Søren Kierkegaard

aforismen
 
 
 

Als een politieman een klein vergrijp begaat zet heel het land een keel op. Maar als een journalist zijn macht misbruikt (wiens misgreep juist in de kwantitatieve uitbreiding ligt), kan men hem meestal nog niet eens voor het gerecht dagen.



Het hongerige beest ‘publiek’ moet telkens iets nieuws hebben om over te praten. En de oppassers, de journalisten, geven dat publiek iets om over te praten. Vroeger werd men voor de leeuwen geworpen; nu verslindt het publiek iemand smakelijk nadat hij door de journalisten gebraden is als het lievelingsgerecht van het publiek: geklets!
 
 

Men wordt tegenwoordig schrijver door te lezen, niet meer door zijn originaliteit. En mens wordt men door anderen na te apen. Men is net als al die anderen en ergo is men mens!
 
 

Als de moed niet stijgt met de moeilijkheden, is er van moed helemaal geen sprake.
 
 

Het talent verwekt sensatie, het genie roept tegenstand op.
 
 

Het belangrijkste in een werkelijke gemeenschap is dat iedereen daarin enkeling durft te zijn.
 
 

Elke waarheid is alleen maar waarheid tot op zekere hoogte; komt zij aan haar grens dan komt er een kontrapunt en wordt zij onwaarheid.
 
 

Hoe graag zou ik blijven lezen en lezen; dat is voor mij a.h.w. de weg terug. Maar toch geloof ik dat ik alleen maar verder kom met geduld, op die lange en moeilijke weg waarop ik de dingen zelf moet doordenken.
 
 

Grote genieën zijn eigenlijk niet in staat om een boek te lezen: tijdens het lezen vormen zij meer zichzelf dan dat zij de schrijver verstaan.
 
 

Het vergaat de meeste systeemfilosofen met hun systeem als de man die een groot kasteel gebouwd heeft en er zelf in het koetshuis naast gaat wonen.
 
 

Wat filosofen over de werkelijkheid beweren is vaak even bedrieglijk als wanneer men bij een opkoper een bordje vindt met het opschrift: ‘Hier verzorgt men uw wasgoed’. Stap je dan binnen met je wasgoed, dan blijkt het bordje er alleen maar te liggen om verkocht te worden.
 
 

Men zegt dat de ervaring de mensen wijs maakt. Dat is een kromme redenering. Als er niets hogers dan de ervaring zou bestaan, zou de mens krankzinnig worden.
 
 

De hardste strijd ontstaat niet doordat mening op mening botst, maar als twee mensen hetzelfde zeggen en er over de interpretatie van datzelfde wordt gevochten.
 
 

Waar komt toch dat idiote idee vandaan dat alleen een vermogend man onafhankelijk zou zijn? Waarschijnlijk omdat men het als een fabel beschouwt dat men veel onafhankelijker is als men weet te leven van water en brood en van wortels.
 
 

Toen in Holland de specerijenprijzen eens kelderden, stortten de vele kooplui karrevrachten in zee om zo de prijs weer op te schroeven. Iets dergelijks hebben we nodig in de wereld van de geest.
 
 

De meeste mensen (ook van wie beweerd wordt dat zij denken: professoren e.d.) leven en gaan door in de inbeelding dat zij nog veel meer begrepen zouden hebben, als ze maar langer zouden leven. Maar hoevelen komen tot die rijpheid waar ze dat kritische punt ontdekken waar alles omslaat en waar stijgend begrip gaat betekenen dat men begrijpt dat er iets is dat men niet begrijpen kan?
 
 

Het verschil tussen de mensen ligt alleen in de vraag hoe zij domme dingen zeggen; dát zij ze zeggen is algemeen-menselijk.
 
 

Wat is geleuter? Het is de opheffing van de hartstochtelijke tegenspraak tussen zwijgen en spreken; alleen wie werkelijk zwijgen kan kan werkelijk spreken.
 
 

In het publiek is de enkeling een nul, een nummer; in een ware gemeenschap mag hij zichzelf zijn en precies daar ligt zijn opdracht.
 
 

De taal vervangt het konkrete door het abstrakte. Zo beeldt de mens zich onmiddellijk in dat hij datgene waarvoor hij het woord weet ook feitelijk kent.
 
 

Wat een mens waard is kan men afmeten aan het verschil tussen wat hij inziet en wat hij wil: alles wat daar tussen ligt is excuus en uitvlucht.
 
