Ficties en feiten over de belangstelling voor b-studies


Er zijn drie hardnekkige geruchten over de belangstelling van universitaire opleidingen op het gebied bèta/techniek.

De instroom in b-studies zou nu veel lager zijn dan vroeger.

De belangstelling voor b-studies zou in het buitenland aanzienlijk hoger zijn.

Het percentage vrouwelijke b-studenten zou in Nederland veel lager zijn dan elders.

Het zijn stuk voor stuk ficties die door feiten worden weersproken.

vooraf

gebiedsindeling

Daar waar ik spreek over b-studies, bedoel ik alle richtingen die vallen binnen de HOOP-gebieden Landbouw, Natuur en Techniek. Vaak gebruik ik voor de gebiedsafbakening de term bèta-techniek, aangezien die aanduiding vaak wordt gebruikt. Dat landbouw wordt meegeteld, is zeker voor de Nederlandse situatie belangrijk, omdat de Wageningse universiteit in feite een technische universiteit is die ingenieurs opleidt. Lees verder voor een meer gedetailleerde verdeling van studenten over studierichtingen en universiteiten.

bronnen

Dit betoog is opgebouwd rond grafieken.
Door te klikken op de afbeeldingen, krijgt u een beeldvullende grafiek. Voor Nederland zijn de cijfers afkomstig van het CBS. Internationale vergelijkingen zijn in feite steeds ontleend aan een van de drie internationale databanken, de UNESCO, de OECD en Eurostat (EU). Lees verder voor een verdere toelichting over deze databanken en de mogelijkheid om zelf aan het cijferen te gaan.

  • constante belangstelling voor bèta/techniek
  • Er wordt veel aandacht besteedt aan het aantal universitaire studenten dat instroomt en afstudeert op het gebied van bèta/techniek. Vijf jaar geleden was de aandacht gericht op de instroom van eerstejaars terwijl de zorg nu is gericht op het aantal afgestudeerden. Daar waar statistieken worden gebruikt, gaat het dus min of meer om dezelfde groep mensen.

    Dat het aantal afgestudeerden binnen het domein bèta/techniek de afgelopen jaren dramatisch is gedaald, kan simpel worden becijferd. In een periode 1995-1999 daalde het totale aantal afgestudeerden binnen de (HOOP) gebieden landbouw, techniek en natuur van 7250 naar 4570. Dat is een daling met 37% in slechts vier jaar tijd. Een sterkere tegenspraak met de bovenstaande titel lijkt nauwelijks denkbaar. Toch is het de schijn die bedriegt.

    Er is wel een daling, maar die zegt weinig over de b-belangstelling onder jongeren. Andere vakgebieden laten namelijk ook scherpe dalingen zien:

  • taal&cultuur 42%
  • gedrag en maatschappij 33%
  • rechten en economie 25%.

    De belangrijkste oorzaak van deze universiteitsbrede afname is de scherpe daling van het geboortecijfer in de eerste helft van de jaren zeventig; in vijf jaar tijd daalde het geboortecijfer met 20%. De baby's van toen zijn de afgestudeerden van nu. Als percentage van het aantal 24-jarigen -de doorsnee leeftijd bij afstuderen- is er voor de meeste vakgebieden geen daling opgetreden in de jaren negentig, zoals de figuur illustreert voor het aantal mannelijke afgestudeerden. Dat de uitstroom in de jaren negentig lager ligt dan enkele jaren daarvoor, houdt verband met de verkorting van de gemiddelde studieduur. In het midden van de jaren tachtig haalden verschillende jaargangen studenten elkaar in.
    Lees en kijk verder voor meer grafieken over de verdeling van studenten over vakgebieden en het aantal afgestudeerden als percentage van de leeftijdsgroep.

    totale belangstelling voor bèta/techniek

    Aan het eind van de jaren negentig werd veel aandacht besteed aan de instroom van jongeren in b-opleidingen. Er werd alom gesproken over dramatische dalingen. Het beeld van de dalende b-belangstelling werd in 1999 gedocumenteerd tegengesproken door de AWT. Daar waar de totale instroom in absolute aantallen terugliep, was dat te wijten aan een laag geboortecijfer in de jaren zeventig. En de relatieve daling werd toegeschreven aan de sterkere toeloop van vrouwen. Van de mannen kiest één op de drie voor een b-studie en bij de vrouwen is dat één op de zeven.

    Het AWT advies vitaliteit en kritische massa is in pdf formaat beschikbaar. Een samenvattende analyse is onder de titel de mythe van het b-tekort verschenen in het tijdschrift Thema.

