese vocabulaire, althans niet in de betekenis van doing your own thing.

Hofstede betitelt westerse landen als de meest individualistisch gerichte, met Nederland en Canada op een gedeelde vierde plaats na drie Angelsaksische landen; India komt als eerste niet-westers land op de twintigste plaats, gevolgd door Japan. De verschillen worden zo mogelijk nog opvallender als de scores op verschillende dimensies worden samengevoegd. Nederland heeft met de Angelsaksische landen een kleine machtsafstand en een sterke mate van individualisme gemeen. De meeste Aziatische landen staan samen met de Latijns-Amerikaanse landen uit het onderzoek aan de andere zijde; ze combineren een grote machtsafstand met een sterke collectieve instelling. In veel van deze landen speelt de familie een grote rol. Volgens Hofstede geldt dat voor alle Aziatische landen die zijn onderzocht.

De vier dimensies uit het IBM-onderzoek stammen uit de westerse sociologische literatuur. Dat deze indeling mede gekleurd is door de eigen cultuur, constateert Hofstede nadat Chinese studenten werd gevraagd de relevante dimensies te benoemen voor cultuurverschillen. Daarbij kwam een vijfde dimensie naar voren die meteen ook het meest opmerkelijke verschil tussen Europa en Azië schetst. Hofstede vangt dat verschil in de termen 'waarheid' en 'deugd'. De tweedeling doet Europeanen nogal vreemd en tegenstrijdig aan. Waarheid is in de ogen van de Chinese studenten op de korte termijn gericht en deugd op de lange; deugd houdt bijvoorbeeld verband met spaarzin, volharding en achting voor tradities.

Bij de beschouwing over de Europese cultuur kwam het beeld naar voren dat cultuur diepgeworteld is. De grenzen van het Romeinse Rijk lijken nog steeds terug te vinden in de hedendaagse economie. Ook de hardnekkigheid van gebarentaal illustreert de taaiheid van gebruiken en gewoonten. De grenzen tussen verschillende gebaren voor 'ja' en 'nee' zijn geografisch bepaald, maar vallen niet samen met de huidige landsgrenzen.

China-correspondent Van Kemenade typeert Confucius als degene die in zich verenigde wat de Griekse filosofen, Jezus van Nazareth en Thomas van Aquino voor de westerse cultuur zijn [A-K1]. Dit betekent dat de culturele wortels van het huidige China zo'n 2500 jaar oud zijn. Lange tijd hebben de communistische machthebbers getracht het confucianisme in China de kop in te drukken, maar in de observatie van Van Kemenade laten ze tegenwoordig de wedergeboorte van het confucianisme stilzwijgend toe. "Ook communisten hebben nu, na al hun beeldenstormen en verwoestingen, begrepen dat politieke getijden, klassen en dynastieën komen en gaan, maar dat Confucius blijft. De behoeften van deze tijd zijn orde, discipline, moraal en onderwijs, stuk voor stuk basisthema's van het confucianisme" [A-K1, p. 341].

