

Na Maria Vasalis nogmaals de combinatie psychiater/dichter... Meer nog dan bij Maria heb ik bij Rutger van den Hoofdakker het idee dat het schrijven van gedichten ertoe heeft bijgedragen dat hij geestelijk gezond gebleven is (voor zover dat mogelijk is...).
Ook met de gedichten van Kopland (het blijft een leuk gevonden pseudoniem) zou ik moeiteloos mijn hele site kunnen vullen, maar ik denk dat de uitgevers daar een probleem mee zouden hebben. 'k Beperk me dus wederom tot enkele gedichten en hoop dat bezoek(st)ers van deze site/pagina zo verstandig zijn om eens een bundel te lenen bij de bibliotheek of, beter nog, een bundel aanschaffen. Nee, niet om commerciële redenen, maar omdat gedichten je nu eenmaal iedere dag anders aanspreken.
Weggaan Weggaan is iets anders dan het huis uitsluipen zacht de deur dichttrekken achter je bestaan en niet terugkeren. Je blijft iemand op wie wordt gewacht. Weggaan kun je beschrijven als een soort van blijven. Niemand wacht want je bent er nog. Niemand neemt afscheid want je gaat niet weg.
Tijd Tijd - het is vreemd, het is vreemd mooi ook nooit te zullen weten wat het is en toch, hoeveel van wat er in ons leeft is ouder dan wij, hoeveel daarvan zal ons overleven zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het kijkt naar iets in zichzelf, iets ziet daar wat het meekreeg zoals Rembrandt kijkt op de laatste portretten van zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat een verte voorbij onze ogen het is vreemd maar ook vreemd mooi te bedenken dat ooit niemand meer zal weten dat we hebben geleefd te bedenken hoe nu we leven, hoe hier maar ook hoe niets ons leven zou zijn zonder de echo's van de onbekende diepten in ons hoofd niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik buiten onze gedachten is geen tijd we stonden deze zomer op de rand van een dal om ons heen alleen wind
Kaart van een Grieks eiland Herman*, ik had je nog een kaart willen schrijven, zo'n lullige ansicht, voorzien van een grap over, nou ja, je weet wel waarover, maar ik hoorde dat je al dood was voor ik een grap had gevonden. Ik leef nog, ons gesprek is niet af, maar ik leef deze laatste dagen gebogen, over woorden die ik doorstreep, weer opschrijf - Waar hadden we het over, waar waren we gebleven, zonder de dood te verwachten schrijf je geen poëzie, daar waren we het hartroerend over eens, poëzie was geluk, het geluk om een paar woorden te vinden die even bij elkaar wilden horen voor de dood ons kwam halen, een grap, een zorgvuldig verzwegen grap om de dood, deze doorstrepen en weer opschrijven, zo was poëzie. Ik zal je dus nooit meer zien. Ik leef deze laatste dagen gebogen, voor dat alles, voor dat verlegen lichaam, dat weemoedige hoofd waarmee je sprak, voor dat alles levend wordt begraven, ik bedoel, ik leef gebogen over die kaart, je weet wel, zo'n veel te blauwe zee, zo'n veel te blauwe hemel: Happy days in Greece. * Herman de Coninck
Over het verlangen naar een sigaret Ken je het verlangen naar een sigaret, naar die gelukkige tijd dat je nog rookte? Niemand begrijpt dit verlangen behalve ik. Ik herinner mij iemand die altijd als ik iets zei dat ze niet begreep antwoordde: op zich is dit heel intrigerend. En ik herinner mij ook dat ik dan die uitspraak een aantal malen in mijn hoofd moest herhalen: op zich is dit heel intrigerend totdat de betekenis verdampt was. God kan ondoorgrondelijke dingen met ons doen dankzij het feit dat hij niet bestaat en zo kunnen ook ondoorgrondelijke dingen worden beweerd dankzij het feit dat ze nergens over gaan. Sinds ik dit bedacht begrijp ik veel meer. Het verlangen naar een sigaret is het verlangen zelf.
