Van peuter tot professor
Keuzemomenten op weg naar een loopbaan in de wetenschap


Drs. L. Roebroeck & Dr. H. Snijders
profproject Adoptierelaties, Stichting Weten, Amsterdam, 2003

Inleiding

Wetenschap vormt een onmisbare peiler in onze samenleving. Het is een wezenlijk onderdeel van onze cultuur en zonder wetenschap zouden welvaart en welzijn op het huidige niveau ondenkbaar zijn. Om ook in de toekomst te kunnen profiteren van de potentiële bijdragen van de wetenschap, zijn mensen nodig die dat onderzoek kunnen en willen uitvoeren. Over de instroom van nieuw talent in het onderzoek maken velen zich zorgen. De belangstelling voor werken in de wetenschap zou afnemen. Er zijn nu al vaak te weinig kandidaten voor aangeboden functies en de voorspellingen zijn dat het in toekomst steeds erger wordt, met name in de hogere wetenschappelijke rangen, in het bijzonder onder hoogleraren.

Om de interesse voor het werken in de wetenschap te vergroten, heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCenW) Stichting Weten verzocht om projecten te ontwikkelen voor scholieren in de eindfase van het vwo. Om na te gaan of en onder welke voorwaarden de belangstelling voor de wetenschap bij deze groep kan worden aangewakkerd, heeft Stichting Weten verschillende proefprojecten geïnitieerd en gestimuleerd. Tevens zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd om meer inzicht te krijgen in het keuzeproces van deze jongeren. Ook is gekeken naar ervaringen in het buitenland met projecten die betrekking hebben op de beeldvorming over het werken in de wetenschap.

De opdracht van de minister van OCenW richt zich specifiek op 16 tot 18-jarigen in het vwo die aan de vooravond van hun studiekeuze staan. Dit is ontegenzeggelijk een belangrijk keuzemoment op de weg naar een wetenschappelijke loopbaan, maar het is zeker niet het enige op de weg van kleuterschool naar professoraat. Die weg is lang en kent vele obstakels, kuilen en zijpaden en elke kruising kent keuzemomenten. Blijft de leerling/student/aio in de race voor een carrière in de wetenschap of kiest hij voor een onderwijsprofiel dat een loopbaan in de wetenschap afsluit, of voor een carrière in het bedrijfsleven? Wij proberen de belangrijkste keuzemomenten op de weg naar het wetenschappelijke beroep in kaart te brengen en adviseren welke interventies van belang zijn om een persoon in staat te stellen een goede keuze te maken.

De keuzemomenten en doorstroompercentages zijn samengevat in de figuur hiernaast. In een begeleidende tekst zijn worden de doorstroompercentages toegelicht (klik hiervoor op de figuur).

Focus op bèta en techniek

De ontwikkeling van de tekorten aan wetenschappelijk talent is in kaart gebracht door een commissie onder voorzitterschap van mevrouw dr. B.E. van Vucht Tijssen. In juni 2000 becijfert de commissie in haar rapport Talent voor de Toekomst. Toekomst voor Talent (Vucht Tijssen, 2000) dat met name in de hogere rangen structurele tekorten ontstaan doordat de komende jaren relatief veel wetenschappers met pensioen gaan. De tekorten doen zich over de gehele linie van het academisch onderzoek voor en lijken zich in de alfa- en gammadisciplines nog scherper voor te doen dan in de bètarichtingen. Getalsmatig zijn de tekorten echter het grootst in de natuurwetenschappelijke en technische vakgebieden aangezien daar het leeuwendeel van het onderzoek wordt uitgevoerd. Dat geldt zowel voor de universiteiten en andere door de overheid gefinancierde onderzoeksinstituten als voor het bedrijfsleven. Dat betekent dat binnen studierichtingen als scheikunde en elektrotechniek een veel groter percentage van de studenten in het onderzoek terechtkomt dan gebruikelijk is voor studierichtingen als rechten en geschiedenis.

Tot het tiende levensjaar verzamelen kinderen voornamelijk informatie. Daarna strepen ze, tot ze 15-16 jaar oud zijn, keuzes af. Vanaf dat moment maken mensen hoofdzakelijk positieve keuzes.

In het bedrijfsleven heerst ook veel zorg over de instroom in bèta en techniek. Daarbij gaat het niet alleen om de instroom in het onderzoeksysteem, maar om alle beroepen waarvoor vaardigheden nodig zijn die met name worden aangeleerd via opleidingen in bèta en techniek. Vaak laten R&D-intensieve bedrijven veel mensen doorstromen van onderzoek en ontwikkeling naar productie en marketing. Ook waar het gaat om personeel dat buiten het directe onderzoek werkzaam is, speelt het onderzoeksysteem een belangrijke rol. Ze worden immers aangetrokken vanwege de specifieke vaardigheden die worden getraind bij opleidingen in het domein van bèta en techniek. Onderzoek vormt een belangrijk onderdeel van die opleidingen. Dat betekent dat in feite alle werkgevers die specifiek mensen werven met een opleiding in bèta en techniek, baat hebben bij een kwalitatief en kwantitatief goed ontwikkeld universitair onderzoeksysteem. Er zijn dus onder andere docenten nodig die goed zijn in het onderzoek en die in staat zijn die vaardigheden op studenten over te dragen. De zorg van de commissie Van Vucht Tijssen over de kwaliteit van toekomstige hoogleraren, is derhalve een zorg die het bedrijfsleven direct raakt. Anders gezegd, zij zijn ook gebaat bij een goed begaanbare weg van peuter tot professor. Zoals gezegd gaat het hierbij met name ook om de traditioneel sterk op het onderzoek gerichte vakgebieden. Daarom richt Stichting Weten zich wat de instroom betreft vooral op academische studies in bèta en techniek.

