7 Geleerde Grootsprekers


de passages tussen [..] zijn literatuurverwijzingen.

In het vorige hoofdstuk is benadrukt dat voorlichting een belangrijk middel kan zijn bij de uitwisseling van kennis tussen wetenschap en samenleving. Tevens is aangestipt dat wetenschappers weinig moeite doen om hun werk voor leken begrijpelijk te maken. Een probleem daarbij was dat voorlichting niet binnen de bestaande beoordelingscriteria wordt beloond. Ondanks deze structurele beperkingen, zijn er toch voorbeelden van wetenschappers die proberen een groter publiek deelgenoot te maken van de eigen kennis. Dat geldt zeker voor de natuurkunde, zoals in de eerste twee hoofdstukken bleek.

Toch zijn veel fysici niet erg gelukkig met de publieke belangstelling voor hun vakgebied. Zij lopen niet bepaald warm voor het filosofische getinte Einstein-Bohr-debat en de daarop gerichte bestsellers van Zukav en Capra. Fysici zien de aandacht liever uitgaan naar concrete successen binnen hun vakgebied, zoals de ontdekking van nieuwe deeltjes en doorbraken op het gebied van supergeleiding. Het is evenwel de vraag of het lekenpubliek even warm loopt voor de meer instrumentele aspecten van de natuurkunde. Afgaande op de belangstelling voor bijvoorbeeld Studium Generale lezingen gaat de aandacht van geesteswetenschappers eerst en vooral uit naar de a-aspecten van de fysica, zoals bijvoorbeeld het Einstein-Bohr-debat en de theorievorming over het ontstaan van het heelal. Dat zijn interessante gebieden ook voor de borreltafel waar Einstein en Freud, quantumdualisme en psychoanalyse, enzovoort, elkaar kunnen beconcurreren.

Hoe krijgt de voorlichting naar het grote publiek vorm als het aan de natuurkundigen zelf ligt? Die vraag is van belang in het licht van het betoog uit het vorige hoofdstuk over meer toegankelijk taalgebruik ten einde de samenleving meer te laten profiteren van wetenschappelijk onderzoek. De vraag hoe wetenschappers zelf tegen voorlichting aankijken, is des te klemmender omdat wetenschappers publieksvoorlichting vaak zien als een middel om de publieke aandacht op het betrokken vakgebied te vestigen, ook in de veronderstelling dat daarmee eenvoudiger fondsen te werven zijn. Bovendien blijkt dat wetenschappers veel informatie over hun eigen vakgebied mede ontlenen aan populair wetenschappelijke artikelen. Zo wordt wetenschappelijk onderzoek dat de kranten haalt, relatief vaak geciteerd in wetenschappelijke artikelen.(12) Met andere woorden, populair wetenschappelijke artikelen vervullen een functie in de wetenschappelijke communicatie. Een conclusie die zich overigens niet beperkt tot de natuurkunde.

7.1 arrogante apartheid

In de eerste twee hoofdstukken verscheen de Amsterdamse fysicus Ad Lagendijk ten tonele die zich groen en geel ergerde aan de arrogantie van met name elementaire-deeltjesfysici die zich superieur wanen aan collega's uit andere vakgebieden. Deze onvrede verpakte Lagendijk in zijn inaugurele rede [G-L1], waarbij hij abstraheerde van uitlatingen van zijn directe collega's en zijn ergernis afvuurde op de bekendste onderzoekers naar de elementaire bouwstenen van de materie. Zo kritiseerde Lagendijk aan de hand van het volgende citaat Nobelprijswinnaar Seldon Glashow: "scheikunde van clusters, supergeleiding en moleculaire biologie.... Hoe werkelijk fundamenteel zijn deze eigenlijk? Zijn zij niet het resultaat van een complex samenspel van veel atomen, waarover Heisenberg en zijn vrienden ons lang geleden alles geleerd hebben wat we ervan hoeven te weten?" Deze uitspraak die door legio andere uitlatingen van elementaire-deeltjesfysici vervangen kan worden degradeert alle natuurkundigen die niet bezig zijn met elementaire deeltjes en kosmische processen tot tweederangs wetenschappers. Ongeveer 15% van de natuurkunde wordt superieur verklaard boven de overige 85%, om van de scheikunde en biologie nog maar te zwijgen.