4.4 cartesiaanse crisis

In zijn Azië-advies constateerde de AWT dat westerse landen meer nadruk leggen op wetenschap terwijl technologie in Aziatische landen meer op de voorgrond treedt. Deze accenten sluiten aan bij de verschillen tussen 'waarheid' en 'deugd'. Europeanen leggen nadruk op 'waarheid'; zij willen het naadje van de kous weten, en dat lijkt een nuttige eigenschap om bijvoorbeeld de wetten van de mechanica in kaart te brengen. Aziaten kijken veeleer hoe een deugdelijke kous gemaakt kan worden, en dat lijkt nuttig zodra de wezenlijke kenmerken van kousen bekend zijn. Volgens een van de gesprekspartners van de AWT zagen Aziaten in de Europese expansie niet alleen de nadelen van het kolonialisme, maar zagen ze ook de uitdaging om te profiteren van de intellectuele ontwikkeling van Europa. Met de ontwikkeling van de technologie lijken Oostaziatische landen het antwoord gevonden te hebben; door terug te grijpen op oosterse culturele tradities lijken ze nu zelfs een voordeel te hebben. Technologie is veel minder een individuele aangelegenheid dan wetenschap. Het vergt veel meer een holistische aanpak; westerlingen moeten die leren terwijl veel Aziaten dat als het ware met de paplepel krijgen ingegeven. Bij technologie gaat het niet alleen om (individualistische) kennis die uit de boeken geleerd moet worden, maar ook om (collectieve) ervaringskennis, om tacit knowledge, zoals de Japanse bedrijfskundigen Nonaka en Takeuchi dat noemen [A-N1]. Westerse managers zouden meer gericht zijn op het eerste, terwijl bij hun Japanse collega's de nadruk meer bij het tweede zou liggen. Een goede schets van de ideeën van beide bedrijfskundigen is door Mathieu Weggeman gegeven in een boekbespreking [D-W1]. Daar op voortbordurend, vertolkte Weggeman het verschil in benadering tussen Japanse en westerse onderzoekers bijzonder fraai tijdens een congres voor managers bij de Rijksdienst [G-W1]. Aan het boek van Nonaka en Takeuchi ontleende Weggeman het voorbeeld van ingenieurs van Matsushita die een automatische broodbakmachine ontwikkelden voor thuisgebruik. Het lukte niet goed met die machine. Om het beter te doen, stuurden ze iemand naar een goede broodbakker om daar de tacit knowledge op te snuiven. Na afgekeken te hebben van praktijkmensen, ontdekten de ingenieurs dat de broodbakkers het deeg tegelijk trokken en draaiden, twee handelingen die in de machine na elkaar werden uitgevoerd. Gewapend met dit inzicht werd de machine aangepast, en toen deze ook gelijktijdig trekkende en draaiende bewegingen maakte, werd deeg van goede kwaliteit afgeleverd. Op basis van zijn ervaringen als adviseur bij Philips meent Weggeman dat in het westen een andere weg gevolgd zou zijn. Bijvoorbeeld een seminar beleggen om op flap-overs het proces in de machine nog eens goed in kaart te brengen. Dat deze werkwijze aannemelijk is, licht Weggeman toe met een voorbeeld over een machine die Philips voor de Chinese markt ontwikkelde om voor huishoudelijk gebruik rijst te koken. Een van de grootste problemen was het voorkomen dat de rijst aan elkaar klonterde tot een kleffe massa. Toen dit probleem werd opgelost, was de machine gereed voor de verkoop. Die verliep slecht, dus ging men op onderzoek uit in China. Daar constateerde men dat Chinezen rijst met stokjes eten en dat het voordelen biedt als de rijst aan de stokjes kleeft. Dit werd in de betrokken Philipsvestiging gerapporteerd, hetgeen daar volgens Weggeman tot de reactie leidde: "wanneer leren de Chinezen eens rijst eten?"

Nonaka en Takeuchi menen dat de eenzijdige westerse oriëntatie op wetenschappelijke kennis verband houdt met het Cartesiaanse dualisme tussen subject en object. Om bij de termen van Hofstede te blijven; sinds de wetenschappelijke revolutie zijn we in Europa te ver doorgeschoten in de richting van 'waarheid' en hebben we 'deugd' te veel uit het oog verloren. In China wordt deze veronachtzaming van 'deugd' ook gesignaleerd, zoals blijkt uit citaten van de Chinese filosoof Ma Zhenduo die opgetekend zijn door Van Kemenade. Ma meent dat de westerse cultuur door haar combinatie van christendom en exacte wetenschappen dubbele doelen heeft gehad; enerzijds het zoeken van de waarheid en anderzijds de zorg voor de waarden van het leven alsmede het vooruitstuwen en reguleren van de maatschappij. Over een nogal lange periode is de westerse cultuur volgens Ma de meest complexe en geavanceerde cultuur geweest, maar nu zou die cultuur in een crisis verkeren, aangezien exacte wetenschap en religie niet langer verenigbaar zijn. Deze spanning met wetenschap ontbreekt volgens Ma bij het confucianisme vanwege het niet-religieuze humanisme. Hij meent dat de combinatie van het seculiere humanisme en de exacte wetenschap Oostaziatische landen in staat stelt zich sneller te moderniseren en de negatieve uitwassen van de westerse wereld te vermijden [A-K1, p. 341].

Uit de voorgaande beschouwing mag niet worden geconcludeerd dat binnen Azië zelf geen grote verschillen bestaan, zoals dat ook niet van Europa gesteld kan worden. Japan is in cultureel opzicht een 'continent' dat niet te vergelijken is met de Filipijnen. In Europa hebben de verschillende landen gemeenschappelijke religieuze wortels terwijl Oost-Azië alle wereldgodsdiensten herbergt; Indonesië is islamitisch, de Filipijnen zijn in grote meerderheid rooms-katholiek, Thailand is boeddhistisch, enzovoort.

