5 Slootjes Springen


de passages tussen [..] zijn literatuurverwijzingen.

In voorgaande hoofdstukken zijn veelvuldig natuurkundigen onder vuur genomen die zich afsluiten van filosofische inzichten. Zoals in het derde deel nog nader zal worden toegelicht, blijft de isolatie niet beperkt tot de afsluiting van andere vakgebieden, maar is ook sprake van een afsluiting van de maatschappij. In de natuur- en sterrenkunde wordt die isolering in feite zelfs tot dogma verheven. Dat aan a-zijde het zelfgekozen isolement niet veel kleiner is, is reeds aangestipt in het derde en aan het eind van het vierde hoofdstuk en zal in het volgende deel nog nader worden uitgewerkt. Zo wordt in hoofdstuk 10 ingegaan op filosofen die zich afsluiten van de dagelijkse werkelijkheid waarover zij gezaghebbende uitspraken zouden moeten doen. Of meer in algemeenheid, geesteswetenschappers die staan te juichen om de stolp die hen tegen de buitenwereld moet beschermen; virussen blijven buiten, maar de verstikkingsdood is onafwendbaar.

Dit deel is sterk gericht op het universitaire onderzoek. Het meeste onderzoek vindt echter plaats in de industrie. Vooruitlopend op hetgeen in de volgende delen over onderzoek wordt betoogd, ga ik in de volgende paragraaf in het kort in op de vraag hoe vanuit het bedrijfsleven -- dat wil zeggen de toekomstige werkgevers van de mensen die een wetenschappelijke opleiding krijgen -- wordt gedacht over de breedheid en de diepgang van jonge academici.

5.1 twijfelachtige tekorten

Vanuit het bedrijfsleven ook het technologiegedreven deel daarvan lijkt het belang van de a- en g-disciplines steeds nadrukkelijker op de voorgrond geplaatst te worden. Illustratief daarvoor is de inzet van het ministerie van Economische Zaken bij een adviesaanvraag aan de AWT over het belang van de a- en g-wetenschappen voor de economie. Tot voor kort was die aandacht voor de universitaire opleidingen veel eenzijdiger gericht op de technische disciplines; wil Nederland concurreren op basis van kennis, dan is meer aandacht nodig voor bta/technische studies, zo stelde minister Andriessen in zijn nota technologiebeleid [C-EZ2]. Hij meende dat jonge mensen van bèta/technische studies worden afgeschrikt omdat de betrokken opleidingen te moeilijk worden gevonden en omdat werken in de techniek nog steeds een vuil en vies imago heeft. Dat imago zou nog versterkt worden door de relatief grote doorstroom en het personeelsverloop in de technisch/ambachtelijke sector. Voorts werd de relatief slechte beloning als nadeel gezien; dit zou bijvoorbeeld natuurkundigen stimuleren naar managementsfuncties te zoeken in plaats van een loopbaan in het onderzoek na te streven. "Kortom", zo concludeerde de nota, "de maatschappij heeft onvoldoende zicht op techniek en maakt nog onvoldoende gebruik van het aanwezige potentieel" [C-EZ2, p. 28].

Mede op basis van deze analyse is de campagne Kies Exact opgezet. Hierin worden middelbare scholieren aangemoedigd een B-pakket samen te stellen en na de middelbare school een technisch/natuurwetenschappelijke studie te kiezen. Maar is die benadering wel zo verstandig? En dan bedoel ik niet dat scholieren als tegendraadse pubers geneigd zouden kunnen zijn om juist tegen bevoogdende raadgevingen in te gaan. Zou het echt goed zijn als grotere groepen leerlingen en studenten hun studie vol zouden stoppen met exacte vakken?

Dat langdurig tekorten optreden in bepaalde vakgebieden, lijkt twijfelachtig. Niet omdat het aanbod niet te laag kan zijn, maar omdat de vraag zich bij dat aanbod aanpast. Als een tekort dreigt, zullen bedrijven kiezen voor buitenlandse locaties waar wel voldoende geschoold personeel aanwezig is. Zo'n afweging speelde bijvoorbeeld een rol bij de vestigingsplaatskeuze voor een nieuw Europees onderzoekslaboratorium van het Zweedse Ericsson. Het moederland viel af omdat daar een tekort dreigde gezien de relatief hoge R&D-inspanningen in dat land is het niet vreemd dat het kwantitatieve plafond van het technologisch talent in zicht komt, zoals dat tekort ook in Zwitserland en de VS zou kunnen heersen zonder de komst van buitenlanders en uiteindelijk werd voor Aken gekozen. De eerste paal was nog niet in Duitse bodem geslagen of Zweden kampte met een ongekend hoge werkloosheid onder ingenieurs. Is daar nu sprake van een overschot omdat er een tekort was? Of zijn Zweedse cijferaars aan het rekenen geslagen en kwamen zij daarbij tot de slotsom dat een tekort dreigde en heeft Ericsson zich daar door laten ontmoedigen? Self-fulfilling prophecy? Echter, als de opnamecapaciteit aan technici zo groot is als in kies-exact-campagnes wordt voorspeld, kunnen werkzoekende technici niet lang zonder baan blijven. Mochten geen functies binnen de techniek in enge zin te vinden zijn, dan kan het geluk daarbuiten worden beproefd, zoals de natuurkundigen volgens de nota Andriessen blijkbaar al doen.

