6 Wetenschappelijke Wisselwerking


de passages tussen [..] zijn literatuurverwijzingen.

"Worden we weer het land waar alles 50 jaar later gebeurt?" In november 1994 stelde NWO die retorische vraag paginabreed in een aantal landelijke ochtendkranten. NWO is de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek die namens de overheid geld voor onderzoek verdeelt over de verschillende universiteiten. Uit de mond van NWO klinkt de zorg als een pleidooi voor bescherming van de omvang van het universitaire onderzoek. Dit hoofdstuk gaat na of en in hoeverre er een relatie bestaat tussen het universitaire onderzoek en de dingen die gebeuren. Het vierde deel beschouwt in bredere zin het belang van speur- en ontwikkelingswerk voor de economische ontwikkelingen.

Mede gezien het tijdstip van publikatie kan de advertentie van NWO worden gezien als een uiting van ongenoegen over de omvang van de overheidsuitgaven ten behoeve van speur- en ontwikkelingswerk (R&D); het paarse kabinet zou van de aangekondigde bezuinigingen moeten afzien omdat Nederland relatief weinig aan R&D uitgeeft en de achterstand op andere landen groter ziet worden. En wat erger is, in Nederland zou het aandeel van de overheid in de totale R&D-uitgaven dalen. Een vergelijkbare boodschap viel te beluisteren in een advertentie van TNO, de organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek. TNO krijgt van de overheid een basisfinanciering die de nodige bestaanszekerheid geeft. Het doel is onderzoek ten behoeve van bedrijven door die te ondersteunen bij onderzoek en technologie-ontwikkeling.

6.1 verkeerde vergelijking

Gezien de bestemming van het overheidsgeld impliceren de advertenties dat de geldstroom naar TNO, NWO en de universiteiten op peil zou moeten blijven om Nederland in de economische vaart der volkeren mee te stuwen. Het valt echter moeilijk staande te houden dat de Nederlandse overheid te weinig aan onderzoek en ontwikkeling uitgeeft. In 1993 bedroeg de omvang van het publiek gefinancierde onderzoek in Nederland 0,84% van het bruto binnenlandse produkt (BBP), ruim boven het gemiddelde van de EU (0,71%) en de OESO (0,67%) [C-OCW, p. 7]. Van de totale R&D-uitgaven in 1993 was in Nederland bijna 45% afkomstig van de overheid tegenover gemiddeld 36% voor alle OESO-landen [C-OESO5]. Met dit overheidsaandeel behoort Nederland binnen de OESO tot de kopgroep. Als we rekening houden met het feit dat de uitgaven voor militair onderzoek het overheidsaandeel in verschillende landen omhoog stuwen -- zoals in de Verenigde Staten, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk -- wordt de koppositie van Nederland nog sterker. Landen met weinig militair onderzoek die veel in speur- en ontwikkelingswerk investeren, zijn Zwitserland en Japan. In die landen is het overheidsaandeel in de totale R&D-uitgaven echter uitzonderlijk laag, ruim 20% voor Japan en minder dan 30% voor Zwitserland. Als die landen een voorbeeld zouden moeten zijn, zou Nederland nog veel drastischer in het overheidsbudget moeten schrappen dan voorzien was in de voorstellen waar TNO en NWO tegen te hoop liepen.

Dat Nederland niet achter loopt wat betreft de overheidsuitgaven voor onderzoek valt af te leiden uit het aandeel in de wereldwijde wetenschappelijke publikaties. Zowel kwantitatief (aantal publikaties) als kwalitatief (aantal citaties per publikatie) scoren Nederlandse onderzoekers relatief goed. In de woorden van voorzitter Veldhuis van het Utrechtse College van Bestuur: "In het wetenschappelijk onderzoek staan we qua wetenschappelijke produktie op de tiende plaats en qua invloed zelfs op de zevende plaats, en dat in absolute zin. Hoger dan op de ranglijst van de afgelopen Olympische Spelen, waar het ook om topprestaties gaat!!" [G-V2] Gezien deze prestaties lijkt het bijna onmogelijk dat het Nederlandse publieke onderzoek wordt beknot. Het tegendeel lijkt eerder waar. Ondanks klaagzangen over bezuinigingen, lijken de Nederlandse universiteiten beter bedeeld te worden dan veel buitenlandse instellingen. Tijdens een AWT-conferentie concludeerde een Vlaming dat de Vlaamse universiteiten evenveel geld van de overheid krijgen als de Nederlandse mits de wisselkoers twaalf Belgische franken voor een gulden is [C-AWT7, p. 58]. In de wandelgangen merkte een Nederlandse deelnemer op dat zelfs de Amerikaanse top-universiteiten met een lager budget werken dan de Nederlandse; met de Nederlandse staf-studenten-ratio zou je het allerbeste onderwijs kunnen verzorgen. Of deze individuele indrukken juist zijn, zou nader geanalyseerd moeten worden. Het probleem is echter dat de rekenmeesters die betogen dat Nederland achterloopt, hiervoor geen kapstok bieden.

