8 Wetenschappelijke Wonderen


de passages tussen [..] zijn literatuurverwijzingen.

In het vorige hoofdstuk is beschreven hoe wetenschappers hun vakgebied voor het voetlicht brengen. In dit hoofdstuk richt ik mij op een zeer specifieke vorm van voorlichting over wetenschap en technologie; de musea, doe-centra, of hoe ze ook heten mogen, op het gebied van wetenschap en techniek. In deze centra werken weliswaar geen onderzoekers, maar de tentoonstellingsbouwers zijn vaak wel academisch geschoold. Bovendien werken teams van wetenschappers vaak mee aan de inrichting van deze exposities, zoals kunsthistorici dat doen bij tentoonstellingen op het gebied van de beeldende kunst. Dit betekent dat de manier waarop de wetenschaps- en techniekcentra het publiek voorlichten tevens een beeld geeft van de manier waarop wetenschappers hun eigen onderzoek in een breder perspectief plaatsen.

In het voorgaande hoofdstuk lag de nadruk op de overtrokken perspectieven die men (te) vaak verbindt aan nieuwe ontdekkingen in het eigen vakgebied. Behalve dit 'optimisme' viel ook op dat bij de popularisering veel nadruk wordt gelegd op de ontwikkelde kennis; de nadruk ligt op de resultaten van het zoekproces en niet op het zoekproces zelf. Dit was het beeld dat omstaat als we kijken vanuit het perspectief van de polariserende wetenschapper, dus vanuit de zender. In dit hoofdstuk wil ik de publieksvoorlichting beschouwen vanuit de ontvanger. Daarbij zal ik vooral kijken naar de manier waarop het grote publiek de voorlichting verwerkt in de grote Europese publiekscentra voor wetenschap en techniek.

8.1 vervelende voltooiing

In het tweede hoofdstuk trad de op handen zijnde theory of everything voor het voetlicht. Deze voltooiing van het wetenschappelijk bouwwerk wordt algemeen als een grote uitdaging beschreven. Het paradoxale is dat realisering van dit doel de doodsteek voor de natuurkunde zou betekenen. Want zodra we weten hoe de vork in de steel zit, is er geen plaats meer voor wetenschappelijke verwondering, en daarmee haal je de krenten uit de pap van de creatieve wetenschapper. We hoeven echter niet bang te zijn dat de apocalyptische profetie uitkomt, want het betreft geen theorieën van alles maar van (bijna) niets. Als deze allesomvattende theorie gevonden zou worden, betekent dit dus hoogstens dat de kleine minderheid van hoge-energiefysici naar ander werk zou moeten omzien.

Hoe funest de voltooiing van een wetenschappelijk bouwwerk kan zijn voor de aantrekkingskracht van nieuw talent, blijkt uit de situatie aan het eind van de vorige eeuw. Toen werd nog veel algemener gesproken over de voltooide wetenschap is het toeval dat deze geluiden sterker worden in een fin de siècle? zoals wordt getypeerd door een uitspraak van sir William Thomson, beter bekend als Lord Kelvin. Kelvin sprak van twee wolken die het volledige zicht op de natuurkundige hemel nog bedekten [D-K3]. Die wolken bleken met de bestaande theorieën niet oplosbaar en zouden uitgroeien tot de relativiteitstheorie en de quantummechanica. Max Planck, die als eerste de weg naar de quantummechanica wees, werd in zijn jonge jaren afgeraden om natuurkunde te studeren omdat binnen die wetenschap geen eer meer te behalen zou zijn. En laten we eerlijk zijn, wat is dat voor een wetenschap waar de toekomst gezocht moet worden in het zesde cijfer achter de komma? Die omschrijving werd door Michelson uitgesproken tijdens een lezing in 1894.(18) Diezelfde Michelson was overigens met Morley verantwoordelijk voor de wolk van Kelvin die zou uitgroeien tot de relativiteitstheorie.

wetenschap lijkt net sport. KNVB-voorzitter Staatsen merkte tijdens de onderhandelingen over het Nederlandse Sportnet op dat van voetbalwedstrijden alleen de uitslag en de doelpunten nieuws zijn; de rest is show(business). Voetballiefhebbers willen de show; de uitslag alleen interesseert hen niet, of maar even. Zodra de uitslag bekend is, verliest de show een groot gedeelte van de attractiewaarde. Dat geldt ook voor veel wetenschap. Wie vindt valproeven met grote en kleine, zware en lichte voorwerpen nog interessant nu we weten dat afgezien van de luchtweerstand alles evensnel naar de aardbodem valt? Wie nog belangstelling voor deze thematiek kan opbrengen, zal zich ongetwijfeld richten op gedachtenkronkels van wetenschappers in tijden toen nog rekening werd gehouden met totaal andere uitkomsten. Dat betekent niet dat het publiek live over de schouder van wetenschappers moet meekijken, maar wel dat er ruimte moet blijven voor fascinatie voor het onbekende. Of beter, voor het onbekende voor de toeschouwer, zoals voetballiefhebbers kunnen genieten van een videoband met een wedstrijd waarvan zij de uitslag niet weten.

