'k Hoop hier in de toekomst wat meer gedichten te gaan plaatsen...
Om te beginnen een gedicht dat me om meer dan één reden is bijgebleven
en bij zal blijven.
De dichter(es) ervan is onbekend... een Amerikaanse (Mary Elizabeth Frye
wordt veelvuldig genoemd als de dichteres), een Australiër, een gesneuvelde
soldaat, het zou zelfs een oud Indiaans gedicht zijn...
maar het gekke is, dat doet er eigenlijk niet toe.
't Is van (en over) 'ons'...
Redactionele mededeling: dit gedicht zal, zolang deze site bestaat,
bovenaan blijven staan. 'Nieuwe' gedichten staan er direct onder.
Heb je dus ook het tweede gedicht al eerder gelezen, dan heb ik
op deze pagina geen nieuwe gedichten toegevoegd...
Verder heb ik me voorgenomen enkele door mij gewaardeerde dichters/
dichteressen een 'eigen' pagina te geven.
Deze zijn via onderstaand jump-menu te bereiken... behalve de gedichten en
'beelden' van Nicole. Daar kun je via
naartoe !
Oh ja... wie mijn gedichten wil lezen: 'klik hier'
!
Do not stand at my grave and weep;
I am not there, I do not sleep.
I am a thousand winds that blow.
I am the diamond glints on snow.
I am the sunlight on ripened grain.
I am the gentle autumn's rain.
When you awaken in the morning's hush,
I am the swift uplifting rush
Of quiet birds in circled flight.
I am the soft stars that shine at night.
Do not stand at my grave and cry;
I am not there, I did not die.
Sporen
(van Corry van Doorn)
morgen zal alles van een ander zijn
met vaders dood sluiten zich hier de deuren
het lege huis staat stil de rouw te treuren
al liet ik wel de troost van een gordijn
er gaan al vreemden rond op het terrein
hoewel ik mijn verdriet nog niet kan beuren
wordt al verwacht dat ik mij los zal scheuren
van mijn geboortegrond en dat doet pijn
nu ga ik voor het laatst de akkers rond
de lege kassen en verlaten erven
dan voel ik mij van binnen even sterven
en proef de smaak van tranen in mijn mond
want ik zie in door vorst versteende grond
een eenzame vertrouwde voetstap zwerven
De wilg
(van Anna Achmatova)
Ik groeide op in de gebloemde stilte,
De kille kinderkamer van de jonge eeuw.
En ik hield niet van mensenstemmen,
Maar de stem van de wind begreep ik wel.
Ik hield van klissen en van dovenetels,
Maar het meeste van de zilverwilg,
En, dankbaar, deelde zij met mij
Haar hele leven; met haar treurende takken
Dekte zij slapeloosheid toe met dromen.
En vreemd genoeg - ik heb haar overleefd.
Daar staat een stronk nu, en met vreemde stemmen
Spreken andere wilgen nu tot mij
Onder onze, onder deze hemelkoepel.
En ik zwijg... Alsof een broer gestorven is.
Ballade
(van Vladislav F. Chodasevitsj)
Ik zit hier verlicht in mijn kamer.
Beschenen vanaf het plafond.
Ik kijk naar mijn hemel van stucwerk,
Naar vier maal vier kaarsen: mijn zon.
Rondom mij, ook badend in lichtval,
Staan stoelen, een tafel, een bed.
Ik zit daar en weet van verwarring
Niet waar ik mijn handen neer zet.
De sneeuwwitte bloemen staan ijzig
Geluidloos in bloei op de ruit.
Mijn zakklokje telt met getingel
Minuut na minuut voor me uit.
O, starre, armoedige schaarste
Van mijn ongenietbaar bestaan !
Bij wie kom ik aan met gevoelens
Van meelij, met mij en mijn waan ?
En stilaan begin ik te wiegen,
Ineen in mijn eigen gewelf,
En plotsklaps begin ik te spreken
Vergeten, alleen met mijzelf.