 

De methode om met behulp van de twijfel tot de filosofie te komen is even doeltreffend als een soldaat te bevestigen op zijn buik te gaan liggen om hem zo rechtop te doen staan.
 
 

Elke hervorming sticht onheil zolang zij niet betrokken blijft op datgene waartegen zij ageerde.
 
 

De ware martelaar kommandeert zelf het peleton dat hem terecht moet stellen.
 
 

Kijk, ook dat is een vorm van aanbidding, dat je ronduit tegen God zegt: ‘Ik houd het niet langer uit steeds maar aan U te denken en daarom ga ik me nu eens fijn ontspannen, want U bent niet zo kleinzielig als ikzelf’.
 
 

Al dat gepraat dat je God moet danken dat je niet in verdrukking leeft wordt heel gauw zelfbedrog. Want God is geen kruidenier die aan de één duur en aan de ander onder de toonbank door verkoopt. Blijkbaar begrijpt men niet dat het hoogste het hoogste is en dat het daarom alleen maar tot elke prijs gekocht kan worden.
 
 

God is geen uitwendige macht die met de vuist op tafel beukt en zegt: ‘Ho, nu zal ik je eens leren!’ Neen, God doet alsof Hij niet eens bestaat, zodat alles aan onszelf wordt overgelaten.
 
 

Je zou van bijgelovigen verwachten dat zij wel genezen als ze herhaaldelijk ervaren dat hun zieke dromen niet in vervulling gaan. Toch krijgen deze steeds meer macht over hen, net als de goklust stijgt naarmate iemand meer verloren heeft.
 
 

Het is beter te geven dan te ontvangen; maar er is meer nederigheid nodig om te ontvangen dan om te geven.
 
 

De hoogste opgave van het menselijk kennen is: te begrijpen dat hij niet begrijpen kan.
 
 

Het christendom heeft elke generatie weer iemand nodig die onvoorwaardelijk-radikaal uitspreekt wat het christelijke is. Als het dan zijn lot wordt door alle dominees te worden uitgelachen en gehoond, dan staat vast dat heel die christenheid louter inbeelding is.
 
 

De verhouding tussen God en mens is doodeenvoudig zo: verlang geen openbaringen e.d. maar begin met de vrijheid te nemen jezelf te zijn. Niet omdat je zelf zo belangrijk zou zijn, maar omdat Gods liefde alle haren op je hoofd al geteld heeft. Hij houdt dus van jou. Handel daar dan ook naar.
 
 

Ook het verstand is een gave Gods, mits men het in vrees en beven gebruikt om de waarheid bloot te leggen.
 
 

Geloven is dat je tot elke prijs aan een mogelijkheid vasthoudt. 
 
 

Het is Socrates net als Jezus vergaan: allemaal bewonderaars en nauwelijks navolgers.
 
 

Er is morele moed voor nodig om iets te betreuren; het eist religieuze moed om blij te kunnen zijn. 
 
 

De grondverwarring in de moderne tijd, die in alles zichtbaar wordt, is: dat men de gapende kloof van het kwaliteitsverschil tussen God en mens heeft dichtgekletst.
 
 

De waarheid mededelen betekent dat je moet lijden; lijd je niet, dan spreek je ook de waarheid niet.
 
 

Telkens als iemand de zaak existentieel één duim verder heeft gebracht, duikt er direct een hele generatie van docenten en sprekers op, die deze vooruitgang weer omzetten in een doctrine, d.w.z. de hele zaak tuimelt weer naar beneden.
 
 

De eerste stelling is: het geloof kan niet begrepen worden; daar kan dan nog bijkomen: ook valt nog te begrijpen dat het niet te begrijpen is. Idem: voor een onvoorwaardelijke inzet kan men geen argumenten geven, hoewel er toch nog argumenten te geven zijn waarom men geen argumenten kan geven.
 
 

Onze tijd is nog te sloom om te ketteren, want een ketterij veronderstelt nog altijd a) genoeg redelijkheid om het christendom te laten zijn wat het is en b) genoeg hartstocht om toch een andere mening te hebben.
 
 

Geloof is zin voor worden, twijfel is verzet tegen elk wilsbesluit om boven lust en begrip uit te stijgen.
 
 

De grootheid van een mens hangt wezenlijk af van de sterkte van zijn Godsverhouding.
 
