Internationale vergelijking van onderwijsdeelname


In 1998 verscheen een alarmerend rapport over de instroom van Nederlandse studenten in de sector Techniek. Op basis van CBS-cijfers becijferde de naar de voorzitter genoemde commissie Verruijt dat het percentage techniekstudenten in Duitsland een factor drie hoger ligt dan in ons land. Nadat de AWT in 1999 concludeerde dat deze typering gebaseerd is op statistische dwalingen, corrigeerde het CBS de statistieken. Met al deze aanpassingen is Nederland geen koploper, maar toch wel een middenmoter.

In 2003 verschijnen wederom alarmerende berichten over de belangstelling voor bèta-studies. En wederom worden daarbij argumenten aangedragen die zijn ontleend aan internationale vergelijkingen. Om de huidige vergelijkingen op hun waarde te kunnen beoordelen, ga ik eerst in op de lessen die vijf jaar geleden zijn getrokken.

Vergelijking uit 1999

Dit gedeelte is een enigszins aangepaste versie van een bijlage uit het AWT-advies over de toekomst van de technische en natuurwetenschappen. Eerst wordt nagegaan hoe de foute conclusies over de relatieve geringe b-belangstelling te verklaren zijn. Vervolgens wordt op basis van nationale statistieken een vergelijking gemaakt tussen Nederland, Duitsland en Zwitserland.

De foutieve indeling van het technische HBO

De typering over de achterstand met een factor drie ten opzichte van Duitsland had de commissie Verruijt ontleend aan de editie 1996 van de CBS publicatie Kennis en Economie die weer gebaseerd bleek te zijn op toenmalige cijfers van de UNESCO.

Volgens de figuur kiest in Nederland minder dan 6% voor techniek terwijl dat aandeel in Duitsland op 19% wordt begroot. Het genoemde verschil van een factor 3 heeft betrekking op deze kolom. Als we de natuurwetenschappen ook in beschouwing nemen, verandert het beeld niet sterk; Duitsland is koploper en Nederland is hekkensluiter.

Uit een nadere analyse van de cijfers blijkt dat de voor Natuur en Techniek gegeven cijfers betrekking hebben op de universiteiten. Studenten techniek in het HBO zijn geteld onder de noemer 'handel, kunstnijverheid/industriële planning'. In andere landen is dit niet of nauwelijks gebeurd. Het CBS heeft die conclusie later bevestigd.

Tellen we de categorieën technische wetenschappen, natuurwetenschappen en kunstnijverheid samen, dan telt ons land ongeveer 20% b-studenten, wat een middenpositie oplevert. Duitsland blijft met een score van 33% onveranderd koploper.

Ook op basis de nationale statistieken blijkt het vaak moeilijk om tot een betrouwbare vergelijking te komen. Daarvoor blijken de onderwijssystemen te veel van land tot land te verschillen. En wat belangrijker is, de afbakening van de gebieden blijkt allesbehalve eenduidig. Elk land heeft zo zijn eigen indeling in "HOOP"-gebieden.

Vergelijking met Duitsland en Zwitserland

Een land dat zich relatief goed, of het minst slecht, met Nederland laat vergelijken, is Duitsland. In Duitsland worden gedetailleerde statistieken gemaakt, waardoor clusters van disciplines gemaakt kunnen worden die overeenkomen met de Nederlandse indeling in HOOP-gebieden. Een bijkomend voordeel is dat beide landen aparte technische universiteiten kennen en een onderscheid tussen universitair en hoger beroepsonderwijs.

Een vergelijking op basis van nationale statistieken is voor het universitaire deel van het hoger onderwijs beter mogelijk dan voor de hogescholen.

Zoals opgemerkt, verschilt de indeling in "HOOP"-gebieden van land tot land. Dat verschil geldt ook voor Nederland en Duitsland. Zo wordt de psychologie en de pedagogiek in Duitsland samen met de letteren tot de geesteswetenschappen gerekend. De maatschappijwetenschappen worden met de rechtswetenschappen in één categorie gebundeld. Deze verschillen in afbakening treden ook op binnen de technische en natuurwetenschappen. Algemeen gesproken worden in de Duitse statistieken meer vakgebieden tot het b-domein gerekend dan in Nederland het geval is, waarmee de verschillen die uit de afbeelding spreken voor een deel verklaard zijn. Zo worden vakken als econometrie en ruimtewetenschappen in Duitsland bij de wiskunde en natuurwetenschappen geteld terwijl ze in Nederland buiten het HOOP-gebied Natuur vallen. Ook vallen grote delen van het Nederlandse HOOP-gebied Landbouw in Duitsland onder Techniek. Daar staat tegenover dat in Duitsland een vak als technische bestuurskunde ontbreekt in de sector Techniek.