In feite hanteert Glashow impliciet de volgende keten van disciplines: natuurkunde, scheikunde, biologie, psychologie, sociologie. Het feit dat veel scheikundige verschijnselen pas verklaard konden worden nadat inzicht was verkregen in de natuurkundige eigenschappen van atomen, ondersteunt de stelling dat de natuurkunde fundamenteler is dan de scheikunde. Dat wil echter niet zeggen dat de scheikunde minderwaardig is aan de natuurkunde, laat staan dat ze overbodig is. Dat zou hoogstens zo zijn als we uit de natuurkunde meteen de scheikundige wetten zouden kunnen afleiden, en dat is veelal praktisch onmogelijk. Ondanks het meesterwerk van Heisenberg hebben we nog steeds geen goede natuurkundige theorie voor supergeleiding. Het zoeken naar 'afgeleide' theorieën kan zelfs een nieuw licht werpen op de 'fundamentelere' basistheorieën. Lagendijk constateerde in zijn oratie niet zonder leedvermaak dat het door elementaire-deeltjesfysici zo naarstig gezochte Higgs-deeltje voorspeld is op basis van een (inferieure) supergeleidingstheorie.

Lagendijk lijkt gelijk te hebben met zijn nuancering van de betekenis van de elementaire-deeltjesfysica. Gelet op de mogelijke betekenis van deze tak van de natuurkunde voor de mensheid, wordt die relativering alleen maar sterker. Technologieën op basis van supergeleiding zijn vanuit economisch perspectief waardevol, terwijl het op zijn minst twijfelachtig is of de ontdekking van het Higgs-deeltje economische voordelen zal bieden. En als dat zo is, zal men voor het ontrafelen van de eigenschappen toch eerst gebruik maken van de technologie die in super(geleidende)versnellers wordt gebruikt.

Maar toch, onderzoek naar de kleinste bouwstenen van de materie en naar de verste diepten van het heelal blijft de mens, en dus ook de wetenschapsjournalist, intrigeren. Het lijkt nu eenmaal de natuur van de (westerse) mens te zijn om te zoeken naar de oorsprong van het bestaan. Wat is dan interessanter dan het prilste begin? Natuurlijk, supergeleiding is leuk, maar niet om wekelijks over te rapporteren. Het wordt zo snel technisch, iets om te verstoppen in het Technisch Weekblad en niet breed uit te meten in de wetenschapsbijlage van de Volkskrant of NRC Handelsblad.

7.2 perverse pretenties

Het onderzoek naar de elementaire bouwstenen van de materie en het onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van het heelal zijn in zekere zin twee uitersten van de fysica die elkaar ontmoeten. Tijdens het aller prilste begin zouden de omstandigheden in het heelal met de allergrootste versnellers zijn na te bootsen. Hoe dichter we tijdstip nul willen naderen  dus hoe verder we in de tijd terugkijken  hoe groter de energiedichtheid is. Uit het onderzoek kwam steeds een gelijkmatige verdeling van het prille heelal naar voren, terwijl die gelijkmatigheid in het huidige heelal ver te zoeken is. Hoe is het zo ver gekomen dat het heelal bestaat uit veel lege ruimte met her en der een sterrenstelsel waarvan de materie is geconcentreerd in sterren met lege ruimte daartussen? In 1992 lieten opnamen van de Cosmic Background Explorer (COBE) voor het eerst fluctuaties zien binnen het prille heelal, en het was dan ook geen wonder dat journalisten er als de kippen bij waren om de beelden onder het grote publiek te verspreiden.

Een babyfoto van het heelal.

Oerknalfoto toonde niet God maar een testbeeld.

Dit zijn twee krantekoppen uit de Volkskrant met een tijdsverschil van drie maanden; 16 mei en 15 augustus 1992. Het eerste artikel van de hand van Govert Schilling wordt gesierd met een kleurenfoto waarin blauwe en roze vlekken over een ellipsvormig vlak zijn verdeeld. De ellips moest het totale heelal voorstellen, vlak na de big bang en de roze en blauwe vlekken zouden temperatuurverschillen tonen. Dezelfde foto prijkte ook de voorkant van de Scientific American van juli 1992, met als kop "more proof for the big bang". In het World Science Report 1993 prijkte de foto ook, daarmee illustrerend dat de achterliggende ontdekking tot de grote wetenschappelijke doorbraken uit de voorbije periode behoort.