Om na te gaan hoe het publiek reageert op voorgeschotelde wetenschapsvoorlichting, bieden de musea voor wetenschap en technologie uitkomst. Dit zijn vaak geen musea in de gebruikelijk zin van het woord; in het Engels worden ze vaak Science Centres genoemd. Door het aanwezige publiek te observeren, ontstaat een beeld over de verwerking van de voorgeschotelde informatie.

Binnen Europa heb ik de meeste grote musea bezocht en daaruit ontstaat niet alleen een beeld over de verwerking van wetenschap door het publiek, maar ook van de plaats van wetenschap en technologie binnen de verschillende landen.

8.2 parijse pracht

De helft van de Franse wetenschap en technologie wordt uitgevoerd in de Parijse regio en voor wetenschapsmusea moet je daar ook zijn. Vanouds speelt het Palais de la découverte een rol, maar Mitterand heeft met zijn grands traveaux ook het licht gegund aan een nieuw wetenschapsmuseum dat dit ontdekkingspaleis naar de kroon steekt: la cité des Sciences et de l'Industrie, door de directie afgekort tot la cité.

verwonderlijke vormgeving

La cité heet in de volksmond la Villette, naar de gelijknamige wijk aan de rand van de noordelijke ringweg. De naam la Villette is eigenlijk de aanduiding voor het totale complex dat ook concertzalen en andere uitgaansgelegenheden omvat. Het totaal is een cadeautje dat Mitterand de Fransen uit eigen zak heeft laten betalen. Het totale oppervlak van la Villette is ruim 140.000 mē. Ruim de helft daarvan wordt in beslag genomen door la cité, dat daarmee in omvang vergelijkbaar is met het Centre Pompidou.

Parijse musea willen ook van de buitenkant gezien worden, en la cité vormt daarop geen uitzondering. Fonteinen spuiten het water zo hoog op, dat de zon in de stofregen een regenboog tovert, een verschijnsel dat in het museum van alle geheimzinnigheid wordt ontdaan. Nog fraaier is de fontein die de middelpuntvliedende kracht toont. Zelfs het nabij gelegen peuterbad is onder architectuur gebouwd, het is dan ook een jardin de l'eau.

Ook in het museum is de vormgeving vaak voortreffelijk, zoals in de ruimte over de geschiedenis van de natuurwetenschappen. Op het eerste oog is het een betrekkelijk saai vertrek met zwarte tekeningen op wit glas. Met een simpele polarisatiebril tovert de bezoeker alles om tot een fraai kleurenspel. Naast Newton zien we ineens een gekleurde appel die illustreert dat deze natuurkundige de wetten van vallende lichamen ontdekte. Door het hoofd schuin te draaien, kan die appel zelfs alle kleuren van de regenboog krijgen, en dat geldt voor alle gekleurde vlakken. Met de bril omgekeerd op de neus verandert alles in de complementaire kleuren. Het is echter de vraag of veel bezoekers na afloop kunnen vertellen welke prominente natuurwetenschappers ze gezien hebben en welke grensverleggende bijdrage deze geleerden leverden. Het zal velen bijvoorbeeld ontgaan wie de persoon is naast die appel en wat die twee met elkaar te maken hebben. Door de overdonderende schoonheid overstemt het beeld de boodschap. Toch bevat dit gedeelte voldoende elementen om de geïnteresseerde toeschouwer in een gefascineerde verwondering achter te laten.

Het prikkelen van de verwondering zou een doelstelling van la cité kunnen zijn, ware het niet dat een primaire doelstelling van zo'n centrum -- het verschaffen van informatie over wetenschap en technologie -- vrijwel volledig ondergesneeuwd is. Dat zelfs voor Fransen de geschreven informatie beperkt is, merk ik als ik met geluid fonteintjes produceer in een buis met water. In een mum van tijd staat een tiental bezoekers vol bewondering te kijken. Doordat het museum niet uitlegt hoe en waarom het effect ontstaat, weet niemand mijn prestatie te evenaren. Het is verworden tot moderne tovenarij die alleen is te doorgronden door natuurkundige medicijnmeesters.

Scheikunde krijgt vooral aandacht via produktiemethoden en industriële toepassingen. Zoals bijna overal in la cité negeert men de historische en maatschappelijke context. Informatie over milieuaspecten, zoals het verband tussen PVC en dioxine, is bijvoorbeeld ver te zoeken. Het gaat in de eerste plaats om de zegeningen van de chemische industrie. Renault maakt er geen geheim van dat al die voortreffelijke kunststoffen verwerkt zijn in het tentoongestelde succesmodel Espace. Door de vermenging met commerciële belangen bestaat het gevaar dat de bezoeker het geloof verliest in de wetenschappelijke boodschap. Reclame waarin een wasmiddel wordt aangeprezen dat goed is voor het milieu, geloof je toch ook niet blindelings?