Een specifiek punt betreft de afbakening tussen techniek en natuur. In Nederland worden de ingenieursopleidingen op het gebied van de wiskunde, informatica, fysica en chemie bij het HOOP-gebied Techniek geteld, terwijl deze vakgebieden in Duitsland niet voorkomen binnen het domein van de technische wetenschappen. Ook in andere landen lijken fysica en chemie volledig tot de natuurwetenschappen gerekend te worden, ook als het gaat om opleidingen aan technische instellingen. De afwijkende indeling van Nederland houdt verband met de tweedeling tussen algemene en technische universiteiten. In veel landen bestaan geen aparte technische universiteiten, en als dat wel het geval is, zoals in Duitsland, bestrijken ze een veel breder terrein van de b-wetenschappen; ze verzorgen veelal opleidingen over het gehele spectrum van de natuurwetenschappen, inclusief de theoretische delen daarvan. Aangezien het niet mogelijk is op basis van de Duitse statistieken een onderscheid te maken tussen de algemene en technische varianten, zijn voor de onderlinge vergelijking de opleidingen van de Nederlandse TU's op het gebied van de wiskunde, informatica, fysica en chemie bij het HOOP-gebied Natuur geteld. Als we de gebieden aldus afbakenen, is ook een vergelijking mogelijk met Zwitserland waar de indeling sterk lijkt op die in Duitsland.

Als we de grootste gemene deler van het b-onderwijs vergelijken, k omen de Duitse universiteiten op 30% b-studenten en de Nederlandse op 24%. Aangezien in Duitsland de gemiddelde studieduur relatief lang is   - zeker ook voor b-studies  kan het feitelijke verschil nog wel kleiner zijn.

Tabel 1: Belangstelling voor b-studies in Nederland, Duitsland en Zwitserland
als % van het aantal universitaire studenten

Studierichting Nederland Duitsland Zwitserland
Wisk. en Informatica 3,0 5,5 3,0
Natuur- en sterrenkunde 1,9 2,8 2,3
Scheikunde 2,7 2,8 1,5
Farmacie 1,0 1,1 1,5
Biologie 2,1 3,5 5,5
Geologie 0,8 1,1 1,1
Overige Natuurwet. 0,2 0,2 0,0
Totaal Natuur 11,8 17,0 15,0
Landbouw 3,0 1,8 1,1
Bouwkunde 2,0 1,5 2,8
Civiele techniek 1,0 2,3 1,0
Elektrotechniek 1,4 2,6 1,8
Werktuigbouw 1,9 3,9 1,8
Overige techniek 2,5 1,0 2,3
Totaal Techniek

(inclusief Landbouw)

11,9 13,1 10,8
Totaal % -studenten 23,6 30,1 25,8

Bronnen:
Nederland: Hoger Onderwijs in Cijfers 1995, detailtabellen, Ministerie van OCenW.
Duitsland: Studierende an Hochshulen, Wintersemester 1994/1995, Statistisches Bundesamt.
Zwitserland: Studierende an den schweizerischen Hochschulen, 1997/1998, Bundesamt für Statistik.

De tabel bevestigt dat Nederland in vergelijking met Duitsland relatief weinig b-studenten heeft, maar het verschil is kleiner dan de afbeelding suggereert, en bedraagt zeker geen factor drie. Aangezien Duitsland in vergelijking met andere landen relatief veel b-studenten telt, lijkt het niet onwaarschijnlijk dat de verschillen met andere landen kleiner zijn dan uit de tabel naar voren komt. Zoals gezegd, zijn dergelijke vergelijkingen vaak moeilijk te maken. Een land dat wat betref het onderwijssysteem relatief sterk op Nederland en Duitsland lijkt, is Zwitserland. Ook dat land kent een tweedeling tussen algemene en technische universiteiten en tussen universitair en hoger beroepsonderwijs, zij het dat de Fachhochshulen naar verhouding kleiner zijn dan de Nederlandse HBO's. In de tabel scoort Zwitserland met 26% tussen Nederland en Duitsland.