Gebroken, hartstochtelijke zinnen !
Begrijp ik er iets van ? Geen bal,
Maar klanken gaan boven begrip,
Het woord is het sterkste van al.
Muziek, o muziek, o muziek...
Mijn stem voegt zich bij haar, intiem,
En puntig, zo puntig, zo puntig
Doorsteekt me een vlijmscherpe priem.
'k Ontstijg deze aardse bedoening,
Mijn leven zo dood als een pier;
Mijn voeten in hels hete vlammen,
Mijn hoofd in een sterrenrivier.
Ik zie nu met grote verbazing -
Mijn ogen, misschien, van een slang -
Mijn doodongelukkige spullen
In trance door mijn woeste gezang.
Mijn kamertje wentelt en wervelt,
In vloeiende rondedanstrant,
En dwars door de wind drukt me iemand
Een loodzware lier in de hand.
En weg is de hemel van stucwerk
Het zonlicht van vier in 't kwadraat:
Want hoog op de inktzwarte rotsen
Troont Orfeus, die klaar voor me staat.
Mijn Oude Droom
(van Paul Verlaine)
Ik droom veel van een vrouw, een droom vreemd en indringend,
Ik weet niet wie zij is maar houd van haar en zij,
Al is er iets aan haar dat in mijn droom steeds wisselt,
Zij wordt toch nooit een ander en ze houdt van mij.
Want zij begrijpt mij en al is mijn hart doorzichtig,
Geen is er, ach ! die 't ooit doorzag behalve zij,
En geen behalve zij schreit tranen die verfrissen
Over dat bleke en bezwete hoofd van mij.
Heeft ze blond haar, of bruin of rood ? Ik weet het niet.
Haar naam, dat weet ik, is welluidend en innemend,
Als van geliefden die het Leven reeds verstiet.
Haar blik lijkt van een beeld te zijn en haar stem komt
Van verre, kalm en ernstig, in een timbre zwemend
Naar stemmen van mijn dierbaren die zijn verstomd.
The Blind Men and the Elephant
( van John Godfrey Saxe (1816-1887))
It was six men of Indostan
To learning much inclined,
Who went to see the Elephant
(Though all of them were blind),
That each by observation
Might satisfy his mind.
The First approached the Elephant,
And happening to fall
Against his broad and sturdy side,
At once began to bawl:
"God bless me! but the Elephant
Is very like a wall!"
The Second, feeling of the tusk,
Cried, "Ho, what have we here,
So very round and smooth and sharp?
To me 'tis mighty clear
This wonder of an Elephant
Is very like a spear!"
The Third approached the animal,
And happening to take
The squirming trunk within his hands,
Thus boldly up and spake:
"I see," quoth he, "the Elephant
Is very like a snake!"
The Fourth reached out an eager hand,
And felt about the knee
"What most this wondrous beast is like
Is mighty plain," quoth he:
" 'tis clear enough the Elephant
Is very like a tree!"
The Fifth, who chanced to touch the ear,
Said: "E'en the blindest man
Can tell what this resembles most;
Deny the fact who can,
This marvel of an Elephant
Is very like a fan!"
The Sixth no sooner had begun
About the beast to grope,
Than seizing on the swinging tail
That fell within his scope,
"I see," quoth he, "the Elephant
Is very like a rope!"
And so these men of Indostan
Disputed loud and long,
Each in his own opinion
Exceeding stiff and strong,
Though each was partly in the right,
And all were in the wrong!
Adres
(van Eva Gerlach)
Sinds het in zijn oogkamers heeft gebloed
richt vertrouwen zijn voeten.
Met zijn handen langs zijn lijf
botst hij tegen alle wanden,
bij elke deur raakt hij in vrije val.
De gang vertelt hem hoe hij lopen moet,
zijn struikelen door het huis
heeft iets van stromen.
Het kiezen is hem eindelijk afgenomen.
Hij woont op dit adres als in een mal.