In het tweede artikel maakte Martijn van Calmthout korte metten met de babyfoto, zoals uit de aanhef al blijkt: "De prent die de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA eind april verspreidde als bewijs van de oerknaltheorie, bood geen blik op de schepping. De zogenaamde baby-foto van het heelal was slechts een lokkertje, een propagandatruc bij een serieuze wetenschappelijke ontdekking". Mijn indruk is dat Van Calmthout iets te ver doorslaat in zijn conclusie enige fluctuaties lijken wel bespeurd te zijn maar hij is waarschijnlijk niet meer uit balans dan de wetenschappers die het onderzoek mooier voorspiegelden dan verantwoord was.(13) Overtreden deze onderzoekers in feite niet een van de meest wezenlijke gedragsregels binnen de wetenschap? Je mag over verklaringen, theorieën en dergelijke speculeren wat mij betreft hoe meer hoe beter maar metingen mag je niet anders weergeven. Dat is erger dan plagiaat, het is fraude. Niet meer, maar vooral ook niet minder.

Waarom vallen wetenschappers van hun geloof af als ze hun onderzoek moeten presenteren? Want de baby-foto van het heelal is geen geval op zich. Zij vormt eerder een illustratie van de overtrokken verwachtingen die men veelal heeft van de mogelijkheden van het eigen vakgebied. Neem bijvoorbeeld de eerder aangehaalde uitdrukking theory of everything waar elementaire-deeltjesfysici van spreken als ze feitelijk bedoelen dat ze proberen verschillende krachten onder één noemer te brengen. Dat soort unificaties is van groot belang en kan ongekende aanknopingspunten bieden voor nieuwe ontdekkingen, zoals eerder gebeurde na de samenvoeging van elektriciteit en magnetisme in het elektromagnetisme. Dat impliceert echter nog geen allesomvattend theoretisch bouwwerk; het is hoogstens allesomvattend voor het kleine gebied waar de betrokken onderzoekers hun brood verdienen. Maar het klinkt allemaal erg imposant, en als Amerikaans politicus wil je toch niet op je geweten hebben dat de ultieme steen der wijzen buiten de eigen landsgrenzen gevonden zou worden. Dus het mag wel een paar miljard dollar kosten, zoals Kennedy eerder een veelvoud van dat bedrag vrijmaakte om er voor te zorgen dat de eerste mens op de Maan een Amerikaan zou zijn.

Als boekenkasten vol worden gescheven over de aanstaande herschrijving van het scheppingsverhaal, als halve wetenschapsbijlagen van dagbladen spreken over de ontdekking van de heilige graal, wat moet je dan als eenvoudig politicus als bouwplannen worden ingediend voor een supercollider die het Europese CERN naar de kroon moet steken? Ook die naam al. Op zich klopt de term wetenschappelijk omdat de botsende deeltjes door een supergeleidende magneet worden opgezweept, maar de suggestie die er uit spreekt... Leon Lederman, een van de belangrijkste initiatiefnemers, geeft ook toe de naam bewust zo gekozen te hebben, want voor een bosonbotser krijg je de miljarden niet op tafel.(14) En misschien moesten de fysici ook wel met superlatieven komen om de benodigde kredieten te verkrijgen.

Hoge bomen vangen veel wind. Dat leken de collecterende versnellerfanaten onvoldoende te beseffen. Een hoger budget voor een superversneller leidt namelijk tot lagere fondsen voor andere vakgebieden want het geld moet uit de lengte of uit de breedte komen, zoals fysici weten die bekend moeten zijn met de wet van de communicerende vaten. Iedereen had op de klompen kunnen (en moeten) aanvoelen dat het miljarden verslindende speelgoed minder applaus zou oogsten in vakgebieden die hun fondsen gedeeltelijk zouden zien verdwijnen in de ondergrondse gewelven van de Texaanse bodem. Hoe het ook zij, er kwam als het ware een tegenbeweging op gang wat is het toch schitterend, die dynamische, niet-lineaire ontwikkeling van het wetenschapsproces en gaandeweg groeide in het Amerikaanse congres de weerstand tegen de superversneller. Wie hoog is geklommen, kan diep vallen. En vallen deden de pleitbezorgers van de superversneller.

Schande, verspilling van talent, de VS raken achterop. Met dat soort geluiden probeerden deeltjesfysici het tij te keren toen afstel als een zwaard van Damocles boven de versneller ging hangen. Inmiddels is het draadje gebroken en de hoop op een versneller aan gruzelementen geslagen.(15) Gezien de reeds gedane investeringen en het daaraan besteedde menselijk talent is inderdaad sprake van schandelijke verspilling. Echter, wie zijn de schuldigen, het Amerikaanse congres of de initiatiefnemers? Je kunt vragen zetten bij de wispelturigheid van het congres en bij het systeem dat politici over afzonderlijke investeringen beslissen en de mogelijkheid om die beslissingen bij elke begrotingsbehandeling te herzien. Maar grotere vraagtekens zijn te plaatsen bij het mechanisme waarbij wetenschappers misbruik maken van het gebrek aan kennis bij leken en hun een toekomstperspectief schetsen waartegen alleen de grootste dwazen nee kunnen zeggen.