Primair onderwijs

Al lang voordat men voor de eerste studie- en beroepskeuze staat, heeft men al veel geleerd en meegemaakt dat van invloed is op die keuze. Leerlingen op de basisschool hebben bijvoorbeeld in hun omgeving beroepen gezien waarvoor ze affiniteit of aversie hebben ontwikkeld. Volgens velen wordt daarom al in het primair onderwijs de eerste kiem gelegd voor interesse in beroepsgebieden. Tot hun tiende levensjaar verzamelen kinderen informatie en houden ze in feite alle opties open. Daarna beginnen jongeren met het uitsluiten van keuzes, studies en beroepen. Zij doen dat via twee strategieën (SMO, 2002). De eerste is het opinieleiderschap, een kind ziet iemand in zijn omgeving een beroep uitoefenen en baseert zijn beroepsbeeld daarop. Daarnaast gaan kinderen zelf op zoek naar informatie over beroepen. Ze maken keuzes op basis van de al dan niet objectieve informatie die ze tot dan toe hebben verzameld. Jongeren komen meestal niet terug op een keuze die ze hebben uitgesloten. De strategie dat kinderen eerst keuzes uitsluiten voor ze overgaan tot het maken van bewuste keuzes, noemen we het trechtermodel. Vanuit een brede pool met mogelijkheden wordt steeds verder gefocust. Slechts een enkele leerling weet al heel jong ‘wat hij/zij later wil worden', het overgrote deel kiest volgens het trechtermodel. Onderzoek uit de voorlichtingskunde laat zien dat het aanbieden van informatie alleen tot gedragsverandering kan leiden wanneer individuen nog geen standaardgedrag vertonen (Meijer en Reuling, 2001). Het is dus van het grootste belang om kinderen reeds op jonge leeftijd op een prettige manier met wetenschap en techniek kennis te laten maken om te voorkomen dat ze een carrière in de wetenschap bij voorbaat verwerpen.

Bedrijven en brancheorganisaties, universiteiten en onderzoeksinstituten, maar ook Science Centra, ontdekplekken en vele andere organisaties die zich bezighouden met wetenschap en techniek ontplooien daarom activiteiten voor leerlingen in het basisonderwijs. De meeste van deze activiteiten zijn gericht op een algemene imagoverbetering. Het gaat hierbij voor een belangrijk deel om buitenschoolse activiteiten, zoals de jaarlijkse WetenWeek die vooral wordt bezocht door kinderen in de basisschoolleeftijd en hun (groot)ouders. Een tweede soort interventie is het plan ‘Verbreding Techniek Basisonderwijs' (Geurts, 2001). Op basis van een aantal succesvolle initiatieven in het primair onderwijs heeft Stichting Axis dit plan in 2000 ontwikkeld. Het plan probeert techniek stevig te verankeren in het onderwijsprogramma. Niet door het als extra innovatiedoelstelling te implementeren, maar door een aantrekkelijk beeld van techniek te integreren in de kerndoelen van het onderwijs.

Keuzemoment 1 - Primair onderwijs

Kenmerk leerling Leerling sluit uit wat hij/zij niet wil
Doel interventie Voorkomen dat een leerling wetenschap bij voorbaat uitsluit
Kenmerk activiteit Algemene beeldvorming over wetenschap en techniek, imagoverbetering

Voortgezet onderwijs, onderbouw

Aan het eind van het primair onderwijs staat een leerling voor de eerste keuze op weg naar een beroep: de keuze voor een type vervolgonderwijs. Tegenwoordig is het welhaast vanzelfsprekend dat de leerling naar het hoogst haalbare niveau van vervolgonderwijs gaat (De Gier, Evers, De Jong en Sterckx, 2001). Ongeveer 17% van de leerlingen uit het basisonderwijs kiest op grond van capaciteiten en motivatie voor het vwo (CBS, 1998/'99).

In het derde jaar van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs staan leerlingen voor een belangrijk keuzemoment: de profielkeuze. De profielkeuze is in de meeste gevallen een bewuste en positieve keuze die leerlingen maken op weg naar hun definitieve beroepskeuze. Sinds 1998/1999 kiezen leerlingen in de vernieuwde Tweede Fase van havo en vwo niet langer voor vakkenpakketten, maar voor profielen. Tabel 1 laat zien hoe de leerlingen over de profielen zijn verdeeld (CBS, Stratline).

Tabel 1 - Verdeling vwo leerlingen in 6e leerjaar, 2000 - 2001
Verdeling VWO leerlingen naar profiel %

Natuur en Techniek (N&T) 17%
Natuur en Gezondheid (N&G 26%
Twee natuurprofielen N&T en N&G 2%
Economie & Maatschappij (E&M) 34%
Cultuur & Maatschappij (C&M 20%
Twee maatschappijprofielen E&M en C&M 2%

In totaal kiest minder dan de helft van de vwo-leerlingen (45%) voor een natuurprofiel. Voor de invoering van de Tweede Fase koos meer dan de helft van de leerlingen (52%) voor een vakkenpakket dat vergelijkbaar is met de huidige natuurprofielen (Hermanussen en Joukes, 2002). Binnen de natuurprofielen kiezen nu nog maar vier van de tien (42%) voor het N&T-profiel, terwijl voor de invoering van de Tweede Fase bijna acht van de tien (78%) van deze groep een vakkenpakket hadden dat vergelijkbaar is met het huidige N&T-profiel. Als gevolg van de invoering van de Tweede Fase is het percentage leerlingen met een N&T-vakkenpakket gehalveerd.