De aanwezigheid van Renault is dubieus, maar Michelin maakt het helemaal bont. Deze firma heeft een reusachtige vrachtwagen op ware grootte nagebouwd. Dit voertuig op metershoge banden bevat een bioscoop met een honderdtal zitplaatsen. Het monster verslindt te veel ruimte, maar echt bedenkelijk is de film over de zegeningen van het opgeblazen kunstrubber. Na een opname van een marmeren kunstwerk van Michelangelo wordt getoond hoe bruut de mens dit gesteente tegenwoordig uit de aardbodem steelt. Daarmee roept het weerzin op tegen het natuurvernietigende karakter van hedendaagse technologie. Het laatste stukje respect voor de technische prestaties van Michelin ingenieurs verdwijnt bij impressies van de rally Parijs-Dakar. Met fraaie beelden van opgeschrikte gnoes en andere savannebewoners had het Wereldnatuurfonds geen betere film kunnen maken als waarschuwing tegen natuurvandalisme op Michelin banden. Alleen het commentaar behoeft maar aanpassing.

Met gemengde gevoelens verliet ik la cité. Er is geen twijfel mogelijk, dit museum rechtvaardigt een meervoudig bezoek. Er zijn zoveel op wetenschap gebaseerde speeltjes dat men zich gemakkelijk een hele dag kan vermaken. Er is zelfs een inventorium, een wetenschappelijke crèche die alleen voor kinderen toegankelijk is. Voor volwassenen zijn er ook schitterende gedeelten, zoals de afdeling over ruimtevaart en vertrekken over onze hersenen. Prachtige kleurenopnames tonen welke werkzaamheden vanuit welk deel van het menselijk brein worden bestuurd. Dit is leuk om te weten, maar het wordt pas echt interessant in combinatie met informatie over de ontwikkeling van hersenen bij kinderen. Hieruit wordt duidelijk waarom een kind eerder loopt dan praat, enzovoort. Bij wijze van uitzondering is er zelfs een historisch overzicht over de ontwikkeling van de kennis van de hersenen. Hier wordt getoond hoe wetenschapsvoorlichting tegelijkertijd informatie en ontspanning kan bieden, zoals dat bijvoorbeeld gebeurt in het Noorderdierenpark in Emmen. Maar ondanks deze fraaie onderdelen schiet het complex als geheel toch zijn doel voorbij. In de bakermat van de Franse Verlichting zou je meer aandacht voor historische aspecten verwachten, maar bovenal meer respect voor de wetenschappelijke grondprincipes waarop afzonderlijke effecten zijn gebaseerd. Met minder grandeur en de helft van het budget had men iets beters kunnen bouwen.

ontnuchterende ontdekking

De schets van la cité is opgebouwd uit fragmenten van een artikel dat ik in 1991 schreef [D-S14]. Ik sta nog geheel achter die beschrijving; na een tweede bezoek aan het inmiddels tien jaar oude museum zou ik de tekst hoogstens moeten aanpassen aan de veranderde inrichting. Het monster van Michelin heeft bijvoorbeeld plaats gemaakt voor duikerklokken die een indruk moeten geven van het onderzoek in de diepte van de oceanen. Als een visuele kennismaking is dit een vooruitgang, maar educatief is het nog steeds mager. In één opzicht is de uitleg wel opmerkelijk. De Franse toelichting gaat gepaard met een tweede schriftelijke uitleg. Helaas, niet in het Engels om de buitenlandse bezoekers te plezieren, maar in braille. Blinden hebben volgens mij echter weinig te zoeken in la cité dat het juist van de visuele presentatie moet hebben. Al met al is deze verandering geen echte verbetering, en dat lijkt mij voor de meeste veranderingen te gelden die de laatste vijf jaar zijn aangebracht.

Ik verliet la cité minder enthousiast dan na mijn eerste bezoek, maar desondanks zou ik mijn vroegere schets nu niet met dezelfde kritische ondertoon uit de pen kunnen krijgen. Ik heb intussen een tiental andere wetenschaps- en technologiemusea bezocht, en daarbij is mijn waardering voor la cité gestegen. Dat geldt zeker na een bezoek aan het Palais de la découverte nabij de Champs-Élysees. Amusement is hier ver te zoeken, of het moet leedvermaak zijn om de wetenschappers die zich hebben uitgeput in de beschrijving van een tocht langs de nachtelijke Parijse hemel in het planetarium. Gelukkig is Frans een taal waarin je in rap tempo veel informatie uit de mond kunt laten vloeien, zodat de toeschouwer binnen beperkte tijd een overvloed aan gegevens over sterrenbeelden, de baan van Venus, enzovoort, enzovoort, voorgeschoteld kan krijgen. Voor mij gaat de Franse uitleg te snel en er is geen Engelse vertaling hoe lang duurt het voordat men ook in 'grote' Europese landen beseft dat het buitenland oneindig veel groter en meertaliger is dan de eigen natie? zodat het mij niet lukt om alle gegevens tot mij door te laten dringen. Maar hier is dat niet erg omdat de Franstalige bezoekers na een uur waarschijnlijk niet meer weten over de loop van de sterren dan voor die tijd. De ontwerpers van het planetarium zijn hun doel duidelijk voorbijgeschoten; in hun streven naar wetenschappelijke volledigheid hebben ze een hoeveelheid bomen neergezet waar een ongeschoolde blik geen bos meer in kan ontdekken. Het is alles behalve een ontdekkingspaleis. Bovendien valt er nauwelijks iets te ontdekken voor de bezoekers, want voor het zelf doen van proeven moet je daar niet wezen.

