

Schilderij Nicole Etienne
In de verzamelbundels met 'echte dichters' zul je hem niet tegenkomen...
Maar ja, dan had hij zelf z'n gedichten maar geen 'versjes' moeten noemen...
De kans dat z'n schilderijen in het Rijksmuseum komen te hangen is vrij klein,
want daarvoor ontbrak hem de behoefte om ze 'op te blazen'...
En ik ben bang dat het ook nog wel even zal duren, voordat hij tot de filosofen van
de twintigste eeuw zal worden gerekend...
Misschien maar goed ook. Wanneer iedereen bij de naam 'Toon' onmiddellijk weet wie
en wat je bedoelt...waarom zou je er dan nog een etiket bijplakken !?!
Ik beperk me tot een kleine selectie uit Toon's gedichten....
Alhoewel het eerste versje het meest verkochte 'tegeltje' is, vind ik dat het toch niet mag
ontbreken...omdat de inhoud zo waar is, dat het soms pijn doet...
Vriend
Je hebt iemand nodig,
stil en oprecht,
die als het erop aan komt
voor je bidt of voor je vecht.
Pas als je iemand hebt,
die met je lacht en met je grient,
dan pas kun je zeggen:
'k heb een vriend.
Maar laat ik verder mijn mond houden en 'de versjes' hun eigen verhaal laten vertellen...
Geluk
Geluk is geen kathedraal,
misschien een klein kapelletje.
Geen kermis luid en kolossaal,
misschien een carrouselletje.
Geluk is geen zomer van smetteloos blauw,
maar nu en dan en zonnetje.
Geluk dat is geen zeppelin,
't is hooguit 'n ballonnetje.
Politiek
Politiek is handjes drukken,
dreigen, sjoemelen en bukken,
katten uit de bomen kijken,
overreden, over-lijken,
schipperen of schaakmat zetten,
lange speeches, korte metten,
witte voetjes, pan uit vegen,
passen, meten, wikken, wegen,
lachjes, dansjes, judas-kusjes,
loeren draaien, dooie musjes,
veel beloven, vleien, paaien,
de kunst om, om iets heen te draaien,
d'r is geen liefde, regelrecht,
en daar is alles mee gezegd.
Voor een vriend
Nu 't rouwrumoer rondom jou is verstomd,
de stoet voorbij is, de schuifelende voeten,
nu voel ik dat er 'n diepe stilte komt
en in die stilte zal ik je opnieuw ontmoeten.
En telkens weer zal ik je tegenkomen,
we zeggen veel te gauw: het is voorbij.
Hij heeft alleen je lichaam weggenomen,
niet wie je was en ook niet wat je zei.
Ik zal nog altijd grapjes met je maken,
we zullen samen door het stille landschap gaan.
Nu je mijn handen niet meer aan kunt raken,
raak je mijn hart nog duidelijker aan.
Zo'n idee
Er moet toch 'n plek zijn, 'n land of 'n rijk,
waar iedereen happy is, ied'reen gelijk.
Er moet toch zo'n plek zijn, of dacht je van nee,
ik weet het niet zeker , maar ik heb zo'n idee.
Er moet toch zo'n plek zijn, heel ver hier vandaan,
daar kookt nooit iets over, daar brandt nooit wat aan,
geen vel op de melk en geen vlieg in je thee,
ik weet het niet zeker, maar ik heb zo'n idee.
Er moet toch 'n plek zijn, misschien wel heel hoog,
daar krijg je in 't bad nooit meer zeep in je oog.
D'r is altijd plezier en papier op de plee,
ik weet het niet zeker, maar ik heb zo'n idee.
Er moet toch 'n plek zijn, vèr weg zeggen ze,
daar glijdt nooit je broek van je kleerhangertje.
Het kan er niet tochten en d'r is geen TV,
ik weet het niet zeker, maar ik heb zo'n idee.
Er moet toch 'n plek zijn, zo kinderlijk speels,
daar loopt nooit de rits van je gulp uit de rails.
En niemand is hongerig en niemand blasé,
ik weet het niet zeker, maar ik heb zo'n idee.
Er moet toch een plek zijn van 'n ander allooi,
ver weg van de haat en het kleine geklooi.
Geen roddels, geen pijn en geen ach en geen wee,
ik weet het niet zeker, maar ik heb zo'n idee.