Mij gaat het hier echter niet om de vraag of en hoeveel de Nederlandse overheid aan speur- en ontwikkelingswerk zou moeten uitgeven, maar om de vraag of en hoe dat onderzoek van belang is voor de dingen die gebeuren. Wat is het (economisch) nut van het fundamentele onderzoek dat NWO ondersteunt?

6.2 kennis kruisbestuiving

Vaak wordt gewezen op het belang om in eigen land onderzoek te doen met het oog op latere baten voor de economie. Met andere woorden, kennis wordt het snelst toegepast op de plaats waar ze tot wasdom komt. Dit effect zal ongetwijfeld tot op bepaalde hoogte optreden bij toegepast onderzoek, maar werkt het ook voor fundamenteel onderzoek waarvan toepassingsmogelijkheden hoogstens na verloop van jaren in beeld komen?

Nederland genereert ongeveer 1% van het wereldwijde reservoir aan fundamentele kennis. Voor zover die kennis door bedrijven wordt benut, zullen Nederlandse ondernemingen daarvan ook ongeveer 1% afnemen. Hoe groot is in dit geval de kruisbestuiving tussen Nederlandse onderzoeksinstellingen en bedrijven? Bij een volledig vrije uitwisseling is het aandeel van de NL-NL wisselwerking 0,01*0,01=0,0001 deel van de wereldwijde kennisuitwisseling. Met andere woorden, de uitwisseling tussen Nederlandse producenten en afnemers van fundamentele kennis bedraagt een tiende promille van de kennis die wereldwijd wordt uitgewisseld. Zelfs als Nederlandse bedrijven en universiteiten hun kennis tienmaal liever in eigen land uitwisselen -- hetgeen voor beide partijen uiterst dom lijkt -- blijft de omvang van die uitwisseling in de wereldwijde kruisbestuiving tot 1 promille beperkt.

Voor grote landen als de VS beslaat de kruisbestuiving een veel groter percentage, maar heeft het echt met een gebrek aan interne wisselwerking te maken dat Amerikanen het principe van de fax ontdekten en Japanners die apparaten vervolgens gingen bouwen? Is het een zwakte van IBM dat Japanners als eerste gebruik willen maken van de techniek van de raster-tunnelmicroscoop waarvoor onderzoekers uit het IBM-lab in Zürich de basis legden? Het lijkt mij dat het nut van de bijdrage van IBM in dit geval  maar ook in het geval van de doorbraak die IBM-onderzoekers realiseerden op het gebied van de supergeleiding niet gezocht moet worden in het eigen ontwikkeltraject. Of de lusten en lasten tegen elkaar opwegen, is moeilijk van buitenaf vast te stellen. Het voordeel van genoemde ontdekkingen moet voor IBM toch vooral worden gezocht in het wetenschappelijk prestige. Het versterkt ongetwijfeld de positie van IBM in netwerken binnen de internationale wetenschap, en daarmee de mogelijkheid om kennis binnen de 'uitwisselingskubus' af te tappen. Als IBM een voorsprong opbouwt ten opzicht van de concurrenten, moet die niet primair worden gezocht in de ontdekking zelf die wordt immers wereldwijd bekendgemaakt via publikaties maar veeleer in het feit dat via het onderzoek mensen zijn opgeleid die de benodigde expertise al in hun vingertoppen hebben gekregen en kunnen overdragen als ze later door het bedrijf worden verplaatst. Bovendien geven baanbrekende ontdekkingen een prestige waar veel getalenteerde studenten zich toe aangetrokken zullen voelen. In een recente wervingsadvertentie van Lucent Technologies  het van AT&T afgesplitste deel waar ook de vestigingen in Hilversum en Huizen toe behoren  prijkten foto's van zeven Nobelprijswinnaars met als onderschrift: "Je kunt alleen het unieke uit mensen halen als je ze de kans geeft het te etaleren". Het gaat er blijkbaar niet om wat je presteert maar dat je de kans neemt iets opmerkelijks te doen. De Nobelprijs als wervingsinstrument.