8.3 duitse degelijkheid

De wetenschappelijke tegenhanger van la cité is het Deutsches Museum in München. Met een vloeroppervlak van 50.000 mē is het van vergelijkbare omvang als de Parijse kolos, maar inhoudelijk zijn er grote verschillen. Dit is eerst en vooral een museum dat de geschiedenis laat zien van wetenschap en techniek. Soms draaft men door op een wijze die doet denken aan la découverte, bijvoorbeeld bij de uitleg over de quantummechanica. Met ellenlange teksten waant de bezoeker zich in een boek; een boek dat zelfs mij als relatieve insider geen moment kan boeien en waarvan ik zeker weet dat een intelligente outsider er geen snars van zal begrijpen. Pogingen om iets van de quantummechanica te laten zien, en daarmee het bestaansrecht van het museum te rechtvaardigen, waren er niet. Althans niet tijdens mijn bezoek in 1992 toen enkele proeven wegens onderhoud uit de roulatie waren genomen. Maar veel kunnen de ontbrekende proeven niet goedmaken; ze zullen de bezoekers geen deelgenoot kunnen maken van de verbazing die fysici aan het begin van deze eeuw tot wanhoop dreef.

De spreekwoordelijke gründlichkeit vormt niet overal een rem op de attractiewaarde. Er is bijvoorbeeld een betrekkelijk volledig overzicht van de geschiedenis van de fotografie. En nog leuk ook; waar mijn beide dochters mij meestal bij foto-apparatuur wegslepen, werd hun aandacht hier lang gevangen gehouden. Een effectief middel om de atractiewaarde te vergroten, blijkt een combinatie van historische pronkstukken en modellen te zijn. De modellen kun je aanraken, en zelfs gebruiken voor experimenten, terwijl de originelen beschermd worden, zoals musea dat ook doen bij een Rembrandt. Als het museum niet over het origineel beschikt, wordt soms gekozen voor een replica; op ware grootte of op schaal, zoals bij een aantal beroemde bruggen.

De combinatie van museum, educatie en vermaak komt relatief goed naar voren in de zaal over vliegtuigbouw. Hier is een aantal historische vliegtuigen in een gigantische ruimte opgesteld en van enkele vliegtuigen zijn de straalmotoren opengelegd terwijl kinderen zich achter een stuurknuppel piloot kunnen wanen. Je leert niet hoe een vliegtuig werkt, maar het is wel fascinerend te zien wat er allemaal binnen in een vliegtuig zit. In wezen is het dezelfde fascinatie die je overkomt bij een rondwandeling door de ondergrondse tunnels van CERN, waar deeltjes worden opgezweept tot recordsnelheden om de bouwstenen van de materie nog meer geheimen te kunnen ontfutselen.

Van een wetenschapsmuseum zou men misschien iets meer verwachten aan demonstraties over de wetenschappelijke achtergronden die voor de luchtvaart van belang zijn, zoals de wet van Bernouilli die leert dat de luchtdruk afneemt naarmate de snelheid waarmee lucht langs een vlak stroomt, toeneemt. Nou en? Dat is nu juist het probleem, op papier valt dat zo moeilijk uit te leggen, maar tijdens een demonstatie blijkt de vleugel zich precies omgekeerd te gedragen dan je intuïtief denkt. Hoe groot die verwondering is, viel te constateren tijdens de rondreizende Fenomena die in 1985 Rotterdam aandeed. Misschien werd in die tentoonstelling te weinig uitleg gegeven over het Bernouilli-effect, maar dat gevaar lijkt niet groot als de tentoonstellingsbouwers uit München zo'n proef in hun assortiment op zouden nemen.

8.4 londense larie

Parijs en München hebben wetenschappelijke publieksattracties die het bewonderen waard zijn. Sterker nog, ze verdienen een meerdaags bezoek, ondanks tekortkomingen. Nobody's perfect. Sterker nog, de waardering voor de Franse en Duitse musea nam toe na een bezoek aan het Londense Science Museum, dat zich uitsluitend in vloeroppervlak tot de top mag rekenen. Het Science Museum verschaft weinig inzicht en zal vrijwel geen bezoeker in vervoering brengen. Dat deed het mij niet, en voor zover ik kon zien, kampten de meeste andere bezoekers met hetzelfde euvel. Uitgezonderd misschien de kinderen in de ruimte met geluidslenzen en dergelijke speelwerktuigen. Maar dit exploratorium staat los van de rest van het museum waar men nergens op grote schaal kan experimenteren.

Zeer kwalijk is dat het Science Museum nauwelijks of geen oog heeft voor de historische context. Die tekortkoming signaleerde ik ook bij la cité, maar daar was mijn opmerking op het verleden gericht, terwijl de tekortkomingen in Londen ook op meer hedendaagse ontwikkelingen betrekking hebben. De ontwikkeling van de medische wetenschap wordt in een aantal toneeltjes voor het voetlicht gebracht. De artistieke kwaliteiten laten sterk te wensen over en de tafereeltjes zijn in een ogenschijnlijk willekeurige (historische) volgorde gerangschikt, zodat het een hele puzzel is om een lijn in de medische ontwikkeling te ontdekken. Van meer recente datum is bijvoorbeeld een open-hart-operatie, maar de voorstelling is niet hedendaags omdat de ingreep wordt uitgevoerd met apparatuur uit 1980. Sindsdien heeft de medische technologie niet stilgezeten, maar die vooruitgang wordt niet in beeld gebracht, terwijl dat toch het meest leerzame en fascinerende zou zijn. Doordat geen taferelen uit de jaren negentig zijn te zien, krijgt de bezoeker bovendien een verkeerd beeld. Zo valt een bijna prehistorische pacemaker te aanschouwen; alleen al de omvang doet iedereen huiveren die voor zo'n apparaat in aanmerking komt. En het is zo'n kleine moeite om te laten zien dat dit hulpstuk tegenwoordig in een luciferdoosje past. Als dat te duur is, neem dan een kunstoffen imitatie. Wie bij Medtronic komt, heeft kans er een gratis mee te krijgen. Trouwens, de vitrine van hun vestiging in Kerkrade laat meer interessante eigentijdse medische technologie zien dan een hele verdieping in het Londense Science Museum