    Dat niet alleen de instroom, maar ook de uitstroom van bèta/techniek studenten nauwelijks fluctueert, laat de figuur zien. Deze heeft betrekking op het percentage b's onder de afgestudeerden. De figuur laat zien dat deze constant blijvende belangstelling al min of meer geldt vanaf de jaren vijftig.
    Lees en kijk verder voor visuele schetsen van de absolute en relatieve ontwikkeling van het aantal afgestudeerden in bèta/techniek en in andere gebieden.

    verschuivingen binnen bèta/techniek

    De laatste decennia zijn er vele studierichtingen bijgekomen. Dat geldt universiteitsbreed, maar de groei was het sterkste binnen bèta/techniek. Bij een constante instroom leidt dit gemiddeld tot een kleinere instroom per opleiding. Sterke groeiers zijn de informatica en de biotechnologie. Structurele daling treedt op bij de klassieke vakgebieden, de wis,- natuur- en scheikunde, met name de opleidingen aan de algemene universteiten. Als we die opleidingen samen nemen, ontstaat een opvallend simpel beeld. Uitgedrukt als percentage van de totale instroom en bèta/techniek, is het aandeel van deze klassieke opleidingen in de jaren tachtig en negentig gehalveerd van 18% naar 9%, zoals nader wordt voorgerekend in het genoemde artikel de mythe van het b-tekort.

    Sinds 1999 is de ontwikkeling niet gekeerd, zoals de figuur laat zien. Voor zover gegevens zijn gevonden over de jaren zeventig, bevestigen die de trend. Als de trend zich doorzet, meldt omstreeks 2025 de laatste student zich voor een klassieke b-opleiding, zoals de onderstaande trend-figuur laat zien.




    Om in te spelen op de trend, stelde de AWT in 1999 voor om het aantal zelfstandige opleidingen in de klassieke bèta-richtingen te halveren. Deze aanbeveling ondervond veel weerstand, maar sindsdien zijn er toch verschillende initiatieven genomen die in het verlengde liggen van het AWT-advies.

    studiekeuze jongeren

    Na het AWT-advies is de analyse van verschillende kanten bevestigd. Door het CBS. Een verrijkend inzicht is te vinden in een studie van het IOWO heeft in opdracht van Stichting Axis. Uit die studie blijkt dat de meeste scholieren hun studiekeuzen weinig spreiding in richtingen laten zien. Er wordt gekozen tussen aanpalende gebieden, zoals de exacte natuurwetenschappen aan algemene universiteiten of de technische varianten daarvan. Twijfel tussen bèta/techniek en bijvoorbeeld bedrijfskunde lijkt niet veel voor te komen onder de aspirant studenten.

    Onder de titel van peuter tot professor wordt het keuzeproces naar een wetenschappelijke loopbaan in kaart gebracht. Het specifieke tekort aan bijvoorbeeld onderzoekers, heeft weinig te maken met de instroom; er is voldoende inhoudelijke belangstelling voor het werken in de wetenschap. Dat de verse academicus toch voor andere loopbanen kiest, heeft vooral te maken met de lage beloning en de relatief slechte carrièreperspectieven. Van alle postdocs, dat wil zeggen van de groep die is gepromoveerd en nadien in het academische onderzoek werkzaam is gebleven, verlaten twee van de drie na verloop van tijd het onderzoek omdat er geen plaatsen zijn.

    Het totale cahier over scholieren en wetenschappelijke beroepen is als pdf-file beschikbaar

    niet universitaire techniek

    Hiervoor, en in de totale website, is de aandacht vrijwel uitsluitend gericht op het universitaire domein van bèta/techniek. Niet omdat dit domein het belangrijkste is, maar omdat daar het meeste over op de trom hoor roffelen. En natuurlijk omdat ik over het universitaire domein in de loop der jaren gegevens heb verzameld. Het HBO wordt in sommige vergelijkingen ook beschouwd, vooral bij internationale vergelijkingen aangezien in de meeste landen geen aparte HBO-sector bestaat. In het buitenland heten de Nederlandse hogescholen gewoon universiteit.

    Als we het HBO in beschouwing nemen, zien we een veel groter toename van het aantal studenten dan in het WO. Toch betekent dit niet dat de stap-op-de-plaats van bèta/techniek in het universitaire domein wordt gecompenseerd door een groei in het HBO. Relatief gezien is geen sprake van groei, maar eerder van stagnatie. Andere richtingen in het HBO zijn nog sterker gestegen. Voor een deel zal dat het gevolg zijn dat sectoren waar nu een HBO-opleiding gebruikelijk is, vroeger via avondstudies in de opleidingsbehoefte werd voorzien. De HEAO als vervanging van SPD, enzovoort. Dalingen in zowel absolute als relatieve zijn zichtbaar op de lagere opleidingsniveaus (MBO en VMBO). Een compleet overzicht van de opleidings- en arbeidsmarktsituatie voor bèta/techniek wordt jaarlijks gemaakt door Stichting Axis. De Technomonitor 2003 is als pdf-file beschikbaar. Voor een volledig en actueel overzicht van studies verwijs ik naar de website van Axis.