Een uitgebreide gespreksronde die mijn collega's langs bedrijven voerde die veel technici aannemen, leverde geen kwantitatieve conclusies op, maar kwalitatief werden wel tekortkomingen geconstateerd. De AWT kwam mede op basis van die waarnemingen tot de conclusie dat Nederland gebaat zou zijn bij meer technische ontwerpers, mensen die na een vierjarige basisopleiding een vervolgopleiding van een of twee jaar zouden krijgen waarin zij in interdisciplinair verband getraind zouden worden in het ontwerpen van nieuwe produkten en processen [C-AWT2]. Vanuit de diepte de breedte in, dus de grens van het eigen vakgebied overstijgen en eigen vakkennis leren toepassen op problemen buiten de eigen discipline. Deze geluiden maken duidelijk dat het bij de kwaliteit van de technisch opgeleiden niet in de eerste plaats gaat om de kwaliteit van technologische kennis, maar om kennis van vakgebieden buiten de technologie. Met andere woorden, er is een mix nodig van a/g en b kennis, zowel in de industrie als in de dienstverlening. Het is zoals Dany Jacobs het uitdrukt: "hoe technischer de maatschappij wordt, hoe meer menselijke factoren in de concurrentiestrijd de doorslag geven" [D-J1]. Deze constatering maakt duidelijk hoe gevaarlijk het zelfgekozen isolement binnen de dimensie van het eigen vakgebied kan zijn. Dit betekent dat het vanuit de optiek die in de volgende delen centraal staat, van groot belang is de kloof binnen het door Snow bepaalde speelveld te overbruggen.

5.2 taalvaardige techneuten

Dat van technologen meer wordt gevraagd dan louter exacte kennis wordt snel duidelijk als binnen industriële ondernemingen wordt gevraagd wat zij vinden van de Nederlandse technici. Wie die vraag stelt aan mensen die een overzicht hebben van de kwaliteiten en tekortkomingen van Nederlandse ingenieurs en natuurwetenschappers de onderwijsvisitatiecommissie natuur- en sterrenkunde kon zo'n vraag niet over de lippen krijgen, zoals in hoofdstuk 15 nader wordt toegelicht heeft grote kans dat de opsomming van tekortkomingen weinig of niets met de inhoud van het vak te maken heeft. Dat is in elk geval het beeld dat ik opvang van mijn collega's die rapporteren over bedrijfsbezoeken en het is zeker ook mijn eigen waarneming. Zeer sterk kwam dat naar voren in gesprekken met een twintigtal directeuren en wervingsfunctionarissen van Nederlandse vestigingen van buitenlandse moederbedrijven. Let wel, deze dochters opereren in technologie gedreven sectoren van de economie en behoren tot de Nederlandse R&D-top-40.

Vaak valt te beluisteren dat schoolverlatende ingenieurs thans te jong en onvolwassen zijn, een klacht die als een indicatie gezien zou kunnen worden van een te korte studieduur. Wetenschappelijke kennis wordt niet ondermaats gevonden, hetgeen ook afgeleid kan worden uit het feit dat men slechts zelden een beroep doet op gepromoveerden. Klachten over vakinhoudelijke kennis beperken zich vooral tot de samenstelling van het vakkenpakket, zoals het feit dat in dit digitale tijdperk te weinig mensen worden opgeleid met kennis van de nog steeds niet volledig in onbruik geraakte analoge technieken.

Buiten het eigen vak worden wel inhoudelijke hiaten genoemd, zoals het gebrek aan uitdrukkingsvaardigheden en de afnemende talenkennis. Hoe belangrijk talenkennis is, blijkt uit de ervaring van een Nederlandse vestigingsdirecteur die door het Amerikaanse moederbedrijf naar Brazilië werd gestuurd om daar een crisis op te lossen. Hij werd verkozen vanwege zijn talenkennis, hoewel hij geen Portugees of Spaans kende. Maar zijn beheersing van drie vreemde talen gaf hem een groter gevoel voor de taalsituatie dan Amerikanen die niet verder komen dan de eigen moedertaal. Ook de aanwezigheid van een relatief grote Duits sprekende enclave gaf aanleiding om voor de Nederlander te kiezen. Maar ook als buitenlandse gesprekspartners Engels spreken, is het vaak van belang dat zij ook in hun moedertaal te woord gestaan kunnen worden. Bij een rondreis door Europese landen vond ik het in elk geval voordelig om in Duitsland en Zwitserland gesprekken geheel of gedeeltelijk in het Duits te voeren.

