FRIEDRICH NIETZSCHE  Twee  soorten  moraal  (Voorbij goed en kwaad, Boek IX , 260)

 

Tijdens een omzwerving door de vele fijnere en grovere soorten moraal die tot dusver op aarde hebben geheerst of nog heersen, ontdekte ik dat bepaalde kenmerken regelmatig terugkeerden en met elkaar samenhingen: tot zich ten slotte twee grondtypen aan mij openbaarden en er een fundamenteel onderscheid naar voren sprong. Er is herenmoraal en slavenmoraal ; -ik voeg hier direct aan toe dat er in alle hogere, meer gemengde culturen ook pogingen tot verzoening van die twee grondtypen waargenomen kunnen worden, maar vaker een mengeling ervan, een verkeerd begrip van beide, soms zelfs een koppig naast elkaar bestaan -zelfs in dezelfde mens, binnen één ziel. De morele waardeonderscheidingen zijn óf onder een heersende mensensoort ontstaan die zich met een gevoel van welbehagen haar onderscheid ten opzichte van de overheersten bewust werd, -óf onder de overheersten zelf, de slaven en afhankelijken van elk niveau. In het eerste geval, als de heersenden het begrip 'goed' bepalen, zijn het de trotse, verheven zielsinhouden die als het onderscheidende, de rangorde bepalende worden gevoeld. De voorname mens zondert de wezens van zich af waarin het tegendeel van die verheven, trotse inhouden tot uiting komt: hij veracht hen. Men merke hier meteen op dat de tegenstelling 'goed' en 'slecht' in dit eerste type moraal zoveel betekent als 'voornaam' en 'verachtelijk': -de tegenstelling 'goed' en 'kwaad' is van andere oorsprong. Veracht wordt de laffe, angstige, kleinmoedige, geborneerd om nuttigheid bezorgde mens; en ook de wantrouwige met zijn bevangen blik, de zich vernederende, het hondse type mens dat zich laat mishandelen, de bedelende flikflooier en vooral de leugenaar: -in hun hart geloven alle aristocraten dat het gewone volk leugenachtig is. 'Wij waarachtigen'- zo noemden zich de edelen in het oude Griekenland. Het ligt voor de hand dat morele waardekwalificaties overal eerst aan mensen en alleen indirect en pas laat aan handelingen werden gehecht: reden waarom het een ernstige vergissing is wanneer moraalhistorici van probleemstellingen uitgaan als 'waarom werd de medelijdende handeling geprezen?' De mens van het voorname type is voor zijn gevoel  zelf  waardebepalend, hij heeft geen goedkeuring nodig, hij oordeelt 'wat voor mij schadelijk is, is schadelijk als zodanig,' hij ziet zichzelf als iets waaraan de dingen pas hun eer ontlenen, hij is waardenscheppend. Alles wat hij over zichzelf weet, eert hij: zulk een moraal is zelfverheerlijkend. Op de voorgrond staat het gevoel van overvloed, van macht die wil overstromen, het geluk van de hoogspanning, het bewustzijn van een rijkdom die zou willen schenken en afstaan: -ook de voorname mens helpt de ongelukkige, niet of bijna niet uit medelijden, maar meer uit een drang die door de overstromende macht wordt veroorzaakt. De voorname mens eert in zichzelf de machtige én degene die macht over zichzelf heeft, die weet te spreken en te zwijgen, die met genoegen strengheid en hardheid jegens zichzelf betracht en eerbied voor al het strenge en harde heeft. 'Een hard hart legde Wodan mij in de borst', heet het in een oude Scandinavische sage: terecht zijn deze dichterlijke woorden uit de ziel van een trotse viking opgeweld. Dit type mens is er juist trots op niet geschapen te zijn voor het medelijden: de held van de sage voegt er dan ook waarschuwend aan toe 'wie niet al jong een hard hart heeft, bij hem wordt het nooit meer hard'. Voorname, dappere mensen die zo denken staan het verst af van de moraal die juist in medelijden, activiteit ten bate van anderen of désintéressement (= onbaatzuchtigheid) een blijk van moraliteit ziet; geloof in zichzelf, trots op zichzelf, een houding van elementaire vijandschap en ironie tegenover 'onbaatzuchtigheid' behoren al even stellig tot de voorname moraal als een lichte geringschatting en voorzichtigheid ten aanzien van medegevoel en een 'warm hart'. - Het zijn de machtigen die kunnen bewonderen, het is hun kunst, hun terrein waar ze hun uitvindingen doen. Diepe eerbied voor ouderdom en traditie - het hele recht berust op deze dubbele eerbied -, geloof en vooroordeel ten gunste van