 

Alle werkelijke hulp begint met deemoed: men moet willen dienen en niet imponeren. Men moet de geduldigste zijn en ook ongelijk kunnen aanvaarden, inzien dat men niet verstaan heeft wat de behoeftige al begrepen had. 
 
 

Maar weinig mensen komen tot die rijpheid waar zij dat kritische punt ontdekken, waar alle waarden omslaan, zodat steeds duidelijker begrepen wordt dat er iets is dat men niet begrijpen kan. Dit is de terugkeer tot het kinderlijke, maar dan tot het kwadraat verheven.
 
 

Hoe meer een mens vergeet tot des te meer gedaanteveranderingen is hij in staat; hoe meer hij zich echter te binnen weet te brengen, des te goddelijker wordt zijn leven.
 
 

Het gebed is een dochter van het geloof, maar het is de dochter die de moeder moet onderhouden.
 
 

God laat zich slechts kennen naarmate de mens zichzelf wil kennen; dat stelt Hem voldoende veilig tegen alle wijsneuzen.
 
 

In het heidendom was het theater de eredienst. Dat is nu weer zo: eenmaal in de week wat communicatie met de Allerhoogste door middel van de fantasie.
 
 

In onze tijden bestaat vervolging niet meer: men heeft het christendom zo karakterloos gemaakt dat er niets meer te vervolgen valt.
 
 

Christus heeft geen docenten aangesteld, maar om navolgers gevraagd.
 
 

Christus zweette bloed toen Hij bad. De dominee toont met drie bewijzen aan dat het nuttig is om te bidden.
 
 

In het begin was er geen enkele christen; toen werden we allemaal christen, met als gevolg dat er weer geen christenen zijn. Zo staan we weer aan het begin.
 
 

Steeds meer wreekt zich dat aan het christendom iemand ontbroken heeft, die even scherp een diagnose over de ziekte kon vaststellen als dat hij een dialecticus was om vlijmscherp de twee kanten van één zaak bijeen te kunnen houden.
 
 

Gods gedachten zijn niet die van de mensen. Eens was het Gods idee dat er een reformatie nodig was: toen had niemand lust om hervormer te zijn. Nu wil iedereen hervormer spelen; men kan er dus zeker van zijn dat God niet aan een reformatie denkt.
 
 

Wij protestanten doen zo mogelijk alles om ieder mens een Nieuwe Testament in handen te spelen. En wat doen we dan? Dan verkondigen we alom dat er bij dit moeilijke boek allerlei leer en wetenschap nodig is om het te kunnen begrijpen.
 
 

Zoals de Paus zich veiligstelde met een verbod om het Nieuwe Testament te lezen, zo stelde het protestantisme zich later veilig met... geleerde exegese.
 
 

Lijden is één zaak, professor worden in het feit dat een ander leed is een tweede. Dat eerste is ‘De Weg’, dat tweede is: ‘Hoe kom ik er onder uit?’
 
 

Slechts één ding vindt men belangrijk tegenwoordig: net als alle anderen te zijn. Maar God eist primitiviteit; daarom is de bijbel zó geschreven, dat men naast elke bewering ook voortdurend het tegengestelde leest. Maar men klit liever samen in naäperij.
 
 

Christus heeft nooit gewerkt met het onderscheid tussen orthodox en ketters, maar wel met het verschil in vruchten waaraan men beide kan kennen.
 
 

Eerst was leren lezen een ernstige zaak voor het kind. Toen kwamen er plaatjes bij en bij elk kwartiertje lezen koekjes. Maar spoedig viel met dat kwartiertje ook heel het alfabet nog weg. En zo betekende ‘lezen’ tenslotte koekjes eten en plaatjes kijken. Zo ging het ook met het christendom toen het veranderde in christenheid.
 
 

Veel mensen menen dat de christelijke geboden (bijv. de naaste te beminnen als jezelf) opzettelijk te streng zijn gemaakt, zoals men thuis de wekker maar een half uur laat voor lopen om toch maar niet te laat uit bed te komen.
 
 

Door Godsvrees en vroomheid tot innerlijkheid te maken ondermijnde Christus heel het gebouw van wetjes, betrekkelijkheden, van de directe herkenbaarheid van de vroomheid, de objectieve meetbaarheid in het systeem van farizeeërs en schriftgeleerden: dat zij onder de schijn van Godsverering hun eigen uitvindsels aanbaden.
 