Beheersing van vreemde talen is niet alleen voordelig bij bedrijfscontacten maar ook bij wetenschappelijke conversaties. Op internationale congressen is de voertaal Engels maar in de wandelgangen en tijdens het diner wil men de materie toch graag in de moedertaal verder bediscussiëren. Als eventuele meningsverschillen sterk door landsgrenzen worden bepaald, zullen de onderlinge standpunten in de eigen landstaal worden aangescherpt. Wie meerdere talen beheerst, kan deelnemen aan verschillende groepsdiscussies. Zodoende hebben Nederlandse wetenschappers meermalen een bemiddelende rol kunnen spelen omdat zij de gevoeligheden kenden die alleen in de verschillende moedertalen boven tafel kwamen. Het is echter twijfelachtig of de voorgaande zin ook in de tegenwoordige tijd geldig is. Sinds de invoering van de Mammoetwet lijkt de actieve beheersing van meerdere vreemde talen in elk geval afgenomen te zijn terwijl in het buitenland die kennis stijgt. In mijn optiek geldt die conclusie niet zozeer voor de talenkennis van de gemiddelde Nederlander -- die lijkt nog steeds groot te zijn in vergelijking met de gemiddelde Europeaan -- maar wel voor degenen die doorstromen naar de universiteiten. Ook voor hen geldt wellicht dat ze nog steeds behoren tot de top als het gaat om het aantal talen dat de gemiddelde Nederlander beheerst, maar daarbij moeten we bedenken dat onze eigen exotische taal weinig gewicht legt op de internationale schaal. Een Engelsman die Frans en Spaans spreekt, lijkt minstens evenver te komen als een Nederlander met de drie gangbare vreemde talen. En misschien wel verder, omdat Engels als moedertaal van het steenkoolgruis is ontdaan. Dat misschien is overigens geen zekerheid, zoals ik ervoer bij Fuji in Tilburg. De bezoekende Japanners blijken in Nederland beter met hun Engels uit de voeten te kunnen dan in het Verenigd Koninkrijk omdat hier het 'Engels minder Engels' zou zijn.

De moedertaal is zo ongeveer het eerste wat een kind leert en ook vreemde talen lijkt men op betrekkelijk jeugdige leeftijd het beste te leren. Zou dat er niet voor moeten pleiten om op de middelbare school niet te vroeg en te uitgebreid nadruk te leggen op de zogenoemde exacte vakken door meer en langer aandacht te schenken aan moderne talen? Wat is eigenlijk het voordeel om middelbare scholieren vol te stoppen met natuurkunde of scheikunde die in feite alleen relevant is voor degenen die naderhand voor die studie kiezen op hogeschool of universiteit? Zou een halvering niet toereikend zijn? Of zelfs beter, aangezien wellicht meer a-georiënteerde mensen tot het eindexamen b-vakken zullen volgen? Voor latere studenten in de technische en natuurwetenschappelijke richtingen valt een eventuele achterstand op natuurwetenschappelijk gebied tijdens die vervolgopleidingen eenvoudig bij te spijkeren, zodat het voor hen geen ramp zou zijn als vakken als natuur- en scheikunde worden gereduceerd om tenminste drie vreemde talen tot verplichte examenstof te kunnen verheffen. En naast het traditionele drietal zouden dat volgens mij ook net zo goed Spaans, Russisch, Arabisch, Chinees of Turks kunnen zijn. Waarom zouden kinderen uit de zogenoemde allochtone gezinnen hun moedertaal niet op de eindexamenlijst mogen zetten? In deze tijd van vervagende grenzen kan die verbreding van het talenonderwijs Nederlandse bedrijven een concurrentievoordeel opleveren doordat zij in een willekeurig land zaken kunnen doen in de betrokken moedertaal. Als autochtonen waarom gebruiken we hier eigenlijk niet het inheemse woord voor? weinig of geen belangstelling hebben voor 'exotische' talen als het Russisch, Arabisch, Chinees, enzovoort, kan van de nood een deugd worden gemaakt door de talenkennis te benutten van de mensen die de betrokken talen met de paplepel binnenkregen.

