In 1957 schreef Annie M.G. Schmidt het volgende gedicht:

     Een dichter

     Piet Pluimers wou het liefste verzen schrijven
     over wat late rozen in de zon.
     Hij was een dichter en wou het blijven.
     Hij schreef sonnetten toen hij pas begon.

     Het rijmde ook. Maar and're dichters zeiden:
     je mag niet rijmen joh, 't is geen gezicht !
     Je moet zorgvuldig alle rijm vermijden,
     want een gedicht dat rijmt is geen gedicht.

     En dan dat metrum ! Dat is uit de mode.
     't Mag niet van rál de ral de rál de ral.
     Punten en komma's, jongen zijn verboden.
     En denk erom: geen hoofdletters overal.

     En nooit een hele zin. Alleen maar brokken.
     En rozen mógen wel een keer, maar dan
     slechts in verband met baarmoeders en sokken
     en zó dat niemand het begrijpen kan.

     't Is maar een weet, we zeggen 't je maar even.
     Piet had het spoedig door en hij zei: o.
     Hij heeft diezelfde dag een vers geschreven,
     zijn eerste echte vers. En dat ging zo:

     ik drijf spelden van wanhoop
     in de huid van je
     grutten wezenloos
     woezie woezie 17 en
     klaan uit je klukhaar versuikeren
     bleke bliezen in schedels met spuigaten
     vol blauw gehakt

     En toen zei iedereen: dat is reusachtig !
     En Paul Rodenko schreef een heel lang stuk
     in Maatstaf om te laten zien hoe prachtig
     het was. Vooral dat 'woezie' en dat 'kluk'.

     Alleen Piet Pluimers zelf was niet tevreden.
     Hij wou zo graag eens rijmen, want helaas,
     hij heeft nu eenmaal 't rijm onder z'n leden.
     Maar nee, hij mag alleen met Sinterklaas.

     En hij wou graag één keer een komma zetten.
     Ach Piet ! Over tien jaar slaat het om !
     Dan rijmt men weer. Dan maakt men weer sonnetten.
     Dan gaat het weer van póm de róm de róm.

     
     
     In een tijd, dat nog steeds veel dichters zonder  'eerste laag' schrijven en er maar vanuit 
     gaan dat hun lezers/lezeressen de mogelijk bewust aangebrachte tweede, derde, enzovoorts
     lagen wel zullen willen en kunnen ontdekken, gruwen van vorm en het experimenteren
     tot hoofddoel gemaakt hebben, zijn er ook nog steeds een aantal dichters en dichteressen
     gebleven die tegen deze modieuze stroom zijn blijven inroeien... al dan niet gebruikmakend
     van de humoristische, vaak grimlachende, variant.
     Enkele namen: Lévi Weemoedt, Jan Boerstoel, Jan Kal, Gerrit Komrij, Jean Pierre Rawie
     en..... Willem Wilmink.
     Van laatstgenoemde wil ik hier enkele gedichten neerzetten. Wederom, niet om op een
     gemakkelijke wijze weer een pagina aan m'n site toe te voegen, maar om bezoek(st)ers,
     die wellicht denken 'gedichten, da's niets voor mij' en die zichzelf daarmee ernstig tekort 
     doen, zover te brengen, dat zij toch ook eens een dichtbundel meenemen bij hun volgende
     bezoek aan bibliotheek of boekwinkel. Zeker bij Willem Wilmink: de keuze is groot !

          

     Vader

     Vader kocht ooit
     een verzameld werk:
     een bundel gedichten
     van degelijk merk.

     Bij wat hij mooi vond
     zette hij strepen
     een enkele keer
     een uitroepteken.

     Bij tijd en wijle
     herlees ik die
     zeer summiere
     biografie :

     In een code
     van strepen en stippen
     steeg het water 
     hem naar de lippen.

                                                            
                                                                    Ben Ali Libi 

                                                                    Op een lijst van artiesten, in de oorlog vermoord,
                                                                    staat een naam waarvan ik nog nooit had gehoord,
                                                                    dus keek ik er met verwondering naar:
                                                                    Ben Ali Libi. Goochelaar.

                                                                    Met een lach en een smoes en een goocheldoos
                                                                    en een alibi dat-ie zorgvuldig koos,
                                                                    scharrelde hij de kost bij elkaar:
                                                                    Ben Ali Libi, de goochelaar.

                                                                    Toen vonden de vrienden van de Weduwe Rost
                                                                    dat Nederland nodig moest worden verlost
                                                                    van het wereldwijd joods-bosjewistisch gevaar.
                                                                    Ze bedoelden natuurlijk die goochelaar.

                                                                    Wie zo dikwijls een duif of een bloem had verstopt,
                                                                    kon zichzelf niet verstoppen, toen er hard werd geklopt.
                                                                    Er stond al een overvalwagen klaar
                                                                    voor Ben Ali Libi, de goochelaar.

                                                                    In 't concentratiekamp heeft hij misschien
                                                                    zijn aardigste trucs nog wel eens laten zien
                                                                    met een lach en een smoes, een misleidend gebaar,
                                                                    Ben Ali Libi, de goochelaar.