Een aantal van de betrokken fysici zal alles nog wel graag een keer willen overdoen en dan een andere strategie kiezen. Achteraf gezien hadden zij wellicht beter van meet af aan kunnen mikken op samenwerking met CERN, waar voor een fractie van het Amerikaanse budget een nieuwe versneller op stapel staat die over het geheel genomen niet eens minder hoeft te presteren. Het energiebereik ligt lager, maar daar staan andere voordelen tegenover. Nu moeten de Amerikaanse fysici ook voor die bijdrage knokken, om maar niet te spreken van de fysici die projecten wegbezuinigd zagen om de voor de versneller gereserveerde budgetten bij elkaar te kunnen schrapen.

7.3 lugubere leugens

Bij de supercollider kun je nog met enige leedvermaak toekijken. Hoogmoed komt voor de val. Boontje komt om zijn loontje. Eigen schuld, dikke bult. Wat hebben we toch een schat aan spreekwoorden voor dit soort omstandigheden. Zijn wij als nuchtere Nederlanders minder geneigd tot dit overmoedig taalgebruik omdat we gewoon doen al gek genoeg vinden? Afgaande op de bescheidenheid van Nederlandse topfysici als Gerard 't Hooft en Simon van der Meer zou je dat haast vermoeden. Maar goed, als buitenstaander kun je de schouders ophalen over de domme fysici die een kuil groeven waar ze zelf in vielen.

Maar is die onverschilligheid ook van toepassing op de babyfoto van het heelal? Afgaande op de artikelen in de Volkskrant ging dat bericht gepaard met koppen als KIJKEN NAAR GOD. Die titel was overigens ontleend aan een uitlating van teamleider George Smoot, die zei: "Als u religieus bent, kunt u het vergelijken met kijken naar God". Het is ongetwijfeld een uitlating die er uitglipte in de spanning van de persconferentie en die wellicht niet precies zo bedoeld zal zijn, maar het geeft anderzijds wel de teneur weer die uit verschillende boeken spreekt. Maar wie religieus is, zal de foto helemaal niet vergelijken met God. Zeker Amerikanen zullen dat in grote meerderheid niet doen aangezien ongeveer de helft van hen gelooft dat het heelal minder dan tienduizend jaar geleden in één keer is geschapen [D-D8].(16) Als blijkt dat de foto nep is, of zelfs maar de schijn daarvan heeft, zal dat fundamentalistische christenen bevestigen in hun gelijk. Het zou mij niet verbazen als de foto en de bijbehorende rectificatie worden gebruikt in de lobby tegen het wetenschappelijk wereldbeeld; zie je wel, al die zogenaamde wetenschappelijke verhalen berusten op drijfzand. Ze kunnen niet eens hun testbeeld van de andere waarnemingen onderscheiden. Er is niet veel creativiteit voor nodig om een pamflet met dergelijke zinnen vol te schrijven.

Dat het niet alleen fysici zijn die media om de tuin leiden door het (eigen) onderzoek te rooskleurig voor te spiegelen, kan worden afgeleid uit een onderzoek dat onder leiding van Jaap Willems is uitgevoerd onder Nederlandse biologen, zowel uit de sfeer van de voorlichting als de wetenschap [B-W2]. Over de groep wetenschappers wordt onder andere het volgende geconcludeerd: "Ongeveer tweederde van de geraadpleegde onderzoekers is van mening dat een bioloog zijn of haar onderzoeksresultaten inderdaad mooier mag voorstellen als het om PR-activiteiten gaat". Er bestaat dus een voedingsbodem voor een 'leugentje om bestwil'.(17) Voor zover dat leugentje betrekking heeft op onderzoek dat ver afstaat van de dagelijkse werkelijkheid, blijft de schade beperkt tot de wetenschap zelf, zoals in het geval van de Amerikaanse deeltjesfysici. Het wordt echter anders als het betrokken onderzoek met eigen lijf en ledenen te maken heeft. Daar geldt niet alleen dat weten kan baten, maar ook kan schaden. In plaats van meteen in de pen te klimmen voor een persbericht over de nieuwste ontdekking zouden wetenschappers de spreuk aan de muur kunnen hangen dat spreken zilver is, maar zwijgen goud.