5.3 essayistische exactelingen

Talenkennis is essentieel voor de concurrentiepositie, en dat blijkt evenzeer voor technici te gelden als voor mensen op verkoopafdelingen, waarvan een deel overigens ook vaak over grondige technische kennis moet beschikken. Om de combinatie tussen kennis van taal en techniek te bevorderen, zouden de universiteiten en hogescholen kunnen stimuleren dat de studenten hun talenkennis blijven onderhouden. Wat dat betreft was het idee van minister Ritzen misschien nog niet zo slecht om meer colleges op de universiteit in het Engels te geven.(9) Maar minstens zo belangrijk lijkt het mij om in deze fase de uitdrukkingsvaardigheid in de eigen moedertaal op peil te houden. Als werkgevers nu klagen over gebreken op dat punt, kunnen universiteiten onmogelijk de bal doorspelen naar de middelbare scholen, hetgeen zij misschien nog zouden kunnen doen bij de klacht over de kennis van vreemde talen. Hoewel, ook daar moeten de universiteiten de hand in eigen boezem steken omdat de toelatingseisen voor de technische en natuurwetenschappelijke richtingen vaak zodanig zijn dat er weinig ruimte overblijft voor een extra vreemde taal in het VWO-examen.

Studiepakketten zitten vaak vol vakken waarvan kennis via schriftelijke tentamens wordt getoetst. Wie voldoende feiten in zijn hoofd weet te persen, haalt de eindstreep. Het kunnen verwerken wordt nauwelijks getoetst, hoogstens bij het schrijven van een scriptie aan het eind van de studie. Terugkijkend op het vorige hoofdstuk zouden we kunnen zeggen dat we via deze weg de overheersing van 'waarheid' ten koste van 'deugd' door de poriën naar binnen krijgen. Zeker in de technische en natuurwetenschappelijke vakken heeft deze werkwijze tot gevolg dat betrekkelijk weinig schrijftalent nodig is aangezien grote delen in wiskundige taal zijn verpakt. Met andere woorden, de universiteiten van de hogescholen weet ik in dit opzicht minder doen hun uiterste best om het schrijftalent te verstikken voor zover dat tijdens de middelbare school is ontkiemd. Dat is in elk geval mijn eigen ervaring; mijn opstel op de middelbare school was zeer redelijk, in elk geval veel beter dan de teksten die na mijn afstuderen uit de pen kwamen en het heeft mij teveel tijd gekost de verloren bekwaamheid in ere te herstellen. In Angelsaksische landen lijkt deze oriëntatie op de verwerking van geschreven teksten en reproduktie van feiten minder op de voorgrond te staan. In Engeland kunnen studenten aangesproken worden met de vraag What is your subject? Op deze vraag wordt een kort en bondig antwoord verwacht. En in de VS zouden docenten zich meer als trainer opstellen; daar zouden ze, zoals de Nijmeegse biofysicus Peter Johannesma het ooit tegenover mij uitdrukte, het groene potlood hanteren in plaats van het rode potlood van het Europese vasteland. Met het rode potlood geef je aan wat fout is, met het groene roep je vragen op, doe je suggesties ter verbetering; niet het foute staat centraal, maar het goede.

Wat is er eigenlijk op tegen om bepaalde vakken uit de verplichte delen van het universitaire curriculum te schrappen en in plaats daarvan enkele essays op te nemen? Wie een boekbespreking van populaire bestsellers als Het Heelal van Hawking schrijft, leert de pen te hanteren en doet tevens kennis op van het bestreken vakgebied. Of probeer eens op een half A4-tje in begrijpelijk Nederlands een bepaald begrip onder woorden te brengen. Wat is supergeleiding, een quantumput? Hoe verloopt een kernproef? Met die training leer je niet alleen schrijven, maar het verscherpt ook het fysisch inzicht; goede popularisering is tevens hoogstaande wetenschap. Het is niet voor niets dat veel toonaangevende auteurs van populair wetenschappelijk boeken tevens grote geleerden zijn. Naast Hawking zijn dat bijvoorbeeld de wiskundige Penrose, de natuur- en scheikundige Prigogine, de natuurkundige 't Hooft en de bioloog Dawkins. Om te kunnen populariseren, moet je de materie goed beheersen en als je het begrijpt, moet je het een intelligente buitenstaander ook kunnen uitleggen.

Het vermogen om iets kernachtig onder woorden te brengen, is voor velen geen luxe maar bittere noodzaak. Ik doel hier niet op een handvol wetenschapsjournalisten maar vooral op onderzoekers in het bedrijfsleven. Wie niet in staat is zijn wetenschappelijke kennis in lekentaal te verpakken, is in veel gevallen gehandicapt voor de latere carrière. Vaak moet jarenlang onderzoek in één A4tje worden samengevat en ten overstaan van bijvoorbeeld de Raad van Bestuur voorzien worden van een minuten korte toelichting. Op basis van die informatie wordt beslist over de verdere toekomst van het project.