                                                                    En altijd als ik een schreeuwer zie
                                                                    met een alternatief voor de democratie,
                                                                    denk ik: jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar
                                                                    voor Ben Ali Libi, de goochelaar.

                                                                    Voor Ben Ali Libi, de kleine schlemiel,
                                                                    hij ruste in vrede, God hebbe zijn ziel.
                                                                                       

                                                 Achterlangs 

                                               De meeste treinen rijden achterlangs het leven.
                                               Je ziet een schuurtje met een fiets ertegenaan.
                                               Een kleine jongen is nog op, hij mag nog even.
                                              Je ziet een keukendeur een eindje openstaan.
                                              Als je maar niet door deze trein werd voortgedreven,
                                              zou je daar zonder meer naar binnen kunnen gaan. 

                                              Zodra de schemer was gedaald, 
                                              was je niet langer meer verdwaald. 

                                              En je ontmoette daar niet eens verbaasde blikken.
                                              Je zou toch komen? Iedereen had het vermoed.
                                              Ze zouden even haast onmerkbaar naar je knikken, 
                                              want wie verwacht is wordt maar nauwelijks begroet.
                                              Je zou je zomaar aan hun tafel kunnen schikken
                                              en alle dingen waren plotseling weer goed. 

                                              Zodra de schemer was gedaald, 
                                              was je niet langer meer verdwaald. 

                                              Je hoefde daar geen druppel alcohol te drinken,
                                              want grenadine zou smaken als cognac. 
                                              Je zag het haardvuur achter micaruitjes blinken, 
                                              er kwam een merel zitten zingen op het dak. 
                                              En die paar mensen die je nooit hebt kunnen missen,
                                              kwamen daar binnen met een lach op hun gezicht.
                                              Je zou je voortaan nooit meer in de weg vergissen,
                                               je deed het boek van alle droevenissen dicht. 

                                              Maar ach, de trein is doorgegaan 
                                              en kilometers daarvandaan.


                                                                                               

                                                                                               Televisie
                               
                                                                                               Men was allang vergeten dat het kon,
                                                                                               maar het gebeurde: met een zacht gereutel
                                                                                               stierf de TV. Het sprekend paard verbleekte,
                                                                                               het licht werd opgestoken en de vader
                                                                                               aanzag zijn zoon, die bij een storing werd verwekt
                                                                                               en zei: wat ben je oud geworden, jongen.

                                                           
                                                                     Allerzielen

                                                                     Soms loopt er door een drukke straat
                                                                     ineens een oude kameraad
                                                                     of reisgenoot.
                                                                     Je weet zodra je hem begroet:
                                                                     het kan niet dat ik hem ontmoet,
                                                                     want hij is dood.

                                                                     Eerst ben je nog een tijd verbaasd
                                                                     omdat die levende toch haast
                                                                     die dode was.
                                                                     Heb je de zaak dan afgedaan,
                                                                     dan komt er weer zo'n dode aan,
                                                                     met flinke pas.

                                                                     Thuis van het dodencarnaval
                                                                     zie je de spiegel in de hal,
                                                                     je schrik is groot:
                                                                     die man daar in het spiegelglas,
                                                                     met die bekende regenjas,
                                                                     was die niet dood ?
                         

       Een vreemde tijger

       Hoe kan men een zoon van vijf
       troosten  voor doodsgedachten ?
       Alle bedenksels falen,
       behalve de reïncarnatie.

       Dus oude oma is nu
       een tijger ?

       Ja jongen, maar niet in Artis,
       niet in een kooi,
       niet een tijger die ijsbeert.

       Zij die haar leven lang leed
       onder de tyrannie
       van geldgebrek, echtgenoot, crisis,
       roddel en burenruzies,
       die verzoend heeft en vergoelijkt,
       die doof was voor alle kwaad
       en tenslotte voor Alles doof was,

       zij is een tijger met gruwelijk felle,
       gruwelijk mooie ogen,
       en wee de man in de wildernis
       die haar ontmoet:
       opgevreten is hij,
       eer hij beseft dat er iets op hem toespringt.

       Een vreemde tijger is het,
       een tijger die soms een wonderlijke 
       droom heeft: een pasgedweild stoepje,
       een pijpenrek met de woorden
       'Het is geen man
       die niet roken kan'.

       Maar een sterke tijger:
       die de droom van zich afschudt als regen
       en met lange trefzekere sprongen
       het dier bereikt of de jager
       of de pelgrim bij de rivier.

       Een tijger zonder genade.
       Een tijger die wraakneemt. 
                                                                                                  

                                                                                             Echtpaar in de trein
                                                                                                            (voor Wobke)

                                                                                             Met de allerliefste in een trein
                                                                                             kan aangenaam en leerzaam zijn.
                                                                                             De prachtig vormgegeven stoel
                                                                                             geeft allebei een blij gevoel.

                                                                                             Voor 't verre reisdoel kant en klaar
                                                                                             zit ik dus tegenover haar.
                                                                                             De trein maakt zijn vertrouwd geluid
                                                                                             en zij rijdt vóór- , ik achteruit.