6.3 prestigieuze parken

Hoe verhoudt de 'uitwisselingskubus' zich tot het streven van veel universiteiten om de relatie met het bedrijfsleven te versterken via een Science Park, een bedrijfsterrein op of nabij het universiteitsterrein met vestigingen van kennisintensieve ondernemingen. Voor de lokale overheid zijn het vaak prestigieuze projecten om het 'high tech' imago te versterken. Voor de universiteiten gaat het om bedrijven die betrekkelijk toegepast onderzoek verrichten. Voor dit soort onderzoek is de geografische afstand tussen kennisvrager en -brenger veel belangrijker dan voor het eerder genoemde fundamentele onderzoek. Evaluerend onderzoek naar de Science Parks bevestigt echter niet dat de geografische nabijheid van een universiteit daadwerkelijk aantrekkingskracht op bedrijven uitoefent. Ook uit eigen waarneming zou ik die stelling niet willen onderschrijven. Een aantal van die bedrijvenparken lijkt het goed te doen, maar daarbij vormt de ligging van de naburige universiteit meestal niet de belangrijkste vestigingsfactor. Het ruimteonderzoek van Fokker vindt plaats op het bedrijfsterrein van de Rijksuniversiteit Leiden, op een steenworp van de gerenommeerde afdeling sterrenkunde, maar de belangrijkste vestigingsoverwegingen hebben toch betrekking op de ligging langs de snelweg en de nabijheid van het NS-station. De universiteit in de nabijheid was een bijkomend voordeel, maar dat gold evenzeer voor het nabij gelegen centrum van de ruimtevaartorganisatie ESTEC in Noordwijk.

Een vergelijkbaar beeld kreeg ik tijdens een bezoek aan de universiteit van Surrey in het Engelse Guildford waar een succesvol Science Park is gevestigd. Dat succes vloeit echter niet in de eerste plaats voort uit de aanwezigheid van de universiteit, maar is primair te danken aan de situering midden tussen de vliegvelden Heathrow en Gatwick. Een ander voorbeeld is het zeer succesvolle bedrijvenpark van Chalmars in het Zweedse Gotenburg. Met veel trots werd gemeld dat Ericsson daar een laboratorium had geopend, maar bij doorvraag bleek de werkverschaffing aan afgestudeerden het belangrijkste vestigingsmotief te zijn. In het uitgestrekte Zweden is het even lastig om mensen naar de meest nabij gelegen andere vestiging over te plaatsen als in Nederland een verhuizing van de Randstad naar Groningen.

Alleen bij het Science park in Cambridge kreeg ik het idee dat bedrijven afkwamen op de reputatie van deze wereldberoemde universiteit; vooral voor Japanse bedrijven lijkt die faam een rol te spelen bij de keuze van een vestigingsplaats. Als Cambridge inderdaad de top-universiteit is die het heet te zijn, is die voorkeur niet strijdig met de 'uitwisselingskubus'; daar ligt de prijs/kwaliteit verhouding het gunstigste. Niet alleen omdat de kans op een nuttige ontdekking relatief groot is binnen een groep top-onderzoekers, maar ook omdat in die omgeving mensen worden opgeleid die als kennisdrager binnen de betrokken R&D-instituten hun loopbaan kunnen beginnen of vervolgen, analoog aan de vestigingsoverwegingen van Ericsson in Gotenburg.

Hoe verhoudt de bovenstaande analyse zich tot universitaire startershuizen? Die huizen  vaak bedrijvencentra genoemd  verschillen van de eerder genoemd Science Parks doordat het niet zozeer gaat om het aantrekken van bestaande bedrijven alswel om het op gang helpen van recent afgestudeerden of oud medewerkers bij het opzetten van een eigen bedrijf. Bij eventuele groei zal de betrokken starter naar een andere locatie voor zijn bedrijf zoeken, bijvoorbeeld op het Science Park.

Bij de startershuizen ligt de kruisbestuiving toch boven de genoemde 1% x 1%? Ongetwijfeld, net als de bedrijven op de Science Parks bewegen starters zich op het terrein van het toegepaste onderzoek. Daarbij komt dat starters hun vestigingsplaats niet vrij kiezen uit de wereldwijd beschikbare alternatieven; zij kiezen eerst en vooral een locatie in de buurt van de universiteit waar ze hebben gestudeerd of gewerkt, net zoals de meeste andere startende ondernemingen in of nabij de eigen woonplaats beginnen. Waarom zou je elders starten? Maar hiermee is zeggingskracht van de kubus niet aangetast. De bedoelde starters moeten volgens mij in de eerste plaats worden beschouwd als een produkt van het onderwijs. In het kielzog van de kennisproduktie worden namelijk studenten opgeleid die bij hun latere loopbaan vooral naar werk in Nederland zullen zoeken. En wat mij betreft maakt het niet veel verschil of alumni als starter op een universitair bedrijvencentrum beginnen of bij Philips, de Rabobank, enzovoort, terechtkomen. En alumni laten zich veel moeilijker over de wereld verplaatsen dan de kennis die de betrokken vakgroep heeft ontwikkeld. Aangezien onderzoek een onlosmakelijk onderdeel vormt van de wetenschappelijke opleiding, is het van belang om hier ter plaatse in onderzoek te investeren; niet als doel, maar als middel.

