DEEL IV: Tamtam in Technologieland

de passages tussen [..] zijn literatuurverwijzingen.

Dit deel concentreert zich op discussies die betrekking hebben op de financiële kant van wetenschap en technologie. Vaak wordt met een zorgwekkende ondertoon gesproken over de relatieve omvang van de financiële middelen, hetgeen impliceert dat de zorg zich concentreert op de kwantiteit van de uitgaven; de kwaliteit van het speur- en ontwikkelingswerk (R&D) verdwijnt in de meeste analyses volledig uit beeld.(36) Nederland staat hierin overigens niet alleen; de Europese Unie spreekt in vergelijkbare termen over het belang om de uitgaven voor R&D meer op Amerikaanse en Japanse hoogte te brengen [C-EC1]. In Duitsland wordt met grote zorg gesproken over de ontwikkeling dat Duitse bedrijven een steeds kleiner deel van hun onderzoek in de Bondsrepubliek uitvoeren. Zelfs in Japan, dat al jaren een van de hoogste R&D-percentages ter wereld heeft, valt zorg te beluisteren over de hoogte van de R&D-uitgaven. Niet dat ze te hoog zijn, maar vanwege het feit dat Japanse bedrijven het huidige niveau bijna niet meer kunnen financieren, zoals de voormalige Japanse minister voor wetenschap en technologie, Makiko Tanaka het uitdrukte [G-T1].

In dit deel richt ik mij vooral op de Nederlandse situatie; gezien de overeenkomstige geluiden in andere landen is het niet onwaarschijnlijk dat de getrokken conclusies een bredere geldigheid hebben. Vaak baseren Nederlanders zich in hun pleidooi op de stellingname van internationale organisaties als de OESO. Deze organisatie adviseerde Denemarken naar aanleiding van een gevraagde verkenning om de uitgaven voor R&D op te schroeven. Maar ook zonder die expliciete vingerwijzing, wordt de boodschap wel opgepikt. Zo stelde de Twentse rector Popma dat Nederland de wetenschappelijke en technologische aansluiting met andere landen mist; de OESO zou in 1996 hebben vastgesteld dat technologisch hoogontwikkelde landen bijna 3% van het BBP in technologie en innovatie investeerden, terwijl Nederland de 2% nog niet haalt [G-P2].

Dat een eendimensionale oriëntatie op de omvang van onderzoek ontoereikend is, kwam in de voorgaande delen al ter sprake; daar is immers betoogd dat meer profijt uit wetenschappelijke arbeid getrokken kan worden als men meer oog zou hebben voor de maatschappelijke realiteit alsmede voor ontwikkelingen in andere disciplines. De AWT benadrukt het belang om bij technologische ontwikkelingen meer naar buiten te kijken. First search, than research [C-AWT4]. De Raad brak een lans voor wat hij noemde technologie-arsenaal management. Wie dat begrip afkort, kan op het verkeerde been worden gezet; het is namelijk alles behalve tam werk. Wie in een Japans bedrijf zelf iets uitvindt, loopt de kans dat hij niet in aanzien stijgt, maar juist daalt; hij was te dom om de benodigde kennis uit het wereldreservoir op te vissen. Deze en dergelijke op de inhoud van de R&D gerichte aspecten treden in dit deel echter niet op de voorgrond, althans minder dan in de voorgaande delen het geval was. Thans wordt de aandacht gericht op het tromgeroffel over de kwantiteit van de R&D-uitgaven. Daarbij probeer ik na te gaan of de getrokken conclusies in voldoende mate gebaseerd kunnen worden op de gebruikte cijfers, nog afgezien van de vraag of binnen een bepaalde sector de uitgaven voor onderzoek voldoende effect sorteren.

Als staflid van de AWT heb ik mij de afgelopen vier jaar intensief beziggehouden met de rol van R&D voor de economie. In de proloog heb ik reeds gewezen op het feit dat ik in dit boek gebruik maak van gedachten die (mede) door anderen zijn ontwikkeld. Dat geldt wel zeer sterk voor dit deel. Dit spieken doet wellicht afbreuk aan de stelling dat een eenzame wetenschapper sterk kan zijn buiten het eigen vakgebied. Toch blijft de stelling voor het grootste deel overeind omdat al mijn inspiratoren ook van buiten het vakgebied van de (innovatie)economie afkomstig zijn.

In Nederland is het ministerie van Economische Zaken (EZ) een belangrijke vertolker van het pleidooi voor meer R&D-uitgaven. Hoofdstuk 17 schetst de zorg van de overheid over de Nederlandse positie op de internationale R&D-ladder aan de hand van een tweetal nota's over het Nederlandse technologiebeleid. Daarbij gaat het met name om de positie van het bedrijfsleven.

Hoofdstuk 18 gaat na wat nationale R&D-statistieken betekenen voor de concurrentiepositie van bedrijven. In die statistieken worden Singapore en de Verenigde Staten op één hoop gegooid. Is het verantwoord om dwergen en reuzen met een en dezelfde maatlat te meten. Ook die vraag treedt in hoofdstuk 18 voor het voetlicht.

Welke invloed heeft de sectorstructuur op R&D? Hoofdstuk 19 gaat nader op die vraag in en beperkt zich daarbij niet tot de relatief R&D-intensieve industriële sector.

Veel R&D-cijfermeesters menen dat Nederland de aansluiting met de internationale top verliest. De toonzetting vertoont vaak veel overeenkomsten met die van sportverslaggevers die voortdurend Nederlandse sporters buiten de wereldtop zien vallen. In hoofdstuk 20 komen deze sportverslaggevers aan het woord. Is hun zorg terecht of is het variant op de klaagzang "zij zijn groot en ik is klein" die Calimero zo graag de wereld in slingert? En welke (andere) lessen vallen uit de sportwereld te trekken met betrekking tot wetenschap en technologie?

Aan het eind van dit deel wordt nagegaan in hoeverre de economie als een eendimensionale wetenschap aangemerkt moet worden. Daartoe worden in hoofdstuk 21 enkele tamelijk losstaande aspecten belicht, fragmenten die aansluiten bij de voorgaande delen en van belang zijn om het beeld te verbreden over het werk van economen die zich op innovatie richten.

In het laatste hoofdstuk wordt expliciet ingegaan op de economie. Daarbij wordt onder andere nagegaan hoe betrouwbaar de statistieken zijn die in eerdere hoofdstukken zijn geciteerd.