8.5 tastbare technologie

Dat techniek afschrikwekkend getoond kan worden, blijkt ook in Wenen. Daar staat een grote rij locomotieven, hetgeen een enkele kenner wellicht in vervoering kan brengen, maar voor de gemiddelde bezoeker is het verspilling van de ruimte. Als kinderen nog op of in de voertuigen zouden mogen klauteren, zou het nog enige aantrekkingskracht hebben. Maar helaas, een ontsierend bord maakt duidelijk dat zelfs aanraken niet is toegestaan. Slechts één zaal weet de rond snellende bezoekers vast te houden. Inderdaad, een vertrek waar kinderen, en door de nood gedwongen ook volwassenen, de handen uit de mouwen mogen steken. Het stelt echt bijna niets voor, maar iets is beter dan niets.

Wat is er toch met wetenschappelijke tentoonstellingsbouwers aan de hand? Ze verschillen niet of nauwelijks van de wetenschappers die waken over de gedetailleerde correctheid van hun onderzoek (tenzij het natuurlijk gaat om de eerder gewraakte laakbare leugens om bestwil). Natuurlijk, ook voorlichting moet correct zijn. Maar het gaat toch niet om de feiten, maar om de verwondering? Nieuwsgierigheid is toch de drijfveer van wetenschap? Waarom dan niet die gierigheid prikkelen met nieuwe vragen? In Nederland heeft het Teylersmuseum in Haarlem een reputatie hoog te houden als museum waar oude wetenschappelijke pronkstukken voor toekomstige generaties geconserveerd moeten worden. Het aanschouwen van al dat moois prikkelt de wetenschappelijke nieuwsgierigheid echter nauwelijks of in het geheel niet. Waarom geen replica van de elektriseermachine als speeltuig? Zo'n gemis geldt nog veel sterker voor het volledig gerenoveerde Boerhave museum in Leiden. Daar ontbreekt zelfs het visuele spektakel dat Teylers tot een museaal pronkstuk maakt. Voor kenners is in Boerhave interessant materiaal te zien, zoals de spoelen die Kamerlingh Onnes gebruikte voor de ontdekking van supergeleiding. Hoe zit het ook al weer met de nieuwe generatie supergeleiders? Waarom geen proefje waarbij een magneet gaat zweven bij onderdompeling in vloeibare stikstof? Als zoiets moeilijk is zonder gevaar voor vrieswonden, is daar toch wel iets anders voor te bedenken?

In Nederland gaan in de loop van 1997 de deuren open van newMetropolis, het nieuwe Amsterdamse Science Centre dat tot eind 1986 de naam IMPULS leek te krijgen. De vraag die opdoemt is waarom Nederland zo laat komt met een nieuw Science Centre. Het antwoord is misschien wel dat zo'n voorlopersfunctie niet bij onze samenleving past. Want de wetenschapsmusea zijn niet alleen paleizen om met wetenschap te pronken, ze zijn ook spiegels van de samenleving waarin ze zijn ontstaan, zoals de piramiden iets over de Egyptische oudheid zeggen en Versailles over het Franse absolutisme.

Als wetenschapsmusea een afspiegeling vormen van de wetenschappelijke en technologische cultuur, bevestigt het Londense museum de stilstand in de Britse ontwikkelingen ten opzichte van die in Duitsland en Frankrijk. En de wetenschappelijke perfectie in München en de technologische fixatie in Parijs vormen dan een versterking van het algemene beeld over Duitsland en Frankrijk. Of wetenschapsmusea zulke scherpe graadmeters kunnen zijn, valt te betwijfelen. Maar dat de spiegelfunctie wel enige rol speelt, werd mij duidelijk bij het bezoek aan het techniekmuseum in Praag. Het gebouw is een belevenis. Niet in positieve zin, maar als afschrikwekkend voorbeeld van fascistische architectuur. De drukkende weersomstandigheden versterkten de onheilspellende sfeer waarmee dit gebouw altijd doordrenkt moet zijn. Het museum maakt duidelijk dat Tsjechoslowakije de splitsing was tijdens mijn bezoek nog geen feit gedurende vele decennia zeker niet achterliep bij andere Europese landen. Zo is er een indrukwekkende verzameling camera's, waaronder een aantal zeldzame exemplaren die nauwelijks te bemachtigen lijken als je naderhand een verzameling wilt aanleggen. Dit betekent dat de collectie vroeger bij de tijd geweest moet zijn. De fietsententoonstelling maakt op mij een vergelijkbare indruk; de exemplaren uit het begin van deze eeuw kunnen zeker concurreren met de fietsen die het Nijmeegse fietsenmuseum tentoonstelt. Maar er zijn geen mountainbikes, zoals er ook geen camera's zijn met autofocus. Het modernste toestel dateert uit het begin van de jaren tachtig, en staat ongeveer als eenling in de vitrines terwijl oudere toestellen bij tientallen tegelijk zijn uitgestald. Het museum wekt de indruk dat de Tsjechen de technologische aansluiting gemist hebben, naar het lijkt ergens in de jaren zestig of op zijn laatst in het begin van de zeventiger jaren. Die conclusie dringt zich ook op bij het aanschouwen van de apparatuur uit de mijnbouw.