6.4 wetenschappelijke waarde

Terug naar het fundamentele onderzoek. De beschouwing over de 'uitwisselingskubus' liet zien dat het niet veel uitmaakt in welk land fundamentele kennis wordt ontwikkeld. Dit betekent dat het voor de concurrentiekracht van Nederlandse bedrijven niet uit maakt waar een ontdekking wordt gedaan let wel, het gaat om fundamenteel universitair onderzoek zolang de wereld een betrekkelijk open kennissysteem kent. Kortom, voor de nationale economie biedt de specifieke kennis die Nederlandse universiteiten ontwikkelen geen competitief voordeel. Dit betekent dat het voor de kennisontwikkeling niet uitmaakt of universiteiten onderzoek doen naar elementaire deeltjes of naar hedendaags Chinees, naar Oud-slands of naar windturbines, enzovoort. Op grond van dezelfde overwegingen maakt het ook niet uit waar Nobelprijswinnaars hun onderzoek verrichten. Wat dat betreft is het bijvoorbeeld niet erg dat Crutzen zijn kennis in het buitenland ontwikkelt. Bezien vanuit de opleidingsfunctie maakt het echter wel verschil waar het internationale toptalent werkt. Doordat Crutzen in het buitenland werkt, draagt hij zijn inspiratie over op mensen die hoofdzakelijk in Duitsland zullen gaan werken. Op grond van vergelijkbare overwegingen maakt het ook verschil of universiteiten onderzoek doen naar Oud-slands of naar supergeleiding. Niet vanwege de inhoudelijke behoefte aan kennis, maar vanwege de behoefte aan afgestudeerden met kennis op de betrokken gebieden. Kennisdragers laten zich namelijk veel moeilijker over de wereld verplaatsen dan kennis. Om een Rembrandt-tentoonstelling te kunnen organiseren, is een bibliotheek niet afdoende; er moeten ook mensen zijn die de benodigde kennis in hun hoofd hebben en daar in de praktijk mee kunnen omgaan. Voor de chemie, metaalverwerking, financiële dienstverlening, distributielogistiek, enzovoort, is dat niet anders. Met andere woorden, de opleidingsfunctie die verbonden is met het speur- en ontwikkelingswerk is essentieel. Dat opleiding vaak minstens zo belangrijk is als de ontwikkeling van kennis, zou je ook kunnen afleiden uit de personele uitwisseling tussen researchlaboratoria en andere bedrijfsonderdelen. Een goed (extreem?) voorbeeld daarvan is het laboratorium van Shell in Rijswijk, waar jaarlijks 10% van de medewerkers naar andere bedrijfsonderdelen doorstroomt, een kwart tijdelijk elders is gedetacheerd, terwijl een gelijk aantal vanuit andere bedrijfsonderdelen aan het onderzoekslaboratorium is uitgeleend [B-S3]. En wat te denken van de researchinspanningen van bierbrouwerijen. Wat moet je nog aan bier verbeteren waar reclamespots hameren op vakmanschap, op de lange traditie waar het betrokken bier op bouwt. Brouwerij Heineken legt daar in de spots misschien minder de nadruk op, maar het groene etiket prijst wel het traditionele recept en de prijzen die dat heeft opgeleverd, in de vorige eeuw wel te verstaan. Wie door de brouwerij in Den Bosch loopt, ziet wel enkele nieuwe ontwikkelingen, maar dat betreft vooral de verpakking -- in sommige landen willen ze graag literflessen terwijl Nederlanders het vooral bij pijpjes houden -- en niet de inhoud. Toch staat Heineken in de R&D-top-40 van Nederland. Zij hebben dan misschien geen nieuw bier nodig, ze hebben wel goed opgeleide mensen nodig en hoe goed een universiteit of hogeschool ook is, zij kan nooit studenten op de maat van Heineken afleveren. Als zelfs voor de eigen bedrijfsresearch de opleiding een essentieel element is, of zelfs van primair belang is, hoezeer moeten we het belang van universitaire research dan niet primair zoeken in de daarmee verband houdende opleidingsfunctie van academisch gevormde arbeidskrachten? Met andere woorden, het onderwijs is geen nuttig neveneffect van universitair onderzoek maar vraagt om de primaire prestaties.

