DE MYTHE VAN HET b-TEKORT


Hendrik Snijders
Thema; Tijdschrift voor Hoger onderwijs & management
Jaargang 6, nr. 5 (december 1999), pp. 49-52.

Deze tekst wijkt op onderdelen af van de gepubliceerde versie doordat het iets uitgebreidere concept is gebruikt. Er zijn enkele passages toegevoegd die verwijzen naar andere delen van de website. Voor de illustraties worden de figuren gebruikt die voor deze website zijn aangepast.

Er circuleren regelmatig alarmerende berichten over de geringe -belangstelling van de Nederlandse studenten. Twee jaar geleden werd dit geluid kernachtig verwoord door de commissie Verruijt;(1)

'In Duitsland, bijvoorbeeld, studeert een op de vijf studenten een technische wetenschap, in Nederland is dat slechts een op de zestien. Dit afwijkende patroon is op zichzelf al verontrustend, maar de grootste zorg is dat het verschil met andere landen niet wordt ingelopen. Integendeel, het aantal studenten is in Nederland de laatste decennia sterk gestegen maar deze groei is in de b-sector achtergebleven.'
Aangezien de arbeidsmarkt een grote behoefte aan hooggeschoolde b's heeft, leidden deze en dergelijke observaties tot de conclusie dat de instroom naar b-studies zou moeten groeien.

Aan het eind van de vakantieperiode van academisch Nederland trok de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) aandacht met een geheel ander geluid.(2) In vergeling met andere landen en andere tijden zou helemaal geen sprake zijn van een achterblijvende b-belangstelling. En de behoefte aan afgestudeerde b's wijkt ook niet significant af van de vraag naar afgestudeerden in andere vakgebieden. Binnen het b-domein constateerde de AWT gebieden met groeiende en met krimpende aantallen studenten. Een dalende instroom treedt op de voorgrond bij de opleidingen wiskunde, natuurkunde en scheikunde (WNS). Dat geldt met name voor de WNS-opleidingen bij de algemene universiteiten (AU). In concreto stelde de AWT voor om het aantal zelfstandige WNS-AU opleidingen te halveren.

Ik wil hier niet stilstaan bij de aanbevelingen van de AWT daar is in de pers al het nodige over gemeld  maar mij concentreren op de analyse waarop het advies is gebaseerd. Het feit dat de AWT tot andere aanbevelingen komt dan de commissie Verruijt, kan niet los worden gezien van de verschillen in de gemaakte analyse. Ik zal met name ingaan op de historische dimensie van de AWT-analyse aangezien die het meest duidelijk illustreert dat geen sprake is van b-melaatsheid onder de Nederlandse studenten.

Omschrijving van het b-domein

In de statistieken wordt het universitaire onderwijs ingedeeld in negen zogenoemde HOOP-gebieden; Natuur, Techniek, Landbouw, Gezondheid, Economie, Recht, Gedrag&Maatschappij, Taal&Cultuur en Onderwijs. Het HOOP-gebied Landbouw valt min of meer samen met de Wageningse universiteit en Techniek omvat in grote lijnen het onderwijs van de drie technische universiteiten (Delft, Eindhoven, Twente). Het HOOP-gebied Natuur is hoofdzakelijk geconcentreerd binnen de zes algemene universiteiten (2x Amsterdam, Leiden, Utrecht, Nijmegen, Groningen). Voor dit artikel verdeel ik dit gebied in drieën; de genoemde WNS-AU opleidingen, de informatica en de levenswetenschappen (m.n. biologie en farmacie). Ook het HBO is ingedeeld in HOOP-gebieden. In totaal zijn dat zeven; vergeleken met de universiteiten ontbreken de gebieden Natuur en Recht.

Anders dan op de middelbare school beslaan de WNS vakken in het hoger onderwijs maar een fractie van het totale b-domein. Gemeten naar het aantal eerstejaars omvat WNS-AU ongeveer 10% van het universitaire b-domein.