In deze paragraaf lag de nadruk op verbetering van de taalvaardigheid van mensen met een b-achtergrond. Voor veel a-wetenschappers kan hetzelfde pleidooi gehouden worden. Zij zijn weliswaar van nature meer met taal bezig, maar vaak lijken ze hun talenten liever te gebruiken voor het ontwikkelen van een ontoegankelijk jargon, zoals dat aan het eind van hoofdstuk drie is geïllustreerd. Ook hier lijken mensen uit de Angelsaksische wereld gemiddeld beter toegankelijke taal te gebruiken. Die indruk dringt zich althans bij mij op na het bezoek van een aantal internationale congressen. Wat betreft de bijdrage van Europeanen valt mij op dat mensen uit het bedrijfsleven het publiek vaak beter weten te boeien dan universitaire hoogleraren wier vak het is onderwijs te geven. Maar dat zal verband houden met het feit dat zij als regel meer aandacht besteden aan onderzoek dan aan onderwijs, zoals in volgende delen nog nader zal worden toegelicht.

5.4 getalkrakende gamma's

Met het voorgaande wil ik niet zeggen dat over het geheel een verschuiving naar de a-kant wenselijk is. Voor degenen die zich nu in de A-wetenschappen bekwamen, is het tekort aan natuurwetenschappelijke kennis misschien nog wel veel ernstiger. En met het pleidooi van de commissie Vonhoff voor afscherming van de 'klassieke' a-disciplines wordt een scherpere afsluiting voorgesteld dan ik natuurwetenschappers ooit voor hun vakgebied heb horen bepleiten.

Geen afscherming, maar integratie. En oog voor de kracht van b-aspecten voor het eigen vakgebied. Wie een grootheid tot op drie cijfers nauwkeurig kan bepalen maar niet weet waar de komma staat, leidt aan een ziekte die Nederlandse vertalers van werk van Hofstadter als onbenulligheid hebben aangemerkt [A-H6].(10) Men weet bij wijze van spreken wel het aantal graden maar niet of het om de schaal van Celsius of Fahrenheit gaat. Ik weet niet hoe werkgevers denken over de kwaliteit van afgestudeerde A-wetenschappers, maar het feit dat McKinsey expliciet onder fysici en chemici werft, zou een indicatie kunnen zijn dat analytische kwaliteiten van economen en sociologen tekortschieten.

Soms wordt alfa-kennis van technici afgemeten aan hun kennis van de literatuur. Hoeveel van hen kennen Camus? Wat is het equivalent van die vraag voor mensen in de alfa- en gamma-richtingen? Hoe de relativiteitstheorie in elkaar steekt en hoe transistoren werken? Het lijkt mij niet nodig dat iedereen die werking kan verklaren, net zo min als alle technici Camus moeten kennen. Maar de beginselen van onze rechtstaat mogen toch wel bekend worden verondersteld bij technici, zoals verwacht mag worden dat mensen met een alfa- en gamma-achtergrond weten wat het broeikaseffect is. En met die kennis lijkt het treurig gesteld. Ik was er niet bij, dus heb ik het niet uit de eerste hand, maar uit betrouwbare bron heb ik begrepen dat twee van de belangrijkste ministers uit het vorige kabinet dachten dat CO2 een gifgas was in plaats van een noodzakelijk bestanddeel van de atmosfeer voor het huidige leven op aarde. Hoe kun je goede beslissingen nemen over de vermindering van uitstoot van koolstofdioxyde als een volstrekt verkeerd beeld bestaat van de werking van dit gas?

Ingenieurs moeten moderne talen kennen terwijl a- en g-wetenschappers baat hebben bij een gezonde dosis wiskunde en natuurwetenschappen. Voor de een geldt dat meer dan voor de ander, maar is het eigenlijk wel mogelijk om geschiedenis of aardrijkskunde te doceren zonder te weten hoe een stoommachine werkt en de invloed die hiervan uitging en uitgaat op de samenleving? Kan bij de behandeling van de Verlichting worden volstaan met een bespreking van Kant, Voltaire en Frederik de Grote? Was de ontwikkeling van de natuurwetenschappen niet essentieel in die periode? Hoe kunnen historici dat onderwijzen als velen nauwelijks of geen natuur- en scheikunde hebben gehad? Een aanvullende handicap is dat veel universitaire a-wetenschappers zich graag opsluiten binnen de dimensie van het eigen vakgebied, althans die indruk ontstaat uit het rapport van de commissie Vonhoff en de tamelijk enthousiaste ontvangst daarvan binnen a-gelederen.