Voor een hoge instroom in natuurwetenschappelijke en technische studies is een grote instroom in het N&T-profiel van belang. Van deze leerlingen kiest de meerderheid (53%) voor een universitaire opleiding op het gebied van natuur en techniek. Tellen we het hbo ook mee, dan kiest tweederde (68%) van de N&T-scholieren voor een bèta/techniek opleiding in het hoger onderwijs. Van de leerlingen met een N&G-profiel kiest slechts een op de vijf (20%) voor een bèta/techniek vervolg. Opmerkelijk is dat een op de zes leerlingen met een E&M-profiel ook met een bèta/techniek opleiding in het hoger onderwijs verder gaat (SEO, 2000 & Warps en Woutersen, 2001).

Een aantal instellingen richt zich daarom met onderwijsactiviteiten op de onderbouw van het voortgezet onderwijs. In deze fase van hun leven proberen leerlingen een definitieve richting in hun loopbaan zo lang mogelijk uit te stellen (SMO, 2002). De profielkeuze zien zij als een noodzakelijk kwaad. Omdat het N&G-profiel een bredere keuze aan vervolgmogelijkheden oplevert dan het N&T-profiel, kiezen leerlingen volgens het trechtermodel sneller voor Natuur & Gezondheid dan voor Natuur & Techniek. Dat heeft echter tot gevolg dat deze leerlingen de weg naar monodisciplinaire, ‘harde' bètastudies afsluiten. De profielkeuze wordt verder voor een groot deel gemaakt op basis van interesse, prestatie of te verwachten prestatie (Van den Dool en Geurts, 2000). Het toekomstperspectief dat een profiel biedt, speelt minder een rol (Studiekeuzemonitor 2001).

Activiteiten die zich richten op de onderbouw van het voortgezet onderwijs zijn er bij gebaat dat leerlingen bèta/techniek niet op voorhand afwijzen. Vaak zijn de projecten dan ook niet heel specifiek, en vooral gericht op het overbrengen van een algemeen beeld van de sector en het verbeteren van het imago. Het KIVI en NIRIA, de ingenieursverenigingen in Nederland kiezen bewust voor activiteiten die zich richten op leerlingen in de onderbouw. Het recent ontwikkelde en door Axis en Stichting Weten begeleide initiatief van vijf grote bedrijven, onderwijsinstellingen en overheden, Jet-Net, probeert leerlingen in de onder- en bovenbouw te interesseren voor bèta en techniek. Wat de activiteiten die op de onderbouw zijn gericht betreft is het doel een grotere doorstroom naar de beide natuurprofielen.

Keuzemoment 2 - Voortgezet onderwijs, profielkeuze

Kenmerk leerling Leerling sluit uit wat hij/zij niet wil, houdt het liefst alle opties open, maakt profielkeuze op basis van prestatie
Doel interventie Voorkomen dat een leerling wetenschap bèta/techniek bij voorbaat afwijst
Kenmerk activiteit Algemene beeldvorming over wetenschap en techniek, imagoverbetering

Voortgezet onderwijs, bovenbouw

In de bovenbouw van het vwo, als leerlingen hun profielkeuze eenmaal hebben gemaakt, komt al snel de studiekeuze in zicht. Jongeren maken hun keuze voor een vervolgopleiding voornamelijk op basis van hun inhoudelijke interesse. Omdat interesse sterk is gerelateerd aan vaardigheden scoort ook het benutten van capaciteiten hoog als motivatie voor studiekeuze (Warps en Woutersen, 2001). Jongeren realiseren zich dat de studiekeuze een richtinggevende keuze is. Toch kiezen ze, ook in deze fase, bij voorkeur voor een brede studie die al hun beroepsopties zo lang mogelijk open houdt (Golder, 1999). Ook omdat de relatie tussen de genoten opleiding en de toekomstige beroepsuitoefening steeds minder concreet wordt (Van den Dool en Geurts, 2000). Studies vormen steeds minder een voorbereiding op specifieke beroepen, maar bieden een fundament voor een levensloop op basis van competenties in een arbeidsmarkt die bestaat uit relatief vaag geformuleerde functiegebieden (Van den Dool en Geurts, 2000; Meijers en Weijers, 1997). Het is voor leerlingen moeilijk om vast te stellen ‘wat zij met een studie kunnen'. Zij duiden hun motivatie om te gaan studeren in de Studie keuze monitor van 2000 (SEO, 2000) dan ook aan als een mogelijkheid om zich verder te ontwikkelen. De beroepsmogelijkheden die een studie hun biedt hebben minder invloed op de studiekeuze van jongeren dan hun interesse. Overigens zijn de gepercipieerde beroepsmogelijkheden die techniek en natuuropleidingen bieden wel een belangrijke reden om juist niet voor deze studies te kiezen. De monodisciplinaire indruk die jongeren hebben van bèta- en techniekstudies maakt deze studies minder aantrekkelijk. Leerlingen hebben het gevoel dat ze in een fuik lopen wanneer ze kiezen voor theoretische studies in bèta of techniek (vaak monodisciplinair en mathematisch). Illustratief is de sterk gegroeide instroom in de meer praktijkgerichte (multidisciplinaire) bètastudies in de jaren tachtig (Snijders, 1999). Veel activiteiten om de studiekeuze te beïnvloeden, benadrukken vooral het veelzijdige en praktijkgerichte perspectief van bèta- en techniekstudies. Het project Techniek 15+ van Axis is er bijvoorbeeld op gericht techniek in te bedden in de Tweede Fase van het voortgezet onderwijs. Het project werkt met concrete ontwerpmodules die de leerling dwingen om een technisch probleem op te lossen.