Steeds als ik het belang van de onderwijsfunctie hoor benadrukken, wordt instemmend geknikt, gevolgd door de waarschuwing dat we onderzoek niet uit het oog mogen verliezen. Illustratief is in dit verband het eindrapport van de Overlegcommissie Verkenningen (OCV): "universiteiten hebben als hoofdtaak het doen van vooral fundamenteel wetenschappelijk onderzoek en het geven van het daarmee verbonden wetenschappelijk onderwijs" [C-OCV, p. 21]. En vervolgens concentreert de OCV zich op het onderzoek en vergeet het onderwijs. Ook regeringsnota's leggen vaak eenzijdig de nadruk op onderzoek. Dat geldt ook voor het wetenschapsbudget dat in september 1996 werd uitgebracht, terwijl minister Ritzen tijdens het openingscircus van het Academisch Jaar 1996/1997 toch zo scherp had gewezen op de universitaire onderwijsfunctie: "De ideale universiteit is een onderwijsuniversiteit. Hoogwaardig onderzoek, dat kracht zoekt in samenwerking en niet in isolement, biedt het fundament voor optimaal onderwijs. Het onderzoek staat ten dienste van het maximaal ontwikkelen van talenten van studenten, onderzoekers in opleiding en grote groepen in de samenleving die aankloppen voor bij- en nascholing" [G-R3]. In deze bewoordingen ligt de maatschappelijke waarde van het universitaire onderzoek eerst en vooral bij het opleiden van mensen. Ten tijde van de kamerbehandeling van het wetenschapsbudget leek Ritzen zijn pleidooi voor de onderwijsuniversiteit weer vergeten te zijn en wekte hij de indruk de maatschappelijke toetsing van het universitaire onderzoek van boven af inhoudelijk te willen sturen. Aantasting van academische vrijheid, riepen wetenschappers en journalisten in koor. Deze reactie is terecht, maar het veelvuldig bepleite alternatief van een blanco cheque lijkt mij niet veel beter; dat biedt immers ook de vrijheid om jonge mensen te verleiden tot het volgen van opleidingen die afgestudeerden en gepromoveerden een nodeloos slechte uitgangspositie op de arbeidsmarkt bieden. De prestaties van universiteiten bij de opleiding zouden richtinggevend moeten zijn bij de beoordeling van de maatschappelijke relevantie van de wetenschapsbeoefening. Het kan niet vaak en indringend genoeg gezegd worden; de opleiding is de hoofdtaak van de universiteiten, iets wat maar al te gemakkelijk wordt vergeten. Over eendimensionale wetenschap gesproken.

6.5 toegankelijk taalgebruik

Om de kruisbestuiving met de (Nederlandse) omgeving te bevorderen, zouden wetenschappelijke instellingen meer waarde moeten hechten aan het populariseren van onderzoek en aan de toegankelijkheid van onderzoeksrapporten. Een subsidie voor een wetenschaps- en techniekweek of een beurs voor journalisten is daarvoor niet toereikend. Ken bijvoorbeeld meer waarde toe aan een toegankelijk geschreven boek in de Nederlandse taal dan aan een Engelstalige tekst die vol jargon staat. Pas dan begint het betoog van NWO over financiering in relatie tot maatschappelijk nut enige geloofwaardigheid te krijgen. Voor het zover is, zullen we echter vele jaren verder zijn. Want realisering van dit uitgangspunt vergt veel aanpassingen en ingrijpende veranderingen.

Hoe wenselijk is het nog om de financiering van het onderzoek mede te koppelen aan het aantal publikaties en citaties. Zoals reeds is opgemerkt, scoren Nederlandse onderzoekers in dat opzicht goed. In het wetenschapsbudget 1997 wordt die score ook gekwantificeerd [C-OCW]; in vrijwel alle beschouwde gebieden ligt het aantal Nederlandse publikaties boven het gemiddelde binnen de EU en deze artikelen van Nederlandse onderzoekers worden meer dan gemiddeld geciteerd. Deze cijfers hebben vooral betrekking op Engelstalige publikaties, want Nederlandstalige teksten tellen in de regel niet of nauwelijks mee en citaties in Nederlandse artikelen doen dat (derhalve) ook niet. De focus op het Engels is vaak van belang. Het draagt bijvoorbeeld bij aan de actieve beheersing van de belangrijkste vreemde taal. De balans slaat echter door als enkel en alleen in een vreemde taal wordt geschreven. Soms heeft het vooral effect op de lachspieren, bijvoorbeeld als een landgenoot op een congres met louter Nederlanders een voordracht in het Nederlands houdt onder een Engelse titel. Gelukkig blijft het daarbij vaak bij de titel, zodat betrokkene weinig nutteloze tijd heeft verspild om zich goed in het Engels uit te drukken. Er gaat wel tijd verloren als een Engelstalig verslagboek wordt gemaakt. Wat een verspilde moeite van zowel de auteur als de bezoeker. Hoewel, de kans is groot dat de bezoeker tijd wint doordat hij geen moeite neemt de tekst door te worstelen. Niet zozeer omdat de bezoeker geen Engels kan of wil lezen, maar omdat het weinigen is gegeven om zich in een vreemde taal even helder uit te drukken als in de moedertaal; steenkool-teksten lezen nu eenmaal niet vlot weg, ongeacht de taal waarin ze zijn geschreven. Als wetenschappers in het Engels schrijven over onderwerpen die eerst en vooral in eigen land van belang zijn, verkleinen zij de uitwisselingskubus. Ofwel, het doorbreekt de mogelijke band tussen onderzoek en de dingen die gebeuren.