Wat moet een onderzoeker die constateert dat wiegedood vaker voorkomt bij een buikligging? Daar de conclusie aan verbinden dat baby's vooral op de rug gelegd moeten worden en dat aan de grote klok hangen? Voordat dit onderzoek wereldkundig werd, was de omgekeerde houding favoriet omdat de kans kleiner zou zijn dat pasgeborenen in hun speeksel zouden stikken. Alles wat ons lijf en onze gezondheid aangaat, willen we graag weten, dus leggen jonge moeders hun kroost nu op de rug. Welke houding is het beste om zowel verstikking als wiegedood tegen te gaan en al die andere gevaren die nieuwe wereldburgers bedreigen? Zolang geen (holistisch?) antwoord op deze en dergelijke twee(en-wellicht-nog-meer)ledige vragen gegeven kan worden, hebben (reductionistische) deelstudies weinig nut, althans voor het grote publiek. Hoewel, het is soms wel vermakelijk om te zien dat kort na elkaar wordt gemeld dat iets goed en slecht is. Mijn geheugen vertelt mij dat een krant meldde dat wetenschappelijk was aangetoond dat koffie slecht is voor de gezondheid terwijl de volgende dag het tegendeel werd beweerd. Het kan ook in de omgekeerde volgorde geweest zijn, maar van belang is dat het tweede bericht geen rectificatie was van de eerste en ook geen ingezonden reactie van iemand met andere inzichten. Nee, het waren twee onafhankelijke studies die toevallig op hetzelfde moment waren afgerond.

Op de rand van het toelaatbare zijn volgens mij pretenties van onderzoekers die een ontdekking hebben gedaan en daarbij een doorbraak pretenderen bij de behandeling van bepaalde patiënten. Als daarbij sprake is van een doorbraak bij levensbedreigende ziektes of ondraaglijke pijnen, wordt de grens van het toelaatbare overschreden. Als het inderdaad zeker zou zijn dat de ontdekking een doorbraak betekent, zou dat te verdedigen zijn. Je geeft de mensen in dat geval hoop die een hernieuwing aan de zin van hun leven kan geven. Echter, hoe vaak wordt een mogelijke doorbraak aangekondigd en hoe vaak wordt daarbij uiteindelijk de beoogde doorbraak ook echt bereikt? Dat is uiteraard geen 100%, maar wie durft zijn hebben en houden er onder te verwedden dat binnen het eigen vakgebied de score boven de 10% ligt, of zelfs boven 1%? Die ene procent lijkt in grote lijnen te gelden voor de farmaceutische sector. Van de geneesmiddelen die op laboratoriumschaal worden ontwikkeld, biedt ongeveer 10% zodanige perspectieven dat ze de fase van opschaling ingaan, zeg maar een test met hoeveelheden op een schaal tussen de kleinschalige laboratoria en de grootschalige produktie. Ondanks de voorselectie doorstaat maar 10% deze fase en komt in aanmerking voor de produktie. Van de oorspronkelijke doorbraken blijft dus 1% over. En van die fractie blijkt maar een klein deel een commercieel succes te worden. Vaak wordt de redenering omgekeerd door te kijken hoe weinig er van de uiteindelijke uitvinding overblijft. Zeer illustratief is de manier waarop Latour de bijdrage van Diesel beschrijft aan de hand van de ontwikkeling van de naar hem genoemde motor [A-L1, p. 137]. Het oorspronkelijke model werd meermalen herzien en pas vlak voordat Diesel zelfmoord pleegde, zorgden anderen voor een werkende motor. Waren die motoren nog wel Diesels, vraagt Latour zich af. Die vraag kan voor vele uitvindingen worden gesteld, maar dat heeft weinig van doen met feitenbouwerij van uitvinders en ontwikkelaars. In de wereld van de toepassingen is er geen eenduidig model; er zijn vaak meerdere goed werkende mogelijkheden. Wat uiteindelijk het dominant design wordt, hangt niet alleen af van de techniek, maar ook van de markt, zoals blijkt uit de grote verscheidenheid van stekkers en stopcontacten.

De gedachte dat de eigen uitvinding tot de afvallende 99% behoort, lijken onderzoekers te verdringen. Dat verdringen zou ik afgezien uiteraard van de eerder gewraakte neiging tot overdrijven niet willen kenschetsen als een moedwillige verdraaiing van de werkelijkheid. Nee, onderzoekers zullen veelal geloven dat de veronderstelde doorbraak inderdaad aanstaande is, zoals de profeten van de allesomvattende theorie in de fysica er van overtuigd zijn dat zij inderdaad met de meest fundamentele vraagstukken bezig zijn. Zonder dat geloof zouden Hawking c.s. nooit in die bewoordingen over hun theorie spreken.