Tabel 2: percentage vrouwelijke studenten
vergelijking tussen landen en vakgebieden

gem. NL D Vlaanderen F UK Australië Zweden Japan
geesteswet 64 66 62 62 73 60 68 59 67
kunst 59 55 59 46 59 63 66
natuurwet 35 34 32 36 38 38 39 36 23
techniek 17 15 15 17 30 16 14 21 7
landbouw 39 35 48 33 46 33 34
gezondheid 62 69 48 67 59 72 78 47
economie 38 38 33 48 52 18 41
rechten 46 51 43 49 45
sociale wet. 47 72 64 63 49 36 22
onderwijs 66 69 57 75 67 72 57
TOTAAL 46 48 41 52 45 53 55 32

Bron: De cijfers zijn niet ontleend aan internationale databanken maar aan landenstudies van het CHEPS, gemaakt in opdracht van de AWT.

In de tweede kolom is het rekenkundig gemiddelde gegeven van percentages in de verschillende landen waar voor het betrokken gebied gegevens beschikbaar zijn. Nederland is bij de berekening van het gemiddelde niet meegeteld.

Uit tabel 2 blijkt dat studies die in Nederland relatief veel vrouwen trekken, elders veelal ook een relatief hoge belangstelling van vrouwen kennen. Anderzijds zijn studies waarvoor zich in Nederland weinig vrouwen inschrijven, zoals de technische wetenschappen, ook in het buitenland weinig populair bij vrouwen. Nederland en vier van de zeven andere landen wijken niet significant a f van het gemiddelde. Uitschieters zijn Frankrijk met een zeer hoge en Japan met een zeer lage instroom van vrouwen in de technische opleidingen. Bij Japan kan dat verschil verband houden met de totaal andere cultuur, alsmede met de sterk afwijkende inrichting van het Hoger Onderwijs. Een afwijkende inrichting van het hoger onderwijs zou ook een rol kunnen spelen bij de relatief hoge percentage vrouwelijke techniek-studenten in Frankrijk. In Frankrijk staan niet de universiteiten maar de grandes écoles op het hoogste opleidingsniveau. Vanwege die afwijkende inrichting van het hoger onderwijs is ook het middelbaar onderwijs anders ingericht. Overigens mag uit de tabel niet zonder meer worden geconcludeerd dat Frankrijk feitelijk ook hoog scoort; in elk geval past de kanttekening dat de Franse indeling in vakgebieden zodanig afwijkt, dat verschillen in gebiedsindeling een rol kunnen spelen.

Uit tabel 2 komt naar voren dat de Nederlandse score wat betreft het percentage vrouwen binnen de technische en natuurwetenschappen weinig verschilt van hetgeen in de meeste andere landen gebruikelijk is. Er zijn weliswaar verschillen naar boven en beneden, maar die zijn zo klein dat afwijkende gebiedsindeling de oorzaak zijn. Als voor Duitsland en Nederland de 'corresponderende' gebiedindeling uit tabel 1 wordt toegepast, zijn de percentages vrouwelijke studenten in beid landen bijna tot op de eerste decimaal identiek. Bij Natuur bestaat in Duitsland 32,9% van de studenten uit vrouwen, tegenover 32,8% in Nederland. Bij Techniek is in beide landen 16,1% van de studenten vrouw.

Internationale vergelijkingen 2003

Vergeleken met vijf jaar geleden is het aanbod van internationale data gestroomlijnd. De leveranciers van cijfers, Eurostat, OECD en UNESCO, hebben hun databanken aan elkaar gekoppeld. Op basis van deze databanken zijn rond de kabinetsformatie tamelijk harde conclusies getrokken over

Percentage bèta/techniek onder afgestudeerden

In de Volkskrant verscheen een serie over de kenniseconomie. Bij het openingsverhaal (7 juni 2003) verscheen een grafiek over het aandeel van wetenschap en techniek in de populatie afgestudeerden. Nederland kwam samen met Luxemburg als laagst scorende land uit de bus. Ierland scoorde het hoogst, met 35% van de afgestudeerden in de (natuur)wetenschappen (22%) en techniek (13%). Zweden volgde met een totaalscore van 31% terwijl Frankrijk, Oostenrijk en Finland allemaal op 30% uitkwamen. Dat is tweemaal zoveel als Nederland dat bleef steken op 15% (5% natuurwetenschap en 10% techniek).