Daarnaast richten veel activiteiten zich op een verbeterde aansluiting van het voortgezet onderwijs op het wetenschappelijk onderwijs. De universiteiten (aansluiting vwo-wo) en hbo's (aansluiting havo-hbo) bieden deze aansluitingsprogramma's aan. Voor leerlingen die een niet-technische studie ambiëren, of al hebben gekozen, is een goede aansluiting tussen hun vooropleiding en vervolgopleiding echter zelden een reden om een technische of natuurstudie opnieuw te overwegen (SEO, 2000). Dat neemt niet weg dat dergelijke activiteiten voor de al geïnteresseerde leerlingen een laatste duwtje in de rug kunnen zijn.

Keuzemoment 3 - Voortgezet onderwijs, studiekeuze

Kenmerk leerling Leerling maakt positieve keuzes, maar houdt het liefst zo veel mogelijk beroepsopties open, maakt studiekeuze op basis van aanleg en interesse, toekomstperspectief speelt een minder grote rol
Doel interventie Bewerkstelligen dat de leerling kiest voor een technische of natuurstudie
Kenmerk activiteit Specifieke beeldvorming over wetenschap en techniek, gericht op maatschappelijke relevantie/ toepassing, ontkrachten monodisciplinair karakter

Intermezzo

Het milieu waarin leerlingen opgroeien lijkt op hun keuzes van invloed te zijn. Volgens socioloog Dronkers kiezen kinderen met veel cultureel ouderlijk kapitaal minder voor exacte studies dan kinderen uit lagere milieus (Dronkers, 2002). Ook de achtergrond van de ouders beïnvloedt de keuzes van vwo-leerlingen. Allochtone leerlingen en leerlingen met ouders die alleen lager onderwijs hebben gehad, kiezen naar verhouding vaak het N&T-profiel; het aandeel leerlingen uit deze milieus in het N&T-profiel is bijna tweemaal zo hoog als in andere profielen (Berkhout en Van Leeuwen, 2000).

Wetenschappelijk onderwijs

In 2001 startte 64% van de vwo-geslaagden met een universitaire studie terwijl 19% koos voor een hbo-opleiding (CBS, Stratline). Een kwart van de geslaagden kiest voor een opleiding in bèta en techniek. De veel gehoorde stelling dat de totale belangstelling voor deze opleidingen afneemt, is in 1999 met klem tegengesproken door de AWT (AWT, 1999). Daar waar sprake is van absolute of relatieve achteruitgang, zijn die het gevolg van demografische ontwikkelingen (in de jaren negentig daalde het aantal 18-jarigen met een kwart) en van de hogere instroom van vrouwen. Twee op de vijf mannen (41%) en een op de zes vrouwen (16%) kiezen voor een opleiding in bèta en techniek (inclusief landbouw). Deze percentages zijn in de laatste decennia constant gebleven. Binnen het bèta en techniekdomein zijn evenwel grote verschuivingen opgetreden. ICT-gerelateerde en multidisciplinaire bètastudies zijn in de afgelopen jaren sterk gegroeid. De keerzijde van deze groei is dat er ook studies zijn die kampen met een dalende instroom. Gerekend over een periode van dertig jaar is er één opvallende daling te constateren: de instroom in de opleidingen wis-, natuur- en scheikunde (klassieke bètastudies) aan de algemene universiteiten is de afgelopen twintig jaar gehalveerd. Deze daling is opvallend lineair, zoals de figuur laat zien. Als de trend zich doorzet, zullen deze disciplines het over twee decennia zonder eerstejaars moeten stellen.

De figuur hiernaast toont deze trend. In andere artikelen wordt nader ingegaan om deze figuur, zoals de mythe van het b-tekort Vaak wordt dit aangeduid als een verschuiving van ‘hard' naar ‘zacht'. De etiketten ‘klassiek' en ‘modern' hebben echter een positievere klank. Bij de keuze van een universitaire studie blijken studenten binnen een betrekkelijk kleine bandbreedte te kiezen (Warps en Woutersen, 2001). Dat betekent dat nieuwe opleidingen voor het grootste gedeelte concurreren met aanpalende bestaande opleidingen (te denken valt aan de opkomst van informatica ten koste van wis- en natuurkunde, de groei van lucht- en ruimtevaart ten koste van elektrotechniek en werktuigbouwkunde en moleculaire wetenschappen ten koste van scheikunde).

Deze ontwikkeling geeft aanleiding tot zorg aangezien een groot gedeelte van de totale natuurwetenschappelijke en technische vakgebieden (mono- én multidisciplinair) op deze klassieke disciplines is gebaseerd. Ook bezien vanuit de vraagstelling van de minister van OCenW is deze ontwikkeling relevant omdat met name de natuur- en scheikunde zeer onderzoeksintensieve vakgebieden zijn. Om de huidige onderzoekscapaciteit bij universitaire onderzoeksinstellingen in stand te houden, is het nodig dat een steeds groter aandeel van de afgestudeerden kiest voor een carrière in de universitaire wetenschap. Maar ook de industrie heeft behoefte aan mensen die in de klassieke bèta en techniekopleidingen zijn getraind. Veel activiteiten voor scholieren in het voortgezet onderwijs richten zich dan ook op een verhoogde instroom in de klassieke bèta- en techniekstudies.