5.5 exacte eruditie

De leuze Kies exact impliceert in feite dat ook niet-exact valt te kiezen. Maar wie alfa-vakken met de natte vinger uitoefent, komt vroeger of later van de koude kermis thuis. Wie restauraties van doeken van oude meesters en het daaraan voorafgaande onderzoek aanschouwt, moet tot de conclusie komen dat het zeer nauwgezet werk is. Met vertalingen van oude geschriften is het niet anders. Wie is in De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch [A-M1] het meest exact bezig, de astronoom Max of de taalkundige Onno? Welke gevolgen heeft de onzorgvuldige vertaling van het Hebreeuwse 'jonge vrouw' in het Griekse 'maagd' niet gehad op de kerkgeschiedenis. Waar houdt a op en begint b, en omgekeerd? Waar domineert interpretatie en waar exacte waarneming?

In veel andere culturen ligt de verhouding tussen a en b anders dan bij ons. Aangezien de wiskunde eerst en vooral ontspruit aan de menselijke geest, valt dat met recht en reden een geesteswetenschap te noemen, en zou zodoende tot het alfa-domein gerekend kunnen worden. Maar dat is in feite niet meer dan een woordenspel. Dat ligt al enigszins anders bij rituelen die vaak met uiterste precisie worden uitgevoerd. Binnen het boeddhisme en hindoeïsme kunnen studies van rituelen uitgroeien tot een (exacte) wetenschap, zoals wordt betoogd door Frits Staal [A-S2, p. 229].

Ook zonder filosofische verdieping lijkt het mij tamelijk evident dat exactheid in verschillende oosterse culturen een andere rol speelt dan in het westen. Voor ons westerlingen zijn de oosterse talen relatief moeilijk te leren, maar dat lijkt ook voor henzelf te gelden. De vraag dringt zich op hoe het mogelijk is dat Japan zoveel technisch talent aflevert als men in jonge jaren zoveel tijd en energie moet steken in het leren lezen en kalligraferen van de moedertaal. Misschien gaat de kalligrafie wel helemaal niet ten koste van de ontwikkeling van talent op het gebied van de exacte wetenschappen omdat dit schoonschrijven tevens een training vormt in precisie-arbeid.

Hoe exact is het huidige talenonderwijs? In de grammatica en bij vertalingen komt die precisie vaak nadrukkelijker naar voren dan bij mondelinge verhalen. Geen Duitser zal het een buitenlander kwalijk nemen als hij niet goed omspringt met de naamvallen, maar dat betekent nog niet dat het geen voordelen biedt als je de wetmatigheden van de vervoegingen tot in de puntjes beheerst. Vanuit die optiek zou een versterking van het grammatica-onderwijs en een uitbreiding van de schriftelijke vertaling zowel voor alfa's als bta's voordelen kunnen bieden.

5.6 hemelse hulp

Natuurwetenschappers en technologen kunnen het nodige leren van de associatieve kwaliteiten van schrijvers, zeker als het auteurs betreft die een terrein beschouwen dat voor bta's vertrouwd is. Dat geldt bijvoorbeeld voor Umberto Eco die in De naam van de roos vertellenderwijs het ontstaan schetst van het (natuurwetenschappelijk) wereldbeeld en de werkwijze van de hedendaagse (natuur)wetenschapper. Nog dichter bij de fysica staat Gary Zukav, die als alfa De Dansende Woe-Li Meesters schreef, het eerste populair wetenschappelijke boek over de quantummechanica dat een miljoenenpubliek bereikte. Het valt te betwijfelen of een (grondig) geschoold natuurwetenschapper zo'n boek had kunnen schrijven. Nadien is er weliswaar een stortvloed aan boeken van andere schrijvers gekomen, maar daarbij rijst de vraag of zij die boeken ook geschreven zouden kunnen hebben zonder lering te trekken van Zukav. Ik zou zelf in elk geval nooit zo over de quantummechanica geschreven hebben als ik Zukav niet had gelezen.