4.5 afkijkende aziaten

Aanhakend bij de bovengeschetste verschillen tussen de ingenieurs van Philips en Matsushita haalde Hofstede in een gesprek dat ik met hem had een onderzoek aan dat was uitgevoerd onder Japanse, Chinese en Amerikaanse kleuters. De video-opnames lieten een grote rustige Japanse kleuterklas zien en een kleinere, maar veel onrustiger, Amerikaanse klas. De Amerikaanse leerkracht was voortdurend bezig om conflicten tussen leerlingen op te lossen, terwijl de Japanse juf bij onenigheid de kleuters terug stuurde met de opdracht om zelf een oplossing te zoeken. Algemeen bleek de Japanse klas de problemen samen op te lossen. Een experiment met volwassenen die een kaartspel deden, liet ook de Japanse kwaliteit tot samenwerking zien. Er werden groepen gevormd waarvan de winnaar doorschoof naar een volgende groep. Wat men niet wist, was dat elke groep andere spelregels kende. De Japanners hadden dit snel door en spraken onderling nieuwe regels af, terwijl onder Amerikanen ruzie ontstond met onderlinge beschuldigingen van vals spel. Binnen de industrie is het belangrijk dat onderzoekers goed kunnen samenwerken, iets waar Japanners uitstekend op voorbereid lijken te worden. Binnen de wetenschap treedt individuele creativiteit meer op de voorgrond, en dat lijkt beter bij de westerling te passen; een cultuur waarin jongeren zelf de problemen moeten oplossen, lijkt althans niet ideaal voor non-conformistisch gedrag van creatieve individuen. Een klierend jongetje uit de Japanse kleuterklas manoeuvreerde zich zelf buiten de groep.

De voorbeelden van Weggeman illustreren de verschillen die kunnen bestaan tussen de werkwijze van westerse en Japanse technologen. Die verschillen sluiten aan bij het verschil in accenten binnen het domein van wetenschap en technologie. Uit gegevens van IRDAC blijkt dat in Japan ongeveer 6% van de 20- tot 24-jarigen hoger onderwijs volgt op technologisch en natuurwetenschappelijk gebied (exclusief medische wetenschappen) [C-IRDAC]. Binnen deze groep ligt de nadruk in Japan sterker op technologie dan in Europa; 1/6 deel van de Japanse studenten en 1/3 deel van de EU-studenten uit de beschouwde groep richt zich op science. De landen van de EFTA wijken niet veel af van de EU-lidstaten, maar in de VS is de aandacht volgens IRDAC nog sterker gericht op wetenschappelijke disciplines. Uitgedrukt als percentage van de leeftijdsgroep volgen in de VS vier maal zoveel studenten een natuurwetenschappelijke opleiding als in Japan en twee maal zo veel als in Europa.

Het verschil tussen Japan en de westerse landen is nog groter bij het aantal studenten dat zich voorbereidt op een promotie. Volgens IRDAC is het aantal gepromoveerden op het gebied van science & engineering in Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk nagenoeg gelijk. In elk van deze Europese landen is het aantal gepromoveerden binnen deze gebieden twee maal zo hoog als in het veel grotere Japan. Ook voor het totale aantal PhD-studenten geldt dit verschil. Overigens streeft Japan naar meer gepromoveerde onderzoekers, met als doel een verdrievoudiging tegen de eeuwwisseling [D-N2]. Vergelijkbare doelstellingen gelden voor het aantal post-docs; tien jaar geleden waren er nog bijna geen post-docs terwijl er rond de eeuwwisseling tienduizend zouden moeten zijn [D-B12].