In 2001 is ook de totale instroom naar bèta en techniek in het universitaire domein voor het eerst sinds dertig jaar gedaald. 37% van de jongens (was 41%) en 13 % van de meisjes (was 16%) afkomstig uit het vwo koos voor een bèta/technische vervolgopleiding (AWT, 1999). Het is te vroeg om op basis van een jaar te spreken van een trendbreuk, maar het is op zijn minst opvallend dat deze daling samenvalt met de stelselherziening in het vwo. De daling sluit aan bij de eerder opgemerkte veranderingen in de profielkeuze in het voortgezet onderwijs.

Een hoge instroom in bèta en technische studies is voor de arbeidsmarkt van belang omdat daarmee ook een grotere uitstroom wordt gerealiseerd. Uitstroom wordt echter niet alleen bepaald door instroom, maar ook door voortijdige uitval. Uit een onderzoek van de Stichting Economisch Onderzoek blijkt dat ongeveer de helft van de technici en ruim 60% 1 van de natuurstudenten daadwerkelijk afstudeert. Pas als hun afstuderen nadert, of zelfs al achter de rug is, beginnen studenten na te denken over de volgende fase in hun carrière (De Gier et al., 2001).

Niet iedereen die afstudeert gaat uiteindelijk werken in de sector waarop zijn opleiding is gericht. Een deel van de afstudeerders blijft werkloos of werkzoekend, een ander deel wordt werkzaam in een andere sector. Van de afgestudeerden in technische studies aan een universiteit kiest bijna 70% wel voor een technische functie (Mulder en Hofman, 2002). SEO en Elsevier hebben in het onderzoek Studie en werk 2000 (Berkhout, De Winter en Zijl, 2000) aan wo-afgestudeerden gevraagd wat voor hen de belangrijkste reden is om een baan te accepteren. Het blijkt voor studenten van groot belang om affiniteit te hebben met hetgeen ze produceren. Ook gevarieerd werk en een goed carrièreperspectief vinden zij belangrijk. Het feit dat wordt gesproken in termen van ‘product' en 'produceren' sluit aan bij de constatering dat binnen de HOOP-gebieden 2 een verschuiving plaatsvindt van theoretische, monodisciplinaire studies, naar praktische, multidisciplinaire studies, met een traditioneel mindere onderzoekstraditie (AWT, 1999).

De meeste voorlichtingsactiviteiten voor studenten zijn gericht op werving (Kho en Vermeulen, 2002). Het betreft vaak bedrijven die in studenten potentiële werknemers zien. Deze bedrijven presenteren zich bijvoorbeeld op carrièrebeurzen, waar ze algemene informatie verstrekken, of ze bieden stages of bedrijfsbezoeken aan. De activiteiten zijn sterk gericht op het overbrengen van een beroepsbeeld op studenten. Bedrijven zijn daarbij gebaat omdat ze geschikte studenten willen binnenhalen als werknemers.

Keuzemoment 4 - Wetenschappelijk onderwijs, beroepskeuze

Kenmerk leerling Student maakt positieve keuzes aan het eind van zijn studie, maakt studiekeuze op basis van interesse voor het product, variatie in werkzaamheden en carrièreperspectief
Doel interventie Bewerkstelligen dat de leerling kiest voor een baan in technische of wetenschappelijke richting
Kenmerk activiteit Specifieke beroepsbeeldvorming

Van aio tot postdoc

Ongeveer 10% van het totale aantal afgestudeerden is anderhalf jaar na het afstuderen werkzaam als assistent in opleiding (aio). In de technieksector is dat 20% en in de natuurwetenschappen 40% (Berkhout, De Winter en Zijl, 2000; Vucht Tijssen, 2000). Van de studenten Recht, Economie en Gedrag & Maatschappij vervolgt een welhaast verwaarloosbare minderheid (circa 2%) de studie als aio. Binnen deze gebieden vindt relatief weinig onderzoek plaats en daarom zijn er kwantitatief weinig onderzoekers nodig. Dit ligt anders in de bèta-HOOP-gebieden. Omdat er veel onderzoekers nodig zijn, is het van belang dat percentueel gezien veel afstudeerders kiezen voor een carrière in de wetenschap. De veronderstelde terugloop in instroom in bètastudies heeft dan ook grote gevolgen voor de doorstroom naar wetenschappelijke beroepen. Als nu de helft van de afgestudeerden in de natuur- en scheikunde aio wordt, dan zullen bij een verdere daling van de instroom over vijf of tien jaar alle afgestudeerden nodig zijn om de vacatures te kunnen vervullen.