8.6 moderne monumenten

Als wetenschapsmusea een technologische spiegel van de samenleving vormen, dan moet dat zeker gelden voor andere cultuurmonumenten. Die constatering leidt af van de vraag hoe we moeten omgaan met wetenschapscentra in Nederland, maar niet van de vraag hoe we het totale cultuurbeleid in Nederland vorm geven.

pronkende piramide

Voor zover mijn waarneming strekt, valt Frankrijk binnen Europa op door het grote aantal eigentijdse cultuurmonumenten. Veel ophef was er rond de piramide bij het Louvre, het uit staal en glas opgetrokken kolos dat de vraag oproept of het wel past bij de architectuur van het voormalige paleis van Franse koningen. De waterpartijen rondom de piramide maken het aantrekkelijk een tijdje te verpozen op de binnenplaats van het Louvre. Uit de grote drukte blijkt dat velen deze mening delen. Ik kan mij niet herinneren dat de binnenplaats vroeger ooit dienst deed als publiekstrekker. Door de kolossale afmetingen van de binnenplaats ontstond in feite een afstand tussen de stad en het museum; het zorgde voor een onvolledige opname van het Louvre in het stadsgewoel. De piramide heeft ervoor gezorgd dat de binnenplaats een publiekstrekker is geworden, zij vormt een brug met de omgeving. Dit betekent dat de situatie nu beter is dan toen de piramide er niet stond.

Had Mitterand moeten kiezen voor een monument dat meer paste bij de tijd waarin de omliggende gebouwen zijn ontstaan? Een replica of imitatie die doet denken aan de tijd waarin het Louvre werd gebouwd? Naar mijn overtuiging past kitsch niet bij een gebouw dat de Mona Lisa herbergt. Het enige dat past is een origineel eigentijds kunstwerk, en dat predikaat past zeker bij de piramide.

futuristische film

De piramide bij het Louvre is niet het enige eigentijdse cultuurmonument in Parijs. La Defense is een wijk waar zoveel architectonische wonderen zijn te zien, dat het nu al is uitgegroeid tot een toeristische attractie. In de toekomst zal deze wijk ongetwijfeld de aantrekkingskracht van Parijs als parel van architectuur versterken. Ook buiten de Franse hoofdstad wordt gewerkt aan een eigentijdse uitstraling. Schitterend is het bij Poitiers gelegen Futuroscope, een pretpark dat het nieuwste van het nieuwste op filmgebied laat zien en waarbij ook wetenschap aan bod komt. Zo wordt de bezoeker opgenomen in een groot driedimensionaal beeld en maakt als molecule een duizelingwekkende vaart door de menselijke aderen. Nooit eerder kreeg ik chemie en biologie indrukwekkender voorgeschoteld. De wetenschapsmusea kunnen hier nog veel van leren. Maar nog imposanter is de architectonische vormgeving van de gebouwen en het zonlicht; elk moment van de dag heeft het park een ander aanzien.

Gezien het gebrek aan veel oude cultuurmonumenten van internationale allure vormt Futuroscope voor Poitiers in feite een middel om internationaal zichtbaar te blijven. Poitiers maakt in Frankrijk als het ware gebruik van de wet van de stimulerende achterstand, zoals de wet van de remmende voorsprong veel Italiaanse steden parten lijkt te spelen. Het domplein in Florence is van een schoonheid waar geen locatie in Parijs aan kan tippen. Het nadeel is echter dat er uitsluitend cultuurmonumenten uit vervlogen eeuwen zijn te bewonderen. Alles draait om Michelangelo. Ook het wetenschapsmuseum is sterk op het verleden gericht. Florence kan trots zijn op figuren als Galileï, maar de wetenschap is toch niet in de achttiende eeuw opgehouden? Dat is het beeld dat in elk geval wordt opgeroepen aan de buitenkant en in de folder. Of het in werkelijkheid ook zo is, kan ik niet nagaan omdat het museum maar beperkte openingstijden kent en mij daardoor geen blik aan de binnenzijde gunde.