Jonge sla Alles kan ik verdragen, het verdorren van bonen, stervende bloemen, het hoekje aardappelen, kan ik met droge ogen zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in. Maar jonge sla in september, net geplant, slap nog, in vochtige bedjes, nee. Heraclitus VII: Ter herinnering aan Walle Nauta...het eerste vriendje dat ik kwijtraakte...begin vijftiger jaren...
Aan een vijver Geluk was een dag aan een vijver in gras met bomen tot in de hemel omkringd ik was er het kind van god en mijn grootvader - beiden stierven geluk is gevaarlijk de vijver is gaan liggen in de avond zo spiegelglad dat hemel, bomen en gras zich herhalen onder de aarde angst en heimwee, beide vragen mij terug
Vertrek van dochters Ze moesten inderdaad gaan, ik heb het gezien aan hun gezichten die langzaam veranderden van die van kinderen in die van vrienden, van die van vroeger in die van nu. En gevoeld en geroken als ze me kusten, een huid en een haar die niet meer voor mij waren bedoeld, niet zoals vroeger, toen we de tijd nog hadden. Er was in ons huis een wereld van verlangen, geluk, pijn en verdriet gegroeid, in hun kamers waarin ze verzamelden wat ze mee zouden nemen, hun herinneringen. Nu ze weg zijn kijk ik uit hun ramen en zie precies dat zelfde uitzicht, precies die zelfde wereld van twintig jaar her, toen ik hier kwam wonen.
III Zijn jas Mijn vader J was nog maar net gestorven toen mijn moeder A zijn nieuwe regenjas voorzichtig van de kapstok nam. Pas eens, zei ze, hij was er zo trots op. Daar stond ik dan en voelde aan de mouwen en bij het sluiten van de knopen hoe dood hij was en hoe ver weg mijn jeugd. Oud en zwak zou ik worden, in deze plooien zou mijn huid gaan hangen om mijn knoken.
Onder de appelboom Ik kwam thuis, het was een uur of acht en zeldzaam zacht voor de tijd van het jaar. De tuinbank stond klaar onder de appelboom. Ik ging zitten en ik zat te kijken hoe de buurman in zijn tuin nog aan het spitten was, de nacht kwam uit de aarde een blauwend wordend licht hing in de appelboom. Toen werd het langzaam weer te mooi om waar te zijn, de dingen van de dag verdwenen voor de geur van hooi, er lag weer speelgoed in het gras en verweg in het huis lachten de kinderen in het bad tot waar ik zat, tot onder de appelboom. En later hoorde ik de vogels van ganzen in de hemel hoorde ik hoe stil en leeg het aan het worden was. Gelukkig kwam er iemand naast mij zitten, om precies te zijn jij was het die naast mij kwam onder de appelboom, zeldzaam zacht en dichtbij voor onze leeftijd.
Uit: 'Geduldig gereedschap' (1993) Wij stonden bij de zee, en inderdaad, de kade gaf dat gevoel van een kade. Nog één keer iets zeggen, dat gezicht zien, die stem horen, iets zeggen, ach god, dat soort heimwee, nog voor het zover is, we stonden daar maar. Waar zijn we, zei ze. Hier, zei ik, dit is de zee, en achter ons in het land wonen nog de mensen en graast het vee. Maar alleen haar voeten kenden deze wereld nog, haar voeten dwaalden over al dat water, alsof ze alleen daar zocht naar haar herinneringen, alleen daar, en ik, ik zocht in haar gezicht, het keek mij aan, grijs en eindeloos als de zee zelf
De moeder het water Ik ging naar moeder om haar terug te zien. Ik zag een vreemde vrouw. Haar blik was wijd en leeg, als keek zij naar de verre overzijde van een water, niet naar mij. Ik dacht: misschien - toen ik daar stond op het gazon, pilsje gedronken in de kantine van het verpleegtehuis, de tijd ging langzaam in die godvergeten eenzaamheid - misschien zou 't goed zijn als nu Psalmen klonken. Het was mijn moeder, het lijfje dat daar roer- loos stond in 't gras, alleen haar dunne haren bewogen nog een beetje in de wind, als voer zij over stille waatren naar een oneindig daar en later, haar God. Er is geen God, maar ik bezwoer Hem Zijn gelofte na te komen, haar te bewaren.