En als je daarboven opnieuw bent ontwaakt,
en je denkt, wat heb ik me te sappel gemaakt,
dan begrijp je de sores die je had hier benée,
ik weet het niet zeker, maar ik heb zo'n idee.
Daar is alles anders, de poen en de sex,
je gaat er ook heen zonder traveller-cheques.
Maar als er één gaat, roep je nooit 'mag ik mee,'
want ik weet het niet zeker, maar ik heb zo'n idee.
Verzinnen
Ik heb in de zomer bomen verzonnen
van goud met zilveren belletjes
en kronen op hun kruin met diamanten
die schitterden in de zon.
In de winter heb ik prachtige paarden gemaakt
van vers gevallen sneeuw
en zij draafden over de bergtoppen
en dansten in het dal met wapperende sneeuwmanen
en zwierige staartguirlandes.
Ik heb in de herfst vuur aangestoken
in vlammend vermiljoen blad -
en zilveren regens joeg ik over het platteland -
en de zotte pijpestelen
braken in goddelijke gruzelementen
en rolden door polders en winkelstraten
en in de lente heb ik licht opgericht
van het lichtblauw van kinderogen -
zó helder... zó nieuw -
dat iets zo nieuw kon zijn
heb ik nooit geweten
en tòch bleef de leegte...
omdat ik haar niet verzinnen kon.
Impasse
De man was moe, hij zag het leven niet meer zitten,
hij zag zichzelf alleen maar zitten op zijn stoel.
Hij had geen kracht meer om z'n tuintje om te spitten
en kreeg een grenzeloos, vereenzaamd, leeg gevoel.
Toen heeft hij heel lang aan zijn kamerraam gezeten,
alsof hij wachtte op een teken, een geluid
van buitenaf dat hem weer nieuwe kracht zou geven,
maar tevergeefs keek hij er elke dag naar uit.
Zo heeft hij héél lang aan dat stille raam gezeten,
de tuin werd groen en toen weer grijs en toen weer groen,
totdat hij godzijdank tenslotte heeft begrepen
dat er geen teken kwam... dat hij het zelf moest doen.
Het Àl
Ik ben de zon, de maan, ik ben de regen,
'k ben onbeschrijfelijk, niet te meten noch te wegen.
Ik ben rivieren, ik ben zeeën, bliksem, donder,
ik ben de kleine mens, maar wèl het grote wonder.
Ik ben het water en de vruchten en het koren,
het leven dat uit àlle leven wordt geboren.
Ik ben het allemaal - de wijze en de zot
en in mijn kleinheid schuilt iets van een Grote God.
Genoeg gepraat
Genoeg gepraat, genoeg beweerd,
ze blijft, dezelfde pijn,
we hebben het mensdom zelf versteerd,
nu moet het pauze zijn.
Een pauze van een jaar of tien
en van volkomen zwijgen,
dan heb je kans dat we misschien
een nieuwe wereld krijgen.
Dan heb je kans dat het ons lukt,
misschien komt alles goed,
als niemand meer een letter drukt
of zeggen zal hoe 't moet.
Pennen
Pennen kunnen op papier
schreeuwen, vloeken, ketteren,
kunnen ook met veel bravourre
schallen en trompetteren,
maar ze kunnen ook heel zacht
een stil verdriet genezen,
met woorden die je nu en dan
nóg es 'n keer wilt lezen.
Het leven
Het leven stoot je om en helpt je op,
als een horzel steekt het je
en het streelt je als je geliefde
Het versiert je huis
met de guirlandes van het voorjaar
en het doet je vluchten voor de kou
Het jaagt je angst aan
in het holst van de nacht
en zegent je
met de heldere genade van het morgenlicht
Het vult je hart tot aan de rand
met blijdschap
en doet je schreien als een kind
Het rumoert in je
met haar zinnelijke bombardon
en het fluistert je een schietgebedje in
als je aan sterven toe bent
O wonder
dat ik onnozele
dit grandioze leven leven mag
Ongehoord
Wat ik niet zeggen kan
en niet kan schrijven
zal ergens diep in mij
toch bij me blijven
Ongehoord
maar in een lieve duisternis
verbergt zich iets
dat meer dan woorden is
Samenleving
Ingekapseld, opgesloten,
bang geworden voor elkaar,
trekt de stille tocht solisten
langs de drukke boulevaar.
Ieder met z'n eigen dromen,
ieder met z'n eigen plan,
ieder met z'n eigen kinderen,
met z'n eigen vrouw of man.