Kruim
(van Eva Gerlach)
Wat heel is kunnen wij niet zien,
het is te groot,
het past ons niet
en niet in onze hoofden
maar wat aan mootjes, haksel is,
verkiezeld kruim,
gepureerd,
verstoven of ontbonden
al het verdeelde zit voorgoed in ons.
Bijna twee eeuwen geleden schreef een groot dichter,
George Noel Gordon Lord Byron, het onderstaande gedicht
over een oorlog die ruim 26 eeuwen geleden werd
uitgevochten in dezelfde woestijn waar nu Amerikaanse
tanks rondrijden.
In 616 v.Chr. vernietigden Meden en Chaldeeën Assur,
de hoofdstad van het Assyrische rijk...
The Destruction of Sennacherib
The Assyrian came down like the wolf on the fold,
And his cohorts were gleaming in purple and gold;
And the sheen of their spears was like stars on the sea,
When the blue wave rolls nightly on deep Galilee.
Like the leaves of the forest when Summer is green,
That host with their banners at sunset were seen:
Like the leaves of the forest when Autumn hath blown,
That host on the morrow lay withered and strown.
For the Angel of Death spread his wings on the blast,
And breathed in the face of the foe as he passed;
And the eyes of the sleepers waxed deadly and chill,
And their hearts but once heaved, and for ever grew still!
And there lay the steed with his nostril all wide,
But through it there rolled not the breath of his pride;
And the foam of his gasping lay white on the turf,
And cold as the spray of the rock-beating surf.
And there lay the rider distorted and pale,
With the dew on his brow, and the rust on his mail:
And the tents were all silent, the banners alone,
The lances unlifted, the trumpet unblown.
And the widows of Ashur are loud in their wail,
And the idols are broke in the temple of Baal;
And the might of the Gentile, unsmote by the sword,
Hath melted like snow in the glance of the Lord!
Van Lucebert :
Ik tracht op poëtische wijze
dat wil zeggen
eenvouds verlichte waters
de ruimte van het volledig leven
tot uitdrukking te brengen
ware ik geen mens geweest
gelijk aan menigte mensen
maar ware ik die ik was
de stenen of vloeibare engel
geboorte en ontbinding hadden mij niet aangeraakt
de weg van verlatenheid naar gemeenschap
de stenen stenen dieren dieren vogels vogels weg
zou niet zo bevuild zijn
als dat nu te zien is aan mijn gedichten
die momentopnamen zijn van die weg
in deze tijd heeft wat men altijd noemde
schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand
zij troost niet meer de mensen
zij troost de larven de reptielen de ratten
maar de mens verschrikt zij
en treft hem met het besef
een broodkruimel te zijn op de rok van het universum
niet meer alleen het kwade
de doodsteek maakt ons opstandig of deemoedig
maar ook het goede
de omarming laat ons wanhopig aan de ruimte
morrelen
ik heb daarom de taal
in haar schoonheid opgezocht
hoorde daar dat zij niet meer menselijks had
dan de spraakgebreken van de schaduw
dan die van het oorverdovend zonlicht
Herschepping
(van Gerrit Achterberg)
De wereld is vergaan,
haar naam spelde een nieuw getal,
het licht viel van de sterren af:
verdwaald.
Eenzaam lag de goede grond te wenen
over zoveel wederkeer
van liefde en haar weelde
sloeg in lentebloemen neer.
En de vogelen vervolgden
het lied dat lang geleden was gestaakt
zó ongemerkt, dat wij vergaten
hoe het tot zwijgen was geraakt.
Wijsgeer
(van Ellen Warmond)
Een somber man
dus vaker blijer dan een ander
die bij het verkeerde uiteinde begon
want aan schone verwachtingen zit
geen reinigbaar handvat
wie misgrijpt houdt voor eeuwig
vuile handen
daarom de argwanende tanden
liever gezet in de pech
het neehoofd voortvarend geschud
zo oefent hij soms een trage
maar toch aanstekelijke danspas
tussen wat nooit kon gebeuren
en wat niet te vermijden was.