 

Jezus’ wondertekenen ‘beweren’ niets; zij konden hoogstens opmerkzaam maken en de ooggetuige in de juiste spanning zetten: wat kies je, de ergernis of het geloof? En wat dan in je keuze openbaar wordt, is je hart.
 
 

Het verschil tussen een genie en een christen ligt hierin, dat het genie van nature buitengewoon is, terwijl een christen in vrijheid buitengewoon is en dat moet ieder mens zijn. Daarom kwam het Voorbeeld Christus tot ons in de gestalte van een geringe dienstknecht: voor alles moest goed duidelijk worden dat het buitengewone in het gewone gelegen is en voor iedereen bereikbaar is.
 
 

Men heeft van het christendom een troost gemaakt en vergeten dat het een eis is; dat zal het steeds moeilijker maken om opnieuw het christendom te verkondigen.
 
 

Laten we niet vergeten dat Martha en Maria zusters waren.
 
 

De fout van de farizeeër (vgl. Lk. 18:9-14) is niet dat hij zichzelf hoger schat, want menselijk gesproken is hij inderdaad beter dan de tollenaar; zijn fout is dat hij die pretentie heeft in Gods huis, voor het aanschijn van God.
 
 

Wie God om iets bidt en vervolgens niet gelooft dat Hij het geeft, houdt God voor de gek.
 
 

Dat het christendom alleen maar voor de rijpere leeftijd en voor de bejaarden zou zijn, is een idee dat berust op een verderfelijke verwarring van ouder-geworden in lichamelijke met ouder-worden in geestelijke zin. Deze vergissing heeft als oorzaak dat veel jeugdigen een tijdje overspannen religieus zijn. En dan trekt men de verkeerde conclusie dat het beter is om het voorlopig maar kalm aan te doen.
 
 

Iemand die werkelijk christen is kan men herkennen aan wat Rebekka deed: ‘Ik zal niet alleen u te drinken geven, maar ook uw kamelen’.
 
 

Het christendom is geen leer, maar bestaansmededeling. Daarom begint het elke generatie weer opnieuw. Al die geleerdheid van vorige generaties is eigenlijk overbodig. Zij is wel niet te versmaden als zij zichzelf en haar grenzen kent, maar ze wordt gevaarlijk als dat niet het geval is. 
 
 

Bij Jezus’ gedaanteveranderingen stonden Mozes en Elia, d.w.z. Wet en Profeten, erbij. Zo moet het altijd zijn bij verrukkingen e.d.: de ontnuchtering bij de hand, opdat het gevaar van het fantastische niet insluipt.
 
 

De autoriteit die men als denker heeft zal zich moeten bewijzen doordat het woord in je mond één heel duidelijke gedachte uitdrukt.
 
 

Het christendom is vastgelopen in zijn eigen verstandigheid; om het weer uit die schuilhoek te krijgen zijn er nu christenen nodig die juist op het punt van verstandigheid nóg knapper zijn.
 
 

Hoe ontstellend eigenlijk dat Christus, de leraar in de liefde, verraden werd met een kus.
 
 

Het christelijke is niet het eenvoudige waarvan men uitgaat, om vervolgens interessant, geestig, diepzinnig, dichter, filosoof enz. te worden. Neen, het is precies omgekeerd: men begint met dit laatste en men moet dan steeds eenvoudiger en eenvoudiger worden om zo tot het christelijke te komen. Wie rijk begaafd is heeft dus tweemaal zoveel tijd nodig om tot dit punt te komen.
 
 

Net als elk individu, zo moet ook elke generatie eerst ‘op herhaling’ om zo de samenhang te verzekeren. Deze taak van repetitor valt toe aan het genie; hij komt wat langzamer op gang dan de gewone mens, omdat hij eerst de existentiële grondvormen van heel de afgelegde wereldgeschiedenis persoonlijk opnieuw wil doorlopen. Dat is zijn betekenis als correctief. Als het genie profetisch naar de toekomst wijst, kan hij dit slechts, dank zij zijn dieper besef van het verleden. Men kan deze wijze van vooruitgang natuurlijk geen ‘achteruitgang’ noemen, maar het is toch wel een achteruit-lopen om aldus eerst weer vat te krijgen op eigen primitiviteit. Om het leven naar voren toe te beleven, moet men het eerst naar achteren hebben verstaan.