De toegankelijkheid is niet alleen een kwestie van de taal waarin wetenschappelijke teksten geschreven zijn. Het gaat ook om taalvaardigheid, om helder en begrijpelijk taalgebruik. Als onderzoek zo belangrijk is voor de dingen die gebeuren, hoeveel moeite doen onderzoekers dan om hun kennis ook daadwerkelijk over te dragen op groepen die belang hechten aan die kennis? Hoeveel moeite doen onderzoekers om zich buiten de eigen subcultuur begrijpelijk te maken? Te weinig. Die indruk ontstaat althans naar aanleiding van de in hoofdstuk drie beschouwde plaagstoten van Sokal aan het adres van sociale wetenschappers. Vaak lijkt het er op dat onbegrijpelijk schrijven en wetenschappelijk prestige samengaan. De Duitse filosoof Hegel meende bijvoorbeeld dat maar een persoon hem begreep, en zelfs die begreep hem niet. Nochtans wordt hij als een van de grootste denkers gezien, en dat geldt voor meer beroemde filosofen. Hoe veel mensen begrijpen Martin Heidegger, die net achter Hegel in het filosofisch alfabet staat? Er zijn ook filosofen met een vlottere pen, maar hoe 'wetenschappelijk' vinden wijsgeren de literaire filosofie van Sartre en Camus? Hoe kijken filosofen aan tegen dat deel van het werk van Bertrand Russell dat ook een leek nog enigszins kan bevatten? John Tyerman Williams meent dat Russel heeft bijgedragen aan de popularisering van zijn vakgebied doordat hij een meester was in helder taalgebruik. Dat zou echter niet zijn status binnen wetenschappelijke kring ten goede zijn gekomen: "Zoals vaker gebeurt met iemand die wetenschap toegankelijk maakt voor velen, werd hij soms met achterdocht bezien door zijn strengere -- en minder begrijpelijke -- collegae" [A-T3, p. 104]. Dit citaat stamt uit het boekje waarin Williams zelf probeert de filosofie te populariseren. De gehele filosofie kan gezien worden als een serie voetnoten bij het denken en handelen van Winnie-de-Poeh. Om die stelling te bewijzen, toetst Williams op kostelijke wijze een groot aantal kerngedachten van grote filosofen aan het doen en laten van Poeh en de zijnen. Hoe beschouwen filosofen dit boekwerkje? Als leuk voor anderen? Om wellicht kado te doen? Maar staat het ook op de lijst van publikaties die in de wetenschappelijke wereld tellen? Als Williams kenschets van Russell een brede geldingskracht heeft, lijkt dat niet waarschijnlijk. Hoe verhoudt het werkje over Poeh zich overigens tot Russels zeer toegankelijk geschreven boek over de geschiedenis van de filosofie? [A-R1] Natuurlijk, wie iets precies wil opzoeken, pakt het werk van Russel, maar dat betekent dat een vluchtig boekje niet de enige kennisbron kan zijn. Zoals ook de populair wetenschappelijke boekjes over de quantummechanica de leerboeken niet kunnen vervangen.

Ik kom (te) veel wetenschappers tegen die klagen dat toegankelijk geschreven artikelen minder (in plaats van meer) punten op de wetenschappelijke ranglijst opleveren. Mensen die in het Nederlands schrijven -- hetgeen voor veel toegepaste onderzoeksgebieden van groot belang kan zijn -- krijgen een lage beoordeling omdat ze niet in het Engels schrijven. Zelfs het nuttige met het aangename verengingen -- inhoudelijk goed en toegankelijk geschreven -- lijkt niet bevorderlijk te zijn voor de academische status. In een interview zei TNO-onderzoeker Dany Jacobs [E-Trends]: "Vorig jaar schreven we een vlot Fokker-verhaal waarop lacherige reacties volgen, maar in de voorbije twee maanden heeft iedereen eruit geciteerd".

6.6 populariserend plagiaat

Het toegankelijk schrijven van een wetenschappelijk artikel is overigens nog wat anders dan het populariseren van wetenschap. In het volgende hoofdstuk belicht ik de manier waarop wetenschap in de speciaal daarvoor opgerichte publiekscentra voor het voetlicht wordt gebracht. Hier ligt de nadruk op geschreven teksten.