Dat in geheel Azië bij de opleidingen veel nadruk wordt gelegd op engineering spreekt ook uit cijfers over de relatieve specialisatie binnen de verschillende wetenschappelijke hoofdgroepen. Bij deze vergelijkingen wordt het aandeel van een land in een bepaald vakgebied gedeeld door het aandeel van dat land in alle wetenschappelijke publikaties. Produceert een land 2% van alle wetenschappelijke artikelen, dan heeft dat land voor een vakgebied waar het 3% van de artikelen produceert een specialisatiegraad van 1,5. Binnen de engineering scoren de VS overeenkomstig het wereldgemiddelde (1,04), dat wil zeggen dat het Amerikaanse aandeel in het wereldtotaal aan publikaties op dit gebied nagenoeg gelijk is aan het aandeel van de VS in alle wetenschappelijke publikaties. Aziatische landen hebben naar verhouding veel publikaties op het gebied van engineering (1,56 voor Japan en de NIC's en 1,51 voor de overige landen in Azië ten oosten van Pakistan) terwijl Europa op dit gebied veel minder op de voorgrond treedt (0,77) [D-B1]. Met andere woorden, de relatieve specialisatie bij wetenschappelijke publikaties ligt in Azië tweemaal zo sterk op het gebied van de engineering als in Europa. Dat Japan op wetenschappelijk gebied geen grootmacht is, kan ook worden afgeleid uit het aantal publikaties. Binnen de G-7 landen staat Japan weliswaar op de derde plaats achter de VS en het Verenigd Koninkrijk, maar gezien de omvang zou het op de tweede plaats moeten staan, ver voor de Europese G-7 landen. De voorsprong op Duitsland is echter verwaarloosbaar terwijl de Fransen slechts eenderde minder publiceren dan de Japanners. Bovendien worden Japanse publikaties relatief het minste geciteerd in de wetenschappelijke tijdschriften [D-B12].

Europa en de VS lijken sterk in wetenschap, Japan in technologie. De verdeling van de Nobelprijzen illustreert de overheersing van westerse individuen op wetenschappelijk gebied -- vijf Japanners hebben een Nobelprijs op wetenschappelijk gebied gekregen tegenover 175 Amerikanen -- terwijl successen op de wereldmarkt van bedrijven als Sony en Toyota de collectieve kracht van Japanners op technologisch gebied onderstrepen. Deze successen zijn mede te danken aan de manier waarop Japanse bedrijven de westerse wetenschap hebben weten te benutten. Westerse bedrijven kunnen op hun beurt profiteren van de technologische kennis in Japan en van de manier waarop die kennis in bedrijven wordt toegepast. Daarbij zou het wel nuttig zijn om lering te trekken van de Japanse gewoonte om af te kijken.

4.6 merkwaardige missie

Het verwijt dat te weinig naar oosterse kennis en ervaring wordt gekeken, mag niet alleen in de richting van natuurwetenschappers en technologen worden uitgesproken. Minstens zo ernstig acht ik de opsluiting in de eigen kring van wetenschappers die studie maken van ontwikkelingen in Azië. Tijdens het Forum Engelberg hielden verschillende sprekers met kennis van en ervaring in Azië -- voor een deel waren ze daar geboren en getogen -- een voordracht die in mijn optiek aansluit bij de hiervoor gegeven schets. Het meest expliciet geldt dat natuurlijk voor de voordracht van Hofstede, en afgaande op de reacties van mensen uit de zaal, althans van mensen in mijn buurt, kreeg ik de indruk dat het geschetste beeld aansloot bij ervaringen die mensen zelf hadden opgedaan bij de samenwerking tussen Europa en Azië. Een afkeurende reactie op de voordracht van Hofstede kwam van Frits Staal, de oriëntalist die reeds in het eerste hoofdstuk aandacht kreeg als inspirator van Doorman. Staal reageerde vanuit het publiek en de tijd was te kort om het verschil van mening duidelijk te beschrijven, laat staan te overbruggen. Navraag bij Staal bevestigde dat hij met Hofstede van mening verschilde maar de wandelgangen boden niet voldoende tijd om de bezwaren te verhelderen. Dat Staal niet de enige is met kritiek op Hofstede komt zeer scherp naar voren in een artikel van Rieke Leenders: "Of moeten we het door velen gekoesterde antropologische vak lijdzaam prijsgeven aan 'managementgoeroes' als de organisatiedeskundige G. Hofstede die, onder het mom van de antropologie, de meest potsierlijke uitspraken doen over de sociale en culturele werkelijkheid?" [D-L7] Wat de bezwaren van Leenders zijn, komt in het artikel overigens niet naar voren. Ook binnen het International Institute of Asian Studies (IIAS) in Leiden -- het mede door inspanningen van Staal opgerichte instituut dat reeds in paragraaf 3.6 ter sprake kwam -- bleek men niet bepaald warm te lopen voor de benadering van Hofstede. Wat de bezwaren precies waren, werd niet geëxpliciteerd. Wel bespeurde ik een openlijke afkeer van toepassingsgericht onderzoek met als gevolg dat men de ogen sluit voor de vragen die in de samenleving leven. Die afkeer voor de toepassingsmogelijkheden vormt overigens de aanleiding voor Leenders tirade tegen Hofstede. Klassieke antropologen leiden mensen op waarvoor de maatschappij geen belangstelling heeft en de vragen waar inhoudelijke belangstelling voor bestaat, worden niet aangepakt zodat een gat ontstaat waar de organisatiedeskundigen hun 'potsierlijke onzin' in kwijt kunnen. Of Hofstede inderdaad zoveel onzin uitkraamt, valt overigens zeer te betwijfelen. En die twijfel zal blijven zolang antropologen en andere deskundigen van culturen niet met contra-expertise naar voren treden. Dat het nog lang niet zo ver is, valt af te leiden uit de scherpe kritiek die de sinoloog en historicus Blussé op het IIAS uitte tijdens een lezing voor bedrijven die in Azië actief zijn of willen worden [G-B2]. Het bedrijfsleven zou weinig te zoeken hebben bij dat instituut en bij universitaire afdelingen met onderzoeksactiviteiten gericht op Azië, bijvoorbeeld omdat veel relevant onderzoek afketst vanwege de vermeende Eurocentrische vraagstelling. Op die grond zou met name onderzoek naar de historische banden tussen Europa en Azië taboe zijn.