De Volkskrant gebruikt gegevens uit de EU-publicatie Third European Report on Science & Technology Indicators 2003. Op basis van de EU-cijfers is de grafische voorstelling van de Volkskrant gecopieerd. De gebruikte cijfers door de EU weergegeven in een samenvatting van 2 pagina's. Het gehele rapport over de stand van de wetenschap en technologie telt 450 pagina's en staat ook integraal op het internet.

Analyse van de databanken

Als we naar de absolute aantallen afgestudeerden kijken, blijkt de door de Volkskrant gebruikte bron voor Nederland het volledige hoger onderwijs te hebben, dus universiteiten en HBO's samen. Onder de noemers wetenschap en techniek zijn echter niet de volledige HOOP-gebieden van universiteiten en HBO's geteld. Doordat een onderverdeling ontbreekt, is niet te achterhalden waar de 'ontbrekende' studenten bij ingedeeld zijn. Dat de cijfers geen betrouwbaar beeld geven, zou ook afgeleid kunnen worden uit het aantal afgestudeerden in verschillende landen. In Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk zouden elk jaar 500.000 studenten hun graad behalen, relatief gezien ruim tweemaal zoveel als in Duitsland waar jaarlijks slechts 300.000 afgestudeerden worden geteld.

De UNESCO en de OECD geven andere cijfers over het aantal afgestudeerden. Ook volgens de Unesco staat Ierland aan de kop met 36% bčta/techniek afgestudeerden, maar daaronder zijn minder overeenkomsten. Duitsland (35%) en Finland (34%) volgen Ierland op de voet. Zweden is met 28% een middenmoter. Nederland (22%) eindigt in de achterhoede, maar met een veel kleinere achterstand. De VS scoren met 19% nog lager.

De door de OECD gegeven cijfers vertonen sterke overeenkomst met de hiervoor geanalyseerde bronnen. Een nadere beschouwing van de de huidige OECD-cijfers leert dat de in 1999 gemaakte analyse over internationale vergelijkingen nog steeds in grote lijnen van toepassing is, zoals hieronder blijkt.

De huidige OECD-tellingen

De OECD gebruikt 12 categorieën, iets minder dan de UNESCO vroeger deed (zie analyse uit 1999). De vroegere problemen met vergelijkingen niet verdwenen. Die conclusie dringt zich op als we naar de hoogst en laagst scorende EU-landen kijken zoals weergegeven in tabel 3. Als de statistieken zo solide zouden zijn dat ze zich lenen voor onderlinge vergelijking, dan kun je maar beter niet ziek worden in Frankrijk en is Denemarken binnen een generatie bevolkt door louter anafabeten, zoals de figuur hiernaast illustreert.

Volgens de tabel telt Zweden bijna twintig maal zoveel studenten die het onderwijs in gaan als Denemarken. Nederland komt in dit gebied met bijna 17% van de studenten goed weg. Afgezien van de vraag of Nederland en Zweden werkelijk zo hoog kunnen scoren, betekent het verschil dat studenten die in Zweden bij onderwijs worden geteld in Denemarken bij andere gebieden geteld moeten worden. Maar dat betekent dat de getallen voor de ander categorieën ook niet kunnen corresponderen.

De hoge score van Nederland in de sector onderwijs is alleen mogelijk als iedereen die voor het onderwijs wordt opgeleid onder de sector onderwijs wordt geschaard, inclusief de opleidingen voor vakleraren voor het VWO. Dat Denemarken zo laag scoort, is alleen mogelijk als bijna iedereen die voor leraar wordt opgeleid, wordt ingedeeld bij het vakgebied waar de opleiding inhoudelijk op is gericht. Aangezien in veel landen ook in het basisonderwijs vakleerkrachten werkzaam zijn, kan dat om grote getallen gaan.