Bezien vanuit de opdracht van de minister – een verhoogde instroom in wetenschappelijke beroepen – is de keuze om wel of geen aio te worden zeer essentieel. De feitelijke keuze voor een aio-schap wordt door de overgrote meerderheid vlak voor het afstuderen gemaakt (De Gier et al., 2001). Aio's zijn in de eerste plaats gefascineerd door hun vakgebied. Ook idealistische motieven zijn belangrijk: promovendi zien de wetenschap als middel om zaken te veranderen, te verbeteren of bij te dragen aan het maatschappelijk nut. Het intellectuele debat en de vrijheid waarin een aio-baan voorziet worden ook genoemd. Toch komt uit het onderzoek Wetenschap tussen roeping en beroep ook naar voren dat niet alle aio's bewust hebben gekozen voor een of meerdere van de genoemde aspecten. Sommige aio's geven aan dat het toeval ook een grote rol heeft gespeeld. Zij zijn op basis van hun kwaliteiten gevraagd en zien een aio-schap als een kroon op hun studie. Toch zien aio's ook nadelen aan een keuze voor de wetenschap. Salariëring en carrièreperspectieven zijn beperkt en dat weerhoudt sommigen ervan een aio-schap te aanvaarden. In 2002 presenteerde het Landelijk AiO OiO Overleg (LAIOO) het rapport Behoud Talent (Meijer, 2002) dat de knelpunten van promotietrajecten aan universiteiten identificeert. Het gemiddelde promotierendement is namelijk laag, slechts 7% van de aio's promoveert binnen 4 jaar, 22% binnen vijf jaar. De belangrijkste oorzaak is de gebrekkige procesbegeleiding die promovendi krijgen. Aio's beginnen vol enthousiasme aan hun promotietraject, maar door gebrek aan processturing en waardering neemt hun motivatie af. Met name als de promovendus slechts één promotor heeft, en het promoveren door de aio als een eenzame aangelegenheid wordt beschouwd, is de kans groot dat het onderzoek mislukt. De autonomie van hoogleraren en de passieve houding van bestuurders binnen de universiteit – functioneringsgesprekken vinden nauwelijks plaats – leiden ertoe dat de begeleiders hun verantwoordelijkheden kunnen ontlopen als er problemen ontstaan. De aio moet dan zelf zijn weg vinden binnen de universiteit. Ook moeten projectvoorstellen vaak met elkaar concurreren, en dat leidt tot overambitieuze voorstellen en een onvermijdelijke overschrijding van de promotietermijn. Ten slotte wordt het proefschrift beschouwd als levenswerk en dat vertraagt het promotietraject.

Ondanks de knelpunten promoveert uiteindelijk 80% van de aio's die een promotietraject in gaan. Ook na hun promotie ambiëren de meeste aio's een onderzoeksbaan. Voor de helft impliceert dat een vervolg van hun loopbaan aan de universiteit, de andere helft twijfelt vanwege het gebrekkige carrièreperspectief (De Gier et al., 2001).

Keuzemoment 5 - Promotietraject aio

Kenmerk aio Gefascineerd door het vakgebied, idealistisch, waardeert het intellectuele debat en de vrijheid
Belemmeringen Gebrekkige procesbegeleiding tijdens promotie, gebrek aan carrièreperspectief
Doel interventie Verbeterde begeleiding promovendi, verbetering carrièreperspectief

Van postdoc naar universitair docent

De groep postdocs noemt in de eerste plaats fascinatie voor het vakgebied als motivatie voor hun werk. Postdocs streven in hogere mate diepgang na dan de promovendi (De Gier et al., 2001). Verder waarderen postdocs de vrijheid om het onderzoek zelf vorm te geven. Net als voor de promovendi geldt dat ze het intellectuele debat op prijs stellen. Postdocs hebben echter grote moeite met het onzekere of zelfs ontbrekende carrièreperspectief. De tijdelijkheid van hun aanstelling vinden zij de belangrijkste beperking voor hun ontwikkeling. Postdocs hebben vaak definitief voor een baan in de wetenschap gekozen, maar voelen zich miskend en niet gewaardeerd als gevolg van de voortdurende onzekerheid over de voortgang van hun carrière. SISWO spreekt van een postdocprobleem (De Gier et al., 2001). De positie van postdoc vormt een brug tussen een tijdelijke en een vaste aanstelling. Inmiddels blijkt echter dat slechts eenderde van de postdocs en het overige tijdelijke wetenschappelijk personeel doorstroomt naar een vaste baan. De anderen stapelen postdocpositie op postdocpositie totdat ze uitstromen omdat ze de onzekerheid beu zijn of te oud worden om elders nog een carrière te starten. Naast het beperkte carrièreperspectief noemen postdocs nog andere redenen om de universiteit te verlaten. Ze noemen met name de arbeidsvoorwaarden, een gebrek aan waardering of een oncollegiale, destructieve werksfeer. De inhoud van het werk is zelden een reden om uit te stromen. Sterker nog, de meeste postdocs willen bij voorkeur werkzaam blijven in de (academische) wetenschap (SoFoKleS, 2001). Een beperkt deel (13%) aanvaardt een onderzoeksbaan buiten de universiteit.

Keuzemoment 6 - Postdocpositie

Kenmerk postdoc Sterk gefascineerd door het vakgebied, streeft diepgang na, waardeert het intellectuele debat en de zelfstandigheid en vrijheid
Belemmeringen Gebrekkig carrièreperspectief, gebrek aan waardering, negatieve werksfeer
Doel interventie Verbetering carrièreperspectief

Van UD naar professor

De top van het Nederlandse onderzoek (van universitair docenten tot hoogleraren) is sterk vergrijsd en zal in de komende jaren met pensioen gaan. Een snelle doorstroom van getalenteerde jonge onderzoekers is dus gewenst. Daarvoor zijn echter forse investeringen nodig (Vucht Tijssen, 2000). Die zijn al gedaan door de zogenaamde Van der Leeuw-hoogleraren aan te stellen: jonge getalenteerde onderzoekers in vakgebieden waar binnen enkele jaren een opvolgingsprobleem dreigt te ontstaan. Ook de Vernieuwingsimpuls en de Vernieuwingsimpuls nieuwe stijl van het ministerie van OCenW, NWO, KNAW en VSNU moeten een belangrijke bijdrage leveren aan de vernieuwing van het wetenschappelijk onderzoek en de verjonging van het onderzoekspersoneel. Door drie verschillende subsidievormen worden wetenschappers in verschillende fasen in hun wetenschappelijk carrière gestimuleerd. De VENI-subsidie biedt talentvolle jonge onderzoekers gedurende drie jaar de ruimte om hun onderzoeksideeën uit te werken. De VIDIsubsidie stelt onderzoekers op postdocniveau in staat om een eigen (vernieuwende) onderzoekslijn te ontwikkelen. De VICI-subsidie ten slotte biedt senioronderzoekers de gelegenheid om een eigen onderzoeksgroep op te bouwen.