Algemene ontwikkelingen

Het percentage universitaire studenten dat voor een b-opleiding kiest, is nu lager dan twintig jaar geleden en in de jaren negentig is de instroom in absolute zin afgenomen. Beide constateringen zijn juist, en toch betekent dat niet dat de b-belangstelling is afgenomen. Om die ogenschijnlijke tegenstelling te kunnen verklaren, moeten we naar de ontwikkeling van de totale instroom kijken. Figuur 1 laat zien dat de groei van het universitaire onderwijs voor mannen en vrouwen onderling sterk verschilt. Vanaf 1970 groeit de instroom van mannen nauwelijks meer terwijl bij vrouwen de instroom pas aan het begin van de jaren negentig is verzadigd. Dit verschil impliceert dat studierichtingen die onder vrouwen populair zijn sinds 1970 sterk zijn gegroeid. De b-studies vallen niet onder die categorie en hebben derhalve de laatste dertig jaar relatief weinig van de groei van het universitaire onderwijs kunnen profiteren. Als we de situatie bij de mannen en vrouwen apart beschouwen, dan blijkt binnen elke groep sprake te zijn van een constante b-belangstelling; 13% van de vrouwelijke en 34% van de mannelijke studenten kiest een b-opleiding. Die percentages zijn al dertig jaar constant binnen een bandbreedte van slechts 1%.

Dat de totale instroom naar b-disciplines in de jaren negentig daalde, valt volledig te verklaren uit demografische ontwikkelingen. In tien jaar tijd is het aantal achttienjarigen ongeveer met een kwart afgenomen, zodat ook het aantal potentiële studenten met een kwart is gedaald, zoals figuur 2 illustreert. Die daling heeft de b-opleidingen getroffen maar dat geldt in vergelijkbare mate voor andere opleidingen.

Opmerking: In het AWT-advies werd vooral gekeken naar het aantal studenten en het aantal 1e-jaars. Voor een langere tijdsreeks zijn geen gegevens beschikbaar over het aantal eerstejaars. Doordat de studieduur sinds de jaren zeventig is gedaald, betekent een gelijkblijend totaal aantal eerstejaars nog wel gegroeid is (totaal is aantal*verblijfsduur). De later gemaakte studie van het aantal afgestudeerden laat dit ook zien. Ook uit die analyse van het aantal afgestudeerden blijkt dat het marktaandeel van de bta/techniek opleidingen constant te zijn. Ook in de periode tussen 1950 en 1970 die in dit artikel buiten beschouwing is gelaten. Ook na 1998 is dat aandeel niet veranderd. Zie verder de actuele analyse.

Verschuivingen binnen het b-domein

Als gevolg van de stijging van het aantal vrouwelijke studenten is de totale instroom naar b-studies de afgelopen decennia gegroeid. In de jaren tachtig kwam die groei volledig terecht bij de technische universiteiten; binnen het b-domein is het accent dus verschoven van Natuur naar Techniek. Die verschuiving wordt nog pregnanter als we ook het HBO in beschouwing nemen, zoals in figuur 3 gebeurt. Deze relatieve verschuiving van de meer fundamenteel gerichte natuurwetenschappen naar de meer praktijkgerichte technische wetenschappen treedt ook op de voorgrond bij de WNS-opleidingen; studies die zowel door de AU's als de TU's worden aangeboden.

De verschuiving van WNS-AU naar WNS-TU wordt goed geïllustreerd bij de fysica. In 1995 waren er bijna evenveel natuurkunde studenten als in 1975; 3305 resp. 3463. In 1975 studeerde iets meer dan eenderde (36%) van hen aan een van de drie TU's. In 1995 was dat marktaandeel bijna verdubbeld (58%). Anders gezegd, de dalende instroom naar de fysica bij de AU's kwam volledig terecht bij de zusteropleidingen van de TU's. Aangezien het totale aantal studenten gelijk bleef, kan moeilijk gesproken worden van een slinkende belangstelling voor de fysica. Voor de scheikunde geldt een vergelijkbare verschuiving.