                                                                                             We zien dezelfde dingen wel,
                                                                                             maar ik heel traag en zij heel snel.
                                                                                             Zij kijkt tegen de toekomst aan,
                                                                                             ik zie wat is voorbijgegaan.

                                                                                             Zo is de huwelijkse staat:
                                                                                             de vrouw ziet wat gebeuren gaat,
                                                                                             terwijl de man die naast haar leeft
                                                                                             slechts merkt wat zijn beslag al heeft.

                                                                                             Van nieuw begin naar nieuw begin
                                                                                             rijdt zij de wijde toekomst in,
                                                                                             en ik rij het verleden uit.
                                                                                             En beiden aan dezelfde ruit.
     
      

     Angst voor geluk

     Soms in de nacht als je naast me ligt,
     als je naast me ligt met je meidengezicht,
     dan heb ik je weer zo lief.
     En ik denk met trots aan ons kleine gezin,
     en ik denk: er zit wel samenhang in,
     het biedt wel perspectief.

     Daar komen nare gedachten van:
     dat het zo niet altijd maar duren kan,
     het is allemaal veel te fijn.
     Nu is mijn bedje wel gespreid,
     maar deze kinderen, deze meid
     zijn te mooi om waar te zijn.

     Wat maken we misschien nog allemaal mee,
     misschien ga jij met een ander in zee,
     met een zwaarbehaarde man.
     Of slepende ziekte of ander kruis
     komt over de wereld of over ons huis,
     en maakt er een puinhoop van.

     Dat denk ik dan. Maar de volgende dag
     geeft een ruzie die er wezen mag,
     een fraai stuk burengerucht.
     En al die gedachten, mijn lekker stuk,
     aan ziekte en ontrouw en ongeluk
     slaan ratelend op de vlucht.

                                                                                 

                                                                                           Heimwee ?

                                                                                           Waarom trekt men een droef gezicht
                                                                                           als een rijnaak met een klein licht
                                                                                           de nacht invaart ?
                                                                                           Waarom stemt een rangeerterrein
                                                                                           melancholiek, en wordt een trein
                                                                                           lang nagestaard ?

                                                                                           Ik had als kind een huis en haard
                                                                                           en voor mijn toekomst werd gespaard
                                                                                           en in die kring
                                                                                           heb ik 't zigeunervolk benijd
                                                                                           dat zonder doel of zekerheid
                                                                                           langs 't koren ging.

                                                                                          Heimwee… hoe komt iemand erbij
                                                                                          als hij nog woont in 't huis waar hij
                                                                                          geboren is ?
                                                                                          Wat is er dat hem denken doet
                                                                                          dat iets heel dierbaars al voorgoed
                                                                                          verloren is ?
                                                   

                                                             Opa

                                                             Opa keek vaak in onze tuin
                                                             naar die zeven sprietjes gras,
                                                             en daar zag opa dan een koe
                                                             die er helemaal niet was.

                                                             En later, in het ziekenhuis,
                                                             kon hij verwonderd vragen 
                                                             waarom ze toch de buitenmuur
                                                             uit zijn kamer hadden geslagen.

                                                             Voor opa was het doodgaan
                                                             dus niet zoiets als nacht:
                                                             het was de steeds grotere ruimte
                                                             die hij voor zichzelf had bedacht.

     

     Enschede huilt

     Een buurt, die wel veel zorgen had,
     maar die ook vol verhalen zat,
     vol humor en gezelligheid,
     die buurt zijn we voor eeuwig kwijt.

     Daar waar het vol van kinderen was,
     verschillend van geloof en ras,
     maar in hun spel gelijkgezind-
     loopt nu geen enkel kind.

     In de oorlog stond de stad in brand
     op Pathmos, Zwik en Hoogeland:
     meer dan een halve eeuw nadien
     kun je daarvan nog sporen zien.

     Nu is, in de heerlijke maand mei,
     bij vogelzang, zo vrij en blij,
     de stad opnieuw iets aangedaan
     dat nooit en nooit voorbij zal gaan.

     Arm Enschede, verberg je in
     de armen van je koningin
     en huil, want daar is reden voor
     en huil dan maar aan één stuk door.

     Willem Wilmink
     17 mei 2000

     Willem Wilmink, geboren, getogen en teruggekeerd naar de Javastraat.... in Enschede.
     Mede om gedichten zoals dit laatste hou ik van je !

                                                                                     

     Zondag 3 augustus 2003: Gisteravond overleed schrijver en dichter Willem Wilmink...
     in Enschede...  Ter gelegenheid van de boekenweek van dit jaar bracht hij nog een bundel uit:
     'Je moet je op het ergste voorbereiden'. Met daarin zijn keuze uit zijn gedichten over de dood.
     Na de beroerte die hem ruim acht jaar geleden trof, was hij meer na gaan denken over de dood,
     zich voorstellingen makend van hemel, vagevuur, reïncarnatie, enzovoorts.
     Ik hoop voor hem dat de werkelijkheid zijn mooiste voorstellingen overstijgt...    
     Naar de knoppen !