Volgens de tabel telt Zweden bijna zeven maal zoveel studenten in de sector gezondheid en verzorging als Frankrijk. Frankrijk 'compenseert' dit onder andere op het gebied van de wiskunde, waar bijna tien maal zoveel studenten worden geteld als in Nederland. Dat Ierland veel studenten heeft voor de computersector, is niet onverwacht, maar de tienvoudige score ten opzichte van Italië lijkt wel erg extreem.

Al deze verschillen lijken eerder op verschillen in gebiedsafbakening te berusten, dan op feitelijke afwijkingen. Die conclusie lijkt zeker gewettigd in het licht van de voorgaande schets over de statistische dwalingen aan het eind van de jaren negentig.

Tabel3: verdeling studenten over vakgebieden
Nederland en de hoogst en laagst scorende EU-landen

vakgebied hoogste score laagste score Nederland
land % land % plaats %
Education Zweden 18.8 Denemarken 1.0 3 16.8
Humanities and arts Denemarken 23.6 Zweden 5.7 12 7.3
Social sciences, business and law Denemarken 44.7 Zweden 21.6 8 34.8
Services Portugal 3.7 Italië 0.3 4 2.6
Engineering, manufacturing and construction Finland 24.0 Denemarken 8.9 10 10.4
Agriculture België 3.5 Frankrijk 0.8 5 2.3
Health and welfare Zweden 22.8 Frankrijk 2.9 2 20.9
Life sciences Ierland 6.9 Portugal 1.1 12 1.2
Physical sciences Frankrijk 5.8 Portugal 1.0 11 1.9
Mathematics and statistics Frankrijk 2.8 Nederland 0.3 13 0.3
Computing Ierland 8.4 Italië 0.9 11 1.5
Not known or unspecified VK 9.4 Ierland 0.2 5-13 0

Bron: OECD, Education at a Glance 2002, tabel 4.2 Cijfers zijn gebaseerd op situatie in 2000.

Verslechtering in de tijd

In het Financieel Dagblad van 7 mei 2003 wordt geconcludeerd dat de afgestudeerde bèta nu heuse prioriteit moet krijgen; de bèta-productie moet omhoog om te kunnen voldoen aan de verplichting die de EU-lidstaten in de Lissabon-verklaring zijn aangegaan.

De zorgwekkende situatie van Nederland wordt geïllustreerd met cijfers over veranderingen in de jaren negentig. In ons land is het aantal afgestudeerden in bèta/techniek met 11% gedaald terwijl in de meest landen sprake is van een vaak forse stijging. Hier is geput uit een bericht dat de Europese commissie op 20-11-2002 liet uitgaan onder de titel

European benchmarks in education and training:
follow-up to the Lisbon European Council

Op basis van de cijfers in dit rapport is een nieuwe versie gemaakt van de in het FD getoonde figuur.

Wat betreft Nederland spoort de daling met de berichten uit eigen land. Afhankelijk van de vergelijkingsjaren kan nog een grotere daling worden geteld, tot wel 30% aan toe. Het is feitelijk dezelfde daling die aan het eind van de jaren negentig tot zorg baarde over instroom van studenten. Toen kon de daling worden toegeschreven aan het lage geboortecijfer in de periode van 18 jaar daarvoor. Zes jaar later vertaalt dit zich in een daling van de uitstroom.

Hoewel de Tweede Wereldoorlog een belangrijke oorzaak is van de fluctuaties van de geboortecijfers, verschilt de demografische ontwikkeling toch sterk van land tot land. Specifiek voor Nederland is de relatief laat op gang gekomen instroom van vrouwen op de arbeidsmarkt en de daarmee verband houdende verhoging van de leeftijd waarop vrouwen kinderen krijgen. Daarmee samenhangt ook de toeloop van vrouwen naar de universiteiten die in Nederland laat op gang gekomen is. Een groei van het aantal vrouwelijke studenten leidt automatisch tot een daling van het percentage studenten in bèta en techniek.

Vanwege de demografische fluctuaties is binnen één decennium een toename of daling van aantal eerstejaars of afgestudeerden tot 25% mogelijk. Landen die buiten die marge vallen, zijn vooral met een inhaalslag bezig. Of er zijn veranderingen in de structuur van het onderwijssysteem mogelijk. Dat zou voor Zweden kunnen gelden.