DE ETHIEK VAN PLATO

 

Gangbare ethische opvattingen in Plato’s tijd

 

Ethica (of ethiek) is de tak van filosofie die zich bezighoudt met de vraag hoe de mens zich gedraagt, casu quo behoort te gedragen tegenover de mensen, dieren en dingen die hem omringen. In de vijfde en vierde eeuw voor Christus werd er in Griekenland heftig gediscussieerd over de vraag naar de oorsprong, status en geldigheid van ethische waarden.

Een bij de Grieken wijdverbreide opvatting over rechtvaardigheid - het centrale ethische begrip op sociaal gebied - luidt dat rechtvaardigheid gelijk is aan isotès (gelijkheid): dit houdt in dat iedereen krijgt waar hij recht op heeft. Onrechtvaardigheid wordt gedefinieerd als pleonexia (meer willen hebben): als de één meer neemt dan waar hij recht op heeft, krijgt een ander automatisch minder. De meeste mensen willen zo veel mogelijk voor zichzelf hebben, omdat zij menen dat ze daardoor eudaimones (gelukkig) worden; eudaimonia (geluk) is voor de meeste mensen gelijk aan hedonè (genot), en hedonè  is doorgaans gebaseerd op materiële genietingen, zoals geld, eten en drinken, mooie kleding en seks. Hierbij neemt men op de koop toe dat het voordeel van de één (zo veel mogelijk hebben) leidt tot het nadeel van de ander (minder hebben). Consequent doorredenerend kom je dan tot de conclusie dat je het slechte moet doen (onrechtvaardig handelen) om het goede te bereiken (je zo veel mogelijk toeëigenen). Dit is het standpunt dat met name door de Sofisten werd verdedigd.

Anderen stellen dat in een dergelijke situatie een normaal functionerende samenleving onmogelijk is, en concluderen dat er regels opgesteld moeten worden die garanderen dat iedereen krijgt waar hij recht op heeft.

 

Sokrates en Plato : eigenbelang en het belang van anderen

 

In de ethiek van Sokrates en Plato wordt deze ethische tweedeling opgeheven. Voor Sokrates en Plato kan het goede niet tegelijkertijd slecht zijn: iets wat goed is voor de één moet ook goed zijn voor de ander, want anders is het niet echt goed. Alleen als iemand doet wat in alle opzichten, onder alle omstandigheden en voor iedereen goed is, handelt hij goed. Dit goede handelen is eveneens goed voor het handelend subject zelf: het leidt tot eudaimonia . Het meest kernachtig wordt deze gedachte in Plato's dialogen weergegeven door middel van de dubbele betekenis van de uitdrukking eu prattein : dit betekent enerzijds 'goed handelen' (dus: goed voor anderen), maar tevens  'het goed maken' in de zin van 'gelukkig zijn' (dus: goed voor jezelf). Goed handelen is dus de weg tot eudaimonia . Omgekeerd is kakoos prattein zowel 'slecht handelen' (dus: anderen benadelen) als 'het slecht maken' (dus: zelf ongelukkig zijn).

Een cruciaal element in deze gedachtegang is dat het begrip 'goed' alleen betrekking heeft op de ziel van de mens. Bij Wijsgerige Antropologie is al uiteengezet dat voor Plato de ziel het wezenlijke element is van een mens, terwijl het lichaam slechts een woonplaats van de ziel is. Daarom kunnen materiële goederen nooit tot wezenlijk geluk leiden : ze behoren immers niet tot het domein van de ziel.

Sokrates leerde, in tegenstelling tot de sofisten, dat de ethische waarden, aretai , objectief vaststaan. In Sokrates' voetsporen kent Plato de aretai  de status van Vormen toe. Sokrates en Plato zijn er beiden van overtuigd dat de mens, om waarlijk goed te leven, moet leven volgens de objectieve Vormen van de aretai . Dit kan de mens pas echt doen als hij kennis heeft van deze aretai . Leven is namelijk een vak, een technè . Zoals een vakman pas goed functioneert als bij zijn vak volledig beheerst, zo kan de mens pas goed functioneren ( = gelukkig zijn) als hij kennis heeft van datgene wat tot goed leven leidt, namelijk de aretai . Daarom is de belangrijkste taak van de mens te proberen de Vormen van de aretai te leren kennen. Hierin ligt voor Sokrates en Plato het wezenlijke argument waarom mensen zich bezig moeten houden met filosofie. In de Euthydemos  zegt Sokrates het tegen de jeugdige Kleinias in de volgende woorden :  'Omdat jij gelooft dat wijsheid aan te leren is en de enige weg is tot geluk, ben je het toch met me eens dat het noodzakelijk is filosofie te beoefenen, en ben je toch zelf van plan dat te doen?'

 

Het hoogste geluk wordt bereikt door de filosofen

 

Degenen die echte kennis van de Vormen (en dus ook van de ware aretai) hebben zijn de filosofen. In de Politeia zijn zij dus degenen die bij uitstek in aanmerking komen voor het besturen van de staat : zij hebben kennis genomen van de Vormen, en in het bijzonder van de Vorm van het Goede, waardoor zij in staat zijn hun medeburgers te laten profiteren van hun kennis. In de taal van de  Grotvergelijking  : de bevrijde gevangenen moeten na het aanschouwen van de werkelijke wereld en de zon weer terug de Grot in. Dat vinden ze natuurlijk niet prettig, want ze hebben het gevoel dat ze ze zich  'op de eilanden der gelukzaligen'  bevinden, maar ze zien het rechtvaardige ervan wel in : ze hebben immers hun hele opleiding te danken aan de staat waarin ze zijn opgegroeid. En de ideale staat is niet ontworpen met het doel één bepaalde groep in het bijzonder gelukkig te laten worden, maar om de staat als geheel goed te laten functioneren. Voor de staat is dit volgens Plato een voordeel : als je mensen laat regeren die eigenlijk liever iets anders zouden doen en dus helemaal niet in macht geïnteresseerd zijn, weet je zeker dat ze geen misbruik zullen maken van hun positie.

Maar we leven niet in een ideale samenleving , laat Plato  Sokrates verzuchten.

In de huidige samenleving mogen filosofen gewoon blijven doen wat ze het liefste doen : zich bezighouden met filosofie, zonder deze in hun samenleving in praktijk te brengen. De filosoof kan zich dus wijden aan een  bios  theorètikos , een leven van beschouwing van de Vormen.

Het is het leven zoals dat ook geschilderd wordt in de  Diotima-passage  van het Symposion , waar de inwijding in  ta erotika (de liefde) haar voltooiing en bekroning vindt in het aanschouwen van auto to kalon  (het Schone zelf) : dit is de ware  eudaimonia .

 

Uit :Gerard Boter e.a. “Eudaimonia, Plato’s leerschool van het Geluk”,

(Hermaion – Emmeloord , 1998)