Tegenwoordig begint de twintigeeuwse natuurkunde ook door te klinken in fictie-literatuur en daarbij spelen alfa's uiteraard een belangrijke rol. Zeer fraai komt de fysica aan bod in De ontdekking van de Hemel, het hiervoor reeds aangehaalde meesterwerk van Harry Mulisch. Een van de hoofdpersoon is de astronoom Max. Mede via zijn werk, maar ook via het tussentijdse commentaar van de hemelbewoners, sijpelt informatie door over zwarte gaten, het deterministisch wereldbeeld van Laplace, enzovoort. Maar echt verbluffend zijn sommige parallellen tussen fysica en het dagelijks leven, zoals bij de driehoeksverhouding die uitmondt in de geboorte van een kind. De moeder vraagt zich af wie van de twee mannen de vader is. "Misschien betekende het ook dat ze zwanger was van allebei en dus eigenlijk van geen van beiden. Was dat het, waarop zij het moest houden? Was zij zwanger van de vriendschap tussen die twee?" [A-M1, p. 270]

Deze vingerwijzing naar het dubbele-spleet-experiment en het superpositieprincipe doet mij sterk denken aan de wijze waarop John Bell de quantummechanica probeerde uit te leggen. Hij pendelde soms heen en weer tussen Genève en Londen, hetgeen quantummechanisch zou neerkomen op een superpositie van de aanwezigheid in Genève en Londen; hij zou in beide steden tegelijk zijn. Dat zoiets in de wereld van tafels en stoelen onmogelijk is, is duidelijk, maar in het voorbeeld van Mulisch kan de superpositie veel langer worden volgehouden. In feite weten alleen de toeziende engelen in de hemel wie de eigenlijke vader is, en met die uitwerking zouden Albert Einstein en John Bell zeer ingenomen zijn. Gott würfelt nicht, was immers een lijfspreuk van Einstein en John Bell wou dat hij daarin gelijk zou hebben.

5.7 helse hokjes

Uit het voorgaande zou de conclusie getrokken kunnen worden dat de scheidslijnen tussen alfa en bta veel minder groot zijn dan vaak wordt gesuggereerd of veel kleiner kunnen worden dan ze in de praktijk zijn. Maar ook binnen de wetenschappelijke hoofdstromen zouden scheidslijnen verzwakt kunnen worden. Dat blijkt al duidelijk bij een vluchtige beschouwing van het middelbaar onderwijs.

Welke VWO-leerling leert het werk van Camus kennen? Waarom is dat recht voorbehouden aan leerlingen met Frans in het eindexamenpakket? Is Albert Camus voor hen belangrijker dan Thomas Mann en geldt voor leerlingen met Duits als examenvak het omgekeerde? En zijn Dante en Homerus alleen belangrijk voor gymnasiasten? Het lijkt er op, met als gevolg dat VWO-leerlingen maar een deel van de wereldliteratuur onder ogen krijgen en per definitie verstoken blijven van meesterwerken van Cervantes, Ibsen, Tolstoi, enzovoort. Merkwaardig eigenlijk dat de huidige examenkandidaten geen mogelijkheid hebben om vertalingen op de boekenlijst te zetten.

Met de aangekondigde verandering van de VWO-bovenbouw lijkt deze afschotting minder stringent te worden. Er komt bijvoorbeeld aandacht voor de wereldliteratuur doordat een deel van de huidige, met Nederlandse auteurs gevulde boekenlijst plaats maakt voor internationale meesterwerken. Waarom kent alleen het taalonderwijs de traditie van boekenlijsten? Vakken als aardrijkskunde en vooral geschiedenis lenen zich uitstekend om via literatuur te verkennen. Welke historische rijkdom zit er niet in De naam van de Roos of Montaillou, in de Max Havelaar, in de boeken van Hella Haasse, enzovoort, enzovoort. Ook voor de exacte vakken kan de nodige kennis via literatuur worden verkregen. Veel middelbare scholieren moeten in staat worden geacht om De dansende Woe-Li meesters of Het heelal door te worstelen of kennis te nemen van Primo Levi's fascinatie voor techniek. Ongetwijfeld zullen ze er niet alles van begrijpen, maar zo'n gevoel van onbegrip had ik ook bij het lezen van Goethes Faust. Het intrigeerde en fascineerde echter wel, en vormt fascinatie en verwondering niet de belangrijkste basis voor een verdere verdieping in de wetenschap?

In de discussie over de herverdeling van vakken voor de bovenbouw van het VWO ving ik de opmerking op dat binnen de nieuwe verdeling er voor de leerlingen geen tijd meer zou overblijven om boeken te lezen; met Het verdriet van België of De ontdekking van de hemel zou alle studietijd al opgeslokt zijn. Maar boeken lees je toch niet binnen het totaal geplande aantal schooluren? Dat was volgens mij ook niet het geval in de goede oude HBS-tijd. De boeken las je in de vakantie, in het weekend, als je niets te doen had of als je het leuker vond dan een proefwerk te leren. Velen deden dat niet, maar lazen alleen de samenvattingen. Of de Nederlandse vertaling van Camus of Shakespeare. Aangezien de meeste mensen voor het eindexamen slaagden, bleek die minimale instelling veelal toereikend. Het is dus niet erg als middelbare scholieren nu met flinterdunne boekjes volstaan; althans dat is niet erger dan vroeger toen men flinterdunne samenvattingen las. Van belang is dat er een cultuur bestaat waarin leerlingen worden gemotiveerd om ook grotere werken te lezen. In het verleden heb ik gepleit voor meer differentiatie bij de selectie aan de poort van het universitaire onderwijs [D-S17]. In de loop van dit boek kom ik enkele keren op deze selectie terug. Kan gebleken leesgierigheid van middelbare scholieren niet een van de ingrediënten zijn bij die selectie?