Gedicht voor Ulrike Meinhof
van Willem M. Roggeman (uit „De droom van een robot“)
Sommigen kunnen het niet meer hebben.
Sommigen schilderen een spiegel op de muur
met het gelaat van een vrouw erin vervat.
Sommigen luisteren naar een bandje
met de stem van een vrouw
die nauwelijks verstaanbaar fluistert.
Sommigen voeden hun verbeelding
met herinneringen aan avonturen
die ze nooit hebben beleefd.
Sommigen zien in de plooien
van de dekens op het bed
de vorm van een slapende vrouw.
Sommigen vallen in slaap
met een hand in de hand van de nacht.
Sommigen fluisteren ik hou van je
en luisteren naar het antwoord van de kachel.
Sommigen kunnen het niet eens worden met zichzelf.
Sommigen kennen de nauwkeurige persoonsbeschrijving
van haar die ze nooit hebben gekend.
Sommigen wijzen de plaats aan
waar schoonheid uit alcohol ontstond.
Sommigen zitten bewegingloos in een kamer
en reizen in duizelingwekkende snelheid
door het land dat begint achter de spiegel.
Sommigen vrezen de zonsopgang.
Sommigen antwoorden op de vragen
die niemand hen ooit stelt
bij gebrek aan belangstelling.
Sommigen zien in het behangpapier
hoe een leven voorbijgaat.
Sommigen kunnen niet eens met zichzelf praten.
Sommigen beseffen niet dat gisteren nooit begonnen is.
Sommigen zinken als een steen in de tijd.
Sommigen voelen hun bloed stilstaan.
Niemand is alleen in zijn eenzaamheid.
Vol is vol
(van Harry Provoost)
Nederland is vol
met miljoenen mensen die zeggen
dat Nederland vol is
Nederland is vol
met 1,5 miljoen magnetrons,
5,5 miljoen koelkasten,
7 miljoen T.V.'s,
3 miljoen honden en katten,
10 miljoen tropische vissen en vogels,
13 miljoen varkens,
5 miljoen stuks rundvee
en 33 miljoen legkippen.
Nederland is vol
met per jaar 350 miljoen weggegooide bier- en frisblikjes,
15 miljoen kilo aan achtergelaten wegwerpbekertjes,
800 miljoen stinkende papieren luiers,
10 miljard aangestoken lucifers,
4,5 miljoen kilo lege batterijen,
500 miljoen kilo aan autowrakken,
17 biljoen gerookte sigaretten,
4 miljard gedronken pilsjes
en een onbekende hoeveelheid poep, pies en pleepapier.
Nederland is vol
met asfalt waarop 6 miljoen auto's rijden
van autobezitters die kunnen kiezen
uit 1.900 verschillende automodellen,
vol met vliegvelden die zich als zwerende etter uitbreiden
over het hele overvolle Nederland,
waardoor vliegtuigen nog meer naar beneden kunnen storten
op woonwijken die bevolkt worden door mensen
waartegen men zeurt dat Nederland vol is.
Nederland is vol
met uitgestrekte militaire oefenterreinen in bosrijke omgevingen
die anders toch maar overvol zouden raken
met stressende stedelingen
op zoek naar rust
en in de verwachting
dat ze door de aanwezigheid van hun woning, tuin, vakantiehuis,
caravan en tent,
kunnen aantonen dat Nederland vol is
met toeristen die als zwermen bijen
op stranden, in pretparken, kroegen en goktenten
een schim van geluk en plezier najagen.
Nederland is vol
met haat en angst en onbegrip en frustatie
en moedeloosheid en passiviteit en onverschilligheid
wat ertoe kan leiden
dat Nederland vol raakt met lijken
waartegen men schreeuwt
dat de Nederlandse kerkhoven en crematoria vol zijn.
Naar de knoppen !
naar gedichten-pagina's van anderen !