7.4 geamputeerde geschiedenis

Populariseren moet, maar het kan niet. Is dat de conclusie uit het voorgaande? Nee. Populariseren kan, maar het moet niet. Of beter, het moet niet eendimensionaal gebeuren in de zin dat het perspectief van de beschouwde ontdekking rechtlijnig wordt doorgetrokken waarbij toch eerst en vooral het meest gunstige perspectief wordt geschetst.

De wetenschapsgeschiedenis legt van nature meer nadruk op successen dan op mislukkingen. We kennen Galileï omdat hij achteraf gezien gelijk bleek te hebben, maar hoeveel tijdgenoten hadden gezien de toenmalige kennis evenveel recht van spreken maar zijn nu tot de vergetelheid gedoemd? Omdat we de afloop kennen, kunnen we ons bijna niet voorstellen dat zijn tijdgenoten hem afvielen. Dat beeld is op schitterende wijze vertolkt door Bertolt Brecht in Das Leben Galileis. Brecht laat Galileï de omstanders verzoeken tot een kijkje door de telescoop, maar de uitnodiging wordt afgeslagen omdat het door Galileï waargenomene niet juist zou kunnen zijn. In Intermediair heb ik dat beeld ooit met instemming voor het voetlicht gebracht [D-S5], maar enkele filosofen maakten mij later duidelijk dat deze beschrijving niet klopt. Ten eerste zou door de telescoop weinig te zien zijn geweest voor die omstanders en ten tweede wierp de verklaring van Galileï meer vragen op dan ze antwoorden gaf. Een vergelijkbaar beeld ontspruit uit de bijdrage van Einstein aan de quantumtheorie; zijn veronderstelling dat licht uit deeltjes bestaat was inderdaad een verklaring voor het onbegrepen foto-elektrisch effect, maar daarvoor in de plaats kwamen veel nieuwe vragen die om antwoord vroegen.

Het is voor een gemiddelde wetenschapper uiteraard onmogelijk om kennis te nemen van het volledige worstelproces dat aan de huidige stand van de wetenschappelijke kennis voorafging. Wat betreft de natuurkunde zijn boeken vol geschreven over Galileï, Newton enzovoort, en werk over meer eigentijdse wetenschappers als Einstein en Bohr kan ook reeds een respectabel beslag leggen op de schaarse ruimte in de boekenkast. Galileï en Einstein symboliseren de succesverhalen, maar zijn ze niet te beschouwen als uitzonderingen die de regel bevestigen dat wetenschappers met hun vermeende ontdekkingen de plank misslaan?

7.5 magnifieke mislukkingen

Waar vinden we de 99% die is mislukt? Dat is lastig, maar een glimp valt op te vangen door de aandacht te richten op zegeningen van wetenschap en technologie die tot de produktiefase zijn doorgedrongen; dus op het gedeelte van de succesvolle 1% dat toch niet opleverde wat men er van verwachtte. Zo werd een tijd geleden gedacht dat de beeldtelefoon snel zou doorbreken en dat de fax geen kans zou maken. Wie verzendt er nu een bericht dat veel duurder is dan de brief en bovendien van veel slechtere kwaliteit is? Waar snelheid van belang was, beschikte men al over de telex. Je kunt de vraag stellen waarom de fax is gelukt, en zo stellen we de vragen meestal. Maar je kunt de vraagstelling ook omdraaien; waarom is de beeldtelefoon mislukt, althans tot dit moment? En zo kun je meer technische mislukkingen in beschouwing nemen. Waarom heeft het technologisch beter geachte V2000 videosysteem het afgelegd tegenover het VHS-systeem? Is dat vanwege de weigering van Philips om mee te werken aan pornografie of ligt de oorzaak dieper, bij de hautaine houding van technici die beter weten dan wie ook wat goed is voor de klant? Die houding lijkt in elk geval de ingenieurs van Apple parten te spelen die hun binnenpret niet konden onderdrukken als de makers van Windows weer met iets nieuws op de markt kwamen dat zij al jaren geleden aan het publiek presenteerden. Inmiddels het is medio 1996 lijkt Apple op de rand van de afgrond te balanceren met Microsoft als (voorlopige) winnaar.

