Van peuter tot professor

doorstroomschema


Uit het primair onderwijs stroomt 17% van de leerlingen door naar het vwo. Doorstroom vindt plaats op basis van capaciteiten en prestatie van de leerling (Berkhout en Van Leeuwen, 2000). In de onderbouw van het vwo kiest 18% van de leerlingen voor het profiel Natuur & Techniek, 28% voor Natuur & Gezondheid (Tweede Fase Adviespunt, 2001). Van de leerlingen in het profiel Natuur & Techniek kiest 56% voor een academische studie in de natuur- of technieksector. Van de leerlingen in het profiel Natuur & Gezondheid kiest 15% voor een academische studie in natuur of techniek (Berkhout en Van Leeuwen, 2000). Opmerkelijk is dat 11% van de leerlingen met een Economie & Maatschappij-profiel ook met een natuur of techniekopleiding in het hoger onderwijs verder gaat. De helft van de technici en 60% van de natuurstudenten stroomt gediplomeerd uit het wetenschappelijk onderwijs uit. Van de afgestudeerde technici start 20% een promotietraject, van de natuurstudenten wordt 40% aio (Berkhout, De Winter en Zijl, 2000). In totaal komt 70% van de technisch afgestudeerden in een technische functie terecht, publiek of privaat (Hermanussen en Joukes, 2002). Hoewel 71% van de promovendi graag in de universitaire wetenschap werkzaam wil blijven, krijgt slechts 41% een aanstelling als postdoc. Nog eens 13% aanvaardt een onderzoeksbaan buiten de universiteit (Bos en Keizer, 2001). 85% van de postdocs heeft definitief voor de wetenschap gekozen. 40% heeft echter al meerdere (tijdelijke) aanstellingen als postdoc gehad. 12% heeft drie of meer postdocschappen ‘gestapeld'. Slechts 12% krijgt een vaste aanstelling binnen vijf jaar, uiteindelijk stroomt eenderde door, bijna de helft stroomt uit (Crum en Bal, 1998). Wanneer een wetenschapper eenmaal een vaste aanstelling binnen een universiteit heeft, stroomt hij meestal niet meer uit voor hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt (Bos en Keizer, 2001).