Newton zei op de schouders van zijn voorgangers gestaan te hebben bij de ontdekking van de wetten van de mechanica. Deze stelling geldt voor iedereen die vooruitgang in de wetenschap boekt. Waar mogelijk moeten betrokkenen echter wel aangeven in hoeverre baanbrekende ontdekkingen leunen op hetgeen anderen hebben gedaan. Via citaties wordt zoiets duidelijk gemaakt. Of beter, zoiets zou duidelijk gemaakt moeten worden. Vaak is dat echter niet mogelijk. Het heeft mij (te) veel moeite gekost om de literatuurverwijzingen voor dit boek samen te stellen, maar de meest wezenlijke bronvermeldingen ontbreken. De ideeën die anderen hebben aangedragen en die na bewerking, uitbouwing, enzovoort, een plaats in dit boek kregen, blijven namelijk veelal zonder bronvermelding. Niet omdat ik de eer aan mijzelf wil houden maar omdat de herkomst van een idee vaak niet eenduidig is. En vooral ook omdat zoiets het boek onleesbaar zou maken. Naar een boek valt op eenvoudige wijze te verwijzen, maar naar een gesprek met persoon A op plaats B over onderwerp C waar je aspect D op manier E hebt uitgewerkt, valt nauwelijks te verwijzen. Je kunt zeggen dat het in dit geval gaat om het opdoen van inspiratie, maar is dat in feite niet tenminste gedeeltelijk plagiaat? Het is weliswaar minder ernstig dan bij de Leidse psycholoog René Diekstra die willens en wetens andermans boek overschreef. Daar is sprake van diefstal, althans auteursrechtelijk gezien. Wat is echter de relevantie van dit plagiaat voor de wetenschappelijke wereld als de misstap is begaan in Nederlandstalige boeken die toch niet meetellen op de citation index van de wetenschappelijke controleurs? Deze vraag is niet bedoeld om het plagiaat van Diekstra goed te praten maar om na te gaan waar de grens ligt tussen het verspreiden van eigen inzichten en het plegen van plagiaat.

Zonder plagiaat lijkt popularisering niet goed mogelijk. In populair wetenschappelijke teksten zijn voetnoten niet gewild. In veel artikelen die ik voor de Volkskrant en Intermediair schreef, verdwenen de voetnoten als eerste uit de tekst. Het gaat namelijk niet om de rechtvaardiging van de bronnen, maar om een verhaal dat de lezer aanspreekt. En naarmate je meer schrijft, kweek je bijna vanzelfsprekend een methodiek die het aantal voetnoten tot een minimum reduceert. Dus eenmaal opmerken dat een bepaald boek je heeft geïnspireerd, is voldoende.

Plagiaat is volgens mij zeker niet de grootste zonde van wetenschappers; veel erger is het scheppen van overtrokken verwachtingen over mogelijke resultaten van onderzoek. In de termen van Latour zouden we kunnen spreken van funeste feitenbouwers. Liegen is erger dan afkijken; lugubere leugens van geleerde grootsprekers  in het volgende hoofdstuk komen die uitgebreid ter sprake  zijn erger dan populariserend plagiaat van voorlichtende vorsers. Die conclusie wordt nog sterker als we nagaan hoe gering de mogelijkheden tot popularisering van wetenschap zijn. Louise Fresco heeft gepleit voor een Bibeb van de wetenschapsjournalistiek [D-F3]. Ik zal dat niet tegenspreken, maar wat betekent dit voor de wetenschapsjournalistiek? Tot nu toe lijkt geen wetenschapsjournalist aan Bibeb te kunnen tippen, maar dat ligt zeker niet alleen aan verschil in schrijverskwaliteit. Artikelen van Bibeb-kaliber over wetenschappers en ontwikkelingen in de wetenschap vragen in de regel veel meer voorbereidingstijd dan een portret van een politicus. En de mogelijkheden tot echte onthullingen zijn veel moeilijker. Voor goede artikelen is goede research nodig; dat kost geld, ook in de journalistiek. Als de nieuwswaarde kleiner wordt, krijgt een auteur minder woorden ter beschikking, zodat ook het honorarium lager wordt. Enzovoort. In het Nederlandse taalgebied zijn de researchkosten voor diepgravende journalistieke artikelen over wetenschap in de regel niet terug te verdienen op basis van het honorarium. Als dit werk binnen de wetenschap belangrijk wordt gevonden, moet dit type research ook volgens wetenschappelijke beloningsnormen worden gefinancierd. De universiteiten zouden popularisering van wetenschap in het verlengde van de onderzoekstaak kunnen gaan zien. Om te beginnen zouden populariserende boeken van wetenschappers en artikelen in dag- en weekbladen als wetenschappelijke artikelen beoordeeld kunnen worden. Om dat te bereiken, dient de waardering binnen de wetenschap voor die journalistieke arbeid hoger te worden. Niet alleen moreel maar ook materieel; door gepopulariseerde artikelen tenminste als volwaardige publikaties te tellen en lezingen voor een breed publiek op vergelijkbaar niveau te beoordelen als voordrachten tijdens een congres.