Een tweede belangrijk knelpunt voor de doorstroom van onderzoekers is het feit dat vrouwelijke onderzoekers maar mondjesmaat doorstromen. Tot voor kort hadden vrouwen over het algemeen minder interesse in een onderzoekscarrière dan mannen. Daarin is inmiddels verandering gekomen, maar het aandeel vrouwelijke onderzoekers houdt nog steeds geen gelijke tred met het aantal vrouwelijke studenten in het recente verleden (WOPI, 1999). Van de afstuderenden was in 2000 ongeveer 54% vrouw. Van de aio's is, afhankelijk van het vakgebied, 30-38% vrouw en van de universitair docenten (UD's) maar 22%. De grootste kloof zit echter tussen de UD-posities en de UHD- en hoogleraarposten. Van de Nederlandse universitair hoofddocenten (UHD's) was in 1999 9% vrouw en van de hoogleraren 6%. Om het percentage vrouwen in de wetenschap te verhogen heeft de overheid in samenwerking met de VSNU, NWO en de KNAW het Aspasia-programma opgezet. Het programma financiert de aanstelling van vrouwelijke UHD's die als rolmodel moeten functioneren voor andere vrouwelijke wetenschappers. De eerste ronde van het programma in 2000 heeft 68 vrouwelijke UHD's opgeleverd. Dat heeft bijgedragen aan de verhoging van het percentage vrouwelijke UHD's van 9% naar 12% (WOPI, 2000). In de tweede ronde van het Aspasia-programma in 2002 zijn 40 van de 140 inzendingen gehonoreerd. Dankzij de grote hoeveelheid aanvragen en de hoge kwaliteit daarvan waren dat er meer dan gepland (Bosch en Potting, 2001).

Conclusies

Een goede beeldvorming over wetenschappelijk beroepen bij middelbare scholieren is waardevol. Het kan de instroom vergroten in opleidingen die een voorbereiding vormen op het werken in de wetenschap. Maar ook voor mensen die niet in de wetenschap gaan werken, is begrip van wetenschappelijke ontwikkelingen van belang. Voor economisch succes is het immers essentieel om een beroepsbevolking te hebben die zich nieuwe kennis snel eigen kan maken. Ook vanuit cultureel (wetenschappelijke inzichten als cultuurgoed) en democratisch motief (richting geven aan de maatschappelijke inzet van wetenschappelijke ontwikkelingen) is beeldvorming over wetenschap belangrijk.

Samenspel van activiteiten die zich richten op beeldvorming over wetenschap en technologie vanaf het primair onderwijs is echter essentieel. Vanwege het trechtermodel ligt het geïsoleerd ontwikkelen van activiteiten niet voor de hand. Immers, leerlingen sluiten al lang voor de bovenbouw van het vwo keuzes uit. Inspanningen op meerdere momenten zijn daarom essentieel. Wanneer structurele relaties tussen het voortgezet onderwijs en onderzoeksorganisaties als schakel in een keten van activiteiten van kleuterschool tot professoraat worden beschouwd, zijn er kansen voor succesvolle beïnvloeding van keuzegedrag.

De daadwerkelijke invloed op het keuzegedrag van leerlingen door middel van opzichzelfstaande activiteiten is zeer beperkt. Leerlingen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs willen zich zo min mogelijk vastleggen en beperken. Zij zullen dan ook sneller kiezen voor het profiel Natuur & Gezondheid dan voor Natuur & Techniek. Zij maken daarmee echter de weg naar de klassieke natuurwetenschappelijke en technische studies moeilijker. Hervormingen in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs hebben geleid tot een significante daling van het aantal vwo-leerlingen met een Natuur & Techniek profiel. Voor het eerst in enkele decennia is de instroom in universitaire bèta/techniek opleidingen structureel gedaald. De mogelijkheden om de studiekeuze bij te sturen vanuit het (goede) arbeidsmarktperspectief zijn beperkt. Het overbrengen van beroepsbeelden aan middelbare scholieren ligt in elk geval niet voor de hand. Zij zijn namelijk nog niet bezig met beroepsbeelden. Pas vlak voor het eindexamen, als ze een vervolgopleiding kiezen, raken ze geïnteresseerd in beroepen en beroepsbeelden.

Hoewel de instroom in monodisciplinaire of klassieke bètastudies afneemt, blijven de studentenaantallen bètabreed redelijk constant (AWT, 1999). Het gebrek aan doorstroom van jonge wetenschappers naar hogere posities binnen de universiteiten is een belangrijk knelpunt in het Nederlandse onderzoek. De instroombeperkende factor is niet zozeer het beeld van de wetenschap, maar het carrièreperspectief. Aio's en postdocs zijn inhoudelijk zeer te spreken over hun werk. Het voornaamste knelpunt betreft de doorstroom van postdocs naar hogere functies in het onderzoek. Slechts een op de drie postdocs krijgt de kans om binnen het universitaire systeem een vaste plaats te verwerven. Dit perspectief zal wellicht groter worden vanwege de te verwachten uitstroom van de vergrijsde top van het Nederlandse onderzoek.

