Een andere dichter waar ik graag een paar gedichten van op m'n site wil zetten, is
      Jean Pierre Rawie (1951).
      Hij hoort al heel wat jaren tot m'n favorieten en degenen die mij (een beetje) kennen,
      zullen wel begrijpen waarom... En degenen die mij niet kennen, kunnen daar door o.a. 
      hier te lezen wat verandering in brengen...

                                                                                   
                                                            Ritueel

                                                            Ik houd het kleine ritueel in ere,
                                                            opdat je elk moment terug kunt keren.

                                                            Iedere dag, wanneer het avond wordt,
                                                            maak ik de tafel klaar: een extra bord,

                                                            bestek, je eigen stoel, een kaars, een glas,
                                                            alsof je enkel opgehouden was.

                                                            Ik hoor (hoe kon ik denken dat hetgene
                                                            waardoor ik ben, voor altijd was verdwenen ?),

                                                            ik hoor, alsof de woning nog bestond,
                                                            het grind, de klink, het aanslaan van de hond,

                                                            en je komt binnen op het ogenblik
                                                            dat ik de lamp ontsteek, de bloemen schik.

                                                            Ik hoop alleen dat ik dan rustig blijf
                                                            en haast niet opziend van mijn stil bedrijf

                                                            de woorden vind, als was het vanzelfsprekend:
                                                            Schuif aan ; tast toe: er is op je gerekend.

       

       No Second Troy

       Ik heb een vrouw bemind, die best
       een tweede Troje zou verdienen,
       en die door drank en heroïne
       onder mijn ogen werd verpest.

       Tot ziekbed kromp het liefdesnest,
       en ik zou zachtjes willen grienen,
       omdat alleen dit clandestiene
       sonnetje van ons tweeën rest.

       Zo'n veertien regeltjes waarmee je
       een tipje van de sluier licht,
       wat zout om in de wond te wrijven.

       Wat zijn dat toch voor waanideeën,
       dat je, verdomd, in een gedicht
       'de dingen van je af kunt schrijven'?                     

                                                                                                    Mijn Heer, voorwaar een dag uit duizenden:
                                                                                                    ziek en beschonken, bespot en bedrogen.
                                                                                                    - Gij weet: Uw goedheid doet mij duizelen,
                                                                                                    maar zou het af en toe wat minder mogen.
        

        Verstokt rondeel

        Nog nooit getrouwd, maar vaak gescheiden,
        een hoop gelazer en getob ;
        toch ken ik nog de harteklop
        van elke vrouw waar ik mee vrijde.

        Ik schreef gedichten tussenbeide,
        maar loste het probleem niet op:
        nog nooit getrouwd, maar vaak gescheiden,
        een hoop gelazer en getob.

        Hoe dikwijls trok ik niet ten strijde
        en keerde met bebloede kop
        weerom, gesjochtener dan Job ?
        - Toch blijf ik mij mijn passie wijden,
        nog nooit getrouwd, maar vaak gescheiden.


       Madenballade

         De laatste snik, het uitvaartritueel,
         de al dan niet bedroefde nabestaanden -
         doch verder lijkt er niet zo bijster veel
         meer in en om de verse groeve gaande.

         Maar schijn bedriegt: als wij er zijn geweest
         en afgelegd zijn in een witte wade,
         begint het pas, het eigenlijke feest
         voor de op ons karkas beluste maden.

         Er is nog heel wat leven ondergronds,
         als wij tot slot voorgoed de ogen sluiten:
         de maden lusten wel gehakt van ons,
         ze kennen ons van binnen en van buiten.

         Waar eens gedacht werd en waar werd gevoeld,
         waar eens gestreefd werd naar de grootste daden,
         niets blijft ervan dan dat het er krioelt
         van vette onverzadigbare maden.

         Het hart dat klopte voor een lieve vrouw,
         de hersens die ons niets dan zorgen gaven,
         de maden lusten heel die troep wel rauw
         nadat men ons vakkundig heeft begraven.

         Wat ik hier zing is akelig en naar,
         want allen wacht hetzelfde lot ten leste.
         - Ook maden moeten leven weliswaar,
         maar misschien is cremeren toch het beste.       
                                                                                             
                                                                                                Kleine Liefdesverklaring

                                                                                                Ik ben al bijna dood, en ik
                                                                                                zal nooit aan mensen wennen;
                                                                                                zo meen ik ook geen ogenblik
                                                                                                je werkelijk te kennen,

                                                                                                maar soms, tezamen in het huis
                                                                                                en in één bed tezamen,
                                                                                                met het behoedzame geruis
                                                                                                van regen langs de ramen,
 
                                                                                                heb ik wel eens een kort moment
                                                                                                gedacht dat ik doorgrondde
                                                                                                hoe ondoorgrondelijk je bent,
                                                                                                en dat al veel gevonden.
        