voorouders en ten nadele van nieuwe generaties zijn karakteristiek voor de moraal der machtigen; en als omgekeerd de mensen met 'moderne ideeën' bijna instinctief aan ‘vooruitgang' en 'de toekomst' geloven en steeds meer tekortschieten in achting voor de ouderdom, verraadt zich daarin al voldoende de weinig voorname oorsprong van deze 'ideeën'. Volkomen vreemd echter tegenover de moderne smaak staat de moraal der heersenden in de pijnlijke strengheid van haar principe dat men slechts tegenover zijnsgelijken plichten heeft; en dat men jegens de wezens van lagere rang, jegens al het vreemde naar goeddunken of 'zoals het hart het wil' en hoe dan ook 'voorbij goed en kwaad' mag handelen -: hier kunnen dan eventueel medelijden en dergelijke onder vallen. Het vermogen en de plicht tot langdurige dankbaarheid en langdurige wrok - beide slechts binnen het kader van zijnsgelijken -, de verfijning in de vergelding, het geraffineerde begrip in de vriendschap, een zekere noodzaak om vijanden te hebben (als het ware als afvoerkanalen voor de affecten afgunst, twistzucht, overmoed, - in wezen om een goede vriend te kunnen zijn) : dat zijn allemaal karakteristieke trekken van de voorname moraal, die, zoals gezegd, niet de moraal van de 'moderne ideeën' is en daarom tegenwoordig moeilijk na te voelen, uit te graven en bloot te leggen. - Anders is het gesteld met het tweede type moraal, de slavenmoraal. Indien de overweldigde, verdrukte, lijdende, onvrije, onzelfverzekerde en vermoeide mensen gaan moraliseren: wat zal dan de gemeenschappelijke noemer van hun morele waardeschattingen zijn? Waarschijnlijk zal er een pessimistische argwaan tegen de gehele situatie van de mens in tot uitdrukking komen, misschien een veroordeling van de mens met inbegrip van zijn situatie. Het oog van de slaaf beziet de deugden van de machtigen met afgunst: hij heeft scepsis en wantrouwen, hij heeft een subtiel wantrouwen tegen al het 'goede' dat daar geëerd wordt - , hij zou er zich van willen overtuigen dat het geluk zelf daar niet echt is. Omgekeerd worden die eigenschappen te voorschijn gehaald en met licht overgoten, die ertoe dienen de lijdenden het bestaan te verlichten: hier komen het medelijden, de gedienstige, hulpvaardige hand, het warme hart, het geduld, de vlijt, de deemoed, de vriendelijkheid tot eer en aanzien - , want dat zijn hier de nuttigste eigenschappen en bijna de enige middelen om de druk van het bestaan te verdragen. De slavenmoraal is in essentie een nuttigheidsmoraal. Dit is de ontstaansbron van die vermaarde tegenstelling tussen 'goed' en 'kwaad'  : - in het kwade worden macht en gevaarlijkheid gevoeld, een zekere vreeswekkendheid, verfijning en een kracht die geen verachting duldt. Dus volgens de slavenmoraal wekt de 'kwade' vrees; volgens de herenmoraal is het juist de 'goede' die vrees wekt en wekken wil, terwijl de 'slechte' als de verachtelijke mens wordt ervaren. De tegenstelling wordt tot het uiterste toegespitst als zich nu, getrouw aan de beginselen van de slavenmoraal, ten slotte ook aan de 'goeden' van deze moraal een zweem van minachting hecht - die licht en welwillend kan zijn - , omdat de goede binnen de denktrant der slaven in elk geval de ongevaarlijke mens moet zijn: hij is goedig, gemakkelijk te bedriegen, een beetje dom wellicht, un bonhomme (= een brave burger). Overal waar de slavenmoraal terrein wint, vertoont de taal de neiging de woorden 'goed' en 'dom' tot elkaar te laten naderen. - Een laatste fundamenteel verschil: het verlangen naar vrijheid, het instinct voor het verfijnde geluk van het vrijheidsgevoel, behoort net zo noodzakelijk tot de slavenmoraal en -moraliteit, als een kunstzinnige, geestdriftige eerbied en toewijding de vaste symptomen zijn van een aristocratische manier van denken en waarderen. - Op grond hiervan kan men zonder meer begrijpen waarom de liefde als passie - onze Europese specialiteit - beslist van voorname afkomst moet zijn: zoals bekend is zij een uitvinding van de Provençaalse troubadours, die schitterende inventieve lieden van het 'gai saber' (= vrolijke weten), aan wie Europa zoveel, bijna zichzelf te danken heeft. –

 

 

Vertaling  :  Thomas Graftdijk  (herzien door Paul Beers) ,  Amsterdam 1979/1999