Omstreeks 1990 hield de verschuiving van chemie AU naar chemie TU op. Dat leidde niet tot een groei van het aantal scheikunde studenten bij de AU's. In de jaren negentig deed zich namelijk een dramatische daling voor van de totale instroom van scheikunde studenten. De potentiële chemie-studenten lijken echter niet voor bedrijfskunde of antropologie gekozen te hebben, maar voor inhoudelijk aanpalend studierichtingen, zoals de farmacie. Tellen we de scheikunde en farmacie van de AU's samen, dan blijkt de totale instroom sinds 1990 met 15% gedaald te zijn. Dat lijkt veel, maar de daling is niet veel groter dan op grond van genoemde demografische ontwikkeling viel te verwachten. Opvallend is evenwel de onderlinge verschuiving tussen beide disciplines. In de jaren tachtig schommelde het marktaandeel van de scheikunde tussen de 72% en 80%. Omstreeks 1990 treedt een scherpe daling op; in vijf jaar tijd kromp het aandeel van de chemie tot 50%. De daling bij de chemie is op zich niet onlogisch; aan het begin van de jaren negentig traden chemie-concerns in het nieuws met sluiting of krimp van R&D-laboratoria. De groei van de farmacie is evenmin vreemd gelet op de grote wetenschappelijke perspectieven voor de levenswetenschappen; naast de farmacie zit ook de biologie in de lift.

Ook bij veel andere b-opleidingen waarvoor sterke dalingen worden gemeld, is veelal sprake van verschuivingen tussen verwante opleidingen. Tegenover een dalende instroom bij elektrotechniek en werktuigbouwkunde staat bijvoorbeeld een groei van de lucht- en ruimtevaart. Nemen we de drie disciplines samen, dan blijven de verschuivingen binnen de bandbreedte die op grond van demografische ontwikkelingen verwacht mag worden.

Naast onderlinge verschuivingen tussen bestaande studierichtingen heeft de opkomst van nieuwe opleidingen de instroom naar bestaande opleidingen verkleind. Dat geldt met name voor de informatica die vooral bij de wis- en natuurkunde veel potentiële studenten weg gehaald lijkt te hebben. Nemen we de instroom naar de drie opleidingen samen, dan is binnen de algemene universiteiten het aandeel van de informatica sinds het begin van de jaren tachtig bijna verdubbeld; van 30% in 1982 naar 58% en 1998.

Al deze en dergelijke verschuivingen binnen het b-domein hebben geleid tot een gestage daling van de instroom naar WNS-AU. Zoals gezegd, staat momenteel iets minder dan 10% van het aantal b-eerstejaars bij deze opleidingen ingeschreven. In 1970 was dat aandeel bijna 27%; de afgelopen dertig jaar is het marktaandeel van WNS-AU binnen het universitaire b-domein dus bijna met een factor drie afgenomen. Doordat de totale instroom is gegroeid, is in absolute aantallen 'slechts' sprake van een halvering. Figuur 4 laat zien dat de daling sinds 1982 zeer gestaag is verlopen en dat het einde van de daling nog niet in zicht is. Afgaande op de jongste cijfers voor dit jaar zet de daling zich daadwerkelijk voort.

Opmerking: Inmiddels zijn we vijf jaar verder, en de in deze figuur gesignaleerde trend zet zich door. De trend blijkt ook verder terug in de tijd nog opgeld te doen tot de jaren zeventig. Zie verder de actuele analyse.

verschuiving van theorie naar praktijk

De relatieve verschuiving van Natuur naar Techniek is niet verwonderlijk gelet op de veranderende behoefte vanuit de arbeidsmarkt. Over het geheel genomen is de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden met een technische opleiding namelijk beter dan die van afgestudeerde natuurwetenschappers. Bezien vanuit de arbeidsmarkt is ook de verschuiving van WNS-AU naar WNS-TU niet verwonderlijk; fysici en chemici die aan een TU zijn afgestudeerd doen het op de arbeidsmarkt beter dan hun AU-collega's .

Als we het onderscheid theorie-praktijk op het domein van de a- en -g-wetenschappers toepassen, kunnen we de HOOP-gebieden Taal&Cultuur en Gedrag&Maatschappij als meer theoretisch en de HOOP-gebieden Recht en Economie als meer praktijkgericht aanduiden. Net als binnen de b-disciplines geldt dat afgestudeerden in de praktijkgerichte opleidingen een betere positie op de arbeidsmarkt innemen dan de meer theoriegerichte afgestudeerden. En net als voor het b-domein geldt dat de praktijkgerichte opleidingen in de jaren tachtig relatief sterk gegroeid zijn. Om een beeld te krijgen van die relatieve verschuivingen volstaat het om naar het aantal mannelijke studenten te kijken aangezien het totaal aantal mannelijke studenten in de jaren tachtig tamelijk constant was.