Of de opsluiting van het IIAS zo sterk is als Blussé concludeert, zou ik niet op eigen gezag durven zeggen. Hoe het ook zij, van instemmend enthousiasme met Hofstedes werk heb ik op het IIAS weinig kunnen bespeuren. Wat de bezwaren precies waren, wist men mij niet duidelijk te maken. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de meningsverschillen verband houden met het verschil in onderzoeksmethodiek; de sterk empirisch gerichte werkwijze van Hofstede is niet bepaald gebruikelijk binnen de geesteswetenschappelijke traditie. Bovendien zal het feit dat Hofstede zijn loopbaan binnen de industrie is begonnen, een rol spelen; in die omgeving word je meer holistisch gevormd dan mensen die hun hele loopbaan binnen de academische wetenschap hebben doorgebracht. Dat Hofstede het op onderdelen niet bij het rechte eind heeft, wil ik graag geloven; sterker nog, ik kan zelf ook wel passages vinden waarin hij zich teveel door zijn eigen enthousiasme laat meeslepen (zoals u ongetwijfeld ook in het onderhavige boek soms zult struikelen over fragmenten die niet staande te houden zijn). Maar het gaat mij niet om de vraag of iemand de waarheid voor de volle honderd procent in pacht heeft; bij gebrek aan beter ben ik graag tevreden met 80%, of met 20%, als ik weet waar de goede fragmenten zijn geconcentreerd.

Stel dat de kritiek onterecht is en dat het IIAS de waarheid in pacht heeft. Ik heb mij dan laten misleiden door Hofstede, maar hoe had ik de 'superieure' kennis bij het IIAS moeten aanboren? Of sterker nog, hoe had de AWT die kennis kunnen aanboren ten behoeve van zijn advisering over het op Azië gerichte beleid van de overheid als mensen uit dit instituut stellen dat men geen applied mission heeft? Hiermee zijn we aangeland bij de eerder gememoreerde talenten die zorgvuldig onder de grond worden bewaard; daar hebben we niets aan, die kunnen we beter aan anderen geven. Anders gezegd, door zich in de dimensie van het eigen vakgebied op te sluiten, bedreigt het Azië-instituut zich in zijn eigen voortbestaan. Wat dat betreft zie ik geen verschil met de Nijmeegse W&S-ers uit het vorige hoofdstuk. Of met de wetenschappers op het gebied van wetenschapsdynamica die zich via hun ontoegankelijke taalgebruik isoleren van die delen van de samenleving waaruit ze zijn voortgekomen. De aan het eind van het vorige hoofdstuk gewraakte systeemfuik lijkt dus ook een zuigkracht uit te oefenen op wetenschappers die studie maken van oosterse culturen.