Bovenstaande voorbeelden zijn met legio andere uit te breiden. Volgens ING-topman Von Dewall flopt bij kleinere bedrijven 83% van de innovatieve ideeën omdat bedenkers en uitvoerders te veel oog hebben voor de technologische kanten en bijvoorbeeld vergeten te bedenken of er wel een voldoende grote markt voor bestaat [D-E1]. Dergelijke getallen zeggen iets, zeker als we bedenken dat ze betrekking hebben op een ontwikkelingsfase die al zeer dicht tegen de produktie aan ligt.

Wie een beeld wil krijgen van ontdekkingen die alleen door technische factoren zijn mislukt, kan te rade gaan bij twee ingenieurs uit Delft [A-V1]. Zij beschrijven enkele situaties die deden vermoeden dat het ei van Columbus binnen handbereik was en waarbij onverwachte problemen roet in het eten gooiden.

Het meest opmerkelijk vind ik de gigantische vliegdekschepen van ijs die in de Tweede Wereldoorlog de strijd tegen de Duitse nazi's moesten helpen beslechten. Schepen hebben als belangrijk nadeel dat ze zinken als ze door een bom worden getroffen. Weg schip, weg bemanning. Schepen van ijs zinken echter niet, zodat de vijandelijke bommen alleen slachtoffers maken onder de mensen in de nabijheid van de voltreffer. Van gewoon ijs maak je geen schip, maar met de door de Engelse legeradviseur Pyke uitgevonden combinatie van houtvezels en water zou dat wel lukken. Het naar hem genoemde pykrete was in bevroren toestand harder dan beton en lichter dan ijs. En snel te repareren; water over de bommenkrater en dicht is het gat. In Britse legerkringen heerste enthousiasme over de drijvende ijsfabrieken die als vliegdekschepen de overwinning in de oorlog zouden kunnen versnellen. Helaas, het materiaal werkte goed bij een admiraal in het bad, maar voor een grootschalige toepassing dreigde het gevaarte onder het eigen gewicht te bezwijken. Met andere materialen werd dat probleem verholpen, maar toen bleken er niet voldoende havens te zijn die groot en koud genoeg zijn om het gevaarte te kunnen bouwen. Naast deze technische problemen lijken hier overigens ook andere factoren een rol gespeeld te hebben. De Delftse auteurs melden dat de Amerikanen van meet af aan minder enthousiast waren dan de Britten. In de VS stond een ander mega-project in de stijgers en dat project zou wel de geschiedenisboeken ingaan, zoals inwoners van Hiroshima en Nagasaki hebben ondervonden.

7.6 betrouwbare bescheidenheid

Uit de voorgaande paragrafen dringt het beeld zich op dat veel natuurwetenschappers rechtlijnig denken van ontdekking naar mogelijke toepassingen. Met dit eendimensionale beeld van de wetenschapsontwikkeling sluiten ze zich af van de grillige werkelijkheid en formuleren daarbij onhoudbare pretenties. Bij een meer afgewogen beschouwing  die rekening houdt met dimensies buiten de eigen specialisatie  klimt men wellicht minder hoog of minder snel, maar de kans op een harde en diepe val is ook veel geringer.

Indien wetenschappers voortdurend moeten beseffen dat hun onderzoek tot de 99% behoort dat op de mestvaal van de geschiedenis verdwijnt, bestaat de kans dat hun motivatie wegebt. Zonder optimisme komen we niet ver in de wetenschap. Als het publiek om tekst en uitleg vraagt, mag de onderzoeker wat mij betreft best de wens tot de vader van zijn gedachten maken. Maar hij behoort wel de vraag te stellen of hij zelf wel gelooft in de rooskleurige toekomst die journalisten de lezers zo graag willen voorspiegelen. Dat eerlijk het langste duurt, is niet altijd even gemakkelijk te accepteren. De neiging om dat te vergeten, speelt overigens niet alleen een rol in de publieksvoorlichting. Wie onderzoeksvoorstellen leest die geschreven worden voor instellingen die onderzoek subsidiëren, krijgt de indruk dat half wetenschappelijk Nederland -- en mijn indruk is dat het in het buitenland niet veel anders is -- op de drempel staat een Nobelprijs in de wacht te slepen. Wat je allemaal niet te weten kunt komen voor een paar centen. Als je vervolgens het onderzoeksverslag leest, blijkt het antwoord toch niet tot de gehoopte vervoering te leiden. Misschien wordt het tijd dat opdrachtgevers echte contracten met universiteiten afsluiten. Wie een ondeugdelijk produkt levert, kan daar in het normale economische verkeer voor aansprakelijk worden gesteld. Waarom zou een opdrachtgever geen inspanning kunnen vragen die ten minste in de buurt komt van hetgeen in het contract is voorgespiegeld?