De tijd lijkt in Florence ver voor het begin van deze eeuw opgehouden te zijn, en dat geldt ook voor Venetië en Rome en... Voor welke Italiaanse steden geldt dat eigenlijk niet? Milaan? Maar hoeveel toeristen komen naar Italië om aldaar kennis te nemen van de futuristische bloeiperiode? Het Italiaanse design is schitterend, van lampen tot auto's, maar op vakanties proef je die sfeer van eigentijdse kunst niet; althans dat is mijn waarneming. Ik kan mij in Italië eigenlijk maar twee voorbeelden van eigentijdse kunst herinneren, en dan ook nog in de twee ministaatjes: het Vaticaan en San Marino. Hier en daar is wel een tentoonstelling van een surrealistisch of kubistisch grootmeester, maar die zijn in mijn observatie verstopt in kleine musea en dringen zich niet op in het stadsbeeld. Als deze waarneming niet correct is, moet ik concluderen dat Italianen er op meer dan voortreffelijke manier in slagen om dat aan het oog te onttrekken.

Als ik de Europese industrielanden de revue laat passeren, lijken Italië en Frankrijk twee uitersten; Italië teert op oude roem en Parijs spaart kosten noch moeite om nieuwe cultuurmonumenten op te richten waar ook toekomstige generaties zich aan kunnen vergapen. Techniek speelt daarbij een belangrijke rol, en dat beeld past bij het totale technologiebeleid van de Franse overheid. Binnen Europa lijken de Franse regeringen het sterkst gericht op de stimulering van nieuwe technologieën, zoals afgeleid kan worden uit mega-projecten als de Concorde en de TGV, maar ook uit de kernproeven in de Stille Oceaan.

vergeeld verleden

De Nederlandse overheid spant zich ook in om de technologie te bevorderen, zoals bijvoorbeeld afgeleid kan worden uit de gememoreerde oproepen aan de jeugd om een exacte studierichting te kiezen. Waar staat Nederland als het gaat om de presentatie van oude en nieuwe cultuurmonumenten?

Nederland kan niet tippen aan Italië, maar ook niet aan Duitsland, Frankrijk en Engeland, als het gaat om oude cultuurschatten. We moeten in de hoofdstad genoegen nemen met een rondvaart langs grachtenpanden en een bezoek aan het paleis op de Dam dat in feite niet meer is dan een fraai gemeentehuis. Voor een echt paleis moet de bezoeker naar Het Loo. Dat blijkt minder imposant dan een gemiddeld kasteel langs de Loire. Deze 'tweede huizen' zijn gigantische kastelen, zoals Chambord dat onder andere een kamer bevat voor Lodewijk de Veertiende die nooit gebruikt schijnt te zijn. Dergelijke geldverspillende decadentie is Nederlanders vreemd en blijkbaar heeft de adel zich die zuinigheid ook aangemeten. Dat is niet erg, en zelfs als dat zo zou zijn, moeten we er toch genoegen mee nemen; we zijn nu eenmaal geen land geweest waar oppermachtige koningen resideerden.

Wie verwacht dat Nederland de buitenlandse toerist niet lastig valt met vervlogen tijden, komt echter bedrogen uit. Want waar proberen we de buitenlandse toeristen naar toe te lokken? Naar al die locaties waar we als klompendragende molenaars en tulpenkwekers worden uitgebeeld. Het Veenmuseum bij Emmen, het Openluchtmuseum in Arnhem, het Zuiderzeemuseum in Emmeloord, de Zaanse Schans in Zaandam. En alsof die gecultiveerde blik naar het verleden nog niet voldoende is, wordt er nog een schep bovenop gedaan met het Archeon. Een groter contrast tussen het op het verleden gerichte Nederlandse Land van Ooit  dat eigenlijk een land van Nooit is  en het op de toekomst gerichte Franse Futuroscope is bijna niet denkbaar.

8.7 interessante impuls

Een Science Centre kan fungeren als een nieuw cultuurmonument dat de ogen niet naar het verleden maar naar de toekomst laat richten. Het wordt ook als een middel gezien om de belangstelling onder de jeugd voor wetenschap en techniek te stimuleren. Die relatie wordt door de Nederlandse regering gelegd, maar valt ook in andere landen te beluisteren. Dat geldt niet alleen voor veel westerse landen, maar ook voor Japan. Zo ziet het Japanse ministerie voor wetenschap en technologie de renovatie van het Science Centre in Tokyo als een middel om de belangstelling onder de jeugd voor techniek te stimuleren; ook in Japan is die belangstelling tanende [G-T1].

In Nederland staat technologiebeleid weer op de politieke agenda, hetgeen ook valt af te lezen uit de initiatieven op het gebied van de publieksvoorlichting. Als de poorten van het nieuwe Amsterdamse wetenschaps- en technologiecentrum newMetropolis open gaan, lijkt sprake te zijn van een centrum van Europese allure. Het gevaar is echter dat het op nationale schaal bij het Amsterdamse centrum blijft, want bescheidenheid en zuinigheid tekenen Nederlanders blijkbaar ook op dit terrein. De ministeries van EZ en OCenW belijden met woorden het belang van dit centrum, maar uit hun daden blijkt dat ze voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten. Ze hebben veel eisen gesteld in de richting van andere geldschieters. Beide ministeries lijken de gestelde financiële doelen uiteindelijk te bereiken, maar dat succes is met veel tijdverlies betaald.