        Vervulling

        Nu zelfs mijn natste jongensdromen
        zo stuk voor stuk zijn uitgekomen,
        besef ik hoe genadeloos
        het leven mij heeft beetgenomen.
                                                                                    
                                                                                         Drie variaties op een thema
                                                                                                                                              Adde merum !
                                                                                                                                                           Tibullus

                                                                                   I     Ik ga, ofschoon de mensen en de drank er
                                                                                         bedroevend zijn, in een café voor anker;
                                                                                         wat maakt het immers uit waar of ik wacht
                                                                                         op wereldoorlog, hartaanval of kanker ?

                                                                                  II     Wij zijn niet dan bedroefd en stervenskrank
                                                                                          en gaan aan velerlei gebreken mank;
                                                                                          wie heeft er nog het lef ons te verwijten
                                                                                          dat wij onszelf verliezen in de drank ?

                                                                                  III    Ik wis de wijn en tranen uit mijn baard.
                                                                                          Was zulk een avond wel zo'n ochtend waard ?
                                                                                          Ik heb mij zo te zien met open ogen
                                                                                          opnieuw op mijn illusies blindgestaard.
       
        De poezen

        De poezen liggen zoet- en moegestoeid
        tegen elkaars vervloeide zachtheid aan,
        en de abstractie van uw voortbestaan
        laat ze betrekkelijk ongemoeid.

        Maar mij - ik heb al vaker dwaas gedaan
        en ben de ergste dwaasheden ontgroeid;
        al hebt u mij ten dode toe vermoeid,
        ik ben te moe om dood te gaan.

        Ik leef van ondergang tot ondergang;
        alsof ik niet weer alles had verspeeld
        streel ik de poezen die u hebt gestreeld.

        Er zijn hun heel wat levens toebedeeld,
        maar verder toont het beeld geen samenhang:
        mijn leven duurt levens te lang.
                                                                                                   

                                                                                                        Afgezien van een schaars moment
                                                                                                        zonder zorg om vrouwen  of geld,
                                                                                                        heb je tot dusver welgeteld
                                                                                                        één week van echt geluk gekend.

                                                                                                        Je wordt voortdurend (maar dat went)
                                                                                                        door slapeloosheden gekweld.
                                                                                                        Terecht wordt daarom vastgesteld
                                                                                                        dat je een vrolijk baasje bent.
 
                                                                                                        Dat is ook zo: je danst en springt
                                                                                                        de ganse nacht in het café
                                                                                                        en flirt en vrijt met elke meid.

                                                                                                        De reden dat je zoveel drinkt
                                                                                                        kun je goddank aan niemand kwijt.
                                                                                                        Het valt dus allemaal best mee.

                                                                                   
                                                                               Spanjaardslaan

                                                                              Al had je er ook verder niets te zoeken,
                                                                              het loonde zich naar Leeuwarden te gaan
                                                                              alleen om de begraafplaats te bezoeken,
                                                                              de dodenakker aan de Spanjaardslaan.

                                                                              Achter het hek met de schedels op de hoeken
                                                                              en het pendante middeleeuws vermaan,
                                                                              verzakte zerken, zuilen, stenen boeken,
                                                                              steun zoekende tegen elkander aan.

                                                                              De meeste teksten zijn niet meer te lezen,
                                                                              maar alles is je blindelings bekend:
                                                                              Wat ik nu ben zul jij ook eenmaal wezen
                                                                              zoals ik eenmaal was wat jij nu bent.

                                                                              Doch al die dood wordt door een eeuwig leven
                                                                              zacht ruisend overgroeid en overgroend,
                                                                              zozeer, dat wie hier rondgaat zich weer even
                                                                              zelfs met het onverzoenelijke verzoent.
       
   
        Sterfbed

        Mijn vader sterft ; als ik zijn hand vasthoud,
        voel ik de botten door zijn huid heen steken.
        Ik zoek naar woorden, maar hij kan niet spreken
        en is bij elke ademtocht benauwd.

        Dus schud ik kussens en verschik de deken,
        waar hij met krachteloze hand in klauwt ;
        ik blijf zijn kind, al word ik eeuwen oud,
        en blijf als kind voor eeuwig in gebreke.

        Wij volgen één voor één hetzelfde pad,
        en worden met dezelfde maat gemeten ;
        ik zie mijzelf nu bij zijn bed gezeten

        zoals hij bij zijn eigen vader zat :
        straks is hij weg, en heeft hij nooit geweten
        hoe machteloos ik hem heb liefgehad.


       Behalve 'Ritueel', 'Spanjaardslaan' en 'Sterfbed' komen bovenstaande gedichten uit de
       bundel 'Oude Gedichten', een bundel die ik, evenals de andere bundels 
       van Jean Pierre Rawie, van harte kan aanbevelen...

         Naar de knoppen !