Een behoorlijke dosis optimisme is in de wetenschap op zijn plaats, maar dat de eigen mogelijkheden niet tot de hemel reiken, mag dat optimisme best enigszins temperen. Want de keerzijde van het onbegrensde optimisme is de frustratie over de domme buitenwereld die geen geld over heeft voor de verdere ontwikkeling van al die briljante ontdekkingen. Door lering te trekken van briljante technologischemislukkingen uit het verleden, wordt duidelijk dat niet rechtlijnig vanuit een mogelijke benutting van de ontdekkingen en uitvindingen de hemel op aarde geproclameerd kan worden.

Vanuit het besef dat mislukkingen schering en inslag zijn, en dat zonder mislukking bijna geen vooruitgang mogelijk is, zou meer clementie betracht kunnen worden voor mensen die het ogenschijnlijk bij het verkeerde eind hebben. Slimme onzin kan zeer waardevol zijn. Dat lijkt misschien in tegenspraak met het voorgaande pleidooi voor eerlijkheid. Maar het bewandelen van een ogenschijnlijk onbegaanbare weg is geen misleiding. Van de betrokken andersdenkende zou ik wel graag zien dat hij tegenover het grote publiek duidelijk maakt dat hij tot de roepende minderheid behoort. Zoals Gerard 't Hooft dat bijvoorbeeld doet als hij het door Einstein geschetste ideaal van een volledig kenbare wereld najaagt. Dan zijn 'dwalingen' pure winst, en dat geldt natuurlijk helemaal als de betreden zijweg achteraf de hoofdweg blijkt te zijn.

P>Noten

12. Ten tijde van een arbeidsconflict werd de New York Times door de redactie op de gebruikelijke wijze samengesteld maar niet gedrukt. Dit betekende bijvoorbeeld dat kranteartikelen over wetenschappelijk onderzoek de lezers niet bereikten. Onderzoek dat de aandacht van journalisten trok, bleek in de wetenschappelijke literatuur niet vaker geciteerd te worden dan onderzoek dat aan hun aandacht was ontsnapt. Maar bespreking in de gedrukte edities leidt wel tot meer citaties in de wetenschappelijke literatuur. Het enkele feit van een journalistieke beschouwing heeft dus een positief effect op de citation-index.

13. Naar het zich thans laat aanzien lijkt er sprake te zijn van fluctuaties die verband kunnen houden met massaverdeling tijdens het prille heelal. Die conclusie trok de Leidse sterrenkundige Katgert, maar toen waren de COBE-gegeven al vier jaar oud. De aard van de donkere en zichtbare materie zou tot op grote hoogte aan de hand van de COBE-gegevens vastgesteld zal kunnen worden. Hoe, dat zou nog niet goed duidelijk zijn; daarvoor zouden volgens Katgert nog veel analyses nodig zijn. Bron: De gloed van de oerknal, D-K2].

14. Deze schets gaf Lederman in de outline voor The God Particle:"Who would spend $ 4.4 billion on the 'Boson Buster?'. Even though that's what it is." In het uiteindelijke boek, Het goddelijk deeltje, heb ik deze opmerking niet teruggevonden, maar de verslaggeving van zijn eigen betrokkenheid bij de voorbereiding van de superbotser roept dezelfde sfeer op. Illustratief is de vervaardiging van de video om president Reagan een positieve beslissing te ontlokken. [A-L2, p. 325].

15. In 1996 lijken Amerikaanse natuurwetenschappers een nieuw richtsnoer gevonden te hebben; het bericht dat een van Mars afkomstige meteoriet sporen van eencellig leven bevat, lijkt een basis te bieden voor extra financiële ondersteuning.

16. Drees verwijst naar een Gallup-onderzoek uit november 1991. Van de ondervraagden geloofde 47% in het scheppingsverhaal naar de letter van de bijbel, 40% had een religieus wereldbeeld dat ruimte bood voor de evolutieleer en slechts 9% geloofde in een evolutieproces zonder goddelijke regie

17. Vergelijk ook paragraaf 3.9 over de fantasierijke feitenbouwers. In columns presenteren wetenschappers ongecontroleerde feiten op een wijze die ze binnen het eigen vakgebied niet van de eigen studenten zouden tolereren.