gebiedsindeling van universitaire studenten


HOOP gebieden

Sinds de jaren negentig verdeelt het CBS de universitaire studenten over zogenoemde HOOP-gebieden. HOOP is de afkorting voor Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan, het periodieke beleidsdocument van de minister van OCenW.
Voor de universiteiten worden vrijwel alle studenten verdeeld over acht HOOP-gebieden:
Lees verder voor een meer gedetailleerde verdeling van studenten over studierichtingen en universiteiten.

Onderverdeling in abg

De instroom in de b-richtingen krijgt relatief veel aandacht. Tegenover de b-studies worden de a- en g-studies geplaatst. Als b krimpt, moeten a en/of g groeien.
Hoe verhoudt deze driedeling zich tot de bovenstaande achtdeling van het HOOP? Voor drie van de bovengenoemde acht gebieden is de abg indeling duidelijk:
Taal&Cultuur is a, Natuur is b en Gedrag&Maatschappij is g.
Techniek en Landbouw zijn gerelateerd aan b, maar worden daar ook vaak van onderscheiden, bijvoorbeeld als men spreekt over de instroom in b/techniek.
Gezondheid is inhoudelijk sterk verbonden met disciplines in de domeinen Natuur en Techniek. Het wordt echter niet altijd onder het b-domein gerekend: bij de genoemde zorg om de instroom in b/techniek gaat het niet om het domein gezondheid.
Rechten zouden we tot het a- domein kunnen rekenen en economie tot g. Maar deze indeling is in hoge mate kunstmatig.

Daar waar ik spreek over b-studies, bedoel ik alle richtingen die vallen binnen de HOOP-gebieden Landbouw, Natuur en Techniek. Vaak gebruik ik voor de gebiedsafbakening de term bta-techniek, aangezien die aanduiding vaak wordt gebruikt. Dat landbouw wordt meegeteld, is zeker voor de Nederlandse situatie belangrijk, omdat de Wageningse universiteit in feite een technische universiteit is die ingenieurs opleidt. De termen a en g studies vermijd ik verder.

Lees verder voor meer inhoudelijke bespiegelingen over de wetenschappelijke culturen.

Verschuivingen binnen het bta en techniek domein

Specifiek aandacht gaat uit naar de instroom voor de wiskunde, natuurkunde en scheikunde. Deze opleidingen worden zowel door de zes grote algemene als door de drie technische universiteiten verzorgd. Als we de ontwikkelingen van enkele decennia kijken, is vooral sprake van een daling bij meer theoretisch gerichte opleidingen van de algemene universiteiten.
Ik omschrijf die als de klassieke b-studies. Als tegenhander zouden we biotechnologie en informatica als moderne b-studies kunnen typeren, maar die indeling gebruik ik verder niet.
Anderen spreken vaak over de harde b-studies waar de teruggang optreedt. De tegenhanders zijn dan de 'zachte' opleidingen. Onder hard worden dan naast de genoemde klassieke opleidingen ook de technische varianten van die richtingen gevat, alsmede elektrotechniek en dergelijke. Tot de zachte studies worden dan biologie, bouwkunde en dergelije gerekend.
Ik vermijd dat woordgebruik aangezien de groei van de biologie vooral in de harde kant van dat vakgebied zit, in de raakvlakken met de chemie en fysica. Bovendien zijn er harde richtingen, zoals de lucht- en ruimtevaart, die sterk groeien. Ook de informatica is niet zonder meer als zacht te bestempelen.