NWO zou mensen kunnen betalen die goede wetenschapsjournalistiek doen. Dat kan ook nog wetenschappelijk vernieuwend zijn aangezien het de mogelijkheden vergroot dat vakgenoten buiten het eigen specialisme zich door de toegankelijk geschreven artikelen kunnen laten inspireren tot vernieuwing op het eigen vakgebied. In hoofdstuk dertien ga ik nader in op het belang van vakinhoudelijke kruisbestuiving. Universiteiten bewandelen deze weg in zekere zin via instituties als het Studium Generale. Maar de samenstellers van een Studium Generale figureren aan de rand van het wetenschappelijk bedrijf. Ze worden wetenschappelijk niet voor vol aangezien, zoals blijkt uit de salariëring die zelfs in het gunstigste geval niet boven het niveau van een universitair docent uitkomt. In principe zou een bureau Studium Generale een goede kweekvijver kunnen zijn voor Fresco's Bibebs. Maar mensen met die potentiële kwaliteiten vertrekken vaak voordat ze die kwalificatie zouden kunnen waarmaken. Dat gold in elk geval voor mij. Ik heb eenmaal een tv-serie gemaakt  in hoofdstuk vijftien krijgt die serie nog nader aandacht waarin ik de binnen het Studium Generale ontwikkelde deskundigheid kon benutten. Een nieuw onderwerp zou mij meer inhoudelijke voorbereidingstijd kosten. Daar staat wellicht tijdwinst tegenover vanwege de opgedane ervaring binnen de omroepwereld. De uitdaging is minder, zodat de bereidheid afneemt om opnieuw te werken voor een salaris dat in feitelijk beneden het minimumuurloon ligt. In elk geval scheppen de geldende tarieven voor freelance journalistiek geen klimaat waarin wetenschapsjournalisten van het kaliber Bibeb tot bloei kunnen komen. Voor andere vormen van wetenschapsjournalistiek geldt in feite hetzelfde.

6.7 listige leken

Het fundamenteel academisch onderzoek dat in eigen land wordt verricht, is nauwelijks van direct belang voor de Nederlandse samenleving. Het is indirect wel belangrijk, doordat in het kielzog van het onderzoek mensen worden opgeleid waar Nederlandse werkgevers behoefte aan hebben. Wie de directe uitwisseling groter wil maken, zal veranderingen moeten aanbrengen in de omgeving van het onderzoek, zoals meer faciliteiten voor popularisering van onderzoek.

De uitwisselingskubus zou ook groter kunnen worden als de beoordeling van wetenschappelijk onderzoek niet uitsluitend in handen zou liggen van de eigen vakbroeders. De huidige vorm van beoordeling via zogenoemde peer reviews ondervindt momenteel nogal wat kritiek, niet omdat het allemaal te intern is, maar omdat de beoordelaar een concurrent kan zijn die met de mooie ontdekkingen aan de haal kan gaan. Om het uitlekken tegen te gaan, worden soms merkwaardige middelen gebruikt. Een baanbrekend artikel over supergeleiders zou in de conceptteksten een verkeerde aanduiding voor de betrokken elementen hebben bevat. Kwaadwillenden konden zodoende de experimenten niet snel nadoen. Een artikel dat een Nobelprijs zou opleveren, werd gepubliceerd in een Duits tijdschrift.

Het systeem van peer reviews kan de uitwisseling van kennis belemmeren. Is het wel nodig om de beoordeling van onderzoek volledig in handen van vakgenoten te leggen? Kunnen mensen aan de rand van de academische wetenschap, zoals onderzoekers uit het bedrijfsleven, of onderzoekers uit andere vakgebieden niet betrokken worden bij de beoordeling. In de praktijk werkt de Stichting voor Toegepaste Wetenschappen (STW) met deze formule, naar het lijkt naar volle tevredenheid. Als op deze wijze mensen buiten het academische specialisme bij de beoordeling van onderzoek worden betrokken, kan dat ook tot vergroting van de uitwisselingskubus leiden. Via de externe beoordelaars sijpelt wellicht een deel van de onderliggende kennis naar de maatschappij en andersom.

Door a-mensen bij de beoordeling van b-projecten te betrekken -- en zeg niet dat dit niet mogelijk is als aanvulling op een beoordeling door vakspecialisten -- en omgekeerd, raken wetenschappers meer vertrouwd met elkaars culturen. Deze wijze van beoordeling vereist dat onderzoekers hun projectvoorstellen van jargon ontdoen of tot een minimum beperken. Ook dat kan de brug over de Snow-kloof versterken. Maar ook de brug tussen wetenschap en samenleving.