Zoiets noem je 'samenleving',
flauwekul, vergeet het maar,
ingekapseld, opgesloten,
bang geworden voor elkaar.
Denken
Eerst dacht ik: 'niet aan denken',
Dat heb ik toen gedaan,
maar twee seconden later,
dacht ik er tòch weer aan.
Nee, zo eenvoudig is dat niet,
want weet je, wat je doet,
je denkt er óók aan als je denkt
dat j'er niet aan denken moet.
Masker
Dit is het grote carnaval
van levenloze leuzen
het masker kijkt het masker aan
de dwergen zijn de reuzen
de glitterdomheid loopt voorop
en hupt met 'n corrupte pop
wat licht lijkt, dat is duisternis
want niets is, wat het waarlijk is
't is louter fake en haat en nijd
de dans is leugenachtigheid
doorheen de blije deun van 't bal
schijnt 'n verfomfaaid tranendal
Bomen
als ik de bomen zie
gemaakt van hetzelfde leven
maar dan met stam en tak en twijgen
als ik de bomen zie
dan luister 'k altijd even
naar hun fantastisch zwijgen
ik heb de storm zien komen
hij sloeg ze half kapot
verstild zag ik ze dromen
of dansen, zomerzot
ik zag hun angstig beven
in donker en in licht
en zie mijn eigen leven
in hun verweerd gezicht
'n Beetje
Sterven doe je niet ineens,
maar af en toe 'n beetje
en alle beetjes die je stierf,
't is vreemd, maar die vergeet je,
het is je dikwijls zelfs ontgaan,
je zegt ik ben wat moe,
maar op 'n keer dan ben je aan
je laatste eindje toe.
Moed
Franciscus van Assisi heeft ooit gezegd:
'Wij hebben een bepaalde mate van moed nodig
om gelukkig te zijn.'
Wie het leven van deze begenadigde mens kent
weet dat hij de moed had om afstand te doen
van alles wat hij bezat.
Er is moed voor nodig om jezelf te vinden.
En nòg meer moed om in jezelf God te vinden
zoals Franciscus dat deed.
Dood
'k Heb voor de dood al meer dan eens
een lief gedicht geschreven
ik neem hem wel eens op m'n schoot
hij hoort zo bij het leven
ik weet hoe bang ik was als kind
wat heb ik 'm geknepen
hij was m'n vijand, nu mijn vrind
nu heb ik hem begrepen
hij heeft mij zijn geheim verteld
en zo ben ik m'n angst ontgroeid
voor mij is hij een open veld
waar hemelhoog het voorjaar bloeit
Wereld
we weten 't allemaal, 't is er een bende
't is er te eng, en te vijandig en te vol
het is in hoofdzaak grote rotzooi en ellende
op onze groene, blauwe, grijze, grauwe bol
't is haat en nijd, elkaar de pas afsnijden
en door de steden raast een 'rücksichtlos' geweld
maar of we vloeken, vechten, vallen, lachen, lijden
er staan weer altijd boterbloemen in het veld
er zijn nog immer die momenten van vervoering
al lijkt dat bolletje ook nòg zo negatief
tussen de puinhoop schemert altijd de ontroering
van mensen die nog zachtjes zeggen: 'k heb je lief
Leven
mijn leven is oneindig groot
de hele mensheid woont erin
als het alléén mijn leven was
dan had het hoegenaamd geen zin
Liedje
'n dag zonder jou
is een tuin zonder bloemen
een dag zonder jou
kun je geen dag meer noemen
een dag zonder jou
is een dag zonder licht
en dáárom is zo'n dag
geen gezicht
het huis is leeg en koud
als ik je stem niet hoor
de tafels, stoelen en het bed
het stelt geen moer meer voor
een boom zonder takken
'n hemel zonder blauw
m'n lief - dat is een dag
zonder jou
Gedichtje
hij schreef een klein gedichtje
het had niet veel om handen
maar het had iets van een lichtje
dat in het donker brandde
Dag God
Hij schiep het licht
noch traag, noch vlug,
gaf ogen zicht
aan mens en mug,
hing sterren op
aan het plafond,
'n witte maan
'n rode zon,
nu zit Hij op zijn hemeltroon,
ik zeg: 'dag God',
Hij zegt: 'dag Toon'.
Toon, bedankt voor alles !
Ennuh...laat ze daarboven ook eens lachen...
Naar de knoppen !