Geraadpleegde bronnen

Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid, Vitaliteit en kritische massa. Strategie voor de natuur- en technische wetenschappen. Den Haag, AWT, 1999.
Berkhout, E. en M. van Leeuwen, Wie kiezen er voor techniek?. Delft, Axis, 2000. Axis publicatiereeks nr. 00-11.
Berkhout, P., J. de Winter en M. Zijl, Studie en werk 2000: hbo'ers en academici van studiejaar 1997/1998 op de arbeidsmarkt. Amsterdam. SEO / Elsevier, 2000. SEO-rapport nr.547.
Bos, J en M. Keizer, Arbeidsmarktmonitor. Den Haag, SoFoKleS, 2001.
Bos, J. en M. Keizer, Arbeidsmarktmonitor: De academische arbeidsmarkt in trends en cijfers, 2001. Den Haag, SoFoKleS, 2001.
Bosch, M. en M. Potting, Vrouwen moeten door dat plafond. Evaluatie van het Aspasia-programma. Maastricht, LOEKWO, 2001. Uitgevoerd door het Centrum voor Gender en diversiteit, Universiteit Maastricht.
Crum, B. en J. Bal, Werk- en Loopbaanpositie van postdocs, 1998. Leiden, Research voor Beleid, 1998.
Dool, P. van den en J. Geurts, Bèta/techniek uit Balans. Delft, Axis, 2000. In opdracht van Axis en LDC.
Dronkers, J., 'Culturele bagage bepaalt studiekeuze'. In: de Volkskrant, 11 december 2002.
Geurts, J. (red.), De menselijke kant van bèta/techniek. Opmaat voor een betere balans tussen aanbod en vraag.
Delft, Axis, 2001. Axis publicatiereeks, nr. 01-13.
Gier, E. de, J. Evers, P. de Jong en L. Sterckx, Wetenschap tussen roeping en beroep. Amsterdam, SISWO, 2001. In opdracht van het ministerie van OCenW.
Golder, T. Hoe maken jongeren keuzes?. Den Haag, SMO, 1999.
Hermanussen, J. en G. Joukes, Techniek in de peiling. Analyse profielkeuze havo/vwo en wo bèta/techniek. Delft, Axis, 2002. Uitgevoerd door het Kenniscentrum Beroepsonderwijs Arbeidsmarkt i.s.m. VHTO.
Kho, M. en M. Vermeulen, Adoptierelaties, voor een dubbeltje op de eerste rij?.
Enschede, Edutec, 2002. In opdracht van Stichting Weten.
Meijer, M., Behoud talent! Een rapportage over de verschillende aspecten die een rol spelen bij de begeleiding van promovendi. Utrecht, Landelijk AiO OiO Overleg, 2002.
Meijers F. en G. Weijers, Een zaak van betekenis. Loopbaandienstverlening in een nieuw perspectief. Leeuwarden, LDC, 1997.
Meijers, F. en M. Reuling, Intake, beroepenoriëntatie en studieloopbaanbegeleiding. Delft, Axis, 2001. Axis Publicatiereeks nr. 01-16.
Mulder, R.H. en W.H.A. Hofman, Technici in technische functies. Delft, Axis, 2002. Uitgevoerd door RISBO/Erasmus Universiteit.
Onderwijsstatistieken CBS, Stratline.
Interview met mevrouw drs. K. van Steensel van SMO. 2002.
Snijders, Dr. H., 'De mythe van het ß-tekort'. In: Tijdschrift voor Hoger onderwijs & management. Jaargang 6, nr. 5 (december 1999), pp. 49-52.
Arbeidsmarkt Monitor. Werkgelegenheid in de wetenschap in onderzoeken en cijfers. Den Haag, SoFoKleS, 2001. Uitgevoerd i.s.m. Research voor Beleid en VSNU.
Studie Keuze Monitor: Je toekomst is een keuze. Amsterdam, Stichting voor Economisch Onderzoek der Universiteit van Amsterdam, 2000.
Studie Keuze Monitor 2001. Amsterdam, Stichting voor Economisch Onderzoek der Universiteit van Amsterdam, 2001.
Zakboek Tweede Fase 2001 Den Haag, Tweede Fase Adviespunt, 2001.
Vucht Tijssen, Dr. B.E., Talent voor de Toekomst. Toekomst voor Talent. Plan van aanpak voor het wetenschapspersoneelsbeleid. Utrecht, VSNU, 2000. In opdracht van het ministerie van OCenW.
Warps, J. m.m.v. M. Woutersen, Kiezen voor bèta in het wetenschappelijk onderwijs. Delf, Axis, 2001. Uitgevoerd door IOWO.
Wetenschappelijk Onderwijs Personeelsinformatie (WOPI), Basisgegevens per 31-12-1999.
Wetenschappelijk Onderwijs Personeelsinformatie (WOPI), Basisgegevens per 31-12-2000.

Noten

1 De genoemde cijfers zijn indicaties. Het SEO baseert zich in de Axis publicatie Wie kiezen voor techniek? op cijfers van de VSNU, OCenW, SKM'99 en een drietal onderzoeken.

2 Indeling van studies in acht gebieden volgens het Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan: Economie, Landbouw, Natuur, Techniek, Recht, Taal & Cultuur, Gedrag & Maatschappij, Gezondheid.