Op 7 april 1994 gaven beide ministeries samen met de Amsterdamse wethouder van Economische Zaken het groene licht voor de oprichting van het centrum dat volgens de toenmalige ministers vanaf 1996 jaarlijks 800.000 mensen (met name scholieren) zou trekken [C-TK2]. Om de verwachtingen niet te hoog te spannen, spreekt de directie van newMetropolis overigens van een half miljoen bezoekers per jaar. Of deze bezoekersaantallen realistisch valt eind 1996 echter niet te beoordelen omdat het centrum pas in de loop van 1997 opengaat. Het had wel eerder gekund, als de landelijke overheid niet zo gedraald had.

Wie de huidige plannen van newMetropolis aanschouwt, krijgt de indruk dat het wachten de moeite waard is geweest. In de persaankondiging wordt gesproken over spannende wetenschap en technologie. In het nieuwe centrum zouden bezoekers spelenderwijs gaan ontdekken dat wetenschap en technologie voortkomen uit menselijke creativiteit. Interactief is het sleutelwoord. Volgens directeur Douma beperkt het interactieve zich niet tot de bezoeker die zich achter een beeldscherm vermaakt; de tentoonstellingsbouwers kijken hoe het publiek reageert en gaan na of en hoe verbeteringen mogelijk zijn. Als ze inderdaad zo publiekgericht te werk gaan en meer kijken door de bril van de ontvanger dan die van de zender, zullen in Amsterdam geen (Franse) duikklokken met brailleschrift te zien zijn, geen gortdroge (Duitse) uiteenzettingen over de quantummechanica, geen prehistorische (Engelse) pacemakers, geen enzovoort, enzovoort. Doordat de bezoeker centraal komt te staan, verandert de wetenschaps- en techniekvoorlichting radicaal. Een van de opvallendste gevolgen is dat de scheiding tussen disciplines vervaagt of zelfs helemaal verdwijnt. Mede daarmee kan het centrum een laboratorium worden voor onderzoekers, een plaats waar zij niet alleen kennisbrengen maar ook kennishalen.

Kortom, newMetropolis belooft anders te worden. Op mijn vraag waar deze werkwijze elders een kans gekregen zou hebben, weet Douma geen Europese landen te noemen. Men is zeer geïnteresseerd in newMetropolis, maar dan in de rol van afkijker; vooralsnog vinden velen het verrückt. Zo beschouwd is de opsluiting in de eigen dimensies van het eigen wetenschapsgebied in Nederland misschien nog niet zo ver doorgevoerd als in veel andere landen. Als dat zo is, past de pioniersfunctie van het Evoluon in dat beeld. Internationaal was deze Eindhovense pionier een lichtend voorbeeld voor latere Science Centres; die konden gebruik maken van de wet van de stimulerende achterstand. Anderzijds kreeg het Eindhovense centrum last van de wet van de remmende voorsprong; door gebrek aan middelen voor de noodzakelijke inhoudelijke actualisering verouderde het Evoluon zienderogen en moest het uiteindelijk de deuren sluiten.

8.8 provinciale publiekscentra

Wie publieksvoorlichting over wetenschap en technologie een warm hart toedraagt de overheid belijdt dat te doen zou newMetropolis niet als eindpunt moeten beschouwen, maar als kiem voor een grotere nationale aanpak. Van het formaat newMetropolis, dat met 10.000 mē weliswaar achterblijft bij de centra in Parijs, Londen en München, zijn in Nederland één of hooguit twee centra levensvatbaar. De toeloop van scholieren naar het NINT is nu groot, maar ook sterk aan de Amsterdamse regio gebonden. Met andere woorden, scholieren komen af op techniekmusea in de regio. Wie ook scholieren uit Winschoten, Sittard, Vlissingen en Doetinchem voor techniek wil winnen, zal aldaar centra moeten opzetten. Dit betekent dat het niet misstaat als er wetenschappelijke en technische doe-centra van het formaat NINT in de middelgrote provinciesteden komen waar nu hoogstens eenmaal per jaar een tipje van de technisch/wetenschappelijke sluier wordt opgelicht tijdens de nationale wetenschapsdag. Er bestaan verschillende provinciale techniekcentra, maar die zijn lang niet altijd opgezet vanuit educatieve doelstellingen. Die indruk ontstaat althans uit de locatie van het technisch doe-centrum Aeolus in Sexbierum. Om zo veel mogelijk Friese scholieren te trekken, zouden Leeuwarden of Drachten toch meer voor de hand liggen dan het niemandsland boven Harlingen. Bovendien lijkt dit doe-centrum aan de kleine kant om veel scholieren te stimuleren tot een veelvuldig bezoek. De betekenis van de huidige publiekscentra voor wetenschap en techniek zou versterkt kunnen worden als newMetropolis de spin in het web zou zijn van deze en een dozijn andere regionale technische speeltuinen. Het zou van de betrokken ministeries nog meer geld vragen, maar is het duurder dan de ontwikkeling van het vak techniek in het voortgezet onderwijs? Om belangstelling voor techniek te kweken, komt het mij in elk geval niet minder effectief voor. Misschien betekent dat het begin van het einde van het imago van klompendragende kaasmeisjes. En wordt het geen tijd om onze vorstin tijdens de viering van Koninginnedag te verrassen met technische en technologische kunstjes in plaats van jaarlijks de oude ambachten weer van stal te halen?

Noten

18. De kenschets van Michelson is ontleend aan een voordracht van Gerard 't Hooft [G-H2].