Tussen 1980 en 1990 daalde het aantal mannelijke studenten Natuur terwijl bij Techniek een groei optrad. Het totale aantal mannelijke studenten varieerde niet veel. Figuur 5 illustreert deze verschuiving van Natuur naar Techniek. De HOOP-gebieden Taal&Cultuur en Gedrag&Maatschappij samennemend, is tussen 1980 en 1990 eveneens sprake van een sterke daling. Die daling wordt gecompenseerd door een groei bij Recht en Economie. In absolute aantallen kennen alle gebieden een groei van het aantal vrouwelijke studenten. Maar relatief gezien is bij vrouwen een vergelijkbare verschuiving zichtbaar van theoretische naar meer praktijkgerichte opleidingen, zoals de tabel illustreert.

lessen voor de toekomst

Als in de jaren tachtig geen sprake geweest zou zijn van een grotere deelname van vrouwen aan het hoger onderwijs, zou het aantal studenten in de meer theoretisch gerichte disciplines met een kwart tot eenderde zijn gedaald. Aangezien de groei van het aantal vrouwelijke studenten ten einde is, ontbreekt in de toekomst de mogelijkheid om een dalend marktaandeel te compenseren. Anders gezegd, het valt te verwachten dat toekomstige verschuivingen in studiekeuze voor bepaalde gebieden tot een drastische daling van de instroom zal leiden. De universiteiten zijn niet op dergelijke verschuivingen ingesteld. Het systeem is nog sterk ingesteld op groei; er kunnen wel nieuwe opleidingen worden gestart maar het is zeer lastig om bestaande opleidingen te sluiten. De reacties op het AWT-advies illustreren dat; er is zelfs gesproken over een oorlogsverklaring.

Tabel 1: verdeling eerstejaars binnen a, b en g -clusters

 

1980

1990

   a -domein; % eerstejaars Taal&Cultuur

mannen

vrouwen

50

67

40

58

   b-domein; % eerstejaars Natuur

mannen

vrouwen

42

62

30

47

   g-domein; % eerstejaars Gedrag&Maatschappij

mannen

vrouwen

53

92

33

73

   a omvat Taal&Cultuur en Recht; b omvat Natuur, Techniek en Landbouw; g omvat Gedrag & Maatschappij en Economie.

   Bron: decembertellingen CBS.





In dit artikel is de nadruk gelegd bij de ontwikkelingen in de jaren tachtig. De geconstateerde verschuiving van Natuur naar Techniek heeft zich in de jaren negentig niet doorgezet. Het afgelopen decennium deden zich andere verschuivingen voor, zoals die van de exacte natuurwetenschappen naar de levenswetenschappen en groei informatica. Al deze verschuiving maakten een einde aan de groei van de WNS-opleidingen van de TU's. Sterker nog, de afgelopen tien jaar daalde de WNS-instroom bij de TU's sterker dan bij de AU's. Als reactie op het AWT-advies circuleren binnen AU's berekeningen die laten zien dat de TU's in de jaren negentig nog sterkere reductie van de instroom zagen dan de AU's. Als we de instroom in 1992 op 100 stellen, bedraagt in 1998 de instroom bij de WNS-opleidingen bij de AU's 73 en bij de TU's op 58. De rest van de b-sector kent een groei; het overige b-cluster zit bij de AU in 1998 op 107 en bij de TU's op 163. Deze schets onderstreept dat de levenswetenschappen en technische opleidingen ek groeien ten koste van de klassieke opleidingen. Vergeleken met twintig of dertig jaar geleden is bij de TU's nog geen sprake van een sterk gedaalde instroom, maar de TU's ook met een halvering te maken krijgen als de huidige trend zich doorzet. Voordat sprake is van een halvering t.o.v. 1970, zijn we overigens nog wel een tijd verder. De aangehaalde cijfers laten zien dat de TU's op de WNS richtingen in 1998 ongeveer 20% minder studenten hebben dan de AU's.















1. Wetenschap en Techniek. Welvaart en Welzijn, Commissie Toekomst Natuur- en Technische Wetenschappen, KNAW, Amsterdam, mei 1997.

2. Vitaliteit en kritische massa. Strategie voor de technische en natuurwetenschappen, AWT-advies nr. 41, Den Haag, augustus 1999.