  • geen verontrustende achterstand met andere landen
  • Die hierboven gemaakte analyse van historische ontwikkelingen laat zien dat veel slappe statistieken worden gebruikt. Versterking van de statistieken is mogelijk door te corrigeren voor demografische ontwikkelingen en verschuivende sekse samenstelling van de instromende studenten. Bij de internationale vergelijkingen is de typering slap voor de statistieken nog te positief. Het zijn slechte statistieken.

    Aan het eind van de jaren negentig circuleerden alarmerende geluiden over de relatief geringe b-belangstelling onder Nederlandse jongeren. Het percentage techniekstudenten onder de universitaire eerstejaars zou in Nederland extreem veel lager liggen dan in andere landen. Vergeleken met Duitsland zou het verschil een factor drie bedragen. Deze cijfers waren voor een belangrijk deel ontleend aan de editie 1996 Kennis en economie 1996 van het CBS. Drie jaar later, in Kennis en economie 1999, herroept het CBS dit beeld (pag 25):

    In Kennis en economie 1996 - paragraaf 2.3 en bijlage A - staan internationale cijfers afkomstig uit Unesco jaarboeken. Deze cijfers geven een vertekend beeld van de Nederlandse situatie. Door verschil in interpretatie van de internationale codering van de studierichtingen wordt hier de indruk gewekt dat Nederland relatief weinig bètastudenten heeft. Nadere analyse (zie ook paragraaf 2.2) laat zien dat dit wel meevalt.
    Aanleiding voor deze herroeping van eerdere conclusies was het genoemde en als pdf document beschikbare AWT advies vitaliteit en kritische massa. Het verschil in codering waar het CBS van spreekt, heeft vooral betrekking op de indeling van het technische HBO dat in de UNESCO-statistieken buiten het domein techniek was gehouden. Aangezien het technisch HBO ongeveer tweemaal zoveel studenten telt dan het universitaire domein techniek was meteen de eerder als problematisch gekenschetste achterstand verklaard.
    In een bijlage bij het AWT advies wordt de internationale situatie nader geanalyseerd op basis van materiaal dat werd aangeleverd door het instituut CHEPS van de Universiteit Twente. Het CBS baseert de conclusie dat het bij nader inzien wel meevalt op de landenvergelijkingen van het CHEPS. Onder de noemer Internationale vergelijking van onderwijsdeelname is de bijlage uit het AWT-advies bewerkt. De nadruk ligt daarbij op een vergelijking met Duitsland en Zwitserland, twee landen die zich om verschillende redenen het best lenen voor een onderlinge vergelijking met Nederland.

    In 2003 zijn verschillende artikelen in de pers verschenen die wederom wijzen op een zorgwekkend laag percentage bèta/techniek studenten. De lage score van Nederland wordt gedocumenteerd met een rapport van de EU. Tegenwoordig werken de internationale databanken met acht verschillende categorieën. Het zijn nog steeds slechte statistieken voor onderlinge vergelijkingen tussen landen. Als het sterke statistieken zouden zijn, kun je maar beter niet ziek worden in Frankrijk en is Denemarken binnen afzienbare tijd ongeschoold. De onderstaande grafieken geven de situatie weer op het gebied van bèta/techniek volgens de EU-databank (die in grote lijnen overeenkomt met OECD cijfers) en de situatie op het gebied van onderwijs en gezondheid volgens OECD-cijfers. Ondanks de hoge score, heerst in Nederland grote zorg over de geringe instroom van jongeren in het onderwijs en de gezondheidszorg. Het lijkt mij dat we uit deze statistieken geen andere conclusie kunnen trekken dan dat ze slecht zijn en daarom onmogelijk als basis kunnen dienen voor strategie.




  • geen verontrustend lage participatie van vrouwen in bèta/techniek
  • Uit de bovenstaande beschouwing over de relatieve uitstroom van afgestudeerden in bèta/techniek, onderwijs en gezondheid blijkt dat de in 1999 door AWT en CBS geconstateerde problemen met internationale vergelijkingen niet zijn verdwenen. Onder de reeds aangehaalde noemer Internationale vergelijking van onderwijsdeelname wordt ook nader ingegaan op het recente cijferwerk. Daarbij wordt ook enige aandacht besteed aan de verdeling van vrouwelijke studenten over de verschillende gebieden. Die analyse uit 1999 gaf geen aanleiding tot conclusies dat Nederland in dit opzicht lager scoort dan andere landen die in cultureel en economisch opzicht enigszins vergelijkbaar zijn.

    Dat Nederland laag scoort in de internationale vergelijkingen is niet vreemd als we bedenken dat ons land volgens de internationale statistieken juist uitzonderlijk groot is op het gebied van onderwijs en gezondheid, twee sectoren die relatief veel vrouwen trekken. In andere landen moeten delen van die sectoren bij bèta/techniek zijn geteld, zoals bijvoorbeeld de opleidingen van docenten voor het voortgezet en zelfs het lager onderwijs.