4.7 westerse waarheidsfuik

Terugkerend naar Capra en de weerstand die hij oproept, snuif ik uit het werk van Hofstede een sfeer op die allesbehalve ongunstig is voor Capra, en dat geldt in vergelijkbare mate voor het beeld dat de Japanners Nonaka en Takeuchi oproepen. Zo beschouwd is de weerstand van veel westerse fysici tegen het werk van Capra niet vreemd. Capra's meeslepende boek is voor een belangrijk deel geschreven vanuit motieven die ik in Hofstedes termen onder 'deugd' zou willen samenvatten; Capra toont zich ontzet over het onrecht dat in zijn optiek mede in naam van de westerse wetenschap aan mens en natuur wordt aangegaan.

Vanuit het besef dat de Aziatische cultuur zeer rijk is, heb ik mijn eerste drie hoofdstukken herlezen en moeten constateren dat de bekritiseerde wetenschappers nog sterker eendimensionaal zijn gericht dan daar is beschreven. In hoofdstuk drie stonden onder andere de filosofen centraal die zich tijdens het symposium van de Preamium Erasmianum Foundation hadden verdiept in de relatie tussen natuurkunde en ons wereldbeeld. Uit het verslagboek blijkt dat het werk van Capra een belangrijke aanleiding voor dat symposium vormde [A-H3]. Maar behalve in Hilgevoords voorwoord heb ik geen oosterse begrippen of denkers gevonden. Met andere woorden, men legt niet alleen overdadig veel nadruk op oude denkers, maar men vergeet ook buiten de eigen westerse traditie te treden. Dat daarbuiten veel zinnigs te leren valt over de relatie tussen fysica en filosofie, zou afgeleid kunnen worden uit de hiervoor aangehaalde passage van de Chinese filosoof Ma. Op het Erasmus-symposium zou een bijdrage van Ma niet hebben misstaan. En dat geldt ook voor verschillende mensen die tijdens het Forum Engelberg spraken over de kennisrelatie tussen Europa en Azië. Om het belang van die relatie tussen het westen en Azië te onderstrepen, werd de prijs van de Engelberg Foundation toegekend aan de van oorspong Chinese deeltjesfysicus Samuel C.C. Thing, die in 1976 al was geëerd met de Nobelprijs voor de natuurkunde. In zijn dankwoord besteedde Thing aandacht aan de eeuwenoude oosterse tradities die goed aansluiten bij zijn werk in het westen, waaronder het Amerikaanse MIT en het Europese CERN. Om die aansluiting te onderstrepen, wees hij op de Zuidkoreaanse vlag die is gesierd met het boeddhistische Yin-Yang-symbool, omgeven door gesloten en onderbroken lijnen; Thing wees er op dat discreet en continu twee uitersten zijn die in het oosterse denken bij elkaar horen zoals ze dat ook doen in de hedendaagse natuurkunde.

De cirkel is rond, zodat ik mijn betoog zou kunnen afsluiten. We moeten meer afkijken bij de Aziaten en de deugd weer een centrale plaats in ons denken geven. Maar het feit dat het verschil in zienswijze culturele wortels heeft die tot voor onze jaartelling teruggaan, impliceert dat veranderingen in dit opzicht niet eenvoudig zijn en niet snel kunnen verlopen. Ook als we de oorsprong van de westerse afwijking in de richting van de waarheid in de achttiende eeuw bij de Verlichting leggen, hebben we nog altijd te maken met een traditie van ruim twee eeuwen. Het in het eerste hoofdstuk geschetste streven van 't Hooft, Einstein, Bell en vele anderen naar een volledig kenbare wereld, lijkt een typische trek van het westerse waarheidstreven.

Een tweede reden om de verkenning te vervolgen, ligt opgesloten in de constatering dat, gechargeerd gezegd, het westen sterk is in (monodisciplinaire, reductionistische) wetenschap en het oosten in (multidisciplinaire, holistische) technologie. Tot nu toe is nauwelijks aandacht besteed aan technologie. Bestaat er verschil tussen wetenschap en technologie, tussen (wetenschappelijke) ontdekkers en (technologische) uitvinders en ontwikkelaars? Die vraag staat in het derde deel centraal. Daarbij zal niet zozeer door de bril van de wetenschap als wel door die van de wetenschapper worden gekeken. Maar eerst wil ik in het volgende hoofdstuk enkele punten aanroeren die kunnen bijdragen aan een verkleining van de kloof zoals Snow die heeft beschreven.