Het nadeel van de hokjes-indeling geldt niet alleen de wereldliteratuur. Om de kennis van en belangstelling voor techniek te vergroten, is dat vak opgenomen in de basisvorming op de middelbare school. Maar garandeert de opzet in voldoende mate dat de belangstelling voor techniek toeneemt? Wat is het verschil met handenarbeid en handvaardigheid? Zou aandacht voor techniek niet beter tot zijn recht kunnen komen bij aardrijkskunde en geschiedenis? Het aan water gelegen Nederland dat ideaal bleek en blijkt als vestigingsplaats voor de chemische procesindustrie terwijl Zwitserland zich door gebrek aan natuurlijke hulpmiddelen en wegens de desolate wintertijd ging toeleggen op kleine produkten met een hoge toegevoegde waarde, zoals medicijnen en horloges. Waarom lopen de mensen in de vochtige tropische landen naakt terwijl de bewoners van droge woestijngebieden in ruim hangende witte gewaden zijn gekleed? Waarom zijn woestijnbewoners zo verzot op warme thee? Welke rol speelde de stoommachine bij de ontwikkeling van de westerse maatschappij? Waar horen deze en dergelijke vragen thuis, bij aardrijkskunde/geschiedenis of natuurkunde/biologie? Waarom mag een docent die jaren natuurkunde heeft gedoceerd zijn onderwijsbestaan geen veranderende impuls geven door naar geschiedenis over te stappen? Dat velen daar niet voor in de wieg zijn gelegd, geloof ik graag, maar dat niemand het mag, is toch uiterst vreemd. Nee, iedereen moet een onderwijsacte hebben in het betrokken vakgebied. Praktijkervaring, bijscholing en dergelijke tellen niet; alleen door een volledig nieuwe akte te halen, kan een docent naar een ander vakgebied overstappen. Hoeveel andere bedrijfstakken zijn er eigenlijk waar de hokjescultuur zo groot is? In veel bedrijven wordt in elk geval gestreefd naar breed inzetbare mensen, waarbij de eerste baan inhoudelijk juist afwijkt van de specialisatie. Natuurkundigen blijken wel in aanmerking te komen voor managementfuncties, maar zelfs in het aanpalende scheikunde worden docerende fysici onbevoegd verklaard.

De kiem voor het eendimensionale wetenschapsplantje wordt al op het VWO gelegd. De universiteiten slagen er vervolgens voortreffelijk in dat plantje in één dimensie te laten doorgroeien. Een breder VWO-pakket zou een aantal van de huidige uitwassen kunnen verminderen. De vroegere HBS-B was voor veel opleidingen een goede basis, zeker ook voor degene die in alfa-richting verder studeerde. Een aantal van de voorgenomen veranderingen in de bovenbouw kan een deel van de huidige tekortkomingen wellicht wegnemen. Maar de eisen die aan de natuurwetenschappen worden gesteld met betrekking tot integratie kunnen wel eens averechts werken; om effectief te kunnen integreren, moet je beschikken over de daarvoor benodigde ingrediënten. Door meer energie te steken in integratie blijft minder ruimte over voor verkenning van de afzonderlijke delen. Deze werkwijze draagt daarmee als gevaar in zich dat het leidt tot breedheid zonder diepgang. En dat is een vorm van meerdimensionaliteit waar we niet veel verder mee komen.

Noten

9. Een neveneffect van Engelstalig onderwijs kan zijn dat de aantrekkingskracht op buitenlandse studenten toeneemt. Veel Europese bedrijven die in de opkomende Aziatische landen opereren, zien in de uit het westen terugkerende Aziatische studenten een belangrijke functie weggelegd om de cultuurkloof met de Aziatische vestigingslanden te overbruggen.

10. De term onbenulligheid is de titel van het zesde hoofdstuk, die in het Engels on number numbness heet. Aanvankelijk leken de vertalers (Eugène Dabekaussen, Barbara de Lange en Tilly Maters) die term onbenummerdheid gedoopt te hebben, een term die nog in de inhoudsopgave prijkt.